BAAL (DE),watertje, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, N. van Oldeboorn, het heeft door de Goingahuistersloot gemeenschap met de Kromme-Ee.

BERGUM (BOORN-), d. prov. Friesland. Zie Boorn-Bergum.

BOORNBERGUM of Bornbergum, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland arr. en 4 1/2 u. N. N. O. van Heerenveen, kant. en 1 u. N. ten W. van Beetsterzwaag.

Het ontleent zijnen naam van het riviertje de Boorn of Borne, dat er op eenigen afstand langs heen stroomt. Oorspronkelijk is het waarschijnlijk geweest Boonber-Hiem, daar de uitgang hiem, in den naam van meer dorpen van Friesland met den tijd is veranderd in hem, um en gum. Onder Boornbergum behooren, behalve de geh. Middelgaast en de Wilgen, die men in het midden op den hoogen zandrug aantreft, ook de aan den waterkant gelegene uitbuurten Goyngahuizen, de Vlierbosch en de Smalle-Ee; met dewelke het 105 h. en ruim 600 inw. bevat, die hun bestaan vinden in den landbouw en veeteelt: bestaande de gronden, op het hoogste gedeelte van het dorp in den omtrek der boerderijen, uit bouw- en weilanden. Westwaarts vindt men veel laag hooiland, dat 's winters onder water loopt, en veel vergraven land of putten, waarin riet wast. In het jaar 1819 is onder Boornbergum eene nieuwe veenderij aangelegd, die met polderdijken en molens is voorzien, en de Veenhoop genoemd wordt.

De inw., die hier allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Boornbergum-en-Kortehemmen en hebben hier ééne kerk, waarin de dienst den eenen zondag des voor- en den anderen zondag des namiddags verrigt wordt. Het dorp Boornbergum had weleer eenen stompen toren, die zoo hoog was, dat hij uren ver kon gezien worden. In het jaar 1733 is deze toren, zonder dat men het vermoedde, bij nacht omgevallen en de kerk verschoven. In het daarop volgende jaar heeft men de tegenwoordige kerk gebouwd, met eenen spitsen toren, welke echter veel lager is dan de oude.

De school, waaraan eene onderwijzerswoning verbonden is, dient mede voor het dorp Kortehemmen, en wordt gemiddeld door 90 leerlingen bezocht.

BOORNBERGUM-EN-KORTEHEMMEN, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Leeuwarden, ring van Bergum; met 740 zielen en twee kerken, ééne te Boornbergum en ééne te Kortehemmen, terwijl de pastorij te Boornbergum staat. Na de Reformatie, toen het nabijgelegene Dragten nog in het opkomen was, vereenigden zich de dorpen Noorder-Dragten, Zuider-Dragten, Boornbergum en Kortehemmen tot eene kerkelijke gemeente en beriepen, in het jaar 1601, als gemeenschappelijken Predikant, Albertus Nuhuisius of Nijenhus. In het jaar 1667 werd deze combinatie, wegens de buitengewone aanwas van Dragten, gescheiden, Boornbergum-en-Kortehemmen bleef toen ééne gemeente, waarvan de eerste Predikant was Hanso Hes.

BORNBERGUM, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Boornbergum.

BURMANIASLOOT, watertje, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. - In vroegere tijden was het een riviertje, hetwelk in de hooge veenen, op den oostelijken grens van Dragten en Rottevalle ontsprong, de noordzijde van Dragten bepaalde, en zuidwestwaarts in de Smalle-Eé-ster-zanding uitstroomde. het droeg in die tijden den naam van Dragt en wel van Noorder-Dragt, in tegenstelling van diergelijk riviertje, dat Dragten aan de zuidzijde omvatte, en Zuider-Dragt genaamd werd. Toen vervolgens de hoogeveenen weggeruimd en de Kletstervaart gegraven werd, veranderde dit riviertje in een eenvoudige waterlozing, en verwisselde den naam van Dragt in dien van Burmania-sloot, naar Jonkheer Rienk van Burmania, die in de zestiende eeuw langs de oevers van dit riviertje vele eigendommen heeft bezeten.

COMPAGNIE (DE), geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 u. N. ten O. van Beetsterzwaag, 1 u. van Dragten, waartoe het behoort, in eene zeer aangename en boschrijke streek.

