BIRD, voorm. b., prov. Friesland, kw. Westergoo, in het Noordoosten der stad Workum, later aan die stad getrokken.

EMGEBUURT, voorm. buurtje, prov. Friesland, kw. Westergoo, ten N. van de stad Workum, later aan die stad getrokken.

HEIDENSCHAP (HET), streek lands, prov. Friesland, kw. Westergoo, tot de gem. Workum behoorende.

De inw. vinden meest hun bestaan in den landbouw en veeteelt; terwijl men er ook drie eendenkooijen aantreft.

Bij den watervloed van Februarij 1825 is deze streek geheel ondergeloopen, en heeft daardoor groote schade geleden.

HOTTINGA, voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, in de stad Workum, bij de kerk.

Zij werd bezeten door een der Heeren van het geslacht van dien naam, hetwelk aldaar veel deel had in het burgerlijk bestuur.

Deze stins is waarschijnlijk verwoest gedurende de twist tusschen de Schieringers en Vetkoopers.

INTHIMA, Inthjema of Intjema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo,, arr. en 4 u. W. ten N. van Sneek, kant. en 1/2 u. N. O. van Hindeloopen, 1/2 u. Z. van Workum, waartoe zij behoorde, in de bedijkte Workumer-Nieuwland.

INTHIMAHUIS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 4 u. W. ten N. van Sneek, kant. en 1/2 u. N. O. van Workum.

Deze state behoorde voormaals aan het edele geslacht van dien naam. Zij werd in 1325 door de Bourgondiërs, onder Johan van Wassenaar en George Schenk van Tautenburg, die de stad Workum door storm veroverd hadden, afgebrand. Eenige jaren later is er, door Frederik Inthima, weder een nieuw huis gesticht, dat in het zuidwesten, nabij de kerk, heeft gestaan.

NIEUWLAND (HET WORKUMER-), pold., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, voor het grootste gedeelte gem. Workum, en voor een zeer klein gedeelte gem. Hindeloopen; palende N. en O. aan den Klokslag-van-Workum, Z. aan den Klokslag-van-Hindeloopen, W. aan de Zuiderzee.

Deze pold., welke in het jaar 1623 bedijkt is, bestaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 482 bund. 81 v. r. 97 v. ell. schotbaar land, als: onder Workum, volgens het kadaster, 444 bund. 9 v. r. 67 v. ell.; onder Hindeloopen, volgens het kadaster, 38 bund. 72 v. r. 30 v. ell.; telt 13 h., waaronder 9 boerderijen, allen onder Workum, benevens eenen vuurtoren, op den westelijken uithoek. Hij wordt door twee molens van het overtollige water ontlast. het polderbestuur bestaat uit eenen President, tevens Gecommiteerde en Ontvanger en drie gecommitteerden, waarvan een teven fungerend Secretaris.

TJALLINGSMEER, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet., gem. en 1 u. Z. Z. O. van Workum, onder den klokslag dier stad. - Het staat ten N. W. in gemeenschap met de Hoytepoel en ten Z. met het Rooschuurster-meer.

WARKUM, oude naam van het stadje Workum, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Workum.

WESTEREND, voorm. b., prov. Friesland, kw. Westergoo, nabij Workum, later aan de stad getrokken.

WEST-WORKUM, voorm. state., prov. Friesland, kw. Westergoo, W. van het tegenwoordige Workum, welke in de vijftiende eeuw in de Zuiderzee schijnt verzwolgen te zijn.

WISCHE, voorm. b., prov. Friesland, kw. Westergoo, nabij Workum, later aan de stad getrokken.

WORKUM, gem., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen (13 m. k., 8 s. d.); palende N. aan Wonseradeel, N. O. aan Wymbritseradeel, Z. O. aan Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde en aan de gem. Hindeloopen, W. aan de Zuiderzee.

