KERKHOF-VAN-STAVOREN (HET), zandplaat in de Zuiderzee, W. van de Friesche stad Stavoren, zijnde de plaats, waar vroeger de St. Odulfus klooster-kapel gestaan heeft.

ODULFUS-KLOOSTER (ST.)of St. Odolfs-klooster, ook St. Olofs-klooster genoemd, voorm. kloost. In de st. Stavoren, prov. Friesland.

Dit kloost. Droeg zijnen naam naar den H. Odulpus, die gezegd wordt te Oirschot, in de Meijerij van 's Hertogenbosch, geboren en daarna Kanonnik der kerk van St. Salvator te Utrecht te zijn geworden. Ingevolge de overlevering had deze, te Stavoren en dar in den omtrek, in de negende eeuw, het eerst het Evangelie onder de Friezen gepredikt, en in 838, aan de westzijde van Stavoren, op den oever der zee, dit klooster, voor twaalf Reguliere Kononniken gesticht. Dewijl die van hunne eerste regelen afgeweken, vond Andreas van Cuyk, den vijf en twintigsten Bisschop van utrecht, goed, hen daaruit te zetten, en sommige Monniken der benedictijner-orde, uit de abdij van Oostbroek, bij Utrecht, derwaarts in de plaats te zenden. Dit klooster was daar blijven staan tot in het begin der veertiende eeuw, maar werd, in 1300, door de Enkhuizers in brand gestoken, hoewel die brand nog in tijds gebluscht en de geelden schade hersteld werd.

Ten jare 1345, toen Willem IV, Graaf van Holland hieromtrent eene landing deed en door de Friezen verslagen werd, was het nog in wezen. Dewijl echter de kust, aan de westzijde van Stavoren, jaarlijks aanmerkelijk afnam, deed zekere Abt Algerus, voorziende, dat het eerlang door de zee zou verslonden worden, het eenige jaren daarna afbreken en aan de zuidzijde der stad verplaatsen. In 1450 zag men evenwel nog de kapel van het eerste klooster, dewijl het kerkhof zeer hoof was; ja, in het jaar 1608 werden er, ten tijde van eenen harden winter, nog steen en overblijfselen der kerk uit de grond gehaald.

Eenige weinige jaren na den brand, in het jaar 1420, te Stavoren omtrent vijf honderd huizen verteerde, werd dit klooster, wegens het afnemen der zeekust, naar Hemelum verplaatst, blijvende de Abten zich steeds noemen: Abt van St. Odulfus-klooster in Hemelum. Christ. Schotanus, die in 1664 schreef, vermeld evenwel, dat veertig jaren voor zijnen tijd nog menschen leefden, die in dit klooster de mis gehoord , en in de kerk, op het altaar, een Lieve Vrouwebeeld hadden gezien, staande met een Friesche hoofdoek op het hoofd, die de Friesche Liefvrouw genoemd was.

OLOFS-KAPEL (ST.), voorm. kloost. In de stad Stavoren, prov. Friesland. Zie Odulfus-Klooster.

STAURIA, oude naam van de stad Stavoren, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Stavoren.

STAVORDER-MEER (HET NOORDER-)of het Stavorsche-Noordermeer, pold., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, gedeeltelijk gem. Stavoren, gedeeltelijk griet. Hemelumer-en-Oldephaert-en-Noordwolde, onder Molkwerum; palende N. W. aan den Klokslag-van-Stavoren, N. en O. aan het behoor van Molkwerum, Z. aan de vaart naar Warns, die hem van het Zuider-Stavorder-meer scheidt, W. aan de stad Stavoren.

Deze pold., welke, ingevolge octrooi van 19 Mei 1613, na het jaar 1620 bedijkt is, beslaat, onder Stavoren, volgens het kadaster, 122 bund. 87 v. r. 96 v. ell., waaronder 115 bund. 24 v. r. 44 v. ell. schotbaar land; telt 6 h., zijnde alle boerderijen, van welke 1 onder Stavoren, en 5 onder Molkwerum. Hij wordt door eenen grooten achtkanten watermolen, van ruim 2.50 ell. vlugt, droog gehouden. het polderbestuur bestaat uit Heemraden en eenen Penningmeester.

STAVORDER-MEER (HET-ZUIDER-)of het Stavorsche-Zuidermeer, pold., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, gedeeltelijk gem. Stavoren, gedeeltelijk griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, en daarin ten deele onder Warns, ten deele onder Scharl; palende N. aan de vaart naar Warns, die hem van het Noorder-Stavorder-meer scheidt, O. aan het behoor van Warns en aan het behoor van Scharl, Z. en W. aan den klokslag van Stavoren.

