BRANDARIS, lichttoren op het westeinde van het eil. Ter-Schelling, prov. Friesland, aan de Noordzijde van het d. Wester-Schelling.

Het is een zware vierkante steenklomp van drie verdiepingen, alle onder en boven even wijd en breed, die in het jaar 1594 gebouwd is. Bij de brandstichting der Engelschen, in the jaar 1666, stond hij te midden in de vlammen van het in asch gelegde Wester-Schelling, doch bleef, door de overhaaste vlugt dier brandstichters, op het zonderlinge berigt, dat sommigen van Malle Sidsge van Midsland (die dat woord) vernomen hadden, voor vernieling gespaard.

Op dezen toren brandt, sedert 1 october 1858, een draaijend lenticulair lamplicht, met drie cirkelvormige om elkander geplaatste pitten, om welke acht spiegels in acht minuten ronddraaijen; kunnende dit licht, dat 54 ellen boven den waterspiegel van het gewoon hoog water verheven is, bij een goed vuurzigt, door den zeeman gezien worden op eenen afstand van 5 Duitsche zeemijlen, van 15 in eenen graad, meer of min, naar gelang dat het oog van den waarnemer zich boven den waterspiegel geplaatst vindt, doch minder ver naar gelang eener ongunstige luchtgesteldheid. Het licht levert iedere minuut eene verschijning op, durende, op den afstand van 4 Duitsche mijlen, nagenoeg 14 15'', terwijl de grootste schittering alsdan 6'' duurt, zoodat de verlichting 15'', de verduistering 45'' duurt; terwijl de schippers gemeenlijk er over klagen, dat zulks niet omgekeerd plaats vindt. Op eenen minderen afstand dan die 4 Duitsche mijlen worden de verschijningen voorafgegaan en gevolgd door eene korte doch vrij heldere flikkering, gelijkende naar die van eene kleine ster, zijnde het licht van eene heldere geelachgtige tint.

Men gaat naar deze kunstlamp langs eenen wenteltrap van 206 treden, in eenen cilinder in het midden van den toren gemetseld.

BUREN (KLEINE-), kom van gehuchten op het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland. Zie Buren.

BUREN, eigenlijk Kleine Buren, kom van de gehuchten, Kinnum, Seerijp, Kaart, Stortum en Hee, op het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland, arr. en 20 u. N. van Hoorn, kant. en 15 u. N. van Medemblik, gem. Ter-Schelling, 1/2 u. O. van Wester-Schelling, 10 min. Z. van Midsland; met 21 h. en ongeveer 170 inw.

DELJES, zandplaat, bezuiden het eil. Terschelling, tusschen het Schuitegat en Oosterom, Z. W. van Wester-Schelling.

FORMERUM, geh. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. en 14 1/2 u. N. van Hoorn, kant. en 11 1/2 u. N. van Medemblik, gem. Terschelling, 1/2 u. O. van Midsland, waartoe het behoort; met 29 h. en 220 inw.

HOORN (DE), d. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland. Zie Hoorn.

HOORN, of Oost-Terschelling, meestal De Hoorn, en bij de eilanders meestal Hoorn genoemd, d. op het eil Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. en 18 u. ten N. van Hoorn, kant. en 14 u. N. van Medemblik, gem. Terschelling, aan het O. van het eiland. De inw. vinden meest hun bestaan in den landbouw en in de zeevaart. Ook heeft men onder dit d. eene belangrijke eendenkooi.

De Herv., die er wonen, behooren tot de gem. van Midland-en-de-Hoorn. De kerk, welke een weinig ten N. van het d. staat, plagt vr de Reformatie den Proost van de St. Janskerk te Utrecht 8 schilden (11 guld. 20 cents) te betalen. Zij is tamelijk groot maar smal, en heeft eenen hoogen naaldtoren, welke zeer oud en, naar het gevoelen der eilanders, reeds vr Christus geboorte gebouwd is, en waaraan veel duifsteen gevonden wordt.