Deze gem. bestaat uit de st. Workum, benevens de Klokslag-van-Workum, waartoe verschillende buitenbuurtjes, het Heideschap, het drooggemaakte Kolmeer en ver het grootste gedeelte van het Workumer-Nieuwland, behooren. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 2929 bund. 62 v. r. 82 v. ell., waaronder 2578 bund. 77 v. r. 34 v. ell. belastbaar land; telt 536 h., bewoond door 730 huisgez., uitmakende eene bevolking van 3200 inw., die hoofdzakelijk door de zeevaart hun bestaan vinden.

Men vindt aangeteekend, dat in 1781 het aantal kofschippers, dat hier woonde, op 66 en dat der pottebakkerijen op 17 begroot werd. Eene reeks van bekende oorzaken hebben voorzeker het meeste toegebragt, om deze bron van welvaart zeer te verminderen. Thans heeft men hier, even als in de meeste steden, eenen overvloed van winkel- of neringdoende burgers in vele takken van koophandel en men drijft er ook handel in paling op London. Men heeft er mede eenige fabrijken en trafijken, als: 1 kalkbranderij, 3 pottebakkerijen, 2 pannenbakkerijen, 2 scheepstimmerwerven, 1 zoutbranderij, 1 leerlooijerij, 1 zeepziederij, 1 boekdrukkerij, 1 lijnbaan, 1 wind- en 1 paardenolie-, 1 pel-, 1 koorn- en 1 houtzaagmolen. Vroeger bestond er hier nog 1 houtzaagmolen en 1 aardenwerkfabrijk voor Frankforter of zoogenaamd Venloosch aardenwerk, doch de eerste heeft sedert twee en de laatste sedert zes jaren opgehouden te bestaan.

De Hervormden, die er 2200 in getal zijn, onder welke ruim 350 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum, behoort en door twee Predikanten bediend wordt. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Theunis Klaasses van Wassenaar, die in het jaar 1583 hier was, en in het jaar 1587 of 1588 naar Stiens vertrok. De eerste tweede Predikant was Jacobus Dominici Valrichemius (Jakob Douwes van Workum), die in het jaar 1612 herwaarts kwam, en in het jaar 1617 of 1618 overleed. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.

De Doopsgezinden, die er 110 in getal zijn, maken, met die uit de d. Ferwoude, Nijehuizum en omstreken, eene gem. uit, welke reeds in de zestiende eeuw schijnt bestaan te hebben, en 170 zielen, onder welke 80 Ledematen, telt. Het beroep van den Predikant geschiedt door den kerkeraad.

De Evangelisch-Lutherschen, die er ongeveer 40 in getal zijn, maken met die uit de gem. Sneek, Hindeloopen en Stavoren en de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, Wonseradeel en Wymbritseradeel, eene filiaal gem. van Harlingen uit, die 80 zielen, onder welke 40 Ledematen, telt. Vóór 1842 moesten de Evangelisch-Lutherschen van Workum te Harlingen ter kerk gaan, doch in dat jaar is zij eene filiaal gem. van Harlingen geworden, waarin de dienst of door eenen vasten Proponent of door den Leeraar van Harlingen verrigt wordt.

De Roomsch-Katholijken, van welke men er 850 telt, maken, met die uit de st. Hindeloopen en de d.: Ferwoude en Nijehuizum eene stat. uit, welke tot het aartspr. van Friesland behoort; ruim 650 Communikanten, telt, en door eenen Pastoor bediend wordt.

Men heeft in deze gem., twee Stads-Burgerscholen, waarin ook arme kinderen onderwijs genieten; eene Bijzondere school, in het Heidenschap, een Zondags-Armen-school en eene soort van Bewaarschool, welke gezamenlijk gemiddeld door een getal van 420 leerlingen bezocht worden.

De stad Workum, eertijds Wolderkum, ook wel Waldrichum, in het Latijn Vorcumum, ligt 4 u. W. ten Z. van Sneek, 1 1/4 u. N. O. van Hindeloopen. Zij bestaat uit twee zeer lange rijen huizen, welke gebouwd zijn langs de vaart de Wymerts, welke uit de Trekvaart en Diepe-Dolte, in eene zuidwestelijke rigting, door deze stad stroomt en zich, met de Drooge en Diepe-Dolte, door eene groote zeesluis, in de Zuiderzee ontlast. Buiten deze sluis is, langs den zeedijk van het Workumer-Nieuwland, eene lange buitenhaven van paalwerk, het Workumer-zool genoemd.

