DRIELST, naam, onder welke de stad Ylst, prov. Friesland, in de wandeling meest bekend is. Zie Ylst.

DRILST, naam, dien de landlieden veelal geven aan de st. IJlst, prov. Friesland. Zie IJlst.

ILST, st., prov. Friesland in Westergoo. Zie Ylst.

KARMELITER-KLOOSTER, voorm. kloost. te IJlst, prov. Friesland.

Dit kloost. is gedurende den Spaanschen oorlog afgebroken. Ter plaatse, waar het gestaan heeft, ziet men thans een burgerhuis.

POPMA, voorm. adell. h., prov. Friesland, kw. Westergoo, in de stad Ylst; doch sedert eene reeks van jaren niet meer aanwezig.

POPMABUREN, naam, welken men geeft aan een gedeelte van de stad Ylst, prov. Friesland, kw. Westergoo, en wel dat gedeelte, dat in het noorden van de stad aan de Geeuw gelegen is.

YLOSTEIN, of Yslot, voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, arr., kant. en 1 u. Z. W. van Sneek, gem. en in het zuid-oostelijk gedeelte der stad Ylst, Uit den naam van dit slot zoude, bij verkorting de naam der stad Ylst ontstaan zijn. De laatste overblijfsels van dit gebouw zijn eerst in 1778 weggebroken.

YLST, gem., prov. Friesland. kw. Westergoo, arr. en kant. Sneek, (16 m. k., 8 s. d.), palende O. aan de gem. Sneek en zijnde overigens door de griet. Wymbritseradeel omgeven.

Zij bevat de st. Ylst, benevens den zoogenaamden Klokslag van Ylst; beslaat eene oppervlakte, volgens het kadaster, van 716 bund. 10 v. r., 77 v. ell., waaronder 671 bund. 25 v. r. 38 v. ell. belastbaar land, en telt 224 h., bewoond door 305 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 1400 inw., die meest in handel, scheepsbouw en boerderij hun bestaan vinden. De handel wordt voornamelijk gedreven in hout, schors, grutterswater, boter, kaas, vee enz. Ook heeft men er 7 scheepstimmerwerven, 2 looijerijen, 5 smederijen, 1 pekkookerij, 1 grutterij, 1 run- of schors- en 3 houtzaagmolens,

De Herv., die er ongeveer 1100 in getal zijn, onder welke 250 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Ylst, behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Tjalle Joukes, die in 1580 herwaarts kwam, en in 1582 of 1583 naar Oosterlittens vertrok. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.

De Doopsgez., die men er ongeveer 500 telt, onder welke 150 Ledematen, maken eene gem uit. Vroeger bestonden hier twee gem. der Doopsgezinden, eene Waterlandsche en eene Oudvlaamsche, welke zich in 1818 tot ne gem. vereenigd hebben. De eerste, die, na die vereeniging hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Jan Bruin Wz., die in 1818 herwaarts kwam, en in 1827 naar Koog-aan-deZaan vertrok.

De 6 R. K., die er wonen parochiren te Sneek.

Men heeft in deze gem. ne school, welke gemiddeld door 200 leerlingen bezocht worden.

De stad Ylst ligt bijna 1 u. Z. W. van Sneek, aan het vaarwater de Geeuw, hetwelk hier voor een klein gedeelte in het noordwesteinde doorloopt, en voorst zuidoostwaarts drie aanzienlijke takken geeft, wier middelste in de lengte genoegzaam door de geheele stad schiet, terwijl de noordelijke en zuidelijke, onder den naam van Dijgracht, er rondom heen loopen, en zich in het zuidoostelijk einde der stad, wederom in drie vaarwaters, waarvan een naar Jutrijp en elders loopt, verdeelen. De stad strekt zich dus, in de lengte, van het Noordwesten naar het zuidoosten uit, staande alle huizen, behalve die aan de Geeuw gevonden en Popma buren genaamd worden, ter wederzijden van het voornoemde vaarwater.

De naam oorsprong wil men afleiden, van gemelde binnegracht, die Ee of ? genoemd wordt, en aan welke oudtijds eene aanzienlijke stins of state gestaan heeft, toen bekend als het Yslot of Ylostein, waaruit bij verkorting de naam van Ylts of Ylst zoude zijn voortgekomen. Wanneer Ylst gebouwd of een begin gehad heeft, si niet te bepalen, dewijl de geschiedenis daarvan zwijgt; doch voorzeker mag men haar eene hooge oudheid toekennen; ook wil men, dat zij eertijds bloeijender en magtiger was dan de stad Sneek; doch dat het toenemen van laatstgemelde stad, in bloei en welvaart voor Ylst zeer nadeelig geweest is. De droevige verdeeldheden tusschen de Schieringers en de Vetkoopers, heeft tot haren minderen bloei ongetwijfeld veel toegebragt.

