SNECA, Lat. naam van de stad Sneek, prov. Friesland, kw. Oostergoo. Zie Sneek.

SNEEK, arr., prov. Friesland; palende N. en N. O. aan het arr. Leeuwarden, O. aan het arr. Heerenveen, Z. en W. aan de Zuiderzee.

Dit arr. bestaat uit de vroegere kwartier Westergoo, behalve de griet. Menaldumadeel, Franekeradeel, Barradeel, Baarderadeel en het Bildt, en met toevoeging, uit Zevenwouden, van de griet. Lemsterland, Doniawarstal en Gaasterland.

Het bevat de vier kant. Sneek, Bolsward, Lemmer en Hindeloopen, en beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 70,059 bund. 29 v. r. 23 v. ell., waaronder 66,865 bund. 83 v. r. 25 v. ell. belastbaar land. men telt er 8720 h., bewoond door 10,554 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 50,000 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt.

SNEEK, gem., prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr. en kant. Sneek ( 16 m. k., 8 s. d.). Zij wordt geheel en al door de griet. Wymbritseradeel ingesloten, behalve ten. Z. W. waar zij aan de gem. Ylst grenst.

Deze gem. bevat de st. Sneek en den zoogenaamden Klokslag-van-Sneek. Zij beslaat, volgens et kadaster, eene oppervlakte van 892 bund. 48 v. r. 47 v. ell, en waaronder 847 bund. 76 v. r. 76 v. ell. belastbaar land. Men telt er 1100 h., bewoond door 1490 huisgez., uitmakende eene bevolking van 7800 inw., die meest hun bestaan vinden in den handel, en de volgende fabrijken hebben: 1 dekenvolmolen en wolspinnerij, 5 lijnbanen, 4 scheepstimmerwerven, 5 geelgrieterijen, 1 tigchelwerk, 1 kalkbranderij, 2 leerlooijerijen, 1 calicotweverij, 1 lijmziederij, 1 bierbrouwerij, 4 pottebakkerijen, 2 zeeziederijen, 2 bloterijen, linnen en katoenweverijen, 6 grutterijen, 4 wagenmakerijen, 4 olie-, 2 houtzaag-, 1 leer-, 2 eek-, of run-, 1 specerij-, 2 pel-, 1 kalander- en 5 ??3 korenmolens, benevens het stadswerkhuis, bestemd tot het doen pluizen van touw tot kalfaatwerk, het spinnen van hede tot zaklinnen en het spinnen en weven van dweillinnen.

De Hervormden, die er 5560 in getal zijn, onder welke 1400 Ledematen, maken ééne gem. uit, welke tot de klass. en ring van Sneek behoort en door drie Leeraren bediend wordt. De eerste, dien wij hier als Leeraar vermeld vinden, is geweest zekere Gellius Hotzenus of Jelle Hotzes, ook Gellius Snecanus genaamd, die naar Leeuwarden vertrok. Na hem stonden hier in 1566 Andreas Castricomius of van Kastricum en Cornelis Rotsterhaulius ook van Rotsterhaule, die, in gevolge bevel van den Koning van Spanje van 11 Januarij 1567, op verbeurte van lijf en leven, het land moesten ruimen. Na het verdrijven van de Spanjaarden en het herstellen van de Hervormde godsdienst, predikte Menno Poppius, geboren te Oosterzee, in Lemsterland, vroeger Predikant te Mansslagt, in Oost-Friesland, allereerst in de maan October 1567 in de Groote kerk te Sneek. Hij schijnt tot ambtgenoot te hebben gehad Andreas Cornelis Hagius, die in het jaar 1572 herwaarts beroepen werd, doch reeds in het volgende jaar weder de vlugt moest nemen, en eerst, na de aanneming van de Pacificatie van Gend in dit gewest, in 1578 van Brielle, alwaar hij intusschen het predikambt had waargenomen, naar Sneek is wedergekeerd. Van toen af is de gem. te Sneek door twee Predikanten bediend, tot in het jaar 1802, toen zij tot eersten derden Predikant bekwam Marten Adriaan de Jongh, die in het jaar 1807 naar Nijmegen vertrok. Onder de Predikanten van naam, die hier gestaan hebben, verdienen melding: Johannes Bogerman van 1599 tot 1602, die in 1618 en 1619 Voorzitter van het nationale Synode te Dordrecht geweest is; Florentius Johannes van 1503 tot 1634, die Afzondene wegens Friesland op dat Synode was, en David Flud van Giffen van 1681-1688, door zijne schriften bekend. het beroep geschiedt door den kerkeraad.

Ten gevolge van het herroepen van het Edict van Nantes, heeft men te Sneek ook eenige jaren een Fransche gemeente gehad.

De Doopsgezinden hebben te Sneek nog lang aan vervolging ten doel gestaan. In de lente van het jaar 1600 begaven zich de Predikanten Gosuinus Geldrop en Johannes Bogerman, gesterkt door de Regering der stad, drie onderscheidenen malen naar de vergadering der Doopsgez., om de eenvoudigen te onderwijzen, zoo als zij zeiden. Zij kregen echter geen gehoor. Kort hierna werd aan de Doopsgezinde Leeraars, op zekere straf, verboden, om hunne leer te verkondigen, weshalve deze zich nu van de vergadering onthielden, ofschoon de gemeente voortging zamen te komen. Beide genoemde Predikanten meenden dus de kans schoon te zien, om de gemeente, welke in zekeren zin herderloos was, tot hunne gevoelens over te halen, en begaven zich met dit oogmerk dikwijls naar de plaats, waar zij zamen kwamen, maar hunnen pogingen waren vruchteloos. Het was blijkbaar dat zij door Pieter van Ceulen, die zich thans te Sneek had nedergezet, niet weinig in hare trouw aan het Doopsgezind geloof werden versterkt. men begon dan nu met dezen man zelven over geloofspunten te spreken, waarvan men trouwens den ongunstigen uitslag wel had kunnen verwachten. De daarbij tegenwoordig zijnde Regeringsleden verklaarden van Ceulens woorden wel voor nietig en onschriftmatig, maar dit hielp niet, om den man tot bekeering te brengen. Wat zij echter daarbij voegden: „dat zij, als Overheid, geene andere leer wilden dulden dan Christus zuivere leer, niet achtende op de kindsche redenen van 't exempel der anderen of naburige steden," gaf te kennen, dat er meer kwaad broeide. Het duurde ook niet lang, of het onweder barstte los. In 1601 vertaalden Geldrop en Bogerman een stukje van Beza, over het ketterstraffen, uit het Latijn in het Nederduitsch, waarin zelfs het ketterdooden verdedigd werd, en droegen dat met eene voorrede op aan de Wethouderschap van Sneek. Zij betuigden in deze voorrede, dat men, om staatkundige redenen en om vrede te bewaren, tusschen 's Lands ingezetenen en de burgers eener stad, de ketters niet moest verschoonen; dit was vrede houden met den satan. men moest slechts ééne godsdienst in den Staat dulden. Zij wilden alzoo niet zelve over de conscientiën heerschen, maar God door zijn gebod daarover heerschappij doen voeren. Wat het verlies van nering en handtering in de stad betrof: „ het was beter eene woeste en onbewoonde stad te hebben, dan eene neringrijke vol ketters: want beter was het weinig te bezitten met eene goede en geruste conscientie, dan te hebben landen en steden vol nering, met een knagenden worm en bevend gemoed." men zag spoedig, welk een indruk dit werk op de regering der stad maakte, daar zij weldra een plakkaat liet afkondigen, waarbij den Doopsgezinden, op geldstraffe alle bijeenkomsten en predikatiën werden verboden. Er was echter een onder de Doopsgezinden, Barend Jacobsz, die, in weerwil van dit plakkaat in zijn huis liet prediken, en weigerde de afgeëischte boete te betalen, zoodat er stukken van zijn huisraad openlijk werden verkocht.

In den beginnen bestond er reeds eene gem. van Doopsgezinden te Sneek. Deze behoorde tot de Waterlandsche, maar er woonden te Sneek ook onderscheidene leden, die tot de Oud-Vlaamsche behoorden. Deze vonden het wegens den afstand te moeilijk om te Ylst geregeld de godsdienstoefeningen bij te wonen, en konden zich ook niet met de waterlanders te Sneek vereenigen. Zij besloten dus, in 1746, hier eenen nieuwe gem. te stichten, waartoe zij met een getal van 17 Leden, alle te Sneek of onder het beheer der stad woonachtig, overgingen, met overleg en goedvinden van de broeders en zusters te Ylst. Van de Leden der nieuwe gem. schijnen zich Wouter Beerents, Klaas Gosses en Andries Wouters, bij de oprigting, bijzonder verdienstelijk gemaakt te hebben, en de eerste Prediker was zekere Yde Rients, die den 30 Maart van dat jaar door den oudsten en algemeenen Opziener bij de Oud-Vlamingen, Pieter Folkerts, Leeraar (in de Boteringe-straat) te Groningen, in de dienst werd aangesteld en bevestigd. Beide gemeenten leefden te zamen steeds in vrienschappelijke betrekking; terwijl die der Waterlanders het meest in getal van Leden toenam. De gemeente van Oud-Vlamingen verloor, den 18 Mei 1838, door den dood, haren hoogbejaarden Leeraar Jelle Siedsma, nadat hij drie en zestig jaren lang het werk der Evangeliebediening onder haar had waargenomen. het geringe aantal der overgeblevene leden, zoowel als inzonderheid de Christelijke eensgezindheid, welke deze met de andere gemeente, vroeger op het Singel genoemd, verbond, maakte eene vereeniging van beide wenschelijk. Dit werk der vereeniging was bij zulks eene stemming der gemoederen gemakkelijk en verkreeg dan ook reeds den 4 Julij, tot tevredenheid en genoegen van alle belanghebbenden, zijn beslag. De kleine gemeente ging met 15 Leden en een niet onaanzienlijk fonds tot de grootere over, terwijl de Leeraar der laatste Pieter Wepkes Feenstra, in de alzoo vereenigde gemeente, die thans eenvoudig den naam van Doopsgezinde gemeente te Sneek draagt, als Evangeliedienaar werkzaam bleef, tot dat hij in 1842, om zijne hooge jaren, zich gedrongen gevoelde zijne betrekking neder te leggen. Toen werd hij opgevolgd door Isaac de Stoppelaar Blijdesteyn. Het beroep geschiedt door de leden der gemeente uit een zestal, hetwelk de kerkeraad, benevens eene hiertoe benoemde commissie uit de leden, zamenstelt. het getal leden bedroeg, op den 1 januarij 1847, 350 en het getal zielen omtrent 800.