Het ontleent zijnen naam van de vereeniging of compagnieschap der voormalige eigenaars van de veenen tot gemeenschappelijken verkoop en vergraving. Dat gedeelte, waarvan de eigenaren, in het jaar 1724, tot de destijds reeds bestaande Compagnieschap zijn toegetreden, wordt de Nieuwe-Compagnie geheeten; terwijl men de gronden, wier eigenaren oorspronkelijk de vereeniging uitmaakten, gemeenlijk en ter onderscheiding, de Oude-Compagnie noemt.

Men telt in de Compagnie 62 h. en 350 inw., en heeft er eene school gesticht in 1833, die gemiddeld door 70 leerlingen bezocht wordt.

COMPAGNIE (NIEUWE-), het zuidelijkste gedeelte van het geh. de Compagnie, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie voorts Compagnie (De).

COMPAGNIE (OUDE-), het noordelijkste gedeelte van het geh. de Compagnie, in de Friesche griet. Smallingerland. Zie voorts Compagnie (De).

COMPANSHUIS, eigenlijk Compagnonshuis, h., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, onder Dragten.

Dit op de oude kaarten voorkomende huis is, in het jaar 1648, door de compagnieschap van de Rottevalle gebouwd, ten einde daarin de veenverkoopingen te houden; tegenwoordig is het eene boerenwoning.

DRAGSTERVAART, en in 1641 gegraven kanaal, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat uit het vlek Dragten met eene regte westelijke strekking naar de Dreit loopt, waarin zij zich door een verlaat ontlast.

DRAGT, oude naam van de riviertjes, die de vlek Dragten, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, ten Z. en N. omvatten, thans de Dreit en de Burmania-sloot genoemd.

DRAGTEN (NOORDER-), voorm. afzonderlijk d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. en 5 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 1 3/4 u. N. ten O. van Beetsterzwaag; met 400 h. en 3000 inw., thans met het voorm. d. Zuider-Dragten vereenigd tot het vl. Dragten.

Vroeger stond hier eene kerk, welke in 1541 gebouwd was, doch noch toren noch orgel had, en in 1743 is afgebroken. - Men heeft er 3 scholen, welke gemiddeld door een getal van 450 leerlingen bezocht worden.

DRAGTEN (ZUID-), voorm. afzonderlijk d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. en 4 1/2 N. O. van Heerenveen, kant. en 1 1/4 u. N. O. van Beetsterzwaag; met 200 h. en 1500 inw., thans met het voorm. d. Noorder-Dragten vereenigd tot het vl. Dragten.

Hier stond voorheen eene kerk, welke in 1148 gesticht was. Dit gebouw, waarin noch toren noch orgel gevonden werd, is in 1743 afgebroken.

De school, die, nadat zij vroeger vertimmerd en vergroot was geworden, in het jaar 1835 afbrandde, is toen door eene nieuwe en nette school vervangen, welke gemiddeld door een getal van 50 leerlingen bezocht wordt.

DRAGTEN, vl., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 1/2 u. O. N. O. van Heerenveen, kant. en 1 1./4 u. N. ten O. van Beetsterzwaag; 5 u. Z. O. van Leeuwarden.

Het maakte voorheen twee d. uit, als: Noorder-Dragten, dat ten N. en Zuider-Dragten, dat ten Z. van de Dragstervaart gelegen was, welke d., tot in het jaar 1641, slechts kleine boerenstreken of gehuchten waren; doch, nadat er in dit jaar eene vaart gegraven was, begonnen deze geh., door de toenemende vergraving van de omliggende veenen, zoodanig in welvaart toe te nemen, dat zij zich, in 1667, kerkelijk van de gem. Boornbergum-en-Korte-Hemmen, waartoe zij tot dusverre behoord hadden, afzonderden en eene kerkel. gem op zich zelve begonnen uit te maken, die twee kerken had, ééne te Noorder-Dragten en ééne te Zuider-Dragten. Daar echter de bevolking meer en meer aangroeide, werden de beide kerken te klein, om de toehoorders bij de godsdienstoefeningen te kunnen vebaaten, waarom men in het jaar 1743 besloot, de oude kerken af te breken en ééne nieuwe kerk te bouwen, aan de vaart, in het gebuurte. Dit groote, schoone en bloeijende vlek beslaat thans, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 3247 bund. 68 v. r. 50 v. ell., en telt, met de voorm. dorpen Noorder-Dragten, waartoe ook de b. de Folgeren en het geh. de Compagnie gerekend worden, en Zuider-Dragten, 600 h. en 4500 inw., die, sedert dat de hooge veenen afgegraven zijn, meest in den landbouw hun bestaan vinden; terwijl men er drie scheepstimmerwerven, 6 leerlooijerijen, 28 metselaars en timmerlieden, 4 grutters, 85 schippers, 5 smeden, 2 lijndraaijers, 7 wevers, 5 uurwerkmakers, 1 cichoreidrogerij, 3 kalkbranderijen, 3 molens enz. heeft; ook wordt er veel handel gedreven.