De geschikte ligging van deze stad, als zeeplaats, was de oorzaak dat Workum, vooral in vroeger dagen, een groot aandeel had in de vrachtvaart met kofschepen, welke thans geheel vervallen is. Onder de huizen zijn eenige weinige, die zich door grootte en fraaiheid onderscheiden, de meeste andere zijn niet groot, doch vele van binnen net en zindelijk ingerigt. Behalve de zoogenaamde Bagijnenstraat en de Nonnenstraat, nabij de Markt, vindt men hier nog slechts drie kleine stegen.

Wegens den oorsprong van den naam der stad kan niets met zekerheid gezegd worden. Men zou kunnen gissen, dat het woord wald of woud aan een boschrijk oord doet denken, en aannemende, hetgeen sommigen als zeker stellen, dat het oude Waldrichem meer westwaarts, op eenen aanmerkelijken afstand van de tegenwoordige Friesche kust, gebouwd is geweest, dan is het niet geheel onwaarschijnlijk, dat het aldaar of in den omtrek boschrijk was. Men denke hier aan het Kreiler-bosch. Dat de uitgebreide waterplas de Zuiderzee voorheen droog en vruchtbaar land was, bebouwd met onderscheidene bewoonde dorpen en plaatsen, is over bekend, en men weet, dat dit weleer althans het geval was in het Noordwesten der stad Harlingen, wier bewoners bij het ontstaan van dezen zeeboezem zich meer oostwaarts hebben nedergezet. Dit in aanmerking genomen zijnde, zoo wel als hetgeen wij van Stavoren en Hindeloopen daaromtrent vinden aangeteekend, kan het niemand bevreemden, dat de stad Workum, als het ware, verplaatst of herbouwd is geworden. Wanneer echter de afscheiding van de oude stad en den waterkant gebeurd, of de tegenwoordige stad gebouwd zij, is, uit gebrek aan narigt desaangaande, niet op te geven, en ligt alzoo in de duisternis der eeuwen begraven.

Men kan met genoegzame zekerheid stellen, dat ter plaatse, waar Workum thans is, reeds vóór dat de Zuiderzee bekend was, eene groote uitwatering is geweest naar het meer Flevo; waarvan het nut en voordeel denkelijk heeft veroorzaakt, dat onderscheidene hoogten of terpen ter wederzijden daarvan zijn opgeworpen, en dat vele huisgezinnen daarop hunne woningen hebben gevestigd; er zijn althans tot op heden blijken van zes zoodanig gebouwde gebuurten zigtbaar. De gelegenheid van die uitwateringen en het daaruit voortspruitende voordeel heeft zekerlijk allezins den aanbouw van huizen daaraan bevorderd, en dat alles door den tijd meer en meer naar ene stad doen lijken. Het is echter niet bekend, wanneer Workum voor eene stad is erkend en stadsprivilegiën heeft gekregen. Het vroegst, dat wij Workum als eene stad gemeld vinden, is in een charter van het jaar 1374.

Uit de afbeelding van de stad bij Schotanus, en uit eene andere proclamatie van vervreemde vastigheden in de zestiende eeuw, schijnt te blijken, dat deze stad ook twee poorten heeft gehad, eene aan het Zuid- en eene aan het Noordeinde; dan het is waarschijnlijk, dat men die, omdat de stad daardoor niet afgesloten kon worden, al voor lang heeft doen afbreken. Men wil ook, dat nabij de sluis eenige flaauwe merkteekenen zouden zijn van eene vroeger bestaan hebbende schans of andere versterking.

De stad heeft in het midden een fraai Marktplein, waaraan het Stadhuis, de Waag en de Grootekerk gebouwd zijn, en waarop de jaar- en weekmarkten gehouden worden. De jaarmarkten vallen in den 8 Mei en den 8 September.

Het Stadhuis, staande in den zuidoosthoek van de Markt, is een zeer deftig, vierkant gebouw, geschikt voor het oogmerk van de stichting, met eenen hoogen trap of opgang. Het benedenste gedeelte van dit gebouw wordt gebruikt tot eene niet onaanzienlijke herberg.

