VLIELAND, eil., thans eene gem. uitmakende, en tot de prov. Noord-Holland, arr. Hoorn, kant. Medemblik, behoorende (1 k. d., 13 m. k., 9 s. d.).

Het ligt 1/2 u. N. O. van Texel, 1 1/2 u. N. O. van Texel, 1 1/2 u. Z. W. van Ter-Schelling. Naast de plaats, waar vroeger een steenkolenvuur brandde, staat thans, sedert 1836, een lichttoren van de tweede grootte; de vroegere vuurbaak is vervangen door een gedenkteeken, hetwelk staat op 53o 17' 48'' N. B. en 22o 43' 23'' O. L., ter aanwijzing van het punt der driehoeksmeting op dit eil., waarnaar de Generaal Karijenhoff zijne kaart vervaardigd heeft. Ten N. heeft dit eil de Noordzee, ten N. O. de Oost-Vlielander zeegaten, ten Z. het Oude-Vlie en de Waardgronden, ten W. het West-Vlielander-zeegat.

Het ontleent zijnen naam, volgens sommigen, aan den vlietenden grond, die er inderdaad zeer veranderlijk is, doch beter ziet men in den naam een overblijfsel van het oude Flevo. In den vroegsten tijd is het met Texel vereenigd geweest, doch van Terschelling gescheiden, doordien tusschen deze eilanden eene rivier in de Noordzee vloeide, volgens sommigen de Vecht, volgens anderen de mond van het meer Flevo. Uit deze rivier is eene sloot gegraven langs Vlieland naar Texel, de Monnikensloot genaamd, welke, te na aan de Noordzee gebragt, aanleiding heeft gegeven tot eene inbraak der Noordzee, waaruit de afscheiding van Vlieland en Texel is voortgevloeid.

Het is een lang smal eiland, dat van het Zuidwesten naar het Noordoosten eene lengte heeft van 6 uren en eene breedte van ruim 1/2 u., de Hors en andere buitengronden daaronder gerekend, zijnde het eigenlijke eiland niet langer dan 2 en slechts ruim 1/4 u. breed. Voorheen waren er op Vlieland twee dorpen Oost-Vlieland en West-Vlieland, doch het laatste is, in het laatst der zeventiende en het begin der achtiende eeuw, door de zee verzwolgen, zoodat Oost-Vlieland thans nog maar alleen bestaat. Het eiland had tot in 1811 zijn eigen regt.

Vlieland beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 5215 bund. 72 v. r. 93 v. ell., waaronder 1689 bund. 14 v. r. belastbaar land. Het geheele eiland bestaat uit zandgrond, en het weinige groen, dat men vroeger in de valleijen vond, is door de stormen van 1834, 1835 en 1836 geheel met zand overstoven. In den zomer vindt men hier vele eijeren van zeevogels; ook treft men hier geneeskrachtige kruiden aan. De helianthemum, die er vroeger groeide, vindt men er thans niet meer. De tuinen rondom het dorp zijn vruchtbaar en de grond voor het meeste houtgewas geschikt. Sedert het jaar 1843 worden er aardappelen gepoot, die eene goede soort oplerevren. Men heeft er twee velden, het Oostersche-veld en het Westersche-veld, welk laatste jaarlijks kleiner wordt dor afslag der zee. Deze velden zijn naauwelijks toereikend voor de 18 of 20 koeijen en de paarden die er aanwezig zijn. Schapen kan men er niet houden, omdat zij meestal ongans worden. Geiten zijn er in menigte. Hooi kan er niet gewonnen worden. Zoodat men de meeste levensmiddelen van den vasten wal meerendeels van Harlingen haalt. Tegen den winter voorziet elk huisgezin zich van het noodige, even als of men eene groote zeereis gaat ondernemen, daar men bij ijsgang van den vasten wal is afgesloten.