De herv., die hier 3000 in getal zijn, maken, zozo als wij hierboven gezien hebben, sedert 1667 eene gem. uit, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring van Bergum, behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Petrus Overney, die in het gezegde jaar van Gaastmeer herwaarts beroepen werd, doch in hetzelfde jaar, den 3 November, overleden is. De kerk, welke den 10 November 1743 werd ingewijd, pronkt met fraai geschilderde glazen en een orgel, welke laatste er in het jaar 1820 is aangebragt. Tegen de kerk staat de dorpstoren, welke in het jaar 1765 van een uurwerk voorzien is.

De Doopsgez. hadden vroeger te Zuider-Dragten eene zoogenaamde Vermaning; terwijl de Oude-Vlamingen, in het jaar 1708 nog een afzonderlijk kerkgebouw, te Noorder-Dragten, gesticht hebben. In 1788 werd dit laatste en in 1790 de vermaning afgebroken, waarop in het laatste jaar door de Doopsgez. ingezetenen van Dragten en Ureterp, die zich tot ééne gem. vereenigd hadden, een nieuwe en fraaije kerk in het gebuurte van Dragten gesticht werd. Tot het jaar 1809 werd deze kerk nog door Liefdepredikers bediend, doch toen werd aldaar tot vasten Predikant beroepen Jan Plantinus, die er thans nog in bediening is. - De R. K. zijn er niet.

Men heeft te Dragten vier scholen, die gezamelijk door een gemiddeld getal van 500 leerlingen bezocht worden. - Er is den 3 Augustus 1806 een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen opgerigt, dat thans 105 leden telt.

Dragten is de hoofdpl. der griet., en heeft, in het jaar 1830, een fraai grietenijhuis bekomen; terwijl, in het jaar 1837, de Baron M. P. D. van Harinxma Thoe Slooten, een schoon huis, met eenen fraaijen aanleg, aan den Zuider-Lijkweg gesticht heeft.

Men houdt er twee beestenmarkten, de eene den laatsten Woensdag in Mei en de tweede den laatsten Woensdag in October. De paardenmarkt valt in daags na de beestenmarkt. Ook is er eene weekmarkt, op Donderdag (1).

(1) Men leze verder over dit vlek: J. G. van Blom, de Opkomst van het vlek Dragten, in de provincie Friesland, te Leeuwarden bij W. Eekhoff, 1840, met belangrijke geschiedkundige aanteekeningen, eene kaart en eene plaat.

DREIT (DE) of het Drayt, riv., prov. Friesland, kw. Oostergoo,griet. Smallingerland, dat vroeger tusschen Dragten en Olterterp uit de veenen voortkwam, thans zijn begin neemt uit de landen aan den zuidkant van Dragten, en na eenen korten noordelijken, een weinig westwaartschen, loop, zich in de Smalle-Eester-Sanding ontlast.

EE (KROMME-), water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat uit het Grietmans-rak voortkomt en met eene westelijke rigting naar Goingahuizen loopt, waar het zich in de Wijde -Ee verliest.

EE (MONNIKE-), meertje, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat met de Wijde-Ee ineen loopt en door de Zetsloot in verbinding staat met de Oudegaster-Zanding en door de Monnikegrup met de Smalle-Eester-Zanding.

EE (SMALLE-), geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. Heerenveen, kant. Beetsterzwaag, onder Boornbergum. Vroeger plagt hier een klooster te staan van de Benedictijnernonnen, mede Smalle-Ee of Smallinee genoemd. Zie dit laatste woord.

EGBERTGAASTEN, buurs., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 5 1/2 u. N. ten O. van Heerenveen, kant. en 2 u. N. ten W. van Beetsterzwaag, 1/2 u. Z. O. van Oudega, waartoe zij behoort; met 4 h. en 20 inw.

ERINGA, voorm. hofstede, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. Heerenveen, kant. Beetsterzwaag, in het d. Zuider-Dragten.

Ter plaatse, waar deze hofstede vroeger gestaan heeft, zijn thans andere h. aangebouwd.

FOLGERA-VEENEN of Folger-Veenen, voorm. veengronden, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, N. van Noorder-Dragten, waartoe zij behoorden. Deze veenen zijn thans vergraven en daarvoor is de b. Folgeren ontstaan. Zie het volgende art.