De Waag, aan de Zuidwestzijde der Markt, is een eenvoudig doch zeer doelmatig ingerigt gebouw, boven hetwelk het Wachthuis is.

Voortijds gaf een groot kasteel, Inthiemahuis genaamd, en een weinig bezuiden de kerk, aan de Wymers staande, geen gering sieraad aan de stad. Dit gebouw, hetwelk lang aan het adellijke geslacht van Inthiema, dat veelal het eerste in de stadsregering was, toe behoorde, werd wel eens Dwang-van-Workum geheeten. In het jaar 1523 werd dit slot door de Bourgondiërs, onder bevel van Johan van Wassenaar en George Schenck van Toutenburg, die de stad veroverd hadden, afgebrand, doch eenige jaren is, in plaats daarvan, door Frederik van Inthiema een fraai nieuw huis gesticht; nadat dit geslacht echter uitgestorven was, is dat gebouw in 1726 afgebroken. men had te Workum voorheen nog eene andere stins, Hollinga genaamd, staande aan de Zuidoostzijde, nabij de kerk. Dit slot, dat door het geslacht der Hollinga's bezeten werd, die aldaar veel deel in het bestuur der stad hadden is daarna, vermoedelijk in de binnenlandsche twisten, tusschen de Schieringers en Vetkoopers, weggeraakt.

De kerk, welke vóór de Reformatie aan de H. Geertruida was toegewijd, en destijds 150 goudguld. (225 guld.) opbragt, had eene vikarij der H. Maagd Maria ter waarde van 100 goudguld. (150 guld). en drie prebenden, door de wandeling vrij-leen genaamd. De eerste van die prebenden bragt 100 goudguld. (150 guld.) op, de tweede 80 goudguld. (120 guld.), de derde 70 goudguld. (105 guld.). Het is eene groote en fraai gebouwde kruiskerk, die voor dezen met een torentje pronkte, doch hetwelk, door den zwaren storm van Januarij 1735 daar afgewaaid zijnde, sedert niet weder is opgebouwd. Een zware, en naar de oude wijze, in de smaak van die van Oldehove te Leeuwarden, gebouwde toren, van 27,30 ell. hoogte, buiten het korte spits, staat 9 ell. ten Westen van de kerk af. Doordien er, zelfs voor eenige jaren nog eene groote menigte van uitstekende steenen aan de zuidoost- en noordoostelijke hoeken van dien toren zigtbaar waren, welke in het jaar 1826 zijn afgebikt, beweren sommigen, dat de kerk en toren voorheen aan elkanderen verbonden zijn geweest, en zoo gescheiden zouden zijn na eenen hevigen brand, welke de kerk in vroeger tijd heeft ondergaan; dan, behalve dat van andere gebouwen in Friesland, die nog heden van zoodanige verbandsteenen voorzien zijn, onloochenbaar kan worden bewezen, dat zij nooit aan een naburig gebouw verbonden zijn geweest, is er geen grond van waarschijnlijkheid, dat, na het afbranden der kerk, reeds aan den toren verbonden, de steenen van het verband zoo menigvuldig en zoo gaaf zouden kunnen overblijven, als die nog heden zijn. Het blijkt, uit een charter van 11 Januarij 1555, dat de kerk, in het begin van die eeuw, twee maal geheel is afgebrand; waarschijnlijk is het, dat men, bij de laatste opbouwing, ten oogmerk hebbe gehad, om de kerk tot aan den toren te verlengen, en daarmede te verbinden, doch dat eene wettige reden dat voornemen hebbe verijdeld, denkelijk gebrek aan geld; immers blijkt uit het zelfde charter, dat bij die laatste opbouwing, in het jaar 1555, dat gebrek reeds zoo groot was, dat, om die kerk zoo ruim te maken als zij thans is, Koning Filips aan de ingezetenen van Workum heeft toegestaan, om, voor den tijd van tien jaren, de opkomsten van vier Beneficiën ook daartoe te gebruiken. In 1826 is deze kerk herbouwd, waartoe uit het fonds voor noodlijdende kerken de aanzienlijke som van 6000 gulden is toegestaan. Het tegenwoordige orgel der kerk, hetwelk geacht wordt zeer goed te zijn, is gemaakt is het jaar 1697 door Mr. Jan Harmens van Berlikum. Dit orgel is geheel verbeterd en verfraaid in het jaar 1839, waartoe eene som van 600 guld. tot goedmaken der kosten door Kerkvoogden, Notabelen en eenige der gegoedste gemeenteleden, bij vrijwillige inteekening, is bijeen gebragt. In 1834 is eene nette welingerigte Avondmaaltafel met de daarbij behoorende banken, door den Heer Johannes Wijbrands Meijer, Kerkvoogd dezer gemeente, aan de kerk geschonken.