De R. K., welke men er aantreft, worden tot de stat. van den Burg op Texel gerekend.

Dit d. is de geboorteplaats van Tetardus, den twintigsten Abt van Lidlum, tot welke waardigheid hij in het jaar 1386 benoemd werd.

HOORNER-NIEUWLAND, pold. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. Hoorn, kant. Medemblik, gem. Terschelling.

JETTING (DE)< of Jette, vaarwater in het N. van de Zuiderzee, bezuiden Ter-Schelling. Men onderscheidt het in de Oude-Jetting en de Nieuwe-Jetting. Zie beide volgende art.

Over de betonning en bebakening van dit vaarwater zie men het art. Amelander-Gat.

KAART, geh. op het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland, arr. en 20 u. N. van Hoorn, kant. en 15 u. N. van Medemblik, gem. Ter-Schelling, 1/2 u. O. van Wester-Schelling, 10 min. Z. Midsland, makende een gedeelte uit van de buurs. Buren; met 3 h. en 30 inw.

KINNUM, geh. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. en 20 u. N. van Hoorn, kant. en 15 u. N. van Medemblik, gem. Terschelling, 1/2 u. O. van Wester-Schelling, 10 min Z. van Midsland; met 10 h. en 70 inw.

LIES, geh. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. en 20 u. N. van Hoorn, kant. en 15 u. N. van Medemblik, gem. Terschelling, 1/2 u. N. W. van het d. Hoorn, 3/4 u. O. van Midsland; met 18 h. en ruim 110 inw.

MEEP (DE), vaarwater ten N. van de Zuiderzee, Z. van Ter-Schelling, tusschen de Haart-Dwars-in-den-Weg en den Grinderwaard, van de Rupel naar de Jetting loopende.

MIDSLAND of Midland, d. op het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland, arr. en 18 u. N. van Hoorn, kant. en 14 u. N. van Medemblik, gem. Terschelling, 53o 231N. B., 22 o 5659O.L.

Het is het grootste dorp van Oost-Terschelling, en bestaat uit eenen lange straat, welke in het midden eene fraaije laan heeft, waar de huizen, welke er 62 in getal zijn, digt aan elkander gebouwd staan. Men telt er 360 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden

De ligging van dit d. is zeer fraai en men heeft er een schilderachtig uitzigt op de korenlanden.

De Herv., welke er 355 in getal zijn, behooren tot de gem. van Midsland-en-Hoorn, die hier eene kerk heeft. Deze moest vr de reformatie aan den Deken van St. Janskerk te Utrecht, jaarlijks zes schilden (8 guld. 40 cents) opbrengen. Het is een oud gebouw, zonder orgel, hetwelk in 1841 en 1842 aanzienlijk hersteld is. De toren om welks klein steenen spits een omgang is, heeft in het jaar 1843 aanmerkelijke herstellingswerken ondergaan. Rondom de klok leest men:

Latijsche text (scannen?)

Buiten het dorp is een kerkhof, het Zeerijper-kerkhof geheeten, waar, gelijk men wil, weleer een klooster gestaan heeft. Toen de Engelschen in 1666 West-Terschelling plat branden, zouden zij voor dit kerkhof een kleine heuvel, voor de vele daarop staande grafpalen terug gedeinsd zijn.

In dit dorp is ook het raadhuis voor Oost-Terschelling, zijnde een vrij goed gebouw.

De dorpsschool wordt gemiddeld door een getal van 70 leerlingen bezocht.

De kermissen vallen in den tweeden Pinksterdag, den 25 Junij en de 24 September.

NOORDOOSTER-HOEK of Noordoost-Hoek, zandplaat in het noorden van de Zuiderzee, de noordoostelijke punt van het eil Terschelling, prov. Noord-Holland, uitmakende.

SCHELLING (OOSTER-), d. op het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland. Zie Hoorn.