Deze pold., welke ingevolge octrooi van 19 Mei 1613, na het jaar 1620 bedijkt is, bestaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 157 bund. 53 v. r. 66 v. ell., als: onder Stavoren, 118 bund. 31 v. r. 86 v. ell., waaronder 113 bund. 2 v. r. 87 v. ell. schotbaar land; onder Hemelum-Oldephaert-en-Noordwolde, volgens het kadaster 38 bund. 21 v. r. 80 v. ell. Hij telt 3 h., alle boerderijen, van welke 2 onder Stavoren, en 1 onder Hemelum-Oldephaert-en-Noordwolde. Aangezien het Zuider-Stavorder-meer, wegens zijne diepte, veel moeijelijker viel droog te houden, dan het Noorder-Stavordermeer, plaatste men daarin twee groote achtkante watermolens, van ruim 2.50 ell. vlugt, doch een dezer molen naderhand afgebrand zijnde, was de andere niet in staat om alleen den polder droog te houden. Het bouwen van eenen nieuwen molen was dus van de grootste noodzakelijkheid, te meer, dewijl de nog overgeblevene molen ook reeds aanmerkelijk in verval was. De eigenaars ondertusschen, tegen de kosten opziende, droegen hun regt over aan den Heer Bernardus Schotanus Steringa, Med. Dr., en deze vond eene nieuwe soort van watermolens uit, welke, ofschoon kleiner dan de vorige, als hebbende slechts 1.88 ell. vlugt, echter veel meer water dan die twee van ruim 2.50 ell. vlugt konde uitmalen. Inmiddels bemoeiden zich de Staten van Friesland ook met dit werk, want overwegende, hoe gevaarlijk, bij eene doorbraak van den zeedijk, ten Zuidoosten van Stavoren dit Zuidermeer zou kunnen zijn, indien het zeewater daar ingang kreeg, moedigden zij den voornoemden Heer aan, om het meer zwaar te bedijken en droog te malen, met belofte van vrijheid van lasten ten eeuwigen dage en eene jaarlijksche gifte van 100 gulden, zoo lang het meer werd droog gehouden. Ook beloofde men hem, dat, indien het meer, door inbreuk van den Zeedijk, onderliep, en hij het dan weder droog maakte, zulks met een jaarlijksch geschenk van 200 gulden zou worden erkend, zoo lang hij het meer droog zoude houden. Dit regt door evengemelde Staten, aan Dr. Schotanus Steringa toegestaan, werd wederom door hem voor de helft overgedragen aan Jonkheer Ernst Mokkema van Harinxma thoe Slooten, Grietman van Baarderadeel en kleinzoon van bovengemelde Ernst van Harinxma, om dit werk gezamelijk uit te voeren, en bate en schade met elkander in gelijke deelen te genieten en te dragen.

STAVORDER-ZIJL (DE), sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, gem. en aan de stad Stavoren.

Deze sluis, welke breed is 7.65 ell., en diep 3.70 ell., ontvangt veel toevoer van water uit de omgelegene meren, terwijl zij ook door groote schepen kan gebruikt worden.

STAVOREN (KASTEEL-TE), voorm. kast. prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 1/4 u. Z. W. ten Z. van Hindeloopen, in het N. W. der stad Stavoren.

Dit kast. was in het jaar 1522 gesticht, door den Stadhouder George Schenk, ter zelfder plaatse, waar Albrecht van Beijeren, in het jaar 1397, eene sterkte gebouwd had. Het had een torengewelf en ringmuren, en werd, na zeven en vijftig jaren gestaan te hebben, op den 12 Februarij 1580 afgebroken, maar kort daarna door den Graaf van Rennenberg weder herbouwd, doch in het volgende jaar door de uitgeweken burgers weder ingenomen en gesloopt.

STAVOREN (KLOKSLAG-VAN-), dat gedeelte van de gem. Stavoren, prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, hetwelk buiten de stad Stavoren gelegen is. Het bevat het vaste land en gedeelten van den Noorder-polder en van den Zuider-polder.

STAVOREN, gem., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen (13 m. k., 7 s. d.); palende Z., W. en N. aan de Zuiderzee, O. aan de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.

Deze gem. bevat de st. Stavoren en den Klokslag-van-Stavoren. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 375 bund. 23 v. r. 19 v. ell., waaronder 367 bund. 67 v. r. 23 v. ell. belastbaar land. Men telt er 112 h., bewoond door 112 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 570 inw., die meest in de zeevaart een gering bestaan vinden. Ook treft men er de vroeger hier gebloeid hebbende fabrijken en trafijken, van welke hier voor vijftig jaren nog 1 pottebakkerij, 3 zoutketen, 2 jeneverstokerijen, 2 brouwerijen, 2 mast- en blokmakerijen, 3 zeilmakerijen, en 4 scheepstimmerwerven aanwezig waren, nog slechts eene lijnbaan en eenen korenmolen aan.

De Hervormden, die er 470 in getal zijn, onder welke 110 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum behoort, en vroeger door twee, doch thans door nen Predikant bediend wordt. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Johannes Meppel, die in het jaar 1582 hier was en in het jaar 1586 reeds was vertrokken. De eerste tweede Predikant, die in deze gem. gestaan heeft, is geweest Theodorus Noordbergen, die in het jaar 1667 herwaarts kwam en in het jaar 1681 overleed. Na het vertrek van den Predikant Johannes Henricus Regenbogen, hetwelk in het jaar 1797 plaats had, is Stavoren door slechts eenen Predikant bediend geworden. Onder de hier gestaan hebbende Predikanten verdienen bijzonder vermeld te worden Wilhelmus Brakel, de schrijver van de Redelijke Godsdienst, die er in 1665 kwam en in 1670 naar Harlingen vertrok; Eelco Tinga van 1786-1791 hier in dienst, later Hoogleeraar te Groningen en aldaar overleden, en zijn opvolger Johannes Henricus Regenbogen van 1791-1797, die later Hoogleeraar te Franeker en te Leyden is geweest. De tweede Predikanten stonden hier meestijds aan het hoofd der Latijnsche school. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.

De Doopsgezinden, van welke men er 90 aantreft, maken mede eene gem. uit, welke door een geordend Leeraar bediend wordt. - De 2 Evangelisch-Lutherschen, welke er wonen, behooren tot de gem. Workum. - De Roomsch Katholijken, die er 6 in getal zijn, worden tot de stat. van Bakhuizen gerekend.

Men heeft in deze gem. 2 scholen, welke gezamelijk gemiddeld door een getal van 50 leerlingen bezocht worden.