De kerk der Doopsgezinden, aan de Wymerts, een weinig binnenwaarts ten Z. O. van de straat staande, is zeer goed, en heeft twee deftige ingangen en van binnen twee gaanderijen, doch geen toren of orgel.

De Evangelisch-Luthersche kerk, den 1 Februarij 1842 ingewijd, door den Proponent Andries Hendrik Broens, destijds Hulp-prediker te Harlingen, is het huis, waarin de beroemde Petrus Tiara ten jare 1514 geboren werd. Het is een tamelijk net gebouw, zonder toren of orgel.

De R. K. kerk, aan de noordzijde der stad, in de zoogenaamde Priesterhoek staande, en aan de H. Werenfridus toegewijd, is omstreeks het jaar 1770 gebouwd. Zij is zeer fraai en van een orgel voorzien, doch heeft geen toren.

Voorheen was hier ook nog eene Gasthuiskerk, aan de Wymers, voorzien van eenen hoogen toren, doch deze is, in het jaar 1757, weggebroken en het kerkgebouw, eerst tot een werk- en spinhuis voor onvermogenden ingerigt, dient thans tot stadspakhuis.

Zuidwaarts van de stad buiten de gracht, had men, vóór de reformatie, mede een Nonnenklooster of Begijnhof, naar hetwelk de straat, die van het Marktplein langs het stadhuis derwaarts aanloopt, nog den naam van Bagijnenstraat draagt. Ter plaatse, waar dit klooster gestaan heeft, ziet men thans eene uitspanning, met kolfbaan.

Voorts had men hier nog een gewijd gesticht, de Kapel genoemd, aan de Noordwestzijde. Dit gebouw, hetwelk met een net torentje prijkt, is later voor eene stadsschool gebruikt, doch dient thans tot woning voor den tweeden Stadsonderwijzer; terwijl de in het torentje hangende klok bij het afgaan der trekschuiten geluid wordt.

Het Burger-Weeshuis, aan den zoogenaamden Kleinekant-binnenwaarts, is een eenvoudig, doch doelmatig ingerigt gebouw, waarin 23 weezen zijn opgenomen.

Er is hier, den 23 Julij 1806, een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen opgerigt, dat ruim 30 Leden telt, hier de eerste Spaarbank en vele nuttige inrigtingen, als Begrafenisbus, Leesbibliotheek en Volkszangschool, gesticht heeft. Sedert 1815 bestaat te Workum een Physisch Genootschap, onder de spreuk: Het rijsje wordt allengs een boom, dat 30 Leden telt, en dat veel tot verlichting en beschaving heeft bijgedragen, gelijk ook bij de eerste Friesche tentoonstelling te Leeuwarden, in 1844, de eer der bekrooning aan drie van zijne Leden ten deel viel. Bijzonder verdient melding het beweegbare Tellurium, uitgedacht en gemaakt door den Heer Alle J. Boksma, Molenmaker hiertoe bestaande, dat de aardglobe, bij hare jaarlijksche en dagelijksche beweging en omwenteling met hare aspunten, bestendig naar het Noorden en Zuiden gerigt blijft. Het uurplaatje verzet zich zelf in eenen jaarlijkschen loop, terwijl te gelijk de loop der maan, de eclipsen, declinatie, verschil van dag en nacht enz. enz, aanschouwelijk vertoond wordt. Dit merkwaardig kunststuk is thans nog bij den maker berustende.