SCHELLING (OOSTER-), oostelijk gedeelte van het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland, arr. Hoorn, kant. Medemblik, gem. Ter-Schelling.

Het bevat bijna het geheele eil., en daarin de d. Midsland en Hoorn, en de geb. of b. Oosterend, Lies, Formerum, Landerum en de Kleine-Buren; telt 153 h. en 1200 inw.

SCHELLING (TER-), eil. Ten N. van de Zuiderzee, thans eene gem. Uitmakende, en tot de prov. Noord-Holland, arr. Hoorn, kant. Medemblik, behoorende (1 k. d., 3 m. k. 9 s. d.). Het ligt op ruim 53o N. B. en ruim 22o O. I., 1 1/2 u. N. O. van Vlieland, 2 u. W. ten . van Ameland en 5 u. N. W. van den vasten wal der prov. Friesland. Ten N. heeft dit eiland de Noordzee, ten O. de Amelander-Zeegaten, ten Z. den Zuidwal en de Meep, ten W. de Oost-Vlielander-Zeegaten.

Het heeft ion eene zuidwestelijke en noordoostelijke strekking eene lengte van vier uren, op eene breedte van n uur, wanneer men de buitengronden daaronder begrijpt; doch het niet ondervloeijende gedeelte is in die strekking bijna drie uren lang en drie vierde uur breed. Het wordt verdeeld in Ooster-Schelling en Wester-Schelling, welke vroeger ieder hunne bijzondere regtbank hadden. Aan de noordzijde der duinen is een breed strand, waarop vele schepen verongelukken

Het eiland bestaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 16,774 bund. 77 v. r. 70 v. ell., waaronder 5645 bund. 96 v. r. 95 v. ell. belastbaar land.

Op Ter-Schelling is goed wei- en bouwland, zoodat de ingezetenen voor zich zelven genoegzaam van koorn, melk, boter en leeftogt voorzien zijn. Op sommige plaatsen kunnen de landlieden turf delven tot hun eigen gebruik en men vindt er veel kreupelhout; terwijl hier ook de zoo nuttige helm groeit, welke op de duinen gepoot wordt, ten einde het verstuiven van het zand voor te komen.

Men telt er 388 h., bewoond door 538 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 2700 inw. Een goed aantal dezer inw. Zijn schippers, loodslieden en andere zeevarenden, behalve de visschers. Men heeft er mede 1 scheepstimmerwerf en 2 korenmolens. Er is op dit eiland ook eene paardenfokkerij, welke jaarlijks een honderdtal veulens uitvoert.

Het eiland heeft noord-, oost- en westwaarts zware duinen tegen de zee, doch moet aan de zuidzijde door stevige dijken beschermd worden. Vele duinen hebben een zeer fijn wit zand, dat krachtig wegstuift, waarom zij jaarlijks ter behoudenis met helm beplant worden. Buitendijks zijn vele verdronken landen, als: de Noordoosthoek, welke in die rigting eene lengte van ruim een uur heeft; het Nieuweland langs de zuidkust, en de Robbeplaat, langs de westkust. Ook zijn er nu en dan indijkingen geschied, zoo dat men met zekerheid kan stellen, dat het eiland grooter geweest is; doch dat het immer tot de Friesche kust gereikt heeft, of dat het weleer zoo na aan Vlieland gelegen heeft, dat men van het eene eiland op het ander kon gaan, hiervan is geen zeker bescheid te vinden; hoewel het bekend is, dat het sedert onheugelijke tijden aan de westzijde of naar de kant van Vlieland aanmerkelijk is afgenomen. Aan den westkant van Ter-Schelling ligt eene van ouds bekende reede, Maklijk-Oud genaamd.