De stad Stavoren, in het Latijn Stavera, in het oud Friesch Staphrum of Staerum, zoo als zij ook nog tegenwoordig bij het meeste landvolk heet, ligt 10 u. Z. W. van Leeuwarden, 6 u. Z. W. van Sneek, 2 u. Z. Z. W. van Hindeloopen, 52o 52' 57'' N. B. 23o 1' 31'' O. L.. Men telt er binnen de muren 109 h. en 550 inw.

Omtrent de naamsoorsprong der stad is men in het onzekere. Sommigen meenen, dat Stavo haar stichter en naamgever zoude geweest zijn, anderen dat Staerum, Steerhem, Sterum of Sturum, is afgeleid van het woord Sturii, en willen, dat zij naar zekere oude volkplanting, Sturirs geheeten, wier oude woonplaats men nu in de Zuiderzee zoude moeten zoeken, dus genoemd zij. Zeker is het, dat deze oude volkplanting werkelijk bestaan heeft, doch dat de naam daarvan zoude zijn afgeleid, is twijfelachtig, omdat men in oude gedenkschriften van deze plaats, onder dien naam, bijna nergens gewag vindt gemaakt. Veiligst is het derhalve de zaak onbeslist te laten.

Stavoren is buiten twijfel de oudste en was weleer de grootste en vermogendste stad van Friesland. wat haren oorsprong aangaat; vr Christus geboorte gebouwd zijn, doch hun verhaal is met zoo vele versierselen omzwachteld, dat men er volstrekt niet op kan vertrouwen. Dit is zeker, dat de Friesche Koningen hier hunnen zetel hebben gehad; dat Stavoren eene zeer magtige koopstad is geweest, en hare haven in oude tijden, eene der diepste en veiligste was, waardoor de ingezetenen gelegenheid hadden, om groote schatten te verzamelen, die, gelijk alomme, ook hier de bronaders waren van pracht en weelde, welke de oude schrijvers, bij vergrooting, zoodanig uitmeten, dat zij niet schroomen te vertellen, dat men te Stavoren de stoepen en drempels met goud en zilver besloeg, waarvan het spreekwoord kwam: de verwende kinderen van Stavoren.

Doch gelijk vele voorname koopsteden, door het opslijken harer vaarwaters, vervallen zijn, zoo trof ook Stavoren het zelfde lot, dewijl eene zandbank, het Vrouwenzand genaamd, allengs voor de haven opschoot en de nadering van zwaar geladen schepen belemmerde. Dit toeval, wordt door de Kronijkschrijvers toegeschreven aan de dartelheid van eene rijke weduwe. Deze kreeg een schip uit Dantzig te huis, hetwelk door haar was uitgezonden met uitdrukkelijk bevel, om eene vracht terug te brengen van de beste waren, die daar te laden viel. Toen zij nu van den schipper vernam dat deze eene vracht van de beste tarwe aan bakboord had ingeladen, beval zij hem, die weder aan stuurboord in de zee te werpen, hetgeen ook geschiedde waarop, dus luidt de vertelling, eene groote droogte of zandbank ontstond, ter plaatse waar de tarwe in zee was geworpen. Tot een blijvend aandenken aan die dartele vrouw en aan het goddelijk ongenoegen over dit bedrijf, zouden nabij Stavoren nog koornaren groeijen, hoewel zonder eenige vrucht, hebbende daarvan slechts het uiterlijk voorkomen. - Het is niet onmogelijk, dat er zulks een geval in die tijden werkelijk gebeurd zij, doch wat deze koornaren aangaat, hier omtrent valt aan te merken, dat er niet ver ten Zuiden van Stavoren eene plant groeit, welke uiterlijk veel gelijks naar korenaren, doch deze wordt niet op het zoogenoemde Vrouwenzand, dat op eenigen afstand van de Friesche-wal in zee ligt en altoos onder water is, gevonden, maar wel op het bekende Rode-Klif (zie dat woord). Ook is deze plant niets ander dan een zekere helm, hoedanig men in vele oorden van Holland en Zeeland aan de duinen aantreft, en welks ver voortkruipende wortel zeer dienstig is, om het duinzand bijeen te houden en het verstuiven te beletten. Doch hoe dit zij, het grootste gedeelte der stad, is voorzeker door de zee weggespoeld, en onder anderen het klooster van St. Odulfus, hetwelk in oude tijden zeer vermaard was, en waarvan, in het jaar 1664, toen Schotanus zijne beschrijving van Friesland in het licht gaf, bij laag water, nog overblijfselen bespeurd werden. Doch heden is de geheugenis hiervan geheel verloren, dewijl men bij laag water thans niets meer kan ontdekken, dan de weleer bekende kerkstraat; liggende de kerk ongeveer een kwartier uur gaans ten noordwesten der stad in zee, alwaar men, bij laag tij, met stil weder, nog de overblijfselen der muren en eenige zerken der oude grafsteden ontdekt, waarom door de regering, ter beveiliging der scheepvaart, des zomers aldaar een ton wordt gelegd.

De magt van Stavoren was weleer ongetwijfeld zeer aanzienlijk; doch of men op deze stad kan toepassen, hetgeen nog te Nijmegen gelezen wordt: Huc usque regnum Stauriae (tot hiertoe strekt het regt van Stavoren uit) valt thans bezwaarlijk te bepalen.