Men had er vroeger eene Latijnsche school, waarbij de post van Rector door eenen der Herv. Predikanten werd waargenomen, doch deze moest, volgens koninklijk besluit van 6 Mei 1843, bij vacature, worden opgeheven, en heeft, met de dood van den Predikant Lambert Martens de Boer, den 2 Julij 1844, opgehouden te bestaan. De Stads Burger-scholen worden gezamelijk gemiddeld door 300 leerlingen bezocht, de Zondagsschool door 40, de Bewaarschool door 30 leerlingen.

Workum is de geboorteplaats van den Oudheid- en Geschiedkundige Lambert Bos of Lambertus Sylvius, geb. 25 November 1670, † 6 Januarij 1717, als Hoogleeraar in de Grieksche taal te Franeker.

Van den Grieksche Taalgeleerde Petreus Tiara, geb. 15 Julij 1514, † 9 Februarij 1586, als Hoogleeraar te Franeker, terwijl hij tevens een uitstekend wijsgeer en geschiedkundige was.

Van de Schilders: Jacobus Potma, † in 1684; Gerard Wigmana, geb. 27 September 1673, † 27 Mei 1741 en Douwe de Hoop, geb. in 1799, † te Amsterdam den 27 October 1830, en

Van den Kapitein onder de watergeuzen Wybe Sjoerds van Grovenstins.

De aloude geschiedenis van Workum ligt in de duisternis der eeuwen bedolven. Veel heeft Workum geleden, gedurende de rampzalige inlandsche verdeeldheden tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Toen Workum, op het einde der vijftiende eeuw het met de Vetkoopers hield, werd zij, in 1498, door Jongama en de zijnen aangetast en veroverd, waarom de Vetkoopersche hoofden, die zich daar binnen bevonden, zich genoodzaakt zagen de plaats te ontruimen, en elders een veilig verblijf te zoeken. Hoewel de burgerij door dezen aanval zeer ontsteld was, schijnt zij echter met den schrik vrij geraakt te zijn, immers, aan hare personen en goederen geen aanmerkelijk nadeel te hebben geleden.

In de maand Mei 1515, kwam de zoogenaamde Zwarte Hoop de stad vijandelijk overvallen, en rigtte er brandstichtingen en velerhande verwoestingen aan. Gelijken moedwil pleegden er eenige dagen later, de Geldersche soldaten, die, onder andere, de kerk van binnen geheel en al uitbrandden.

Men was er naauwelijks tot rust gekomen, of die van den Bourgondischen aanhang kwamen, in het volgenden jaar, 1516, de stad overvallen; doch hun verblijf was van korten duur. De vermaarde Groote Pier, derwaarts oprukkende, deed hun, met verhaaste schreden, de vlugt nemen.

In het jaar 1623 keerden de Bourgondischgezinden terug, verzekerden zich, op nieuw, van de stad, en braken, onder andere verwoestingen door hen aangerigt, den toren der kerk, die voorheen, om zijne ongemeene hoogte, de schepen zelfs tot in de Noordzee tot eene baak plagt te verstrekken, tot op het vierkant muurwerk af.

In 1646 werd aan de stad Workum octrooi verleend tot het aanleggen van eenen trekweg van daar tot Bolsward, waarop, bij de scheiding van Workumer-klokslag, en Wonseradeel en Wymbritseradeel, een tolhek geplaatst is, tot ontvangst van het passagegeld, behoorende aan en strekkende ten voordeele van de stad Workum. Na de voltooijing van dezen weg werd aan de zelfde stad, in 1652, vergunt, dien voort te zetten tot Stavoren, hetgeen echter niet tot stand kwam, ook nadat de stad Bolsward in 1664 weder toestemming verkreeg, om eene vaart en trekweg van Workum tot Stavoren aan te leggen.

Sedert dien tijd levert de geschiedenis der stad niet veel merkwaardigs op tot in het jaar 1787, wanneer zij, meer dan eenige andere stad in Friesland, tot een tooneel van mishandeling en plundering verstrekte.