Hertog Filips van Bourgondi bevestigde in het jaar 1428 aan die van Ter-Schelling den inhoud der brieven, laatst door hen verkregen van de hertogen Willem en Jan van Beijeren en Jan van Brabano, dat zij van de ingezetenen van Holland, Zeeland en Friesland,onbeschadigd zouden blijven en van den Capitein van Stavoren onbestoket. De zelfde Hertog verbood, den 21 Mei 1441, niet alleen aan die van Medemblik en Enkhuizen, om die van Ter-Schelling en Ameland niet meer te beschadigen, alzoo zij, tot dien tijd toe, den Graaf betaald hadden, hetgeen zij jaarlijks schuldig waren te geven, maar wil ook dat de Kastelein, Burgemeesters, Schepenen en Raden van Medemblik en Enkhuizen, raad zouden vinden en zoo veel doen, dat die van Ter-Schelling en Ameland van hunne schade, welke hun door de poorters en inwoners der gemelde steden aangedaan was, verrechtinge gecrygen, soe dat behoort. Omtrent dien tijd, of later in de zelfde eeuw, vindt men dat de Heeren van Ter-Schelling in aanzien moeten geweest zijn, zelfs bij magtige buitenlandsche Vorsten; alzoo Eduard IV, Koning van Engeland, een verbond van Vrienschap en onderlingen koophandel gesloten heeft, met Folkert Reiner, die zich Heer van het eiland Ter-Schelling noemde. De heerlijkheid van Ter-Schelling is naderhand bezeten door het huis van Aremberg, waaruit zij door Karel, Hertog van Aarschot, is verkocht en overgedragen aan de Staten van Holland en West-Friesland. Ter-Schelling heeft voor dezen zijne eigen Rentmeesters gehad, doch, bij besluit der Staten van Holland van den 5 Mei des jaars 728, werd vastgesteld, dat het Rentmeesters-ambt op Ter-Schelling, bij het openvallen, zou uitsterven en aan het kantoor van het Noorderkwartier van Alkmaar toegevoegd worden.

Die van Ter-Schelling beweerde vroeger, dat zij, volgens oude herkomsten, eene vrijplaats voor misdadigers hadden op hun eiland, doch hierop hebben s Lands Staten, bij gelegenheid, dat er deze eilanders gebruik van wilden maken, geen acht geslagen.

De Herv., die er 2220 in getal zijn, onder welke 740 Ledematen, maken de gem. van Midsland-en-Hoorn en Wester-Schelling uit, welke drie kerken hebben, als eene te Hoorn, eene te Midsland en eene te Wester-Schelling.

De Doopsgez., die er 250 in getal zijn, onder welke ruim 150 Ledematen, maken de gem. van Westerend uit. De R. K. , die er omtrent 20 in getal zijn, parochiren op Ameland. Het tiental Isr., die men er aantreft, behoort tot de ringsynagoge van Amsterdam. Men heeft op het eiland drie scholen, als: ne te Midsland, ne te Hoorn en ne te Wester-Schelling, welke gezamenlijk door een getal van 370 leerlingen bezocht worden. Ook is er een distributiekantoor van de brievenposterij.

In 1841 is er van de haven gebruik gemaakt door 26 buitenschepen, 22 Rijks vaartuigen, 60 binnenschippers en 414 visschersvaartuigen, te zamen 522 schepen.

Willem van Naaldwijk, Stadhouder van Holland, in het jaar 1378, tegen de West-Friezen ten strijde trekkende, viel in het eiland Ter-Schelling, dat geplunderd en plat gebrand werd.

Den 20 Augustus 1666 staken de Engelschen, met elf compagnin, onder Holmes, op Ter-Schelling geland zijnde, den brand in het westelijk gedeelte van het eiland, waardoor drie honderd vijftig huizen in de asch gelegd werden, doch de Engelschen maakten geen buit, alzoo deze streek meest door schamele lieden bewoond was, die de vlugt hadden genomen; ook werden de huizen in weinige jaren, zelfs in beteren stand, weder opgebouwd