Op den 2 December des jaars 1502, zou men, op het West van Stavoren, twee zilveren penningen gevonden hebben, gemunt onder de regering van Koning Radboud, en in 1425 eenen gouden penning, waarop men aan den eenen kant las: Adgillus Secundus Frisiorum Rex (d. i. Adgillus II, Koning der Friezen, en aan den anderen: Moneta aurea Civitas Stauriensis (d. i. gouden munt van de stad Stavoren). Doch deze penningen worden, door de meesten, voor verdicht gehouden. Schotanus drukt er zich ten sterksten over uit, en zegt: ik kan het nooit gelooven, dat er zulke penningen zijn geweest of zij moeten versierd zijn.

Stavoren is eene der oudste Hanzesteden geweest, ja de derde in rang, zijnde hare voorregten, te Keulen, op den 1 October 1549, en laatst te Lubeck, op den 16 Maart 1603, nog vernieuwd. DE groote reden van dit aanzien was de ijver en kunde der Stavorschen in de zeevaart en vooral hunne kloekmoedigheid, door, in de oude ruwe tijden, aan de andere Westersche volkeren een bewijs te geven, dat men door de Sond in de Oostzee varen kon. Hierdoor hebben zij ook het regt bekomen, dat zij aldaar vr alle anderen vertold moesten worden; waardoor het wel eens gebeurd is, dat zij, hunne reis in de Oostzee volbragt hebbende, bij hunne terugkomst in de Sond, daar nog schepen vonden liggen, die er op de uitreize te gelijk met hun gekomen waren. Tot erkentenis van dit voorregt zonden zij jaarlijks een stuk Leydsch laken met het eerste schip naar de Sond, tot een geschenk aan den Koning van Denemarken. De Koningen van Denemarken hebben ook bovendien, van tijd tot tijd, vele voorregten aan die van Stavoren verleend, van welke nog eenige overige zijn, als van Koning Waldemar, in 1326, en in 1363 op St. Matthensdag. Op Pinksteren van het jaar 1478 werd hun door Koning Christiaan, wegens eenige opgeschoten penningen, vergund, dat zij maar een Henricusnobel tol zouden geven tot den dag der voldoening toe. Ook zonden die van Stavoren een Gezantschap aan Koning Christiaan IV, in 1599, tot verdere bevestiging hunner voorregten. Geen mindere voorregten hebben de Koningen van Frankrijk weleer aan deze stad verleend, gelijk uit de daarvan overgebleven brieven kan blijken; zijnde de laatste dier brieven van Karel IX, gedagteekend 1561; waarom ook, gedurende den hevigen oorlog tusschen dien Koning en Keizer Karel V, toen geen nederlander op Frankrijk varen mogt, zulks veilig en met groot voordeel door die van Stavoren geschiedde. Er zijn ook nog privilegiebrieven voorhanden, welke de stad van den Zweedschen Koning Jacob, op den 3 Mei 1499 en op den 18 Junij 1525, ontvangen heeft.

Omtrent het jaar 1200 was Stavoren nog in vollen bloei, wordende toen geregeerd volgens hare eigene wetten en privilegien, zoo als die in het oude Grandeboek te lezen zijn. Toen voerde de stad ook het regt van galg en zwaard, waarom ook zeker stuk buitendijks land, ten tijde van Schotanus, tusschen Stavoren en Scharl, nog de Galgefenne werd genaamd. In het jaar 1230 kon men met behulp van eene polsstok, door het bosch Kreil, van Stavoren naar Enkhuizen gaan, doch in 1400 was er reeds een ruime vaart, tusschen die steden, uit de Noordzee naar de Zuiderzee. Het aanzien der stad nam middelerwijl aanmerkelijk af, in 1335 was Stavoren evenwel nog magtig genoeg, om den oorlog te voeren tegen de steden Lubeck en Hamburg, hoewel het verschil ras werd bijgelegd door tusschenspraak der Regering van gent, Brugge, IJperen, Dordrecht, Middelburg en Zierikzee; gelijk uit de brieven, in de stadskist berustende, kan blijken.

Toen Friesland onder de magt der Hollandsche Graven verviel, hadden deze, of hunne Stadhouders, hier hunnen zetel. Daardoor verkreeg deze stad ook de bevestiging harer voorregten van Graaf Floris V, op den 1 April 1292, en eene nadere bevestiging van Graaf Jan, in 1299. De Grietslieden en Mederegters der oude buurt van Froonacker, welken naam men toen gaf aan de Vijf delen in Westergoo, erkenden, in 1354, Stavoren voor eene vrije stad, en gaven haar een vrijgeleide.

In volgende tijden, allengskens zeer vernederd zijnde, door watersnood, brand, overrompeling, pest en duurte, lag deze, weleer zoo vermaarde stad lang zonder vesten, en werd menigmaal een nest van roovers, van buiten, die haar bemagtigd hadden. In het jaar 1516 werd zij echter weder eenigzins bevestigd.

Stavoren heeft thans eene langwerpig vierkante gedaante, van het Zuiden naar het Noorden vrij breed, doch van het Oosten naat het Westen smal. De stad ligt aan twee vaarwaters, het eene ten Zuiden en het andere ten Noorden, die beide uit de ringsloten der oude Stavorder-meren komen en door middel van onderscheidene wateren gemeenschap hebben met alle groote vaarwaters der provincie. Het zuidelijkste vaarwater, naar zijne ligging de Zuidervaart genaamd liep, liep weleer niet alleen door het zuidelijk gedeelte der stad, maar ook door de Zuiderzijl in zee, zoodat uit dit water voortkwam de Zuiderhaven die nog bij Schotanus in de afbeelding van Stavoren gezien wordt, doch reeds voor vele jaren in overdijkt en dus gesloten. De Noordervaart loopt buiten de stad in de stadsgracht, en vormt dan verder de haven der stad. De haven heeft twee hoofden, het eene ten Noorden en het andere ten Zuiden. Het laatste loopt met eene kromme bogt om de plaats van het kasteel, die weleer tot een buitenwerk, thans alleen tot een zeedijk verstrekt. Deze dijk is kostbaar van onderhoud, dewijl de invallende vloeden uit het Noordwesten het wier dikwerf ondermijnen, en dus het hoofd meermalen in gevaar brengen.