Dit eiland was voor eene vereeniging met Texel en een bedijking zeer vatbaar, waardoor eene oppervlakte van 30,000 bunders meest goede kleigronden konden gewonnen worden. Door zoodanige bedijking werd het voordeel verkregen, dat de instrooming der Noordzee verminderd en daardoor de zeegaten van Texel en Vlieland dieper werden en een vaster voormuur werd verkregen voor de aan de Zuiderzee grenzende provincin, voor wier veiligheid en bedijking deze eilanden van het grootste belang zijn.

De luchtgesteldheid is er zeer gezond, zoodat men er onder de loodsen vele oude lieden vindt, die zich kenmerken door eene grootere vlugheid, dan men gewoonlijk van hunne leeftijd verwacht.

In het begin der zeventiende eeuw bloeide dit eiland zeer en was sterk bevolkt. Sedert is het getal huizen van 700 tot 121 verminderd. Er wonen thans nog slechts 126 huisgezinnen, eene bevolking uitmakende van 660 zielen. De middelen van bestaan vloeeijen voort uit het Loodswezen, eene klaringspost en eenige visscherij op de Waardgronden. Men heeft er eenen korenmolen en in de nabijheid wel voorziene mosselbanken. Ten tijde van de grootste wel vaart, telde men hier wel 74 Kapiteins, die op Groenland voeren, behalve vele andere scheeps-kapiteins. Vr 1500 moeten hier vier bierbrouwerijen bestaan hebben, doch deze door den oorlog verbrand zijnde, zijn later niet weder hersteld.

Het eiland is zoo wel aan de eene als aan de andere zijde met duinen voorzien, waarin eenige valleijen zijn. De voornaamste duinen zijn: de Meeuwenduinslid, het Oude-Huizenschelid, Viamenslid, Veemslid, Kooislid en het Oosterscheld en de voornaamste valleijen, de Wester- en de Ooster-Valleijen van Malgom, de Vallei van de Oude huizen, de Kooi's-vallei, de Vallei beoosten de voormalige vuurbaak en de Oostersche-Vallei.

Na den watervloed van het jaar 1825 heeft men hier eene zeer nette haven beginnen aan te leggen, in 1829 voltooid, die echter zeldzaam door koopvaardijschepen bezocht worden, uithoofde het vaarwater de Monnikensloot, welke derwaarts leidt, ondiep is geworden. In vroeger jaren leverde dit vaarwater eene veilige legplaats voor een groot aantal schepen, die er dikwerf overwinterden. Ten Zuiden van het dorp is in het jaar 1826 eene zeedijk gelegd, om te beletten, dat het water niet in het dorp kan komen. Deze dijk is 725 ell. lang en 2.50 ell. boven volzee. Hij is aan het havenwerk verbonden door een oeverwerk langs het Oostersche-veld, dat in 1832 begonnen en in 1838 is voltooid. De haven wordt bedreigd door eene zandbank, welke zich vr de monding heeft verlegd, zoodat in 1846 slechts 32 en in 1847 maar 16 vreemde schepen binnen liepen.

De inw., die op 3 na allen Herv. Zijn, maken de gem. van Oost-Vlieland uit. - De overige 3 zijn Evang. Luthersch.

Vroeger bestond hier ook eene Doopsgez. gem. Deze is door het afnemen van het getal der leden te niet gegaan. De laatste, die hier Predikant is geweest, was Adriaan Vreijer, die hier in 1778 zijne dienst aanvaardde en den 18 November 1798 is overleden.

Men heeft op dit eil. Eene in 1837 nieuw gebouwde school, waar in, nevens het lager onderwijs, de stuurmanskunst en de Fransche taal onderwezen, en die door 150 leerlingen bezocht wordt.