FOLGEREN of Volgeren, b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 1/2 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 u. N. ten O. van Beetsterzwaag, 1/2 u. N. van Noorder-Dragten, waartoe het behoort, met 26 h. en 125 inw.

FOLGER-VEENEN, veengronden, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Smallingerland. Zie Folgera-Veenen.

FOLGER-VEENEN, veengronden, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Smallingerland. Zie Folgera-Veenen

FOPPESTOK, boerenplaats, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. Heerenveen, kant. Beetsterzwaag, onder Boornbergum, tegen Kortehemme, op sommige kaarten verkeerdelijk als eene buurt voortkomende.

GAASTEN (DE), b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Egbertgaasten.

GHERREN, streek lands, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, onder het d. Oudega.

Zij was 14 matmaden groot en werd als een legaat van Thtedze, dochter van Wobke en vrouw van zekere Rinnert, in het jaar 1503, aan het klooster van Sigerswolde gegeven, onder beding, dat Tryedze daarvan tot haar onderhoud jaarlijks acht Hoornsche Postulaten (16 guld.) zoude genieten.

GOINGAHUIZEN of Goengahuizen, b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 3 1/2 u. N. van Heerenveen, kant. en 2 3/4 u. W. ten N. van Beetsterzwaag, 2 u. W. N. W. van Boornbergum, waartoe zij behoort, aan de Kromme-Ee; met 14 h. en 70 inw.

GRIETMANSRAK, water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat uit de Wijde-Ee voortkomt, en zich, met eenen westelijken loop, in de Kromme-Ee verliest.

HAARSMA (GROOT-), state, prov. Friesland, kw. Oostergoo. Zie Haersma (Groot-).

HAERSMA (GROOT-) of Groot-Haarsma, voorm. state te Oudega, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 1/2 u. Z. O. van Heerenveen, kant. en 2 1/4 u. N. N. W. van Beetsterzwaag, Z. W. van Oudega, waartoe zij behoorde.

Deze state is gesticht, tusschen de jaren 1660 en 1666, door Arnoldus van Haersma, Grietman van Smallingerland, en heeft gedurende langen tijd tot gewoon verblijf van den Grietman gediend. Het huis is in 1841 afgebroken. De daartoe behoorende gronden, een oppervlakte beslaande van 15 bund. 93 v. r. 67 v. ell., zijn thans het eigendom van Mayrits Pico Dederik Baron van Sytzama, Gouverneur van Friesland.

HAERSMA-STATE, slot, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 1/.2 u. O. N. O. van Heerenveen, kant. en 1/4 u. N. ten O. van Beetsterzwaag, aan den Noorder-Lijkweg, bij het gebuurte, te Dragten.

Dit slot, hetwelk omringd is door een' fraaijen aanleg, is in 1843 gesticht, door den Grietman van Smallingerland, Martinus Manger Cats en zijne huisvrouwe Sara Susanne van Bienema.

HEM (KORTE-), d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Korte-Hemmen.

HEMMEN (KORTE-), d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Smallingerland. Zie Korte-Hemmen.

HEMMINGA of Hemmema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 5 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 u. N. van Beetsterzwaag, 1/4 u. Z. O. van Opeinde, waartoe zij behoorde.

HEMSTER-VENNE, streek laag weiland, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, N. O. van Kortehemme.

HOLLANDERS-KOOI, voorm. eendenkooi, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Smallingerland, 1/2 u. Z. O. van Oudega, welke aldus genaamd was, omdat zij door Hollanders was aangelegd. Zij is echter sedert lang verdwenen, zonder eenig spoor na te laten.

HOOGEDEUR, geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 7 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 1/2 u. N. van Beetsterzwaag, 1/4 u. N. W. van Rottevalle, waartoe het behoort; met 3 h. en 15 inw.

Dit geh., dat op de kaart van Schotanus verkeerdelijk onder den naam van Hoogeschuur voorkomt, ontleent zijnen naam van een deur, een schut, eene waterkeering, die men bij het opzetten van het water in de Lits liet vallen, on de Rottevalle van het water te beveiligen. Deze Hoogedeur is intusschen reeds lang verdwenen, maar de plaats heeft den naam behouden.

HOOIDAM, brug, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, 1/2 u. Z. W. van Oudega, waartoe zij, met de daarbij staande herberg, behoort.

HOOIDAMSLOOT, water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, nabij het d. Oudega.