In 1767 is de Noorderhaven geheel geslat en de sluis meerendeels, na voorafgaande droogmaking, vernieuwd. Er ontstonden kort na dien tijd, geruchten, waarschijnlijk door kwaadwilligen verspreid, dat de sluis slecht gebouwd en met groot gevaar van het land, bij den eersten storm stond te bezwijken. Om deze reden werd de sluis door kundige lieden, op nieuw onderzocht en zoodanig bevonden, dat er niets op viel te zeggen. Ook hebben de zware stormen en watervloeden van 1775 en 1776 de deugd dezer sluis, die er niets door geleden heeft, nog nader bevestigd. Naast Harlingen is deze luis de wijdste der zuidelijke uitwateringen, als zijnde 8.80 ell wijd. Die van Wymbritseradeel, Hemelumer-Oldephaert en de stad Stavoren, moeten onder hun drien haar gezamelijk onderhouden. Voorheen had deze haven het ongemak, dat hare beide hoofden bijkans zuidoost en noordwest liepen, waardoor de slag van het water, bij hevige winden, hier zeer aanmerkelijk was. In 1792 werd dit gebrek grootendeels hersteld, zoodat Stavoren thans eene uitmuntende haven heeft, die voor geene der overige Friesche zeehavens, behoeft onder te doen, zijnde zij zoo groot en breed en van zulk eene gunstige ligging op den zuidwesthoek van Friesland aan de Zuiderzee, dat alleen de verhooging van buitengronden verhindert, dat zij niet meer door groote schepen kan bezocht worden. Aan de haven staat eene goede herberg, benevens het vernieuwde kustlicht. Aan het oosteinde der haven ligt eene dubbele klap- of valbrug, tot het doorlaten van koffen en smakken, waarover men op het Zuiderhoofd, als op een eiland komt en van daar ter stad ingaat door de voorm. Noorderpoort.

De stadswal bestond vroeger uit het oude blokhuis, de zeedijk en drie en een half bastion, met vier tusschenkomende gordijnen. Het oude blokhuis had men in het N. W., het bestond uit drie halve steenen katten, aan welke in de O. het gordijn, en in het Z. de zeedijk sloot. Door den wal liepen drie land- en twee waterpoorten, met name: de Noorderpoort ten N., de Koepoort ten O., de Zuiderpoort ten Z. en de Noorderpijp en de Zuiderpijp ten W. Deze waterpoorten lieten de voornoemde vaarten door in de stad; terwijl men door de Noorderpoort uit de stad reed naar Westergoo, door de Zuiderpoort naar Gaasterland, en door de Koepoort naar de naburige landerijen. Deze poorten zijn voorzien van valbruggen, doch alles is thans diep vervallen. Het middelste deel der stad, waarin de kerk en toren staan, ligt rondom in eene binnengracht, als een eiland, besloten, doch heeft gemeenschap met het overige der stad door middel van veertien bruggen, van welke twee bij Stavoren voorkomen; onder den naam van de Blaauwe-brug en de Vrouwen-brug. Dit middelgedeelte wordt meerendeels, aan de overzijde van de voornoemde insluitende gracht, omsingeld door de huizen aan dien kant des waters, zoodat deze stad, hoewel niet groot, echter ongemeen wel is aangelegd.

De burgerhuizen binnen Stavoren waren vroeger net en welbebouwd, doch sedert een aantal jaren zijn er vele afgebroken, ten gevolge der in het oog loopende verachtering van welvaart en handel. De scheepsbouw vooral bloeide hier, even als de daaraan verknochte fabrijken, zooals lijnbanen, smederijen en zeilmakerijen. Een en ander gaf Stavoren een levendig aanzien, bevorderde den koophandel en deed de stad bloeijen. Thans is dit alles veranderd. Stavoren heeft heden een treurig aanzien. men ziet er geheel geene boomen, maar tusschen golvende erven van met ruigte en gras bedekte puinhoopen, nog eenige bouwvallige huizen half gesloopt, muren met bonte tegelen en digt gespijkerde vensters. De smalle puinwegen, die derwaarts loopen, zijn met afbraak van Stavorens voormalige huizen overdekt. De overblijfsels van vloeren, pannen, met roet doortrokken gevelsteenen, verglaasde esterlingen, alles toont de treurige slooping dier eertijds zoo vermaarde residentiestad van Stavo aan. Bij huur of koop worden de woningen voor zeer geringe prijzen afgestaan, het is overal stil, somber en levenloos, en de verarmde bewoners, schijnen in de verwloze woningen, zonder nering of handteering moedeloos neder te zitten. men wil, dat er voorheen en welligt nu nog oude gebouwen zouden zijn, wier voorgevels bijna een el dik zijn.