De Evangelisch-Lutherschen, die te Sneek wonen, behooren tot de gem. te Workum.

De Roomsch-Katholijken, welke 1480 in getal zijn, onder welke 940 Communikanten, maken eene stat. uit, welke tot het aartspr. van Friesland behoort en door eenen Pastoor bediend en eenen Kapellaan bediend wordt. De eerste Pastoor, die hier na de reformatie de dienst heeft waargenomen, is geweest Gellius Ylstanus, Kommandeur van het Hospitaal van St. Johannes. De Pastoor te Sneek is mede Aartspriester van Friesland.

De Israeliten, van welke men er 180 aantreft, maken eene ringsynagoge uit, welke tot het synagogaal ressort van Leeuwarden behoort, en waarin de dienst door eenen Voorlezer verrigt wordt.

Men heeft in de gem. Sneek zeven middelbare en lagere scholen, welke gezamelijk gemiddeld door een getal van 1150 leerlingen bezocht worden.

De stad Sneek, in het oud Friesch Snits, in het Latijn Sneca, geheeten, ligt 4 u. Z. Z. W. van Leeuwarden, 2 u. Z. O. van Bolsward, 1 u. N. O. van Ylst, 4 u. Z. Z. O. van Franeker; op 53o 1' 57'' N. B., 23o 19' 25'' O. L., ten grooten deele op eenen lagen bodem.

Hoogst vermoedelijk was zij weleer eene zeeplaats, daar de Hemdijk of vroegere zeewering thans nog door de stad loopt. De lage ligging veler landerijen in de nabuurschap der stad, maakt deze tot den akkerbouw wel onbekwaam, doch zij zijn, vooral bepolderd, zeer uitnemende weilanden.

De stad is zoo oud, dat men nergens van den tijd harer eerste stichting of begin eenig gewag vindt gemaakt. In 1268 was zij nog maar een gehucht, en in 1294 reeds eene kleine stad, met wallen en grachten voorzien en met stedelijke voorregten begiftigd. Een jaar daarna werd deze bemuurde stad door eigen vuur, op twee huizen na, geheel afgebrand. In 1328 was echter deze schade gedeeltelijk hersteld; want toen beschonk Hertog Albrecht van Beyeren, Hije Reynarda met het schoutambt van Sneek.

Binnen de wallen beslaat de stad eenen oppervlakte van 17 bund. 61 v. r. 15 v. ell., waaronder 13 bund. 70 v. r. 31 v. ell. belastbaar land. Men telt er 880 h., 1230 huisgez. en 6580 inw.

Sneek, genoegzaam hartvormig van gedaante zijnde, is het breedst in het Zuidoosten en smalst in het Noordwesten, en omringd met eenen aarden wal waarvan een gedeelte afgegraven en tot plantsoen aangelegd is, hetgeen eene aangename wandeling oplevert. Men komt binnen de stad door twee voormalige landpoorten, thans eenvoudige bruggen en vier waterpoorten; de landpoorten waren: de Noorder-poort, afgebroken in 1843, door welke men naar Ysbrechtum, en voorts naar Hennaarderadeel, Bolsward, enz. gelijk ook naar Ylst kon rijden; de Ooster-poort, afgebroken in 1842, door welke de hemdijk, na door de Noorder-poort binnen Sneek gekomen zijnde, wederom uitliep naar Rauwerderhem, Leeuwarden enz.; bovendien heeft men er de Hoog-eindster-brug, leidende naar de straatweg tusschen Sneek en de Lemmer. De waterpoorten zijn: de Leeuwarder-pijp, voor de trekvaart op Leeuwarden; de Klein-Zandster-pijp, leidende naar het Sneeker-meer enz.; de Klein-Paalster-pijp, waardoor men uitvaart naar de Witte-Brekken, de Koevoet, Langweer enz. en eindelijk de Hoog-eindster-pijp, waardoor men langs de Geeuw naar Ylst vaart.

Even buiten de Hoogeindster-brug of pijp, zuidwestwaarts, had men, vóór den aanleg van den straatweg naar de Lemmer, in 1845 een boschje beplant met velerlei soort van geboomte. Voorheen was dit een open veld, en de speelplaats voor de jeugd, het Kaatsland genoemd. Deze wandelplaats, bijna geheel door eene sloot omringd en, bij den ingang, met een hek afgesloten, was aangelegd in het jaar 1809, doch is door het aanleggen van den gezegden straatweg te niet geraakt. Ook kan men vrij en onbelemmerd buiten om de stad wandelen, uitgezonderd buiten de Hoogeindster-pijp. Niet ver van het voormalig boschje is naar alle waarschijnlijkheid nog eene zeer oude begraafplaats ontdekt, blijkbaar uit opgegraven stukken van kruiken, lijkbussen of urnen, veel overeenkomst hebbende met de afbeeldingen, welke men daarvan in het Oudheidkundig Tijdschrift van N. Westendorp, vinden kan. De scherven, die men hier vindt, zijn meestal, bij eene naauwkeurige beschouwing eenigzins glinsterend, en als met goud zand bestrooid; overgens zonder eenig ander glazuur en zeer bros. Ook vindt men er stukken roof gebakken steen, eene geelachtige aarde en roode asch; waarvan eenige overblijfsels bij den Heer Jan Foppes Bakker, te Sneek, bewaard worden. De plaatselijke gelegenheid van dezen grafberg, de hooge Wier genaamd en thans grootendeels reeds afgegraven, aan eenen nu gedeeltelijk verstopten stroom, misschien nog een arm of tak van het Boerdiep, maakt dit gevoelen nog aannemelijker; naardiende oude volkeren van begrip waren, dat de zee de benedenwereld of woning der Goden was, waarom zij, bij gebrek hiervan, toch altoos aan stroomen, meren, moerassen, of ook in geheiligde bosschen, hunne grafheuvels aanlegden.

De nieuwe begraafplaats, aangelegd in 1828, om welks hooge oppervlakte een diepe gracht is, en naar welke een lijnregte nieuw aangelegde weg en vaart leidde, treft men op eenigen afstand van de stad, buiten de voormalige Noorderpoort, aan. Deze is met een ijzeren hek afgesloten, en de opmerkzame beschouwing van den vreemdeling overwaardig. De grond, waarop zij is aangelegd, is die, waar voorheen het oude Hospitaler-klooster stond. Dit veld is in vier gelijke deelen afgemeten en door breede middelpaden en een algemeen pad er om heen, afgedeeld. Zoowel de genoemde weg als de begraafplaats zijn fraai beplant.

De stad Sneek, van buiten om de wal, met eene vrij breede gracht omringd, is van binnen ook grootendeels met water doorsneden, waarom men er ook zeer vele houten bruggen aantreft, om de gemeenschap der buurten gemakkelijk te maken.

De straat, die zich van de voormalige Noorderpoort door de stad naar de voormalige Oosterpoort, langs den Hemdijk, uitstrekt, wordt eerst Achter de Kruizebroeders, en daarna het Oosterdijk genaamd. Uit deze loopt, in het Noordwesten, zuidwaarts de Naauwe Noorderhorn, uitkomende op de Marktstraat, die zich door de Peperstraat, wederom vereenigt met het Oosterdijk, en voorts zuidwaarts de straten het klein Zuidereind en de Scharn vormt; terwijl tusschen deze straten besloten ligt de Groote Kerk en het kerkhof. Ten Oosten van deze straten vindt men de twee grachten, het Groot-Zand en het Singel, van welke de eerste in het Zuiden in de Nieuwestad overgaat. Eindelijk, om van min aanzienlijke waters en straten niet te spreken, loopt de Stads Weg, Oostwaarts door de stad, de fraaije gracht, het Klein-Zand, waardoor het Singel, bij de Potstraat, Noordwaarts loopt naar de Leeuwarderpijp.

Onder de openbare gebouwen te Sneek verdient vooral melding het Stadhuis, aan de Noordzijde der Marktstraat. Wanneer het gesticht is, blijkt niet, doch allengskens vervallen zijnde, is het tusschen de jaren 1730 en 1736, aanmerkelijk verbeterd, en, daarna, in 1760 en volgende jaren, naar den toenmaligen smaak, zeer fraai verbouwd. De voorgevel is versierd met eene blaauwe zarksteenen borstwering, zijnde boven den ingang het stadswapen in hardsteenen boogwerk uitgehouwen. het gebouw is niet groot, doch met eene dubbele verdieping, zoo hoog opgetrokken, dat het verre boven de andere huizen der stad uitsteekt. negen groote schuiframen telt men in den voorgevel, met hardsteenen kompaanstukken er onder, en eene breede hardsteenen lijst er boven, die door fraaije uitgehouwen kardoezen ondersteund wordt. Op het gebouw staat een torentje met fraai snijwerk versierd, waarin eene klok hangt, die te Sneek in 1628 gegoten werd. Ten jare 1745 werd, tot meerder sieraad, vóór het stadhuis een fraai hardsteenen bordes gemaakt, versierd met onderscheidene wapens en zinnebeelden; ter deure intredende, komt men op een ruim portaal. Binnen in het gebouw treft men onderscheidene ruime en fraaije kamers aan. Vooral is de groote bovenzaal een schoon vertrek. Met het Stadhuis, dat sedert aanmerkelijk is verfraaid, is in 1842 vereenigd het aan de oostzijde belende gebouw, tot 1840 gediend hebbende tot vergaderplaats van de regterlijke magt, thans hoofdzakelijk bestemd tot Stads Secretarie en bewaarplaats van het stedelijk archief.