De bewoners van Workum werden door den buitengewoon hoogen vloed, in Februarij 1825, ten sterkste verontrust; want des avonds van den derden stroomde reeds het water den dijk bij de zoogenaamde opzigtershuisjes, en men voorzag ook, dat, de verheffing van den wind, het getij eene veel grootere hoogte moest bereiken. Door de hooge ligging der stad heeft het water echter alleen op de straat van het Dwarsnoord gestaan, waardoor alzoo aan de huizen en gebouwen geene schade van eenig belang is veroorzaakt. De omstreken waren echter eene opene zee gelijk, te midden van welke men uit de boerenwoningen door vlaggen en noodseinen den reddeloozen staat te kennen gaf en om hulp smeekte. Meer dan duizend stuks runderen en ander vee werden te Workum opgenomen en geborgen, waartoe de stadswaag, stallen, huizen en pakhuizen gewillig werden afgestaan, terwijl tevens aan de boeren en landbewoners herberging en verzorging werd aangeboden.

Het wapen van Workum bestaat in een gedeeld schild, regts van goud, met eenen uit de linkerzijde half te voorschijn komende arend van sabel, en links van sabel, met drie leliën vangoed, geplaatst en pal; boven het schild een gekroonde helm en eene lelie daar boven.

WORKUM, kerk. ring, prov. Friesland, klass. van Sneek, bestaande uit de volgende 8 gem.: Hindeloopen, Koudum, Molkwerum, Parrega-Hieslum-en-Greonterp, Stavoren, Tjerkwerd-en-Dedgum, Warns-en-Scharl, en Workum, welke 10 kerken hebben, waarin de dienst door acht Predikanten wordt waargenomen. Men telt er 6200 zielen, onder welke 1700 Ledematen.

WORKUMER-GRONS (DE) of de Anne-Brouwerspoel, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, gem. en 1 u. Z. van Workum, 1/2 u. O. van Hindeloopen, dat ten N. O. met de Bloksloot, en ten Z. door de Naauwesloot, met de Vard in verbinding staat.

WORKUMERHEK (HET), een gewoon hek ter keering van vee, prov. Friesland, kw. Westergoo, op den zeedijk aan de grensscheiding tusschen het grondgebied van Workum en de griet. Wonseradeel.

Bij dit hek viel in Februarij 1825 eene doorbraak in den zeedijk, waardoor een groot gedeelte lands ondervloeide.

WORKUMER-MEER (HET), meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, gedeeltelijk griet. Wonseradeel, gedeeltelijk onder den klokslag van Workum, 1/4 u. N. O. van Workum, dat ten N. door den Indijk met het Parregaster-meer, ten O. door het kanaal (eene verwijde vaart), ter vereeniging van dit meer met de Grons, met de Workumer-trekvaart, ten. Z. O. mede met die vaart in verbinding staat.

WORKUMER-NIEUWLAND (HET), pold., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, voor het grootste gedeelte gem. Workum en overigens gem. Hindeloopen; palende W. en N. W. aan de Zuiderzee, N. O., O. en Z. O. aan den Klokslag-van-Workum, Z. aan den Klokslag-van-Hindeloopen.

Deze pold. is men op het laatst der zestiende eeuw beginnen in te dijken, nadat Keizer Karel V de stad Workum begiftigd had met den aanwas der buitenlanden, strekkende van de Workumer-zyl tot digt bij Hindeloopen, welke gift later door Philips II bevestigd is. Die hoek des lands werd met groote kosten en zwaren arbeid bedijkt. eerst maakte het regenachtige weder het werk zwaar en traag, en als eindelijk de dijk voltrokken was, werd die door hooge vloeden en stormwinden weder afgebroken. Naderhand werd het werk hervat en de bedijking eindelijk voltooid. Het Workumer-Nieuwland beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 441 bund., waarvan onder Hindeloopen, volgens het kadaster, 37 bund. 9 v. r. 94 v. ell. Men telt er 14 h., waaronder 12 boerderijen, allen onder Workum. Hij wordt door eenen windmolen van het overtollige water ontlast. Het polderbestuur bestaat uit President, Gecommitteerden en Secretaris.