Het Stadhuis, aan de Westelijke-Gracht, staat in het midden der stad en is in 1775 geheel vernieuwd en daaraan eene fraaije raadkamer gebouwd. deze is fraai geschilderd; links van de deur vindt men den verkoop van Esaus eerstgeboorteregt, en ter regterzijde Izaak, Jacob zegenende in plaats van Esau; links van den schoorsteen Salomo's eerste regt en regts Ahasuerus en Mordecha. Tegenover de vensters Susanna in het bad door twee grijsaards bespied en Thabor de Hoer. In den schoorsteen is het portret van Willem V. In het plafond ziet men in het middelvlak het stads bestuur op eenen verheven zetel geplaatst met den staf in de regterhand; nevens de stedemaagd ligt een scheepsroer. De eendragt, aan hare voeten zittende, biedt haar een open granaatappel aan; nabij haar is de staatkunde, met twee aangezigten en een verrekijker; tegen haar over de rede, op wolken gedragen, met passer en vorm, en verder allerlei allegorin. In de hoeken vindt men fresco-schilderingen, voorstellende de Wijsheid, de Geregtigheid, de Wakkerheid en de Voorzigtigheid, met allegorin. Op het raadhuis wordt nog bewaard een met zilver beslagen gildehoorn, die 2 1/2 flesch houdt en waarop staat: desen horen hebben doen maken de broeders van Sint Antonius gilde MCCCXCII. Op de plaat is in zilver gedreven Petrus en Elias van de raven gespijsd. het stadhuis was vroeger een goed deftig gebouw, met een hoog bordes. Thans echter is het in verval. Toen men het oude Stadhuis afbrak, vond men in een der muren twee gouden penningen, welke elk eene halve pistool waardig waren.

Het Contributiehuis of de Vergaderplaats van het dijksbestuur Hemelumer-Oldephaert-en Noordwolde, staat in de Voorstraat.

De Kerk der Hervormden, staat aan de Westelijke-Gracht. De Pastoor trok destijds 150 goudg. (225 guld.) en er was nog eene vikarij van 100 goudg. (150 guld.). Dit gebouw moest eerst in de zestiende eeuw gesticht zijn, want in 1531 moest de kerk, welke men toen te Stavoren had, worden afgebroken, omdat zij te digt bij het Blokhuis stond. Naar men wil zouden aan het tegenwoordige bedehuis balken en sparren en ander houtwerk gebezigd zijn, welk in het bosch van Kreil gewassen waren. Het is een net gebouw, met een zeer goed orgel en geregelde zitbanken. Ook vindt men nog in de kerk een zwart bord, waarop te lezen staat: In 1555 Vrijdags nachts voor St. Marten gebleven twee zeelieden met hunne manschap en vijf kinders. - Heere bewaar de zeeman. Men vindt er mede nog de baren van de gilden. De toren, welke afzonderlijk staat en tot een baken in zee versterkt, is fraai gebouwd. In het jaar 1768 en 1769 zijn aan kerk en toren aanmerkelijke verbeteringen gedaan, en bij die gelegenheid eenige der gezegde balken uitgenomen, die nog heel frisch en gaaf werden bevonden, waarom zij naderhand tot onderleggers der bruggen zijn gebruikt. Men vindt ook in eenige partikuliere huizen nog heden vele gelijksoortige balken.

De Kerk der Doopsgezinden is een klein, doch net gebouw, zonder toren of orgel.

Men heeft er eene Latijnsche school, wordende de post van rector door den Hervormden Predikant waargenomen; doch bij gebrek aan leerlingen is zij althans gesloten.

Men had te Stavoren vroeger een mansklooster zijnde het St. Odulfusklooster op eene plaats welke later door de zee is weggespoeld. Zie Odulfudklooste (St.).

In het Noorden van Stavoren, stond weleer ook een Beggijnenklooster; doch dit klooster werd, in het jaar 1549, door eene Geldersche Beggijn in brand gestoken, omdat zij, door de Moeder van het klooster, volgens hare gedachten, onder eene al te strenge tucht gehouden werd. Dit klooster was schoon van aanleg en voorzien van eene fraaije kerk en lommerrijk geboomte, doch allengs verarmd, zoodat de Beggijnen den kost met weven moesten winnen. Hiertoe stonden achttien weefgetouwen en halve braspenning (ruim 3 cents) was het weefloon van elke sluiting.

Stavoren is de geboortepl. van den Geleerde Nanno, die op het einde der negende eeuw leefde, de Leermeester van radboud, den veertiende Bisschop van Utrecht geweest is, en eenige philosophische geschriften heeft nagelaten.

Van de Geschiedschrijvers: Cappidus, bijgenaamd Stauriensis, die omtrent het jaar 920 geleefd heeft; en Andreas Cornelius, die een Kronijk van Friesland geschreven heeft, in 1589.

Van de Staatslieden: jarig 9Jarge) Coppes, die in de veertiende eeuw Burgemeester van Groningen is geweest en zich Hoofd der Schieringers kennen deed, en Allart Pieter van Jongestal, die in 1652 Gezant aan het Hof van Engeland en in 1667 Gevolmagtigde tot den vredehandel te Breda was, geb. in 1613, in 1675.

Uit Stavoren waren mede afkomstig de voorouders van den Kruidkundige Rembertus Dodonaeus, eigenlijk Remmert Dodoens of Doedes van Joenckema.

Stavoren heeft meer dan eens schade geleden door brand: als in het jaar 996, toen 329 huizen daardoor verteerd werden. In 1420 deed de brand eene veel grooter verwoesting, verslindende omtrent 500 huizen, zoodat het Zuider en Zuidooster deel der stad, ter oorzaak van de rieten daken, als in een oogenblik werd in asch gelegd, weshalve zij daarna binnen engere palen moest besloten worden.