Het Paleis van Justitie of wel het gebouw der Arrondissements- en Kantons-Regtbanken, in 1839 aan de Markt gesticht, waar achter thans het Huis van Arrest, in 1841 gesticht, gevonden wordt, zet aan deze stad geen gering sieraad bij. Boven de deur leest men, in arduinsteen gebeiteld: Jus Suum Cuique (d.i. elk zijn regt).

Het voorm. Huis-van-Verzekering ten dienste van de Arrondissementsregtbank in de Hof- of Kleine-Kerkstraat, was vroeger de Kleine of Broere-kerk, en werd in het jaar 1845 afgebroken.

De Kaak, die op het einde van de Wipvaart, of Kroonenburg, plagt te staan, en in 1572 vernieuwd was, heeft men in 1751 weggebroken en den grond geslecht.

De Stadswaag, is een oud, doch hecht gebouw, en niet onwaarschijnlijk omtrent het jaar 1427 gebouwd, dewijl Sneek toen reeds het regt der waag had. Bij deze waag is dikwijls, vooral des Dinsdags met eene voordeelige weekmarkt, eene groote drukte, wordende er doorgaans op zulk eenen dag, in den besten tijd des jaars, achttien à negentien honderd vierendeelen boter gewogen; hebbende men er zelfs weleens meer dan 1900 ter waag zien brengen, benevens ruim 30,000 à 40,000 ponden kaas, buiten alle andere koopmanschappen. In 1706 is deze weekmarkt voornamelijk in aanzien gekomen, dewijl de Burgemeesters toen eene vrije weekmarkt verleenden, die van tijd tot tijd zoodanig toenam, dat er in 1725 voor deze waag een luifel werd gemaakt, rustende op elf pilaren, om daaronder de boter veilig voor de hitte der zonnestralen te kunnen beschutten. Daarenboven werden de waag en luifel, in den jare 1756, nog aanmerkelijk vergroot, door het aankopen van een naburig huis, zoodat de geheele luiffel toen op negentien pilaren rustte. In het jaar 1839 is de luifel anderwerf aanmerkelijk vergroot, tot groot gemak, zoo van land- als van kooplieden (1).

(1). In het jaar 1846 zijn hier 2,132,180 ponden boter en 846,868 ponden kaas ter markt gebragt. dat de hoeveelheid betrekkelijk zoo veel minder was, is daaraan toe te schrijven, dat vele landbouwers de kaas niet ter markt brengen, maar aan kooplieden, in hunne dorpen of in hunnen omtrek wonende, verkoopen, zonder die aan eenige publieke waag te laten wegen.

De Vischmarkt, vroeger tegenover de Waag, is in 1827 verplaatst aan de Stadsgracht, bij de Leeuwarderpijp. Zij is van boven overdekt en verder zeer doelmatig ingerigt.

Sneek had voor dezen twee jaarmarkten waarvan eene inviel op den 14 mei en de andere in het laatst van October, 14 dagen vóór St. Marten; doch deze zijn afgeschaft, blijvende alleen de veemarkten op de gewonen tijden. Om evenwel de stad niet geheel van een vrolijke jaarmarkt te versteken, wordt er jaarlijks eene algemeene op den tweeden Dinsdag van Augustus gehouden, staande dan de kramen, niet op de Botermarkt gelijk voorheen, noch in de Marktstraat, gelijk sedert 1771, maar ter wederzijden van het Groot-Zand. Alle weken houdt men hier des Dinsdags eene weekmarkt, die, wegens den grooten toevoer van boter, voor eene der beste van de geheele provincie te houden is.

Het Postkantoor is aan het Achter-om. In deze stad staat ook het Grietenijhuis van Wymbritseradeel aan de Naauwe-Brug-straat.

Weleer had Sneek onderscheidene aanzienlijke partikuliere gebouwen, welke nu niet meer in vorigen bloei zijn; te weten: het huis, staande op den hoek van de Naauwe-Noorderhorn, thans eene herberg, waarop voor deze een torentje was; het Muntjehuis, achter het Kruisbroederklooster, alwaar men meent, dat weleer eene Munt geweest is; het Huis-op-Leeuwenburg, staande nevens den hoek van Kroonenburg, hetgeen eertijds een ruim voorplein had, doch zoodanig door verbouwing is veranderd, dat de muur, die weleer de voorgevel was, thans de achtergevel uitmaakt, hebbende Louw Donia, weleer vermaard Grietman van Wymbritseradeel, aldaar in 1492 gewoond. Het huis op den Zuidoosthoek der Kleine Kerkstraat, later eene herberg, de Witte Arend geheeten, thans het paleis van Justitie, voormaals gebouwd en bewoond door eenen Edelman met name Sickinga. Nog had men hier in 1709 het zoogenaamde Withuis op Kroonenburg, en Frittemahuis op de Breedeplaats, benevens een huis van de Dekama's afkomstig, op het Singel, naast de Roomsche Kerk, alwaar na 1685 de uit Frankrijk gevlugte Protestanten, te dezer stede, zich op de boven-voorzaal vereenigen, om hunne godsdienstoefeningen in de fransche taal te houden; terwijl Dekama's huis of Stins, volgens de meeste waarschijnlijkheid gestaan heeft aan de Marktstraat.

De Groote kerk, in de Nieuwe of Groote kerkstraat, was vóór de Reformatie aan den H. Martinus, Bisschop van Tours, toegewijd, en plagt destijds 200 goudguld. (300 guld.) op te brengen, en het vikarisschap 50 goudguld. (75 guld.). Daar waren vijf prebenden: twee van honderd goudguld. (150 guld.) in het jaar, een derde van 80 goudguld. (120 guld.), en twee andere van 70 goudguld. (105 guld.). De Proost van Utrecht genoot 16 schilden (12 guld.) De Ridders van Malta hadden een klooster bij Sneek staan, in de wandeling genaamd het Hospitaal van St. Jansberg. Uit dit klooster plagt de Parochiekerk hare Pastoors te krijgen, volgens het regt van patronaatschap, hetwelk die St. Jans-heeren over onderscheidene kerken, als die van Oppenhuizen, van Bolsward, en van Sneek, plagten te hebben. Deze kerk is een zeer schoon gebouw, onzeker wanneer gesticht, doch in het jaar 1503 met een ruim koor vermeerderd. De tegenwoordige lengte van dit bedehuis is ruim 57, de breedte 27 en de hoogte tot in de naald ruim 30 ell; doch in 1682 was het nog ruim 4 ell. hooger en ongeveer 6 ell. langer. Weleer stond bij deze kerk, een dikke toren, die er ver boven uitstak, en midden op het gebouw eene spits van buitengewonen hoogte; dan dit alles werd in 1682, wegens bouwvalligheid van het bovenwerk, afgebroken, en om de zelfde reden het dak ruim 4 ell. verlaagd. Nog heden leest men in eenen steen, boven het westelijk portaal.

Hersteld den 14 Augustus 1682.

Ten derde maale zeeg Sint Martens tempel neder,

En zag haar toorne kroon vertreden met den voiet;

De Burgerij van Sneek, ontstoken door den gloet

Van Godsdienst, Herstelt 't bouwvallig Godshuis weder.

Vrouw Heemstra legt hier eerst den grondsteen in 't verband,

En op haar zegen houd de kerk nu eeuwig stand.

Midden op de kerk was voor dezen een koepeltoren gebouwd, en daarin geplaatst een slaguurwerk met eenige kleinere klokjes, die, in het jaar 1710, werden vergroot tot een speelwerk van veertien klokjes, gedreven door een houten ton met ijzer beslagen; dan dewijl dat werk, op den duur niet goed kon blijven, en het, in 1770, genoegzaam bedorven was, besloot men, in het jaar, het oude klokkenspel geheel weg te doen, en daarvoor een grooter van beter en duurzamer hoedanigheid aan te leggen. Vermits het gemelde torentje daartoe te klein, en daarenboven reeds meer of min bouwvallig was, oordeelde men, dat ook te moeten afbreken, en daarvoor op dezelfde plaats, een nieuw en breeder torentje, koepelswijze, te maken, zoo als in het jaar 1771 geschiedde. Dit klokspel heeft zes en twintig slagklokken, die te zamen 2540 ponden wegen, en in den nieuwen koepel. met koper gedekt, geplaatst zijn. De koperen trom is zwaar 345 ponden en heeft 4680 gaten, tot verandering der pennetjes voor allerlei psalmen en gezangen; daarenboven is er een handklavier bijgemaakt, om dus den klokkenist daarop allerhande muzijkstukjes te kunnen doen spelen. Men treedt in de kerk door vier ingangen, waarvan de eerste is in het Oosten, alwaar men in het koor gaat; en boven den ingang, in hardsteen uitgehouwen, ziet men eene menigte doodshoofden en anders doodsbeenderen, tot een teeken van de broosheid des menschelijken levens. De Westerdeur is in het nieuwe muurwerk, en ook met een voorportaal voorzien. De Zuiderdeur is de kleinste, doch daar boven aan den binnenkant, staat met vergulden letters te lezen:

Die door dees poort kwam om mijn woord hier aan te hooren,

Zij dit gezeid, eer hij weer scheidt; ik heb verkooren,

Dat in mijn tent, zij zonder end, op mijne zoons bede,

Die mijnen Raad en wel verstaat, en vlijtig deede.