De woedende storm en buitengewoon hooge vloed van den 3 en 4 Februarij 1825, rigten ook op dit eiland groote verwoestingen aan. Reeds den eersten dag werd de schoeijing ten Zuiden en ten Zuidwesten van het dorp Wester-Schelling, op onderscheidene plaatsen aan stukken geslagen, en met paalwerk en al uit den grond gerukt; zoodat de openbare zee op het dorp afliep, waardoor de wal weldra geheel wegkolkte en de zuidwestelijke rij huizen geheel ondermijnd werd, naardien de zee tegen de grondvesten aansloeg. Het bestuur trachtte eerst door steenstorting en het stellen van stutten en daarna door het opwerpen van eene noodschoeijing eenigen wederstand te bieden; dan den volgenden morgen was de zee weder zoo geweldig hoog en brandende, dat het meeste dezer weringen werd omver gerukt. Hierop voerde men al het puin aan, dat te krijgen was, spande zeilen en belegde die met steen, ankers en verdere zwaarte, met het gewenschte gevolg, dat de verdere verwoesting werd voorkomen. Nog meer had echter Ooster-Schelling te lijden, want dit was door de zee geheel overstroomd. Zij, die tot hulp van de dorpelingen aansnelden, bevonden den toegang tot de dorpen, door het zeewater, geheel afgesneden, en de inwoners van de gehuchten Hee en Stortum werden slechts met veel moeite gered. Gelukkig had men op Ter-Schelling geene menschen levens te betreuren, maar alle dijken om en binnen het eiland waren overgeloopen en op vele plaatsen doorgebroken, waardoor de, in 1817 aangelegde, binnendijk geheel overstroomd, op onderscheidene plaatsen tot aan den grondslag weggespoeld en zelfs op de voornaamste punten geheel vernield was; zoodat het zeewater zich met schrikbarende golfslagen en onweerstaanbaren aandrang, over het geheele land verspreid had. Meest alle dorpen lagen hierdoor voor het gevaar van overstrooming bloot, geheele gehuchten liepen onder water, de schuren der landeigenaren werden verwoest, en zelfs onderscheidene huizen in de dorpen liepen vol, en stortten plotseling in, zoodat de landlieden naauwelijks het gevaar en de hoogten konden ontvlugten. Zelfs het rundvee op de stallen van het anders zoo hoog gelegen, dorp Midsland verdronk en bijna alle de schapen op de landerijen kwamen om. Men zag zich genoodzaakt, om het behouden vee, waarvoor geen versch water te bekomen was, in de kerk te verzamelen, waardoor dat gebouw aan eenen koestal gelijk, de steenen vertrapt, de grafzerken verlegd en de geheele vloer in de kerk, alsmede de benedenwanden aanmerkelijk beschadigd werden en de openbare godsdienstoefening geen plaats konden hebben. Wijders werden alle stekken, achterschuren en omheiningen in de dorpen geheel verwoest of beschadigd, terwijl de vloedwerken genoegzaam aantoonden, hoet groot het gevaar der dorpelingen was. Men kan geen denkbeeld maken van den algemeenen schrik, welke deze onverwachte ramp alhier baarde, daar de dijken met de grondslagen gelijk waren, en de zee haren verwoestenden invloed, bij elk hoog getij, kon vernieuwen. Men bleef echter hiervoor gelukkig bewaard, en de ramp was hier op zijn hoogst geweest; want den 4 Februarij des namiddags ten 3 ure, toen men weder eenen geweldigen vloed vreesde, nam het water op de landerijen zoo sterk af, dat de tot hulp gezondene jollen, op die landerijen, bezet bleven.

De vlag van dit eiland bestaat uit horizontale strepen van rood, blaauw, geel en groen; onder en boven met nog eenen band, bestaande uit de Hollandsche kleuren, alle van de zelfde breedte.

SCHELLING (WESTER-), d. op het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland, arr. en 16 u. N. O. van Hoorn, kant. en 13 u. N. O. van Medemblik, gem. Ter-Schelling, op den uitersten westhoek van het eiland Ter-Schelling, waarvan het zijnen naam ontleent.

