ZEVEN-ZEELANDEN (DE), naam, welken men in de middeleeuwen gaf aan die landen, welke vroeger het noordelijk gedeelte van het Friesche rijk uitmaakte.

Het Eerste Zeeland was, volgens de gewone verdeeling, het tegenwoordige West-Friesland of het grootste deel daarvan, strekkende zich uit van den stroom Kinhem of het Gat bij Petten tot aan het Vlie, zijnde het oostelijk gat van den Rijn, hetwelk, naar zijne gelegenheid en omdat het een gedeelte is van het oude westelijke Friesland, nog hedendaags den naam van West-Friesland behoudt. Het Tweede Zeeland is het eigenlijke hedendaagsche Friesland, gelegen tusschen het Vlie en de Lauwers, hetwelk van de Hollanders vaak verkeerdelijk, Oost-Friesland werd geheeten, en nog tegenwoordig bij de Oost-Friezen of Embderlanders, tot onderscheiding van hunne landstreek met den naam van West-Friesland wordt benoemd. Het Derde Zeeland is tusschen de Lauwers en de Eems, hetwelk thans gemeenlijk, naar de stad Groningen, Groningerland wordt geheeten. Deze drie deelen behooren tegenwoordig tot ons koningrijk; de overigen worden tot Duitschland gerekend. Het Vierde Zeeland strekte zich uit van de Eems tot aan de haven of de bogt van de Jahde, en wordt thans Oost-Friesland genaamd. In deze vier deelen nu duurt de Friesche roem nog met meer of minder aandeel van de aloude vrijheid voort; want de West-Friezen zijn naderhand onder het graafschap Holland gekomen, doch hebben, na de oprigting van de republiek der Vereenigde Nederlanden, te gelijk met de overige provinciŽn, hunne vrijheid herkregen. Maar de Oost-Friezen, die over de Eems lagen, hebben zich in de vijftiende eeuw onderworpen aan de grafelijke regering, doch zijn, sedert het uitsterven van de Graven, in 1744, onder de koninklijke beheersching van Frederik, Koning van Pruissen, gekomen, blijvende nogthans de oude vorm der regering, en behoudende een goed gedeelte van hunne oude vrijheid en voorregten; thans maakt het een deel van het koninkrijk Hannover uit. Het Vijfde Zeeland lag tusschen de Jahde en de Wezer, hetwelk het Over-Jahdensche of Butjadingerland genaamd wordt. Het zesde Zeeland was tusschen de Wezer en de Elve, zijnde tegenwoordig Hodelerland en eenige andere deelen van het langs de Noordzee gelegene hertogdom Bremen. Het Zevende Zeeland strekte zich van de Elve tot de Eider, alwaar de naam van Strandvriezen nog bekend is, begrijpende voornamelijk Ditmarsen, zijnde een deel van het hertogdom Holstein.

Deze Zeelanden werden door even zoo vele stroomen van elkander gescheiden. het eerste Zeeland werd van het tweede afgescheiden door het Vlie of de Vliestroom, stroomende thans, tusschen de eilanden Vlieland en Terschelling, in de Noordzee. Het tweede Zeeland, tegenwoordig het eigenlijke Friesland, werd ten Oosten bepaald door de Lauwers. het derde Zeeland had tot zijne oostelijke grensscheiding de Eems. Het vierde Zeeland werd Oostwaarts besloten door de Jahne, eene kleine rivier in het graafschap Oldenburg,. welke drie of vier Duitsche mijlen van haren oorsprong bij een dorp, hetwelk insgelijks Jahde genoemd wordt, een tamelijk breeden vloed maakt; stroomende wijders langs Butjadingerland naar de zee. Het vijfde Zeeland werd besproeid, en van het volgende, afgescheiden door de Wezer, in het Latijn Visurgis, eene der voornaamste rivieren in Duitschland, loopende door Hessen, Brunswijk, Bremen en Oldenburg, tot dat zij, niet ver van Karlstad, in de Noordzee valt. Het zesde Zeeland werd ten Oosten bepaald, door de Elve, die in het graafschap Schafgotsch ontspringt, Bohemen, Opper- en Neder-Saksen door stroomt en ten laatsten bij Risbuttel, veertien mijlen beneden Hamburg, in de Oostzee valt. Het zevende en laatste Zeeland had ongeveer tot zijne grenspaal de rivier de Eider, in het tegenwoordige Holstein, die haren oorsprong heeft niet ver van de Oostzee in het landschap Wagrie, de Hertogdommen Holstein en Sleeswijk scheidt, en voorbij Rensburg en Frederikstad vloeit, waarna zij zich, een weinig lager, een loop van 24 mijlen met vele kromten gemaakt hebbende, in de Noordzee werpt; en hier of hieromtrent was de grensscheiding van de Zeven Vrije Friesche Zeelanden. Hoe verre echter deze zich landwaarts in hebben uitgestrekt, kan bij gebrek aan genoegzame berigten niet naauwkeurig bepaald worden.