De Noorderdeur eindelijk heeft ook een portaal, en daarenboven stond voorheen het oude orgel, hetwelk in 1610 werd verkocht aan de kerk van Wieuwerd, alwaar men het nog heden gebruikt. Sedert het laatst der vorige eeuw prijkt dit Noorder portaal met eenen zeer fraaijen voorgevel in de Dorische bouworde. Ter zelfder tijd en het volgende jaar werd deze kerk versierd met een geheel nieuw orgel, hetwelk geplaatst werd in het oosten der kerk, voor het koor op vier zware houten gedraaide pilaren; daar het eene uitnemend fraaije vertooning maakt, vooral nadat het, in het midden der vorige eeuw, aanmerkelijk verbeterd, en ook versierd is door het groen en wit te verwen, en met goud af te zetten. De predikstoel, met het doophek, is van den jare 1626, en zeer raai, naar den smaak van dien tijd. Hij is geplaatst tegen den middelsten pilaar aan den zuidkant der kerk. Ook pronkt de kerk, tot in 1818, met fraai geschilderde glazen, waarvan eenige door de hooge Collegien, andere door Vorsten uit het Huis van Nassau, en de overige door de Regering en de Gilden waren vereerd, pronkende met fraaije wapens en opschriften. Eindelijk is deze kerk versierd met zeer schoone gestoelten, onder welke dat van de Regering uitmunt, als opgaande met tien trappen en met veel snijwerk aan de kap versierd. Het gestoelte van de leden der Vroedschap, gemaakt in het jaar1683, staat in het Westen der kerk, vlak tegenover het orgel, in het zoogenoemde Nieuwe- of Westerkoor; de kap of luifel rust op acht kunstig slangswijze gedraaide pilaren, en pronkt van boven met eenige versierselen. Het voormalig gestoelte der Bevelhebbers, thans dienende voor zitplaats van partikulieren, is insgelijks fraai, en ook met eenen doorgang in het midden voorzien; het staat ten Oosten onder het orgel. In het midden van de kerk hing voor dezen een schip, en daarbij eenen vreemde opgevulde visch. De reden, waarom er die gehangen waren, is onbekend, en daarom heeft men zoowel het schip als den visch weggenomen. Zeven koperen kaarskroonen, eest alle geschonken van gilden der Stad, versierden vroeger mede deze fraaije kerk. Deze kroonen zijn later vervangen door drie gebronsd geschilderde ijzeren kroonen met lampen. Groote Pier, zo vermaard in de Friesche Historie, en binnen Sneek overleden, ligt in deze kerk, aan den noordkant, begraven. Aan den zuidkant der kerk heeft men de kosterij; voorheen was dit vertrek zonder eenig sieraad, doch in het jaar 1759 is het met schuiframen, snijwerk, eenen engelschen schoorsteenmantel, welke voor weinige jaren in een nis is veranderd enz. versierd, en dient ter vergadering, zoo van de klassis van Sneek, als van den kerkeraad der stad, gelijk ook van de Diakenen, om er de giften aan de armen in uit te deelen. aan den zelfden kant der kerk, nabij de kosterij, staat het stads klokhuis, waarin thans twee luidklokken hangen; welke destijds, waarschijnlijk, in den zwaren kerktoren gehangen hebben. Rondom de kerk en kosterij had men tot 1828 een ruim kerkhof, dat weleer met onderscheidene poorten voorzien was; van deze is die in het Noorden wel het langst in wezen gebleven, doch later ook weggebroken, en daarvoor een ijzeren hek, met twee zware kolommen, en op ieder daarvan eene kostelijke lantaarn, gemaakt. Sedert den aanleg van de nieuwe begraafplaats buiten de stad is het oude kerkhof in eene aangename wandelplaats herschapen, met boomen, heesters en bloemen beplant en versierd. In Julij 1842 heeft deze kerk een fraai gewerkt zilveren doopbekken ten geschenke ontvangen van de Doopsgezinden te Sneek met dit opschrift:

De Doopsgezinde gemeente te Sneek heeft dit doopbekken, op den 6 Julij 1842, aangeboden aan de Gereformeerde gemeente aldaar, als een blijk van erkentelijkheid voor het liefderijk verleend en ruim een jaar genoten vrij gebruik van hare kerk tot openbare godsdienstoefening, ten tijde dat voor eerstgenoemde gemeente eene nieuwe kerk gebouwd werd.

Vroeger hadden de Herv. hier nog eene kerk, de Broere-kerk of Kleine-kerk geheeten. Wanneer dit gebouw gesticht was, valt met geen zekerheid te geven; zeker weet men, dat het reeds vóór het jaar 1390 bekend was en toen aan St. Antonius gewijd was, doch in het jaar 1462 aan de Kruisbroeders gegeven, waarvan het zijnen naam ontleende. Het was lang 25.11, wijd 11.90, en hoog tot in den naald 21.34 ell., staande daar nog boven een torentje van 10.67 ell. In het jaar 1756 werd deze kerk, die toen geheel vervallen was, zeer schoon verbouwd, en het uurwerk met fraaije wijzers voorzien: hebbende de kosten van een en ander te zamen bedragen de somme van 9604 guldens. In het jaar 1766 bekwam dit gebouw, den, tot in het jaar 1845 daarvoor nog prijkenden, gevel met eenen spitsen toren. Het werd, zoo als wij hier boven gezien hebben, na tot een Huis van verzekering gediend te hebben, in 1845 afgebroken.

De Doopsgezinde kerk, op de Singel, die in het jaar 1842 gebouwd is, s zeer doelmatig voor de behoefte der gemeente ingerigt, en in 1847 van een uitmuntend orgel voorzien, doch heeft geen toren. Zij dient ter vervanging van die, welke in het jaar 1654, door de Waterlandsche Doopsgezinden ter zelfder plaatse gesticht was. vroeger hadden de Oude Vlaamsche Doopsgezinden hier ook eene kerk, op het Klein-Zand, doch deze dient thans tot een pakhuis.

De Roomsch-Katholijken moesten zich, na het doordringen der Kerkhervorming, gelijk alomme, eerst op zolders en in achterhuizen behelpen; doch door den tijd eenige meerdere vrijheid verkregen hebbende, lieten zij eerst een huis, staande op het Singel, inrigten, om daarin hunne eeredienst te kunnen houden, en in 1695 deden zij eene inzameling van liefdegaven, om het tot eene kerk te verbouwen. Doch ook deze, bij het aanwassen der gemeente, te klein en daarenboven bouwvallig geworden zijnde, werd, in het jaar 1766, geheel afgebroken, en daarvoor eene nieuwe fraaijere, op de zelfde plaats, weder opgebouwd, die niet alleen met ruime kraken of hangzolders voorzien was, en dus zeer vele menschen kon bevatten, maar ook daarenboven versierd met een schoon orgel, fraai gewerkt altaar, communiebank, met een kunstig gesneden hek, gegipsten zolder en daar aan hangende glazen kaarskroon, benevens velerlei schoone beelden, schilderijen enz. Deze kerk, aan den H. Martinus toegewijd, is, na in het jaar 1834 geheel vernieuwd te zijn, een groot, inwendig zeer fraai bezienswaardig gebouw, met eenen toren en van een orgel voorzien.

Vóór de Hervorming bestond er in Sneek een Kruisbroedersklooster, thans het Burger-Weeshuis, en even buiten de stad eenen kommanderij der Ridders van Malta. Zie het art. Jans-Hospitaal (St.).

De Jezuiten hadden in het jaar 1564 van Philips II verlof gekregen om hier een collegie te bouwen, waarin zij de jeugd in het latijnsche taal zouden onderwijzen. maar alzoo zij den Raad en de burgerij van Sneek tegen zich hadden, zijn ze naar Ylst getrokken. Als zij aldaar ongeveer drie jaren gevestigd waren, hebben zij Friesland, om de beroerten tegen de Roomsch Katholijken godsdienst verlaten.

De Synagoge, in de Burg-straat, in het jaar 1836 gebouwd, is een fraai gebouw, met eenen kleinen toren.

Onder de liefdadige gestichten verdient vooral melding het Burger-Weeshuis, in de Kruisbroeders-straat. Dit was weleer het Kruisbroeders-klooster; het werd gesticht in den jare 1462; doch is in den jare 1580, bij het doordringen der kerkhervorming, in een Weeshuis veranderd, en in het volgende jaar met kinderen voorzien. Voor vele jaren vond men hier, bij verbouwing van het huis, in den grond, eene kas van een bijzonder maaksel met zeven pijlaren, en daarin eenige kunstige schilderijen, die men nog heden in de groote zaal van het huis ten toon ziet hangen. Dit huis, niet onbemiddeld en later fraai verbouwd, is van eenen schoonen tuin en een plein voorzien. Voor dezen nam men in dit huis alleen de jongste kinderen aan van lieden, die hier als burgers overleden waren; terwijl de overige in het Diakonie-Weeshuis geplaatst werden. Doch hierin heeft men, om gewigtigen redenen, eene aanmerkelijke verandering gemaakt, en de twee weeshuizen tot één gebragt: zoodat tegenwoordig in het reeds gemelde huis allerlei kinderen, zoowel van de Diakonie als van de stadsarmen, opgenomen werden. De inkomsten van landerijen enz., welke dit huis bezit, maken het onderhoud der kinderen gemakkelijk, hetwelk dan ook zoo verre is van schaars te zijn, dat zij hier veeleer als voortreffelijke burgerkinderen verzorgd en onderwezen, en, bij hun ontslag uit dit huis, met een ruim uitzet beschonken worden. Men telt er thans (in 1847) een getal van 53 wezen.

Ook heeft men er een Weeshuis voor de Roomsch Katholijken, aan de Oude-Koemarkt, zijnde een zeer doelmatig ingerigt gebouw, waarin 14 kinderen verpleegd worden.

Het oude Diakonie-weeshuis, naderhand het Armenhuis, aan de zuidzijde van het kerkhof, werd in het jaar 1675 gebouwd, nadat men hier reeds in 1616 eenige kamers tot onderhoud der Diakonie-Armen had gesticht. In 1688 troffen de voogden der Stads-huiszitten-Armen een vergelijk met de Diakonie, om hunne ouderlooze kinderen ook in dit huis te plaatsen, mits daarvoor eene behoorlijke somme betalende, hetwelk tot op den tijd der zoo even gemelde verandering heeft plaats gehad; hebbende men het sedert meest tot arme woningen verbouwd. Ondertusschen hielden de stads Armvoogden hier nog hunne vergaderingen, en deelden er des Maandags brood aan hunne armen uit. Doch sedert 1840 is er een aanzienlijk en ruim Algemeen-Armenhuis gebouwd, aan de Oude-Koemarkt, waarin ook de Soepkokerij gevestigd is, en de Voogden der onderscheidene administratiën en andere collegiën hunne vergadering houden; terwijl het voormalige Armenhuis in het jaar 1845 is afgebroken, en de plaats, waar het gestaan heeft, tot eene Nieuwe-Koemarkt ingerigt.