Het is eene afgegravene vaart, die den Oudegaster-Hooiweg, ter plaatse van den Hooidam, doorsnijdt, en de Wijde-Ee vereenigt met de Kruisdobbe.

JELLE-PIETERS-SLOOT, vaart, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Kletster-vaart.

KLETSTERVAART, water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, hetwelk, in eene regte lijn, uit de Smalle-Eester-Zanding loopt door en langs het oude riviertje de Dragt, naderhand de Burmann-sloot genaamd, onder Dragten, tot aan het gehucht de Kletten, onder Opeinde.

Deze vaart is in het laatst der zestiende eeuw gegraven, om daar langs de veenen af te voeren van Noorder-Dragten. Men had haar reeds door den Hoogen-weg, waarin een verlaat tot waterkeering gemaakt was, opgelegd, toen deze onderneming de afgunst en tegenwerking der naburige plaatsen scheen op te wekken. Althans het verlaat werd in 1604 door de opzieners van den Leppedijk weder gedempt, omdat, zoo het heette, daardoor te veel water naar buiten zoude afstroomen. Gedeputeerde Staten, die voor de veengenoten opkwamen, zochten wel eene bemiddeling tot stand te brengen, maar dit schijnt zonder vrucht te zijn afgeloopen. Negen jaren later, den 2 februarij 1615, sloten de volmagten van Noorder-Dragten een contract met Jelle en Goslick Pieters, Burgers van Leeuwarden, waarbij de laatsten zich verbonden, om, tegen 55 roeden veen en te heffen tollen op de scheepvaart, de Kletstervaart op te maken, en te voorzien van verlaten en duikers. Dit plan, volgens hetwelk de vaart, langs de Volgeren, tot in de hooge veenen van de Dragster-Compagnie zoude worden opgelegd, heeft ook een begin van uitvoering gehad. De Kletstervaart is opgemaakt, en, naar den naam van een’ der ondernemers, Jellen Pieters-Sloot genaamd. Het leed echter wederom schipbreuk op de bekrompenheid van denkbeelden of de afgunst der aangrenzende dorpen. Immers in het jaar 1627 werd de Grietman van Smallingerland, bij ‘s Hofs sententie, veroordeeld, om de doorgegravene wegen te dempen, omdat het scherpe veenwater (dat buitendien van zelf van de hoogte naar de laagte afstroomde), schadelijk was voor de vlakke landen van de omgelegene plaatsen. Vervolgens, in het jaar 1641, de Dragtster-vaart, tot afvoer der hooger gelegene veenen, gegraven zijnde, is het verder opleggen der Kletstervaart van toen af onnoodig geworden. Tegenwoordig loopt zij uit de Smalle-ee’ster-zanding niet verder dan tot den Hoogen-weg, en dient alleen tot af- en aanvoer van mest, hooi en andere producten.

KLETTEN (DE), geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 5 1/2u. N. O. van Heerenveen, kant. En 1 1/2u. N. van Beetsterzwaag, 10 min. Z. op Opeinde, waartoe het behoort, aan den Hoogeweg en de Kletstervaart in een aangenaam oord; met 4 h. en 25 inw.

KORTE-HEM, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie het volgende art.

KORTE-HEMMEN of Korte-Hem, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 1/2 u. van Beetsterzwaag, op eenen zandgrond gelegen, tusschen bouwakkers en geboomte.

Het is klein van omtrek. Men telt er, in de kom van het dorp, 13 h. en 90 inw., en, met het daartoe behoorende geh. Zandebuuren, 19 h. en ruim 120 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, zijnde de landerijen van dit dorp meest bouwakkers, behalve eenige lage fenlanden, aan het riviertje de Dreit, waardoor het overtollige water der landen, naar de Smalle-Eester-zanding geleid, en dit dorp van de Zuider-Dragten gescheiden wordt. De rijweg van Boornbergum naar Smaller-Ee loopt hier, in het Noordwesten, voorbij.

De inw., die hier allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Boornbergum-en-Korte-Hemmen, welke hier eene oude, doch zeer goed onderhouden kerk heeft, zonder toren of orgel, doch met een klokkenhuis.

Men heeft hier geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Boornbergum.

MIDDELBUREN, geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 5 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 u. N. van Beetsterzwaag, 5 min. W. van Nyega, waartoe het behoort.

MIDDELBUREN, voorm. geb., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, 1/4 u. N. van Opeinde, waartoe het behoort, dat 4 of 5 huizen telde, doch sedert lang niet meer bestaat.