Ook heeft de stad niet weinig in de oorlogsrampen moeten deelen. Zoo werd zij, in het jaar 1079, door Dirk V, Graaf van Holland, belegerd en stond drie weken het geweld der belegeraren door; maar zag zich eindelijk genoodzaakt te bukken. Zij kreeg vergiffenis op voorwaarden, dat de burgers zich ootmoedig zouden overgeven, en veertig personen uit hun midden tot gijzelaars stellen; dat zij den Graaf, als hunnen Landsheer of Potestaat, zouden huldigen, mits betalende tot eene boete, dertien honderd Fransche kroonen (3536 guld.)." DE burgers verkregen wel, dat zij door den Graaf in genade werden aangenomen; doch buiten deze verzoening bleven de vreemde knechten, die hen in den oorlog gediend hadden, alsmede zij, die uit Westfriesland derwaarts gevlugt waren. nadat de Graaf zijne plegtige intrede in de stad gedaan had, deed hij alle de gezegde vreemdelingen onthoofden.

later moest die van Stavoren weder tegen de Hollandsche Graven, zijn opgestaan, want wij vinden dat zij zich in 1312 weder met Graaf Willem III verzoenden. deze Graaf begon zich in 1325 ernstiger dan voorheen, met de regering van Friesland te bemoeijen. Hij had toen twee inwoners van Stavoren, tot Schouten of regters over de stad en het omliggende land aangesteld. Doch deze nieuwigheid mishaagde den Friezen, welke aangehitst door den Abt van St. Odulfus-klooster, die toen veel gezag in Stavoren oefende, de Graaflijke Schouten verjaagden en hunne woningen, die, hetwelk toen hier te lande nog iets zeldzaams was, van steen gebouwd waren, ten gronde toe afbraken. Dit bedrijf werd hoog bij den Graaf opgenomen. Hij rustte eene vloot uit, die, langs de Zuiderzee kruissende, den Friesche schepen veel nadeel toebragt. Zelfs deed zij, nu en dan, eene landing op de Friesche kust, bij welke gelegenheid het dorp Mirdum en eenige landen daaromtrent ledig geplunderd en plat gebrand werden. De Friezen, hierdoor tot nadenken gebragt, verzochten met den Graaf in onderhandeling te mogen treden, hetwelk hun vergund werd. In Mei 1328 kwamen de Abt van St. Odulfusklooster en eenige Afgevaardigden der burgerij van Stavoren, te Haarlem, met Graaf Willem overeen, dat de Graaf van Holland voortaan Schouten, Schepenen en andere regters in Friesland zou aanstellen, aan wier vonnissen zij beloofden zich te onderwerpen.

Vr of in het jaar 1345 moesten die van Stavoren zich weder aan de gehoorzaamheid des Graven onttrokken hebben. Willem dus in zijne eer getast zijnde, en een strek leger, wel van 85,000 man, zoo men schrijft, op de been hebbende, begaf zich scheep om over de Zuiderzee naar Friesland te varen. De vloot, door het onstuimige herfstweder, of door kwade richting der stuurlieden, verstrooid geraakt, landde niet te gelijk aan de Friesche kust. Een deel der vloot, onder Jan van Henegouwen, zoon van Jan van Beaumont, kwam eerst aan land, bezuiden St. Odulfusklooster, daar hij zijn leger op een breed veld, de Zuidfenne genaamd, nedersloeg. Toen de manschap, die hem volgde, aanland getreden was, viel hij op een deel Friezen, dat de Hollanders daar verwachtte, aan, maar deze, hetzij met voordracht, of gedwongen, deinsden terug, en wierpen zich, ten deele binnen Stavoren, ten deele binnen den omtrek van het klooster, war ze van de Hollanders gevolgd en aangetast werden. Zij verdedigden zich echter zoo kloekmoedig, en drongen vervolgens zoo dapper op de vijanden in, dat zij er eene groote menigte van versloegen. Inmiddels waren de klokken der naastgelegene dorpen geluid, en de landlieden in de wapenen gebragt, welke zich bij de vechtende Friezen voegden en gezamelijk met hen de meeste Hollanders, die aldaar geland waren, dood sloegen en de overige dwongen te vlugten. Graaf Willem, wat later aan de Friesche kust gekomen, landde op eenigen afstand ten Noorden van het klooster, bij zich hebbende de meeste Hollandsche Edelen, en den bloem der krijgsmagt uit zijne Staten. Hij gaf zich geen tijd, om zijn leger in behoorlijke slagorde te stellen; maar deed het volk bij benden op de Friezen, die ten deele in het riet verborgen lagen, aanvallen, en in het naastgelegen dorp branden en blaken. Terstond kwamen de Friezen uit hunne rietbosschen te voorschijn; terwijl, ter zelfder tijd, hunne spitsbroeders, die reeds de overwinning behaald hadden, zich bij hen voegden. Graaf Willem, niet wetende dat een deel van zijn leger geslagen was, viel terstond aan, doorstak met eigen hand een Friesch Edelman, en nam de pligten van eenen Veldheer zoo wel in acht, als hem, naar tijd en gelegenheid, mogelijk was. Maar omgeven en overvallen door de overmagt der vijanden, die, op het luiden der klokken, van alle kanten als bijen kwamen opzetten, werd hij eindelijk, met alle de manschappen, die hem vergezelden, verslagen. 's Graven lijk werd van de Friezen, ter weerwrake van den gesneuvelden Edelman, onthoofd: de andere benden, die vervolgens aan land kwamen, en ten strijde liepen, werden mede, ten grooten deele nedergehouwen en weinigen konden zich met de vlugt op de schepen bergen. De strijd duurde van zonnen opgang tot den laten avond. Men wil dat er achttien duizend, zoo Hollanders, Zeeuwen als Henegouwers, gesneuveld, of in het slijk en water versmoord zijn, onder welke twee honderd en veertig hooggeboren Staatspersonen en voorname Edelen geteld werden. Deze overwinning, waarvan men in Friesland de weergade nimmer beleefd had, viel voor den 25 September 1345. Die dag is, vele jaren daarna, als een plegtige feestdag gevierd: wordende de Friesche Lieve-vrouwendag genoemd, zonder twijfel, omdat men destijds, deze overwinning, aan de voorbidding der H. Moeder-maagd toeschreef.