Het Gasthuis, in het Groote-Zuidend of de Oude Koemarkt, is van eenen onzekeren oorsprong, doch weleer aan St, Antonius toegewijd, en verdeeld in Mannen- en Vrouwenkamertjes. Vóór vele jaren vond men hier nog ongeveer 50 personen, die er, voor hun leven, den kost in hadden gekocht, en hier zeer aangenaam woonden, dewijl bijkans voor ieder kamertje een bloemperk is, en zij alle hun uitzigt hebben op de plaats en het bleekveld. dan alzoo dit huis voor de stadskas nooit zeer voordeelig geweest is, heeft men het laten uitsterven, terwijl het westelijk gedeelte is gebruikt tot het bouwen van het Algemeen-Armenhuis, hierboven genoemd, en de overig gebleven kamertjes ten dienste staan der Stads Algemeen Armvoogden.

In het jaar 1746 werd in het Klein-Zuidend, bij het Diakonie Weeshuis, een Stads Spin- of Werkhuis gebouwd, en daarin vooreerst zeildoek en garen gesponnen; doch in 1769 werden de hier ter stede wonende bond- en boezel-reeders verzocht, hunne wollen garens in dit huis te laten spinnen, om daarvoor werk te verschaffen aan zoodanige lieden, die anders door de stads Armbezorgers gevoed zouden moeten worden. Na dien tijd bragt men in dit huis, waarover een Spinbaas het bestuur had, alle bedelaars en ledigloopers van de straat op, om hier hun kost te verdienen; terwijl het opperbestuur over dit huis waargenomen werd door drie voorname reeders in voornoemde fabrieken, mits daarvan jaarlijks, ten voordeele van het armboek, rekenschap doende aan de regering. Dan, dewijl het werkvolk niet verkoos zoo naauw onder den band te staan, als noodig was, om dit huis ter bereiking van het bedoelde oogmerk te doen dienen, heeft het, op het laatst der vorige eeuw, eenen geruimen tijd ledig gestaan. In 1784 vond de regering goed, het tot eene bekwame Exercitieplaats voor de Schutterij en het Exercitie-genootschap te doen inrigten. Alzoo had de schutterij eene zeer geschikte plaats, om zich des winters, zoowel bij avond als bij dag, in den wapenhandel te oefenen en bekwaam te maken. Later is dit huis ingerigt tot een Stads-werkhuis of Werkplaats van Liefdadigheid.

Voorts heeft men er eene Spaarbank, die sedert het jaar 1818 bestaat, en eene bank van Leening.

De welingerigte Concertzaal en daaraan verbondene Societeit in het gebouw Leeuwenburg, staande aan de straat van daar Leeuwenburg genaamd, (zie bl. 503), is eene voortreffelijke inrigting.

Men heeft er ook een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, hetwelk den 23 April 1798 opgerigt is en 80 leden telt.

De latijnsche School, aan het westeinde van het vorige Kerkhof, aan de stadswal, aan welke door eenen rector en eenen Conrector wordt onderwijs gegeven, wordt gemiddeld door een getal van 18 leerlingen bezocht.

De Fransche School telt een gemiddeld getal van 30 leerlingen; de eerste Burgerschool 220 leerlingen; de tweede Burgerschool 130 leerlingen; de Tusschenschool 330 leerlingen; de Armenschool ruim 380 leerlingen en de Israëlitische School ruim 30 leerlingen.

Sneek heeft onderscheidene vermaarde mannen binnen hare muren zien geboren worden; als: De Godgeleerden: Gellius Snecanus, † vermoedelijk te Leeuwarden in het laatst der zestiende eeuw; Dominicus Benedictus of Benedictus, † 14 januarij 1586 als Kanunnik te Dusseldorp; Albertus Hero, geb. in 1549, † in 1589 als Pastoor te Gerytshum bij Dusseldorp; David Flud van Giffen, † in 1701 als Predikant te Dordrecht; en Johannes à Marck, geb. 31 December 1655 (of volgens de nieuwe of Gregoriaansche stijl 10 Januarij 1656), † 30 Jannuarij 1731, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Leyden.

Den regtsgeleerde Pieter Frittema.

Den Staatsman Joachimus Hopperus of Joachim Hoppers, geb. 10 November 1523, † te Madrid 25 December 1576, na Raadsheer in den Hoogen Raad te Mechelen en vervolgens in den geheimen Raad des Konings van Spanje, te Brussel, te zijn geweest.

De Geneeskundigen: Regnerus Bruitsma, die, in het begin der zeventiende eeuw, Geneesheer der heerlijkheid Mechelen was en zich, door zijne schriften, niet slechts als ervaren arts maar tevens als Latijnsch dichter, heeft doen kennen, en Siboldus Hemsterhuis, † vermoedelijk in 1695.

De Geschiedschrijvers: Alvinus Frisius, die een kort begrip der Friesche Historie van 't begin des volks af tot de tijden van Karel den Groote beschreven heeft, geb. in 1400, en Volkerus Symonis, die op het einde der vijftiende eeuw leefde, en eene Cronijk van Vriesland in de Latijnsche taal beschreven heeft.

Den Grieksche Taalgeleerde Petrus Mol, geb. 28 November 1596, † 29 October 1669, als Hoogleeraar in de Grieksche taal aan de Hoogeschool te Franeker.

Den Nederlandsche Dichter Henricus Geldrop, geb. 1 December 1600, † 11 October 1652 als Predikant te Amsterdam; en

De Romanschrijfster Fenna Mastenbroek, † 3 October 1836.

In het begin der voorgaande eeuw woonde te Sneek een man van buitengewone grootte, lange Jacob van Sneek genoemd, die eene lengte van ruim 2.50 ell. had. Deze lange Jacob was gehuwd met Jannetje van Waddinxveen, die nog geen 0.95 ell. lang was en den bijnaam van de Kleine had. Beider portret werd hier lang bewaard. Onder het portret van Jacob stond het zonderlinge rijmpje:

'k ben Jacob buiten groot en onbesuisd van leden,

Dog binnen is 't gedarmte groot en wijd;

Dus, als mij spijs en wijs vereenigd tegen treden,

Blijf ik verwinnaar in den strijd.

Onder dat der Vrouw:

's Is korte jannetje, aan een langen vent getrouwd;

Een wijze Karel die de guldenspreuk onthoud:

Een vrouw is kwaad, een pest in huis, en wil je mallen,

Of liever moet je, kies het kleinste kwaad van allen.

Sneek is onderscheidene malen door brand geteisterd, want nadat het, zoo als wij hierboven (bl. 500) gezien hebben, in 1295 op twee huizen na was afgebrand, en vervolgens weder herbouwd, werd in 1417 andermaal een aanzienlijk gedeelte dier stad door het vuur vernield, en men meent, dat vele stedelijke archieven toen mede zijn verbrand. In 1427 moet deze brandschade reeds grootendeels hersteld zijn geweest, want toen was Sneek de vergaderplaats der Schieringer heerschappen, bevoorregt met eene waag en eigen regtspleging.

Den 13 October 1456 werden er zes en twintig huizen een prooi der vlammen en naauwelijks een half jaar later daarna, op Witten Donderdag van het jaar 1457, brandde wederom het grootste deel der stad af, zoodat er niets staan bleef dan het Klein-Zand, het Oosterdijk en de Nieuw-Stad over het water; doch kort daarna werd de stad fraaijer dan ooit voorheen herbouwd en nam tevens zoodanig in aanzien toe, dat haar, in het jaar 1464, het regt der munt werd vergund; hebbende Winsemius nog eenen penning gezien, die te Sneek gemunt was.

Doordien de koophandel in het midden der vijftiende eeuw te Sneek aanmerkelijk toenam, vooral door de onvoorzigtigheid der Leeuwarders, die de buitenlieden te veel bezwaarden, zochten die van Leeuwarden de rondom wonende boeren het zenden hunner waren naar Sneek op allerlei wijzen te bestellen, waardoor er eene droevige verbittering ontstond, die openbare vijandelijkheden ten gevolg had. Zoo nam Pieter Harinxma, Olderman te Sneek, in het jaar 1480, met zestig Sneekers en eenige anderen, het huis te Tjerkwerd in, en bragt daarop Juw Jongema, terwijl hij het huis wel van leeftogt voorzag.