In het oud Friesch zoude deze stad eigenlijk Jelst moeten gespeld worde, doch door verbastering en verwarring hoort men haar nog zeer veel Drielst noemen, dat afkomt van Der of Ter Ilst.

Wanneer Ylst, bij sommigen in het Latijnsch Elostoe genaamd, allereerst gesticht zij, is onzeker. Zeker gaat het dat het eerst maar eene buurt was, welke door gedurige aanbouwing vervolgens een vlek werd, en omstreeks het jaar 1250 door den Potestaat van Friesland, Sikke Sjaardema en s lands Staten reeds stedelijk voorregten ontving. In 1379 verkreeg deze stad, uit naam van Karel IV, het regt om eene weekmarkt te houden, alsmede eene jaarmarkt op twee na elkander volgende dagen, die den dag van St. Mauritius opvolgden. In 1783 werd de vervallen weekmarkt wederom op nieuw aangelegd, en gesteld op Maandag, doch deze bestaat thans niet meer. In plaats der oude verwaarloosde jaarmarkten werden er destijds ook twee nieuwe aangelegd; als eene in het voorjaar in Mei en eene in het laatst van October, van welke de eerste is afgeschaft en de laatste thans mede weinig beteekent.

In 1477 werden de voorregten van Ylst op nieuw door regt en Raden der Steden, landen en deelen van Westergoo, plegtig binnen Sneek bevestigd en vastgesteld, waarbij uitdrukkelijk bepaald werd, dat de zoogenoemde Pepene pointen van Wymbritseradeel, aan deze privilegien niet het minste mogten hinderen. Toen daarna het Saksisch bewind over deze provincie eenen aanvang nam, klaagden die van Ylst aan den hertog, dat hunne voorregten door de Sneekers en den Grietman Schelte van Liauckema verkort en geschonden waren, waarvan het gevolg was, dat Hertog George, des Roomschen Rijks Erfgubernator en Potestaat, zijnen Stadhouder Hugo, Burggraaf van Leterkig?, aanbeval, de Sneekers en het bestuur van Wymbritseradeel te gebieden, de inwoners van Ylst hunne oude voorregten rustig te laten genieten, tot dat zijne vorstelijke genade zich daarover nader zoude verklaren. Deze brief of dit bevel, werd gegeven te Harlingen den 26 Augustus 1502. In 1504 werd de stad door den zelfden Gubernator begunstigd met het voorregt, om, zoo als in andere steden plaats vond, hunne eigene Raden, Burgemeesteren en Schepenen te worden bestuurd, en het bestuur tevens opgelegd, om den stroom, die door de stad loopt, door wijze maatregelen diep en zuiver te houden. Onder de stukken der Bourgondische regering, vindt men nog eene bijzondere aanschrijving van den Stadhouder George Schenk, van het jaar 1527, waarbij die van Ylst verpligt werden, de dijken, wegen, bruggen, dammen, zijlroeden, slooten en uitwateringen, onder hun ressort behoorende in orde en schouwbaar te houden.

Weleer had Ylst geen gewone stadsregering van Oldermannen, Burgemeesteren en Raad, gelijk de andere steden, maar eenen zoogenaamden ? met zijne Mederegteren, die echter genoegzaam hetzelfde regt en magt hadden als de Olderman, Burgemeester en Raad der andere steden. Later bestond de regering der stad uit vijf Burgemeesteren en daarenboven twaalf Raden inde vroedschap. Alles volgens het Reglement, door den Raad van State, van wege de Algemeene Staten, op de regering dezer stad gemaakt, in het jaar 1637.

Ylst heeft geene wallen of muren, doch de straten zij met lommerrijk geboomte beplant, hetwelk de stad geen onvermakelijk aanzien geeft.

Ter bevordering van den bloei der stad oordeelde de regering, dat eene algemeene koemarkt van wezenlijk nut zou kunnen zijn.; daarom kocht zij, in 1783, zekeren ruimen langwerpigen vierkanten tuin, in het midden der stad, tegenover het stadhuis gelegen, en liet dien tot eene openbare marktplaats in gereedheid brengen. Deze plaats was geplaveid en ter wederzijde, gelijk ook van achteren, met huizen bebouwd, hebbende in het midden eenen poort aan het water, om het vee daar uit de schepen te lossen, doch van voren aan de straat was de markt open, en alleen voorzien met eene dubbele rij palen. Deze markt kon over de 300 runderen bevatten, zooals in 1785 is gebleken, doch zij is nu vervallen.