Hertog Albrecht van Beijeren was in zijne onderneming gelukkiger. Toen hij, in 1397, het Friesche leger aldaar sloeg, en Stavoren, destijds van geringe sterkte, innam. Hij bouwde een blokhuis in het Noordwesten der stad, waarna hij zijn krijgsvolk van hier door geheel Friesland zond, en het gansche land, onder zekere voorwaarden, tot onderwerping bragt. reeds vroeg in het voorjaar van 1400 werd de stad Stavoren door de Vrijheidsgezinde Landzaten belegerd. Walraven van Brederode, die destijds het bevel over de bezetting had, hield de belegeraars zoo lang op, dat hertog Albrecht tijd had, om meer krijgsvolk over te zenden. Eerlang kwam Arnold van Egmond, Heer van IJsselstein, met eenig volk aan: waarop de Friezen het beleg opbraken. De schans te Molkwerum was nog in hunne handen, en werd met eene sterke bezetting voorzien. Doch, eenigen tijd daarna, beproefde Brederode, aan het hoofd der bezetting van Stavoren, eenen aanslag, om die vesting te verrassen. Hij bestormde de werken met groote dapperheid, waartegen de Friezen zich met geen minder kloekmoedigheid verweerden. De aanvallers verloren veel volk. Brederode, zwaar gewond, werd door de Friezen gevangen genomen, maar ontsnapte eerlang zijne wachters en kwam weder binnen Stavoren bij zijn volk. De Friezen van Westergoo, vernomen hebbende dat er binnen Stavoren slappe wacht gehouden werd, verrasten de stad, den 12 Maart 1414, en verjaagden de Hollandsche bezetting. Hertog Willem, Graaf van Holland, had altoos groote zorg voor het behoud dier stad gedragen, en er, van tijd tot tijd, wakkere Bevelhebbers gezonden. Daar hij echter thans vrij ernstig in de Utrechtsche onlusten en andere zwarigheden gewikkeld was, namen de Friezen de gelegenheid waar, om dat eenigste overschot der Hollandsche heerschappij in hun land te vernietigen. Ook liet de Staat van 's Graven zaken, hoe gevoelig hem dit verlies ook was, niet toe, om den Friezen zulks betaald te zetten.

Den 26 September 1420 rukten de Vetkoopers onverwacht bij nacht voor Stavoren, binnen welke stad zich de meeste Oostfriesche en Groninger ballingen, welke tot de Schieringers behoorden, nedergezet hadden. Zij geraakten in den donker over de vesten. daar echter die van binnen de wapenen spoedig aangegord hadden, ontstond er een hardnekkig gevecht, waarin Coppen Jarigs en sommige anderen sneuvelden. De overige ballingen en misnoegden, niet langer kunnende stand houden, gingen scheep en vlugtten naar Holland; sommigen namen de wijk naar Slooten.

In 1516 gedurende de Geldersche onlusten, werd de stad door den Bourgondischen Stadhouder Floris van Egmond, met behulp van honderd kleine schepen vol krijgsvolk, ingenomen, en, nadat zij weder in handen der Gelderschen gevallen was, in 1522, andermaal herwonnen en het blokhuis versterkt.

Tijdens de Spaansche onlusten en oorlogen heeft Stavoren ook veel geleden. Den 25 Augustus 1572 werd de stad door de onzen ingenomen, alzoo zij door de Spanjaarden slecht bezet was, doch den 6 September weder in handen der Spanjaarden gevallen zijnde leed zij veel overlast van het Wallen-Regiment van Caspar Robles, dat eene verschrikkelijke plundering en moord onder de ingezetenen aanrigtte; terwijl een gedeelte der stad verbrand werd.

Stavoren weder in onze magt gekomen zijnde, liet Prins Willem I, in het jaar 1580, het kasteel afbreken, doch de trouwelooze Rennenberg, de stad voor den Spaanschen Koning herwonnen hebbende, deed het kasteel weder hestellen en de stad met Spaansch krijgsvolk bezetten. In 1581, hebben de uitgewekene en voor Spanje's tirannij vlugtende burgers van Stavoren, geholpen door een vaandel Staatsche soldaten onder Sonoy, de stad weder ingenomen en het kasteel gesloopt, sedert welken tijd de stad aan der Staten zijde is gebleven.

Bij den watervloed van Februarij 1825 werd Stavoren vreeselijk geteisterd. De meeste huizen leden veel en eenige spoelden tot op de grondslagen weg. Er sloegen verscheidenen diepe gaten in de straten, langs welke turf, huisraad en gereedschappen in menigte rondspoelden. Het havenhoofd werd verschrikkelijk beschadigd, zoodat het naauwelijks te herkennen was. De zoutkeet stortte in, en het was niet dan met moeite, dat de boeren hun vee door het water naar het hooger gelegen Warns en Molkwerum heen dreven. vele schapen verdronken, doch gelukkig kwamen hier geene menschen bij om.

Het wapen van Stavoren is een veld van goud, met drie fascen van keel en geplaatst op twee gekruisde bisschopstaven van goud.

De vlag is blaauw met twee gouden gekruisde bisschopstaven in het midden.

STEERHEM, oude naam van de stad Stavoren, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Stavoren.