Het is het grootste der dorpen van het eiland, niettegenstaande het in het Zuiden en Zuidwesten genoegzaam tegen de zee staat en reeds veel door afspoeling heeft geleden. Men heeft tot behoud van dezen hoek en het dorp, dat in groot gevaar was om geheel weg te spoelen, en tot afkeering van den vloed, in het jaar 1749, twee zwaren rijsdammen gelegd aan den westelijken hoek van het dorp, en zwaar zink- en beslagwerk aan den oostelijken kant, tegen het dorp aan. Ruim 400 roeden (1132 ell.) beoosten het dorp, omtrent ter plaatse daar in 1739 een zware inlaagdijk aangelegd was, is in 1750 ook ten zelfden einde een zwaar wierhoofd gelegd. Men telt er 225 h. en 1500 inw.

De Herv., die er ongeveer 1260 in getal zijn, onder welke 360 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. Van Alkmaar, ring van Burg-op-Texel, behoort. Ooster- en Wester-Schelling zijn eerst door eenen Predikant bediend, Suffridus Pauli, daar beroepen in 1573, vertrokken naar Oosthuizen in 1577, was er de eerste Predikant. Gedurende de dienst van Franciscus Antonides, daar gekomen in 1645 en in 1682, werden de plaatsen gescheiden, en wel in het jaar 1654; terwijl Franciscus Antonides te Ooster-Schelling bleef, waar hij 1682 overleed. De eerste die Wester-Schelling bediend heeft, is geweest Johannes Grevesteyn, die in het jaar 1654 herwaarts kwam, en in het jaar 1669 overleed. Het beroep geschiedt door den kerkeraad. De kerk, welke vr de Reformatie aan den H. Johannes toegewijd was, moest destijds den Proost van St. Jan te Utrecht acht schilden (11 guld. 20 cents) betalen. De kerk heeft toren noch orgel. In het jaar 1842 heeft deze kerk een fraai bewerkte zilveren waterkan en doopbekken van eene hoogbejaarde weduwe ten geschenke ontvangen.

De Doopsgez., welke men er 230 telt, behooren tot de gem. Westerend. DE R. K., die men er aantreft, worden tot de stat. Van Burg-op-Texel gerekend. Men heeft in dit d. eene school, welke gemiddeld door een getal van 220 leerlingen bezocht wordt.

Aan het noordeinde van dit dorp staat de lichttoren Brandaris genoemd. Zie dat woord.

SCHELLING (WESTER-), het westelijk en zeer klein gedeelte van het eil. Ter-Schelling, prov. Noord-Holland, arr. Hoorn, kant. Medemblik, gem. Ter-Schelling. Het bevat niets dan het d. Wester-Schelling. Zie voorts het volgende art.

SCHUITEGAT (HET), vaarwater ten N. van de Zuiderzee, ten N. O. van de Vlie-reede en Z. W. van de zuidwestelijke punt van Ter-Schelling.

Dit vaarwater staat met de hoofdvaarwaters en met de zeewaters van het Vlie en Ter-Schelling in verbinding, en men komt daardoor in de haven van Ter-Schelling.

SIRIP, geh. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland. Zie Seerijp.

STORTUM, b. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. en 20 u. N. van Hoorn, kant. en 15 u. N. van Medemblik, gem. en 20 min. W. Z. W. van Midsland, 3/4 u. O. ten N. van Wester-Schelling; met 2 h. en 10 inw. Het is een gedeelte van het geh. Kleine-buren.

VERMEERUM, geh., op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland, arr. en 18 u. N. van Hoorn, kant. en 14 u. N. van Medemblik, gem. Terschelling, 1/2 u. O. van Midsland, waartoe het behoort.

WESTEREND, Doopsgez. kerk. gem. op het eil. Terschelling, prov. Noord-Holland. - Men telt er 250 zielen. De kerk heeft toren noch orgel.