Die van Leeuwarden hadden onder hare wetten ook schadelijke ordonnantiën: onder anderen eene, dat niemand in hare stad ofte Jurisdictie, Haarlemmer kuite (dat is bier) mogt drinken; sommige huislieden gaven echter op zulke wetten en geboden geen acht, zoo dat de brouwers hen daarover bij de regering beklaagden, waarover een groot gevecht tusschen de huislieden, brouwers en burgers ontstond. De huislieden vlugtten op het huis van Pieter Kamminga, en werden daar, door de Leeuwarders, belegerd, die echter niet terstond konden winnen, vermits het sterk was. Hierop trokken alle Schieringers, met de Franekers en Sneekers, naar Barrahuis, nabij het dorp Wirdum, alwaar zij met malkander besloten de stad Leeuwarden te overvallen en in te nemen; doch twee weduwen, met namen Frouk Unia en Doed Heringa, in het leger gekomen zijnde, smeekten dat men de stad voor dit maal mogt sparen; terwijl zij aanboden haar best te willen doen, om de vrede te herstellen. De Schieringers, hierdoor bewogen, lieten de Leeuwarders door brieven vermanen, om zoodanige schadelijke ordonnantiën, wetten enz. in te trekken; maar daarentegen alle handel en neringen vrij en ongehinderd te laten bedrijven. De beide weduwen bragten die brieven naar Leeuwarden, aan den Olderman Pieter Sybrands, die met den raad besloot het voorstel der Schieringers in te willigen, en daardoor de stad van het gevaar dat haar dreigde te bevrijden; doch het gemeene volk, niet willende gedoogen, dat hierdoor hare stadsprivilegiën, vrijheden en voordeelen zouden worden gekrenkt, dreigde de leden der Regering met den dood, indien zij er in toestemden. De Schieringers trokken hierop terstond naar de stad, die zij, na eenen vruchteloozen aanval, innamen, waarbij zij genoemden Olderman doodsloegen. Velen uit de voornaamste burgers werden gevangen naar Sneek en op sommige Schieringer heerschapshuizen gebragt; waarna de stad geplunderd werd. Sommige Leeuwarders, die ontkomen waren, vlugtten naar Ygo Galama, in Noordwolde, bij Gaasterland, een zeer stout en doordrijvend man en kapitein der Vetkoopers, die altijd goed Leeuwardergezind was geweest. van hier roofden en plunderden zij alles, wat zij op het Sneeker-meer en elders konden in handen krijgen; ook wilden zij niets van hetgeen zij roofden weder laten rantsoeneren, zoo dat de haat tusschen de Leeuwarders en de Sneekers hoe langer hoe grooter werd, hetwelk Ygo Galama met de Leeuwarder ballingen zeer kwalijk bekwam; want die van Franeker en andere Schieringers kwamen, op uitnodiging van Pieter Harinxma, Heerschap en Olderman te Sneek, met magt van volk bij hem, tegen met de Sneekers naar Koudum, voor het sterk huis van Ygo galama, dat zij innamen, even als een ander zeer sterk huis dat Ygo te Oudega had. Ygo Galama, die toen uitlandig was, in het jaar 1491, met drie honderd vreemde knechten, over het ijs, wederom in het land gekomen zijnde, nam Workum in en plunderde het. Bokke Harinxma trok hierop, met de Sneekers en andere Schieringers, over het ijs naar Workum, alwaar zij in den avond van den 14 januarij, nat en koud aankwamen, zoo dat zij besloten de stad 's anderendaags vroeg in den morgen aan te vallen; doch Ygo Galama en de andere vetkoopers vielen nog dien zelfden avond, met zeven honderd man, de Schieringers aan, die ten laatste de overhand behielden; terwijl er vele Vetkoopers sneuvelden, gevangen genomen werden of verdronken. Ygo Galama zelf, die doodelijk gewond was, werd, nadat hij gebiecht had, door de knechten van Lieuwe Beyma dood geslagen. Zij broeder Douwe en de andere vetkoopers vlugtten vermomd naar Bolsward en andere plaatsen; doch zochten hulp bij de Woudlieden en de Leeuwarders, op hoop van den dood van Ygo te wreken, en hetgeen verloren was weder te winnen. Zij trokken onder den Leeuwarder Hopman Symon Recalf, op. De Sneekers echter bragten spoedig veel volk van de Schieringers partij op de been, hetwelk wel toegerust uit Sneek naar Wommels trok. Omtrent Bozum, werden zij door Douwe Galama, met de vetkoopers en de Leeuwarders, ontmoet, op wie zij, na dat er van wederzijden hardnekkig gevochten was, wederom de overwinning behaalden; terwijl er vele hunnen vijanden sneuvelden en vele gevangen mede naar Sneek gevoerd werden. Douwe Galama zelf werd van eenen Sneeker burger gevangen genomen; doch Douwe gaf hem een stuk gelds en zijnen zilveren gordel daar zijn zwaard aanhing, waarop de burger hem losliet en wegliep. Den 12 Mei trok Bokke Harinxma van Sneek naar Bolsward, en bragt Goslik Jongama, met toestemming van de burgers, aldaar weder in de stadsregering en in het bezit van Jongamahuis; doch zijn neef Juw Jongama, hierover zeer ontevreden zijnde, vermits hij sedert den dood van Gosliks vader aan de regering geweest was, trok met zijn volk heimelijk naar Sneek; maar moest, aangezien zijn aanslag door verspieders ontdekt was, met schande wijken.

Tjaard Mokkama, Heerschap der stad Dockum, door de Groningers en hunne vrienden dagelijks zeer benadeeld en gedreigd wordende, zocht in 1492 hulp bij Bokke Harinxma en de Sneekers, welke met die van Wymbritseradeel en Gaasterland naar Dockum trokken; daar de Groningers echter in onderscheidenen dagen niet opkwamen, trokken de Sneekers wederom naar huis, doch lieten eenige Heerschappen, tot hulp van Tjaard Mokkama, te Dockum liggen. Zoodra de Groningers vernamen, dat de Sneekers en Schieringers vertrokken waren, togen zij, sterk zes honderd man, terstond naar Dockum, en beschoten Mokkamahuis zoodanig, dat zij, die er op lagen, het, behoudens lijf en goed, aan de Groningers overgaven.

De Leeuwarders hadden, ten einde den vrede in Vriesland te bevorderen en te bewaren, kort te voren Workum met de Friezen, zoo Schieringers als Vetkoopers, een verbond gesloten. Toen zij echter den voorspoed der Groningers zagen, gingen zij met deze een verdrag aan, en vielen van het verbond met de Friezen af. Die van Sneek en andere Schieringers werden hierdoor bevreesd, en namen Friesche knechten aan, die zij in hunne stad legden. Bokke Harinxma ontbood terstond die van Wymbritseradeel, Sneeker-Vijfga en Gaasterland, zoo dat toen wel twee duizend man te Sneek bijeen was, met welke hij, benevens andere Schieringer Heerschappen, naar Barrahuis trok, in verwachting, dat de Franekers en Workumers zouden nakomen; doch die hadden, buiten weten van Bokke Harinxma en de Sneekers, afzonderlijk, met de Groningers en de vetkoopers, een verdrag gesloten, en kwamen alzoo niet opdagen. De Groningers, die nu Leeuwarden bezet hadden, wel zeven duizend man sterk zijnde, en door verspieders wetende, dat de Sneekers en Schieringers bij Barrahuis lagen, trokken met de Vetkoopers ook derwaarts, en sloegen het legers der Schieringers, van welke er wel zestig omkwamen en honderd gevangen werden gemaakt, die naar Groningen gezonden en aldaar op eene vreemde wijze gepijnigd werden, waardoor vijf in de gevangenis overleden.

De Sneekers en Schieringers, zich door hunne Bondgenooten zoo trouweloos verlaten ziende, zagen zich gedrongen, met de Groningers, die hun met een beleg dreigden, te onderhandelen, waarop dan ook den 14 October 1492 een verbond gesloten werd.

In het jaar 1494 trokken de Sneekers onder Bokke Harinxma, met andere Schieringers naar Bolsward, hetwelk door de Vetkoopers belegerd was, en behielden, na een hardnekkig gevecht, de overhand. Zij bragten sommige Vetkoopers en Edelen gevangen naar Sneek op Harinxma-huis, om aldaar bewaard te worden. In het begin van September belegerden die van Galama, het huis van Jelmer Sytzama te Warns, die toen bij Bokke Harinxma te Sneek was; zoodra deze zulks hoorden, trokken zij met eenige Schieringers daar heen, om het Huis te ontzetten, doch Bokke bleef op zijn nieuw gemaakt huis te Hemelum en Jelmer Sytzama trok met de anderen voort, en waagde, den 6 September, eenen slag tegen die van Galama en de Vetkoopers, die, ofschoon de Schieringers veel sterker waren, de overhand behielden. Kort hierop werd door tusschenkomst van Priesters en andere goede mannen een verdrag gemaakt en de gevangenen aan beide zijden tegen elkaar uitgewisseld. Deze vrede duurde echter niet lang, want die van Galama, in 1495 wetende, dat Bokke Harinxma's sterk huis te Hemelem niet wel bezet, en Wybe Jarichs er maar alleen met zestien knechten op was, namen het met de Bolswarders in, en bragten Wybe Jarichs en zijn volk gevankelijk naar Bolsward. Juw Jongema, te Leeuwarden in ballingschap zijnde, zond een Bolswarder burger, naar Gelderland, om vreemde knechten. Hierop kwamen 600 soldaten in Friesland, over welke Nittart Fox, uit Franekerland van geboorte, kapitein was. Deze namen met Jongama dadelijk Bolsward in. Fox trok voorts met zijn knechten naar Workum, brandschatte en beroofde vele Heerschappen en huislieden. De Sneekers besloten den moedwil dier knechten spoedig te stuiten, en geen schatting te geven, of men moest hen met geweld daartoe dwingen. Fox, dit vernemende, liet de stad Sneek in vrede, maar hielp, nadat hij met Juw Jongama, over het overgeven van Bolsward, in twist was geraakt, dan de eene en dan de andere partij. na den geheelen winter heen en weder te hebben getrokken en de buitenlieden veel overlast te hebben aangedaan, verzocht hij aan Bokke Harinxma, Louw Donia en den Raad van Sneek, dat hij met zijne knechten binnen die stad mogt komen, tot er weder ijs in het water kwam, of het weder geheel dooide, opdat hij alsdan Bolsward mogt aanvallen, terwijl hij beloofde en zwoer, dat hij, noch zijne knechten, de burgers, letsel, noch overlast zoude aandoen, en alles wel betalen, op dat het de stad tot voordeel weder verwezen, ook zoude zij, zoodra de burgers het begeerden weder vertrekken. Op deze schoone woorden en doordien hij zich reeds als een ervaren oorlogsman gevreesd had gemaakt, werd hij, den 17 December, met zijn volk binnen de stad gelaten, hoewel niet zonder tegenspraak van vele voorname burgers, die de aanslagen van Fox wel begrepen.