Aan de westzijde van het eiland op eenen afstand van 1 1/4 uur staat in de duin een Rijks-post-veerhuis, hetwelk vroeger nog westelijker stond, maar, uithoofde van verstuiving der duinen, in 1838 op zijne tegenwoordige plaats is gesteld en vernieuwd. Daarin woont de postschipper met zijn huisgezin, die elken nacht met hoog water naar Texel vaart, om de brieven af te halen en over te brengen. In het dorp is een Distributie-kantoor, dat door een Post-Commies wordt waargenomen, zijnde er twee loopers, een van het posthuis naar het dorp en een van het dorp naar de haven tot vervoer van brieven. In de nabijheid van het veerhuis staat eene Quarantaineloods.

In het noordwesten van dit veerhuis staat ook eene loods van de Noord- en Zuidhollandsche Reddingsmaatschappij, ter wijl ook eene tweede loods in het dorp gevonden wordt, beide voorzien van de noodige hulpmiddelen bij strandingen, die op dit eiland menigvuldig zijn. Er bestaat hier ook eene Inrigting tot verpleging van arme schipbreukelingen, welke op twee plaatsen, namelijk, in het Rijks-post-veerhuis en in het Armhuis altijd voor vier en twintig drenkelingen hemden en gemaakte kleederen voorhanden houdt. De armen genieten van elk schip 30 cents tot het in stand houden dezer inrigting.

Aan de oostzijde bij de haven is eene Rijkskeet, bewoon door den Opzigter van den waterstaat, en een Magazijn tot berging van materialen.

Men heeft er een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 1 Julij 1829 is opgerigt en acht leden telt.

Voorheen stond hier een zeer groot en aanzienlijk gebouw, dat aan het Rijk behoorde en waarin de Admiraals de Ruyter en Tromp, als zij met hunne schepen op de reede lagen, hunnen intrek namen, dit is echter gesloopt in de jaren 1834-1838. Gedurende het maken der verschillende havenwerken zijn er meer dan 6000 laten steen uitgegraven, afkomstig van vroeger gesloopte huizen.

Men vermoedt dat de Romeinen op dit eiland eene wijkplaats hebben gehad, tijdens hunne oorlogen met de Friezen. Ook meent men dat hier al vroeg eene Monnikenklooster is geweest, dat aan den H. Stavo was toegewijd, doch later moet zijn verwoest.

Op den Noordoosthoek, bij het tegenwoordige Witte-Lid, een groote duin, zonder beplanting, heeft in het laatst der vorige eeuw eene batterij gelegen, die niet meet bestaat, als zijnde door de diepte verzwolgen.

Den 20 Augustus 1575 werd Vlieland door Caspar de Robles, Heer van Billy, en Gouverneur van Friesland, geplunderd en te Oost-Vlieland wel 450 huizen verbrand.

Op den grond van Vlieland, waar thans twintig vademen water staat, is in Augustus 1799 gezonken en verongelukt het goudschip the Lutine, zijnde van de vijf honderd zielen, die er aan boord waren, slechts n man afgekomen. Een gedeelte van het goud, Spaansche matten en staven, voor eene waarde van 200.000 gulden, werden in dat jaar, onder het bestuur van den Monster-Commissaris Joseph Maximiliaan d'Harvant, uitgehaald. Uithoofde er een aanzienlijk kapitaal in aanwezig was, heeft men vele pogingen aangewend, ook met eene duikerklok en den toestel van den Heer van Geuns te Haarlem, vooral onder den Strandvonder van Terschelling Pieter Eschauzier die echter niet gelukkig zijn uitgevallen.

Op dit eil. woei in den avond van 3 Februarij 1825 de wind uit het west-noordwesten met eenen hevigen storm, en zeer buitengewonen vloed, zoodat het water 3.05 ell. boven gewoon peil in het dorp en de huizen stond, en aan de zuidzijde van het dorp de wallen, de stekken en onderste voetingen der huizen meest alle weggeslagen werden. Hierdoor waren dan ook de vloeren en planken uit de huizen en schuren losgeraakt en weggespoeld, terwijl ook vele levensmiddelen, die in de achterhuizen lagen, wegspoelden en door het zeewater bedierven.