Na de indijking is deze polder door stormen, hooge watervloeden en doorbraak van den dijk, driemaal overstroomd, doch de langdurigste en schadelijkste was die van het jaar 1776, tot herstel van welke doorbraak en het verder verwoestte aan den dijk, paalwerk enz. bijna 200,000 gulden zijn besteed, waarvan het meeste door de provincie, als eene gift, en het overige door de ingelanden, tot wel 80,000 gulden en dus meer dan de waarde hunner bezittingen in dien polder gedragen werd.

In Februarij 1825 viel hier weder eene dijkbreuk, waardoor de boerenwoningen weldra in een barre zee lagen, die al hooger en hooger, tot boven de daken, klom, en de bewoners van zolder tot zolder of op het hooi en den nok der huizen joeg. Akelig was het gekerm en hulpgeschreeuw, en niet dan laat en moeijelijk de gelegenheid tot redding. Het vee was ten deele bij tijds vervoerd, ten deele werd het nog levend afgehaald, maar versmoorde ook voor een gedeelte in de golven. Er waren naauwelijks twee of drie woningen, die niet wegspoelden, instortten of als een bloot geraamte overbleven.

WORKUMER-TREKVAART (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, welke in eene zuid-zuidwestelijke rigting van Bolsward door de griet. Wonseradeel naar Workum loopt.

WORKUMER-VELD (HET), streek lands, prov. Friesland, kw. Westergoo, gem. en Z. O. van Workum.

De bewoners dezer streek moesten mede de overstrooming van Februarij 1825 ondervinden. De dagen van 5 tot 7 Februarij waren voor hen dagen van de uiterste angst en bekommering, door de buitengewone opzetting van het water, welke tot hiertoe aanhield. Het geheele veld was gelijk aan eene zee. De meeste beesten op de stallen geraakten geheel onder water. Vele bewoners der huizen vlugtten op de zolders, staken noodseinen uit en riepen om hulp. Eenige ligt gebouwde arbeiderswoningen waren bijna geheel vernield, andere zwaar beschadigd en vele tot onderscheidene ellen hoogte, ja sommigen tot aan het dak toe, met water gevuld.

WORKUMER-ZAND (HET), zandbank in de Zuiderzee, op de Friesche kust, vóór de haven van Workum.

WORKUMERZOOL (HET), buitenhaven van de st. Workum, prov. Friesland, kw. Westergoo.

Dit zool uit zwaar paalwerk bestaande, strekt zich van de zyl, zuidwestwaarts aan, langs den Nieuwendijk van het Workumer-Nieuw-land, tot omtrent 400 konings roeden uit.

WORKUMER-ZYL (DE), zeesluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, aan het zuideinde van Workum, tot wier last en voordeel zij geheel is.

Deze zyl is inderdaad van veel belang. De naastgelegen waterrijke grietenijen Wonseradeel en Wymbritseradeel moeten hiervoor ver het meeste van haar overtollig water afvoeren; ook wordt de scheepvaart naar buiten door, deze sluis grootelijks begunstigd, zijnde zij wijd genoeg om groote koften en smakken, zoo voor Workum als voor andere plaatsen, meer landwaarts is gebouwd, door te laten. Het gering vermogen der stad Workum en de kostbaarheid der waterwerken heeft de provincie Friesland meermalen zeer aanzienlijke geldsommen gekost. Inzonderheid valt het onderhoud van het zool, of de buitenried der zyl ongemeen kostbaar, waartoe hun de Staten des Lands, op onderscheidene tijden, sedert het jaar 1708 tot 1740, meer dan 12,000 guldens, als onderstand hebben ingewilligd.

De menigvuldige wateren, meren, vaarten, poelen enz. maken zoowel als de sterke doorvaart van schepen de sluis alhier ongemeen dienstig, en de stroom de Drooge-Dolte, maar vooral de Diepe-Dolte, benevens de Wymerts, welke regt door de stad loopt, voeren het water tot buiten de stad naar de zyl, alwaar de gemeene uitvaart is.