Als de Woudlieden, in 1496, dagelijks den moedwil der vreemde knechten in Friesland zagen, besloten om ze allen gelijk uit het land te jagen. Zij kwamen te dien einde ten getale van 8000 man bijeen, met het voornemen om eerst Slooten en daarna Sneek te belegeren; de Sneekers trokken intusschen, ten einde hunne vrienden te hulp te komen, die te Slooten door de Woudlieden belegerd waren, met Fox en Goslik Jongama naar die stad, en stelden zich over het meer bij het Galgeveld in slagorde, om hunne vijanden af te wachten; de Woudlieden trokken hen zeer moedig, maar toen zij binnen schoots kwamen liet Goslik Jongama, de Sneeker, groote busse met het ander geweer losgaan, waardoor vele Woudlieden sneuvelden en gekwetst werden. Hierdoor verschrikt geworden, maar tevens zeer verbitterd op de vreemde knechten, kwamen de Woudlieden andermaal op het ijs in den mond van het Slootermeer bijeen, doch liepen er met zulk eene groote menigte op, dat het hen niet kon dragen, maar onder hen bezweek, waardoor zeer velen verdronken. Sommigen dit ziende namen de vlugt, anderen, die zulks tot schande rekenden, bleven tot den laatsten man staan en werden allen dood geslagen, zoo dat aldaar meer dan 4000 Woudlieden verdronken en sneuvelden. In het laatst van Februarij maakten de knechten, die binnen Sneek lagen, veel moeite om hunne bezoldiging. De burgers en de Raad, die daardoor veel te lijden hadden, schreven aan die van Hottinga en de Franekers, welke hunne vrienden waren, dat men toch eene schatting over Westergoo wilde heffen, tot betaling der Binnen Sneek liggende knechten, opdat die hoe eer hoe liever uit het land kwamen. Hierop besloten de Franekers en die van Hottinga, dat onder hun regtsgebied van iedere koe eenen penning (vuurijzer genaamd), doende vijf stuivers, zoude betaald worden, en even zooveel van iedere floreen; terwijl ook gelijke schatting in Sneeker-Vijfga en in Wymbritseradeel zou geheven worden Toen echter de knechten het geld ontvangen hadden, wilden zij evenwel niet uit Sneek vertrekken, ten zij men hun drie maanden vooruit betaalde. Daar de burgers dit niet wilden doen, maar zeiden, dat zij die hen in het land hadden gehaald, hun moesten betalen, leden zij groote schade en overlast, zoodat vele rijke burgers heimelijk de stad verlieten, hetwelk Bokke Harinxma en Louw Donia insgelijks meenden te doen. Maar Fox nam, den 21 Februarij, beiden gevangen, en eischten van hen de voorschreven betaling, hetwelk zij weigerden. Sytze Harinxma, Heerschap tot Ylst, werd mede door de knechten gevangen genomen en naar Sneek gebragt; zij werden alle drie in het huis van Louw Donia (die met Bokkes zuster gehuwd was) gepijnigd. De burgers van Sneek smeekten dat men hen zou los laten, doch vergeefs; zoodat zij van den nood eene deugd maakten, en aan die van Groningen, hunne vijanden, verzochten hen eenige duizenden te willen voorschieten, ter betaling van de binnen hunne stad liggende vreemde knechten, op dat zij die kwijt mogten geraken, als wanneer zij mede in hun verbond wilden komen en bovendien nog gijzelaars geven, tot zoo lang de geleende penningen betaald waren. De Groningers, hierover verblijd, zonden eenige uit hun midden naar Leeuwarden, waar ook uit Sneek kwamen de kapiteins Jan van Moebs en Lange Koert. Van wederzijden kwam men met elkander overeen, dat de krijgslieden binnen tien dagen van de Groningers zouden ontvangen 8000 goudgul. (12,000 guld), en dan terstond Sneek en Slooten en voorts uit het land vertrekken; mits Bokke en Sytze Harinxma en Louw Donia als gijzelaars naar Groningen kwamen, tot zoolang die van Westergoo die penningen zouden hebben terug betaald. De Kapiteins eischten hierop eenen eed van de Groningers, dat zij de gijzelaars in hunne stad vrij en veilig zouden laten gaan, hen niet in gevangenis of banden werpen en veel minder hen pijnigen, hetwelk de Groningers onder eede beloofden. Diensvolgens kwamen, den 18 April, eenige Afgevaardigden van Groningen en Leeuwarden binnen Sneek, om de gijzelaars af te halen. nadat men de Groningers, kort hierop, de beloofde 8000 goudg. betaald hadden, trokken de vreemde krijgslieden, onder Fox, den 6 mei, uit Sneek naar Slooten en zoo voorts uit het land. eer zij Sneek verlieten, schreven zij aan alle de poorten en aan vele huizen, spottende wijze, de navolgende rijmregels tot afscheid:

Die van Sneek, wezen dit wel gedachtig,

Geen meer knechten in te laten, of zij zijn ze magtig,

Want wat haar daar van is overkomen,

Zal men van hier weten te Romen.

Voor gedaan en na bedacht,

Heeft menig man in 't lijden gebragt,

te voren bedagt, dan na mag komen,

heeft menig man zeer doen vromen.

Des anderen daags kwamen de Groningers, met 200 man, binnen Sneek, en schreven er eenen landsdag uit, op welke Jan Schaffer, Burgemeester van Groningen, voorstelde, dat er eene schatting over Westergoo zoude uitgeschreven worden, tot lossing van de gijzelaars, die te Groningen waren. Die van Bolsward bragten daar echter tegen in: „dat zij ook de geheele winter knechten hadden ingehad," en vroegen: „wie hun die zou helpen betalen;" zoo dat deze landsdag vruchteloos afliep. De Groningers sloten daarop, tegen eer en eed, Bokke en Sytze Harinxma en Louw Donia in boeijen en wierpen ze in de gevangenis. De Sneekers trokken nu naar Slooten, waar zij het huis van Watse Harinxma innamen, en vervolgens ook meester van de stad werden. daarna trokken zij naar Tako-Zijl, en belegerden het houten blokhuis, dat de Groningers aldaar hadden laten oprigten, het welk zij, na het eerst vergeefs beschoten te hebben, mede inkregen en vervolgens slechtten, waardoor geheel Westergoo voortaan van het Groninger juk bevrijd was.

Den 18 Maart 1498 meenden de Saksische knechten, die binnen Bolsward lage, Sneek bij verrassing in te nemen, maar de burgers hielden zoo goed wacht, dat zij het niet durfden naderen. tegen den avond trokken sommigen dier knechten naar Ylst, de anderen bleven dien nacht in het hospitaler-klooster. De Sneekers ziende, dat de Saksers niet tegen hen aan durfden, deden eenen uitval en dwongen hen, met verlies van tien dooden en vijftien gekwetsten, weder naar Bolsward te vlugten.

In het jaar 1515 gaven de Hertogen van Saksen, voor eene som van 100,000 gulden, de Landen van Friesland, bij verdrag, aan Karel, Prins van Spanje, later Karel V, over. Die Prins zond er Floris van IJsselstein, Graaf van Egmond en Buren, als Stadhouder van zijnentwege, ten einde de huldiging der Friezen te ontvangen. daar dit echter niet zoo gemakkelijk toeging, belegerde hij, 16 Augustus, Bolsward en trok den 23 daaraanvolgende ook voor Sneek. Hij stelde zijn geschut op de Ysbrechtumer-laan, en liet Sneek zeer dapper beschieten, hetwelk de Sneekers krachtdadig beantwoorden. De Bourgondiërs alzoo ziende, dat zij op de Sneekers niets konden winnen, wenden zich naar Ylst, om dat te plunderen en te berooven; de Sneekers echter, zulks vernemende, begaven zich met zoo veel spoed, met eene groote magt van schepen, derwaarts, dat zij er vóór de Bourgondiërs aankwamen, hetwelk deze laatsten deed besluiten den zelfden dag terug te keeren, nadat zij onder weg vele dorpen hadden afgebrand.

Den 11 Januarij 1517 begon het zeer hard te vriezen, waarop de Bourgondiërs de stad Sneek, den 20 daarop volgende, aan vier kanten te gelijk belegerden; want zij lagen in Oppenhuizen, te Ylst, in Nijklooster en in het klooster Tabor. De Sneekers deden eenen uitval, en opdat de vijand zich niet in het Hospitaler-klooster en dat van de Johanniter-orde legerden, staken zij die beide in brand, zoo dat er van het laatste niets dan de kerk bleef staan. Sneek had te dier tijd geen vreemde knechten in, omdat zij die niet vertrouwden, maar Groote Pier met zijn volk en vele ballingen waren er binnen, en deze trok dagelijks op schutgevaarte, dan tegen de eene en dan tegen de andere partij, die haar belegerden, uit,, zoodat er wederzijds veel volk sneuvelde. Middelerwijl arbeidde zekere Jonker Roelof zeer bij den Bourgondischen Stadhouder, om Sneek met hem te verzoenen, waartoe de burgers ook wel genegen waren. maar Groote Pier, met alle de Heerschappen en ballingen, die daar binnen waren, waren er tegen, zoo dat er niets van kwam. Terwijl de Bourgondischen zich ondertusschen gereed maakten, om de stad met stormladders en andere gereedschappen te overvallen en daartoe ook nog meer geschut van Leeuwarden verwachten, begon het den 28 januarij te dooijen, waardoor de belegeraars de stad verlieten en hunne legers weder opbraken; behalve dat, hetwelk in Nijklooster lag, want dit bleef tot den 22 April aldaar liggen, tot groote schade en overlast van de daaromtrent wonende huislieden en andere,

In het jaar 1567 drong het licht der kerkhervorming te Sneek door en daarop werden de beelden verbroken; doch de R. K. godsdienst werd er spoedig daarna weder gehandhaafd, door de komst van den Stadhouder Seger van Groesbeek.