Ieder dezer landschappen schijnt zijne afzonderlijke overheden of regering gehad te hebben, onafhankelijk van elkander, en aan niemand onderworpen dan aan de Roomsche en Duitsche Keizers, onder welke zij in eene aangename vrijheid hebben geleefd, met onderscheidene aanzienlijke voorregten zijn begiftigd, levende doorgaans gerust, als zij niet door inwendige oneenigheid en verdeeldheid verontrust werden, hetgeen maar al te vaak plaats had, en oorzaak is geweest, dat velen hunnen, de eene voor, de andere na, hunne dierbare vrijheid en voorregten verwaarloosd hebben waardoor zij verzwakt en aan de naburige Vorsten en Mogendheden onderworpen geworden; terwijl zij zich zelven een juk op den hals hebben gehaald, waarvan sommige hunner nog niet ontslagen zijn. Ondertusschen hadden die Zeven Zeelanden eene onderlinge vereeniging met en betrekking op elkanderen, in sommige opzigten gelijk aan die der zeven provinciŽn der voormalige Republiek. Zij hadden tot gemeenschappelijk doel, om met elkander hulp de onderlinge rust en veiligheid te bevorderen, en hunne vrijheid en onafhankelijkheid, tegen de aanvallen van buitenlandsche veroveraars, te beschermen. Tot regeling van hunne belangen en om elkander met raad en daad te dienen, als ook tot instelling en handhaving van goede wetten en schikkingen, kwamen de afgezondenen uit de Zeven Zeelanden jaarlijks op Dinsdag na Pinksteren bijeen, bij den zoogenaamden Upstals- of Opstalsboom, eene plaats, gelegen in het tegenwoordige Oost-Friesland, zijnde een zeker hoog stuk lands, aan den open weg, eene halve mijl westwaarts van de stad Aurich, nog onder dien naam aldaar bekend. Dit veld was oudtijds negen honderd voeten (282,51 ell.) in het rond, en beplant met groote eikenboomen, die hunnen takken digt in elkander schoten en een schaduwachtig verblijf aan de vergaderde menigte verschaften. De Afgezondenen hadden alhier hunne vergadering onder den blooten hemel, bestaande uit de vier Staten van het geheele oude Friesland, alwaar men dan raadpleegde, over zware zaken, die het geheele Friesche gemeenebest aangingen, bijzonder om de gemeene vrijheid en vrede te handhaven, en besluiten te nemen of eenige hooge regters aan te stellen, in ieder bijzonder landschap. Wat hier besloten werd moest algemeen worden opgevolgd, en werd gemeenlijk met de woorden, ita placitum est (alzoo heeft het ons welgevallen), besloten, en met het algemeen zegel bekrachtigd.

Dit verbond droeg zeer bij, om de vrijheid en veiligheid dezer landen te verzekeren, vooral in tegenstelling van die naburige volken, welke door matige erfelijke Graven en Leenheeren overheerd waren. Het bleef tot in de vijftiende eeuw bestaan, doch overmoed en heerschzucht, deden toen dien schoonen band verbreken. ieder der Zeelanden stond nu op zich zelf, voerde oorlog met het ander, en verteerde zijne eigene krachten door bestendigen twist, geweldadige beroovingen en onverzoenlijken haat, tusschen Edelen, Geestelijken en Burgers onderling. De krachten van den adel werden hierdoor verzwakt, de steden en hare burgers namen in vermogen en aanzien toe; de strijd om het hoogste gezag werd hierdoor aangewakkerd; nijd en verbittering stegen tot openbare vijandschap; regt en wetten waren door het geweld krachteloos gemaakt; rustig en veiligheid waren uit den lande verdwenen (1).

(1) W. Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden D. I., bl. 75.