In 1736 werd het oude Stadshuis, nagenoeg in het midden der stad, tegenover de voormalige beestenmarkt, geheel afgebroken, en in plaats daarvan een nieuw gebouw tot dat einde gesticht. DE Freules Dorothea en Juliana van Galama, hebben daaraan den eersten steen gelegd, zij waren met hare jongere zuster de eenigste overgeblevenen van dat adellijk geslacht; zijnde de laatste stamhouder, Antonius Sixtus van Galama, overleden den 28 Julij 1737. Ten jare 1770 werd het oude stamhuis van Popma van stadswege aangekocht, en het stadshuis daarmede bijna de helft vergroot; op de bovenverdieping is eene Burgemeester-, Raad- of oude Vroedschaps-kamer en eene Secretarie; alle fraaije en zeer geschikte vertrekken. Onder heeft men eene kamer voor de suppoosten en eene gevangenis.

In het jaar 1783 werd eene nieuwe en ruimere Waag gebouwd, naast het Stadhuis welke, aan de drie zijden, met overdekte gaanderijen omringd was, en op den grond stond, welken de oude waag voorheen gedeeltelijk besloeg. Deze waag is echter in 1832 afgebroken en op de plaats, waar zij gestaan heeft, eene zeer doelmatige stadsburgerschool gebouwd, die den 18 Junij van dat jaar voltooid was.

In het zuidoostelijke gedeelte der stad, stond voorheen het oud adellijke stins of slot Ylostein (Zie dat woord.). In het Zuidwesten had men dat van den Edelen Heer Rispens. Niet onwaarschijnlijk heeft men hier voordezen meer oude adellijke gestichten heeft gehad: althans schijnt men zulks uit de menigte wapenen, die in de oude kerk aanwezig waren te moeten besluiten.

Ter plaatse, waar later de koemarkt was, stond vroeger de stins van den Kolonel Hettema, met geschilderde glazen, vereerd door de volgende adellijke personen van dien tijd, als: Taco van Galama, Anna van Galama, Doitze van Bonga, Frans van Eysinga, Auck Auckema, Worp van Tjessens, Ida van Galama en Titus van Galama.

De kerk, welke hier vroeger stond, was vr de reformatie aan den H. Mauritius toegewijd. De pastorij, zooals uit een handschrift der Utrechtsche kerk blijkt, plagt van ouds 150 goudgl. (225 guld.) op de brengen. De parochiekerk is ook door Nicolaas, Aartsbisschop van Jadura, en door meer andere Bisschoppen, en onderscheidene aflaten begiftigd geweest, welke op St. Mauritiusfeest en meer andere dagen in den brief uitgedrukt, te verdienen waren. De Pastoor van Ylst was een Monnik, misschien uit de orde der karmelieten, die daar een klooster hadden. In het jaar 1437 stond hier als Pastoor Hendrik van Dijl (De Dyla), die met den Kapitein Epo Harinxma, mitsgaders de gansche gemeente der Parochiekerk van Ylst, zoo als de woorden der stichting luiden, hier eene altijd durende vikarij gesticht heeft. Die vikaris, op eene wettige wijze gekozen, zoude aan volkomene magt hebben, "om de missen in kerkelijke diensten aan het hooge altaar te doen; Gods woord aan de Christen-geloovigen te preken, aan de zieken van de gemeente, zoo die nu ziek zijn, als die het worden zullen, het sakramenten der kerk te bedienen; de kinderen te doopen en dooden ter aarde te bestellen; voorts om alle en iedere heilzame en regelmatige bediening in gemelde kerk en parochie te verrigten en uit te voeren; dewelke den waarachtigen Pastoor van Ylst van regtswege, of uit kracht van zekere privilegie of ordonnantie, of van de gewoonte toekomen. Eindelijk dat deze vikaris, zoo binnen als buiten de kerk, zijnen Pastoor gelijk zal zijn in alle voorgemelde en boven uitgedrukte bedieningen en in alles wat den Pastoor, gelijk gezegd is, toekomen mag. "Deze brief is geteekend den 22 Maart 1437. De gemelde stichting en begiftiging is goedgekeurd en bevestigd door Rudolphus van Diephout, verkoren Bisschop van Utrecht. Deze kerk stond voorheen in het oostelijk gedeelte der stad, op de tegenwoordige begraafplaats; een fraai steenen gewelf, twee reijen pilaren en een welklinkend orgel, goede gestoelte en een ruim koor, gaf daaraan een zeer goed aanzien. Dit gebouw werd echter van tijd tot tijd bouwvalliger, en het steenen gewelf begon zich hier en daar te begeven, waarom men het in 1828 liet afbreken, en eene nieuwe kerk, kleiner van omvang dan de oude, doch genoegzaam groot, in 1830 opbouwde. Inmiddels hielden de Hervormden eenen tijd lang hunne godsdienst-oefeningen in de kerk der Doopsgezinden, hun daartoe door deze laatste gezindte, voor zoo lang noodig was, broederlijk des namiddags afgestaan. Dit schoon gebouw, dat met eenen fraaijen ingang en spitsen toren prijkt, en bovendien met een nieuw orgel voorzien is, staat niet op de plaats der oude kerk, maar tegenover het stadhuis, op het plein, dat in 1783, door het bestuur van Ylst, tot eene veemarkt is aangelegd. Ter plaatse, waar de oude kerk gestaan heeft, vindt men de begraafplaats der Popmas gedekt met zware zerksteenen, met latijnsche opschriften en verzen, doch die door ouderdom onleesbaar zijn geworden. In de oude kerk heeft eene marmeren tombe bestaan, ter eere van den Heer Abrahamus Fredericus Schuerman, welke, op hoog aanzoek, in het jaar 1854, is afgestaan aan het destijds nog bestaande Athenaeum te Franeker.