Het eiland neemt aan de noordzijde sterk af, hetgeen men niet beter ontdekken kan, dan wanneer men de kaart van Vlieland, in 1795, door den Landmeter Peereboom gemaakt of de plaats, waar West-Vlieland gelegen heeft men den tegenwoordige vergelijkt. In vroeger jaren lieten 's Lands Staten zich zeer gelegen liggen aan het behoud der gronden, waarvoor nog in het jaar 1722 op hunne last een dijk werd gemaakt. Sedert bepaalde men zich uitsluitend tot de beplanting der duinen. Het is te vreezen, dat indien de afneming voort gaat, zoo als zij in de laatste honderd of zelfs laatste vijftig jaren plaats greep, de Noordzee zich hier eene nieuwe en zeer gevaarlijken weg zal banen naar de Zuiderzee, hetgeen voor de aan haar grenzende provincin de uiterste bekommeringen moet baren, zoo niet in tijds door gepaste maatregelen dit gevaar wordt afgewend.

Op dit eiland is geboren de Vice-Admiraal Albert Kikkert, geb. Den 22 November 1761, en in West-Indi overleden.

Het wapen bestaat uit eene loodsboot van sabel, zeilende op zee.

VLIELAND (OOST-), d. op het eil. Vlieland, prov. Noord-Holland, arr. en 14 u. N. van Hoorn, kant. en 11 u. N. van Medemblik, gem. Vlieland.

Het was vroeger geen onaangenaam dorp, dat uit eene lange, ruime straat bestaat, ter wederzijde beplant met schoone lindeboomen en voorzien van eene groote waterput, waaruit de schepen zich van zeer goed en gezond drinkwater kunnen voorzien en die wel voor 1600 personen water kan bevatten, doch thans in het dorp in eenen vervallen en armoedigen staat. Voorst zijn er nog drie brandwaterputten. Men telt er in de kom van het d. 117 h., meest alle van Friesche gele mopsteenen opgetrokken, waarmede ook de straat geplaveid is.

De inw., die er allen Herv. Zijn, maken met de overige van het eiland eene gem. uit, welk tot de klass. Van Alkmaar, ring der Eilanden, behoort en ongeveer 660 zielen, onder welke 300 Ledematen, telt. Oost- en West-Vlieland hadden te zamen tot eersten Predikant Willem Gillesz., daar beroepen in 1575 en in 1677 van zijne dienst ontslagen. Tijdens de dienst van Hendrik Pieters Doekman beroepen in 1583 in 1597 naar Venhuizen vertrokken, werden de plaatsen gescheiden en bekwam Oost-Vlieland alleen tot Predikant Jan Dibbetsz. in 1598. Het beroep gescheidt door den kerkeraad. De kerk, welke reeds vr de Reformatie bestond, was destijds eene parochiekerk, welke door de Graven begeven werd; terwijl de instelling door den Officiaal van Utrecht gescheidde. In 1415 was hier Pastoor Engelbertus Willemszoon, te Rotterdam wonende, die bij afwezendheid een jaarlijks inkomen trok van zes ponden (36 guld.). De pastorij had geene vaste inkomsten, om dat de landerijen, die voor de pastorij gemaakt waren en vijftien koeijen konden voeden, verdronken waren. Maar de landlieden bragten, om een goed Onderpastoor te hebben, de noodige penningen op. De pastorij trok zeker hoofdgeld, hetwelk zoowel over de menschen als de beesten omgeslagen werd, zoodat acht hoofden eenen Philipsgulden ( 1 guld. 25 cents) en een weinigje boter moesten opbrengen. Dus bestonden alle de inkomsten, met lasten en met al, in negentig Rhijnsche guldens (135 guld.). De Koster werd door de Huislieden en de Kerkmeesters aangesteld, maar had geene vaste inkomsten. Thans is de kerk een kruisgebouw, zonder toren of orgel, doch van binnen van eene gaanderij voorzien. In het jaar 1840 zijn aanzienlijke verbeteringen aan de kerk en pastorij aangebragt, waartoe eene som van duizend gulden uit het fonds voor noodlijdende kerken en een gelijke zom uit 's Rijks kas verstrekt zijn; het overige door de gem. zelve.