Frederik van Bronkhorst, Heer van Nedermormter, verzamelde in het jaar 1572, ten behoeve van den prins van Oranje, een hoop volk, waarmede hij naar Sneek trok, dat hij innam en veroverde, even als Bolsward en Franeker, welke laatste stad wederom door de Kolonel Casper de Robles, Heer van Billy, werd belegerd en bij verdrag ingenomen, als ook de schans Makkum, waardoor de Bronkhorster soldaten weder uit Sneek vlugtten. Het graauw te Sneek, dit vlugten vernemende, rotte bijeen en greep Jonkheer Diederik van Bronkhorst en Batenburg, die voorts op bevel der Overheid in de stadskerker gezet werd. Al het gewerkt of ongewerkt goud, zilver en andere kleinodiën, dat bij hem gevonden werd, was prijs. Die van Sneek schreven aan den Koninklijken Raad, dat zij hem in hechtenis hadden genomen; deze liet hem onder escorte van eenige Leeuwarder en Sneeker burgers op het Blokhuis te Leeuwarden halen, doch de Kolonel Robles, Heer van Billy, nam daar geen genoegen in, en gelastte eenen Hopman om batenburg terstond weder naar Sneek terug te brengen, waar hij zelf met vliegende vaandels binnentrok, en Batenburg voor hem deed komen, die na vele woordenwisselingen en na hem eenigzins doorgehaald te hebben, vergiffenis bekwam; doch hij zat naderhand nog vijf jaren op het Blokhuis, zoo als blijkt uit een smeekschrift aan de Staten van Friesland, door zijne dochter Vrouw Geertruid overgeleverd. De Heer van Billy, weder met zijne manschappen uit Sneek naar Leeuwarden vertrokken zijnde, betuigde den Sneekers, en wel bijzonder het graauw, hun misnoegen over deze handelwijs met batenburg. Kort daarop ontstond binnen de stad Sneek een oproer, vermits de Raad en de Grietman besloten hadden den Kolonel Robles weder van Leeuwarden te halen, onder voorgeven, dat hij met de manschappen, die hij mede zoude nemen, door de stad zoude trekken om naar Bolsward te reizen; maar de burgers voorzigtiger zijnde, namen den raad, dien zij in eenen ronden kring besloten hadden, de sleutels van de poorten af, en verborgen die naderhand op geheime plaatsen, waar zij die, zoowel des daags als des nachts, ieder met negen burgers lieten bewaken. Casper de Robles, Heer van Billy, met den Koninklijke Raad, in overweging nemende, hoe veel aan het behoud der stad Sneek gelegen was, trok men eenige wagens met volk en nog andere manschappen, naar Sneek. Bij het nieuwe klooster komende, zond hij den Raadsheer Pieter Frittama, die te Sneek geboren was, vooruit, om de burgers te polsen en voor hem te winnen; maar een boer, die in het land stond te werken, den Kolonel Robles met de zijnen ziende aankomen, liet zijn werk staan, nam den kortsten weg naar Sneek, en boodschapte het aldaar, waardoor het voornemen van Frittama verijdeld werd. Deze verzocht toen den Burgemeester te mogen spreken, die destijds juist bij de vier Kapiteins der stad in gezelschap was. De Burgemeester, niet willende voorkomen, liet de Raadsheer hem weten, dat de Kolonel voor de poort was, hetwelk de Kapiteins, die het hoorden, deed zeggen: „hier komt uwe schelmerij en verraderij al uit." Zij liepen dadelijk ieder naar zijne poort, roepende door de stad: „alarm, alarm." De Raadsheer, meenende zulks te beletten, riep daarentegen: „lieve burgers houd uwe deuren en vensters toe." Maar de vier Kapiteins riepen ieder in het geweer, om de stad te verdedigen. Eenige liepen naar de Ooster-poort, waar Kolonel, met zijnen met volk geladen wagens, reeds op de valbrug was; terwijl er nog wel honderd man verborgen waren, om den aanslag te helpen uitvoeren. De Kolonel ging op de brug van den wagen af, om met de burgers te spreken, doch een burger rigtte zijn roer op hem, hetwelk echter weigerde; de Kolonel moest dus met de zijnen terugkeeren. Men zeide, dat er onderscheidenen Sneekers bij den Kolonel aangeteekend waren, die eerst zouden gehangen worden. De Raadsheer Frittama was intusschen in levensgevaar, en zijne landen, die aan den westkant der stad, tegen de stadsgracht lagen, werden tot versterking der stadsbolwerken vergraven. In dezen oploop deed groote dienst Tiete Hettinga van Ylst, die te voren in het dorp Hommerts gewoond had. Deze, eenige benden soldaten onder het gebied van Aedo Gabbema hebbende, voegde zich, na met een Sneeker burger onder den toestand der stad en de gezindheid der burgers in onderhandeling te zijn geweest, met dit volk bij dat van Johan Bonga, een Friesch Edelman, die, den 17 Augustus van wege den Prins van Oranje, met eenige schepen met volk van Enkhuizen gekomen was, om eenen aanslag op Friesland te ondernemen. Den 20 daaropvolgende te Sneek komende, werden zij door de burgers ingelaten. Niet lang daarna veranderde de Stadhouder Bronkhorst de regering te Sneek, en nam de stad, als Gouverneur-Generaal van wege den Prins van Oranje, in den eed. De Sneekers haalden toen ook al het koren en andere eetwaren uit de kloosters: het Hospitaal, Groendijk en Tabor, en bragten het binnen de stad, ten einde, in geval van aanval, geen gebrek aan mondbehoeften te hebben. Men besloot ook het Hospitaler-klooster af te breken, opdat de vijand zich daarin niet zoude nestelen. Te dien einde zond de Regering eenige timmerlieden derwaarts, en men wendde de afbraak daarvan tot versterking van de stad aan.

In 1635 ontving Sneek, op haar verzoek, tevens nog met nog acht andere Friesche steden, eene nieuwe Raadsbestelling van de Heeren Staten. Dit voorregt was echter niet van langen duur, want in het jaar 1637 ontving Sneek een ander reglement.

In 1651, of daaromtrent, zou Karel Stuart, zoon van den onthoofden Koning Karel I, die voortvlugtig uit Engeland was, en de wijk naar de Nederlanden genomen had, hier eenigen tijd gehuisvest zijn geweest, bij den Heer Cornelis Haubois, Burgemeester te Sneek, en wegens Friesland Gecommiteerd ter vergadering van de Staten-Generaal, wonende aan de noordzijde der Marktstraat; voor deze dienst zou hem Karel, toen hij naderhand Koning was geworden, tot Ridder hebben geslagen.

In 1672, werd hier, uithoofde der verdeeldheid die onder 's Lands Staten was ontstaan, eene Staatsvergadering van vele, doch niet van alle volmagten ten landsdage zijn gehouden. Ook werd hier toen een Reglement Reformatoir ontworpen, hetwelk echter nimmer is bekrachtigd of ten uitvoer gebragt.

Door het water heeft Sneek herhaalde malen te lijden gehad. In het jaar 1570 op Allerheiligenavond, stormde het zoo ontzaggelijk dat daardoor de dijken op vele plaatsen doorbraken, zoodat er een aantal menschen, en ook veel vee verdronken. Te dier tijd is te Sneek komen aandrijven eene wieg, waarin een levend kind was, dat gerust lag te slapen, met eene kat, die van de eene zijde op de andere springende, de wieg alzoo in evenwigt hield.

In 1825 maakte men, in den namiddag en vooral in den avond van 5 Februarij, te Sneek, uit de spoedige en hevige rijzing des waters op, dat er iets buitengewoons bij de zeedijken voorgevallen moest zijn. In den volgenden nacht waren vele inwoners werkzaam, om hunne goederen op zolders te bergen, en den volgenden morgen stond het water, in de straten en zelfs hier en daar in de huizen. Vele inwoners uit de laagste gedeelten van de stad waren dus genoodzaakt naar de bovenste verdiepingen hunner huizen, of naar de hoogere straten te vlugten. Dien dag en den daarop volgenden kwamen verscheidene huisgezinnen met schuiten en bootjes binnen, en men zond pramen van daar af, welke vol beesten uit de naburige dorpen terug kwamen. Des morgens van den 6 Februarij konden de sluizen te Sneek en in den omtrek den aanvoer van het water niet langer wederstand bieden, terwijl aan de oostzijde de Steenen- en Groenedijk tot aan de Schouw, en aan de westzijde de hemdijk overliepen, waardoor het overige gedeelte van Wymbritseradeel, hetwelk tot hiertoe geen overlast van den vloed had, geheel overstroomd werd, en de rijzing van het water tot den morgen van den 8 aanhield.

De stad Sneek heeft tot wapen een gedeeld schild regts van goud, met eenen uit de linkerzijde half te voorschijn komende arend van sabel, en links van azuur met drie kroonen van goud, geplaatst en pal. Boven het schild eene open helm met kroon en eenen oranje boom tot helmteeken. Alles vastgehouden door een Herenlesbeeld met eenen knods gewapend aan de linkerzijde en ondersteund door eenen leeuw ter regterzijde. Daaronder staan de letters A. P. Q. S. Oudtijds zegt men, dat het wapen tot omschrift had, de woorden plomp en slegt, en sommigen meenen, dat daar nog bij behoort Vroom en opregt, gelijk men zulks uit een schilderstuk, dat nog in wezen is en op het stadhuis kan gezien worden, als mede uit eenige oude geschilderde glazen, heeft opgemaakt.

SNEEK, kant., prov. Friesland, arr. Sneek; palende W. en N. aan het kant. Bolsward, O. aan het kant. Rauwerd, Z. O. aan het kant. Lemmer, Z. W. aan het kant. Hindeloopen.

Dit kant. bevat de gem. Sneek en Ylst en de griet. Wymbritseradeel en beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 18,148 bund. 88 v. r. 22 v. ell., waaronder 15,713 bund. 93 v. r. 28 v. ell. belastbaar land. Men telt er 2826 h., bewoond door 3244 huisgez., uitmakende een bevolking van ruim 17,000 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw, fabrijken, handel, scheepsvaart en visscherij.

SNEEK, kerk. ring, prov. Friesland, klass van Sneek.

Deze ring bestaat uit de volgende elf gem.: Sneek, Bozum, Britswerd-en-Wieuwerd, Deersum-en-Poppingawier, Goinga-Gauw-en-Offingawier, Lutkewierum, Oosterwierum, Rauwerd-en-Irnsum, Scharnegoutum-en-Loinga, Sybrandaburen-en-Terzool en Ysbrechtum-Tirns-en-Tjallehuizum, welke door 13 Predikanten bediend worden en 18 kerken hebben. men telt er 10,000 zielen, onder welke 3000 Ledematen.

SNEEK, klass., prov. Friesland, verdeeld in vier ringen als: Sneek, Ylst, Workum en Slooten. Men heeft er 37 gem., welke door 40 Predikanten bediend worden en telt er 25,000 zielen, onder welke 7700 Ledematen.

SNEEKER (DE KLOKSLAG-VAN-), dat gedeelte van de gem Sneek, prov. Friesland, kw. Westergoo, hetwelk buiten de poorten dier stad gelegen is.

SNITS, oud Friesche naam van de stad Sneek, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Sneek.