De tegenwoordige kerk der Doopsgezinden, aan de westzijde van de Ee of Ie, is die van de voormalige Waterlandsche Doopsgezinden. Het is een klein, doch net gebouw, zonder toren of orgel.

Die, welke vroeger bij de Oud Vlaamsche Doopsgezinden in gebruik was en in de oostzijde van evengenoemde Ee stond, si afgebroken.

Weleer had men te Ylst ook een klooster der Karmelieten. Zie Karmeliter-Klooster.

Er is aldaar een Departement der Maatschappij: Tot Nut van t Algemeen, hetwelk den 1 Februarij 1805 is opgerigt en ongeveer 20 Leden telt.

Ylst mag roem dragen op het adellijk geslacht van Popma, dat onderscheidene geleerde mannen heeft geleverd, Auke Popma, met zijne echtgenoot, Jouk van Hettinga, hadden vijf zonen met name Siktus (Sikke) Titus (Tiete), Cyprianus (Sipke), Augustinus (Auke) en Riene. Eerstgeoemde werd te Dole, in Bourgondie(), Doctor in de regten en schreef C. Celeus, de arte Dicendi, Tiete over de Epistolae Familiares van Cicero etc. Sipke of Cyprianus over Sallustius, en Auke schreef onderscheidene geleerde verhandelingen. Hessel, zijnde een zoon van Tiete of Titus, heeft iets over Curtius in het licht gegeven, en was tevens een bekwaam sterrekundige. Ook was hier geboren Richt Hynus?, die, in 1547, de eerst Doopsgezinde martelares in Friesland geweest is.

Ten tijde van de droevige verdeeldheden tusschen de Schieringers en Vetkoopers heeft Ylst veel geleden. Het was altoos de Schieringers toegedaan en heeft dus van den overlast en de baldadigheden der verbasterde Vetkoopers ook rijkelijk haar aandeel gehad, zijnde meer dan eens door hen ingenomen, geplunderd en verbrand.

Bij den watervloed van Februarij 1825 konden de bewoners dezer stad, alwaar het water aan de noordzijde tot op de straten stond, zich van dit buitengewoon verschijnsel in het eerst geen denkbeeld vormen, doch toen men den aandrang uit het Zuiden met eene tegenovergestelde windstreek vernam, vermoedde men, dat er eene dijkbreuk had plaats gehad, hetgeen nader bleek waar te zijn. Des Zondagsmorgens stond het, bij den hoogsten waterstand, tot zes palmen in vele huizen, waardoor 50 huisgezinnen op de zolders of bij anderen moesten verblijven. Vijf boeren, onder het behoor der stad, vlugtten met verlies van eenige schapen, deerwaarts, en vele daglooners kweten zich pligtsmatig, in het helpen van vee in den omtrek.

Het wapen dezer gem. bestaat in een veld van azuur met een schip zonder roer van goud.

YLST, kerk. ring, prov. Friesland, klass. van Sneek.

Deze ring bestaat uit de volgende tien gemeenten: Gaastmeer-en-Nijehuizum, Heeg, Jutryp-en-Hommerts, Nieuwland-Oosthem-Abbega-en-Follega, Oppenhuizen-en-Uitwellingerga, Oudega-Idsega-en-Sandfirde, Wolsum-en-Westhem, Woudsend-Ypekolsga-Smallebrugge-en-Indijk en Ylst. Men heeft er 17 kerken, waarin de dienst gedaan wordt door tien predikanten en telt er 5100 zielen, onder welke 1850 Ledematen.