De voormalige Kerk der Doopsgezinden dient thans tot pakhuis van den Opperstrandvonder.

In het midden van het dorp, aan de noordwestzijde der straat, staat het Raadhuis van Vlieland, dat, volgens een opschrift op eenen steen in den voorgevel, in 1593 gebouwd is, en had vroeger eenen toren, welke tot baken in zee diende, doch later is afgebroken. Op dit gebouw is nog het voormalig zwaard van justitie, alsmede het rad, waarop de misdadigers gelegd werden, voorhanden. Tevens ziet men voor den gevel als eene bijzonderheid van het oude strafregt eenen ijzeren beugel, met twee niet onaanzienlijken kei- of rolsteenen hangen, welke men een gevallen meisje om den hals hing en aldus ten toon stelde. Eertijds werd op dit raadhuis regt gesproken in het hoogste resort, zoo werd hier onder anderen de moordenaar van de moeder van den tegenwoordig aldaar wonenden Logementhouder Koert Smit levend geradbraakt.

Men heeft er een Armhuis, waarin een getal van 3 oude mannen, 3 oude vrouwen en 8 kinderen zijn opgenomen.

Vroeger had men hier mede een Weeshuis, welk gebouw thans dient tot een partikulier huis en een Oudemannen- en Vrouwenhuis, tegenwoordig ingerigt tot Wees-en-Armhuis.

VLIELAND (WEST-), voorm. d. op het eil. Vlieland, prov. Noord-Holland, arr. en 14 u. N. van Hoorn, kant. en 11 u. N. van Medemblik, gem. Vleiland, aan de westzijde van het eiland.

Dit dorp is door de hooge watervloeden van 1630-1730 geheel weggeslagen, zoo dat ter plaatse, waar het eertijds gevonden werd, nu 15 vademen water staan.

West-Vlieland bekwam na de scheiding van Oost-Vlieland eenen eigen Predikant in Hendrik Jansz., daar beroepen in 1598, die wegens zwakheid in 1603 emeritus werd. Den 26 en 27 Februarij 1714 stortte de oude kerk van West-Vlieland door eenen orkaan in. Men bouwde toen eene kerk binnenwaarts, die, in November 1727, door de zee ondermijnd en allengs verdelgd is. Tot het oefenen van de godsdienst werd een huis bekwaam gemaakt, waarin de laatste Predikant van West-Vlieland, Gerardus Petten, nog tot in het jaar 1736 gepredikt heeft, wanneer hij naar Huisduinen vertrok. Toen was er naauwelijks n huis overgebleven, maar allen werden door de zee ingezwolgen, zoo dat er geen spoor meer van een der kerken, noch van eenig huis te vinden is. De klok uit den toren van dit dorp hangt tegenwoordig in dien van het raadhuis te Oost-Vlieland. Des zomers, bij droog weder en laag water, wordt op het uiteinde van de Horst het plaveisel van de kerkstraat nog ontdekt.

VLIELANDER-DIEPof ZEEGAT (HET WEST-), vaarwater ten Z. van de Zuiderzee. Zie Eijerlandsche-gat.

VLIELANDER-ZEEGATEN (DE), zeegaten ten N. van de Zuiderzee. Zij worden onderscheiden in de Oostvlielander-zeegaten en in het Westvlielander-diep of zeegat. Zie het volgende art. en het art. Eijerlandsche-gat.

VLIELANDER-ZEEGATEN (DE OOST-), vaarwater ten N. van de Zuiderzee, tusschen de eilanden Vlieland en Ter-Scheling, waardoor de Vliestroom in de Noordzee, de voornaamste vaarwaters zijn het Nieuwe-gat en de Hollepoort, die door de Noordergronden gescheiden zijn.