MONNIKE-EE, twee meertjes, prov. Friesland, het eene kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, het andere kw. Westergoo, griet. Wonseradeel. Zie Ee (Monnike-).

MONNIKE-GRUP, water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat in eene westelijke rigting van de Monnike-Ee naar de Smalle-neester-zanding loopt.

NIJEGA, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6. N. N. O. van Heerenveen, kant. en 3 u. N. N. W. van Beetsterzwaag.

Onder Nijega behooren ook eenige buurtjes, als het Westereind, ten Noorden van de kerk; de Tieke, ten Noorden van den Lijkweg; en ten Zuiden van den Hoogeweg, tegen het Gaaster-diep, de Egbert-Gaasten. De overige huizen, welke tot dit dorp behooren, liggen langs den Lijkweg en den Hooge weg, alle aan bouwlanden en in het geboomte, hetwelk een aangenaam gezigt geeft. Tusschen en ter zijde van beide deze wegen zijn vruchtbare zandgronden, waarop veel rogge en boekweit en ook andere vruchten geteeld worden.

Men telt er 340 inw., die op 16 na allen Herv. zijn, en tot de gem. Oudega-Nijega-en-Opeinde behooren. De kerk, welke vóór de Reformatie aan de H. Agatha of Maria was toegewijd, is zonder toren, doch met een klokkestel of gebinte, waar tusschen eene klok hangt, daarnevens op het kerkhof. Men heeft in deze kerk geen orgel.

De Doopsgez., die er 16 in getal zijn, behooren tot de gem. van Rottevalle. - Er is eene gemeene school voor Opeinde en Nijega, die te Opeinde staat.

Tot aan dit dorp zijn, in het jaar 1672, de stroopende partijen der Munsterschen doorgedrongen.

OPEINDE, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 u. N. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 u. N. van Beetsterzwaag.

Het d. ontleent zijnen naam van zijne ligging, op het einde van de kerkelijke gemeente Oudega-Nijega-en-Opeinde, dewijl deze gemeente hier vroeger gestuit werd door de hooge Folgera-veenen, onder Dragten. In de landtaal noemt men het daarom Op'e eyn, bij verkorting 'p'eyn. het wordt doorsneden door twee wegen, de Hoogeweg en de Lijkweg, die, op korten afstand, paralel nevens elkander loopen. Aan den Lijkweg vindt men eene lange streek boerderijen en andere huizen, met zeer fraaije gezigten door het geboomte, zoo langs den weg als op de hornlegers. Ook langs den Hoogeweg zijn onderscheidene huizen gebouwd. Het buurtje de Kletten, waar voorheen een rogmolen stond, is het oudste gedeelte des dorps, dewijl vroeger van daar noordwaarts alles met veen is bedekt geweest. Aan de noordzijde des dorps heeft eene groote uitgestrektheid laag klijnland gelegen, dat in de zeventiende eeuw, door verveening, veranderd is in een water, de Leijen genaamd, over de drie uren gaans in den omtrek. Tegen deze Leijen vindt men eene uitbuurt, het Zwartveen genaamd, naar de zwarte kleur der turf, die hier gegraven is, in tegenstelling van het Witveen, aan de overzijde der Leijen, waar de turf eene ligtere kleur had. Ten Oosten van het Zwartveen zijn, op den wal van het riviertje de Lits, ook vele huizen gebouwd, die, hoewel burgelijk onder Opeinde, behooren tot het kerkdorp Rottevalle. Ook behoort nog een klein gedeelte van het geh. de Tiek, onder het d. Opeinde. De voorm. b. de Bemster en de Bosche welke er ook onder behoorden, zijn verdwenen. Oudtijds liep er eene vaart, dwars door het dorp, van het water de Leijen zuidwaarts tot in de Smalle-Eester-zanding. Deze vaart, die thans vervallen is, werd het Juffers-gat genaamd, naar ene Jufvrouw, die in de Leijen aanzienlijke eigendommen bezat, en veel tot de kosten van de graving dezer vaart had bijgedragen. Tegenwoordig bestaat er eene vaart, voor eenige jaren gegraven, uit het midden van het dorp naar de Leijen, waar langs wekelijks een veerschip vaart naar Leeuwarden. In 1477 werd de pastoor van Opeinde, Sapo, verzocht het contract mede te teekenen, omtrent het onderhoud van den Leppe-dijk. Het dorp Opeinde bevat 120 h. en 760 inw., die, over het geheel, zeer welvarend zijn, en meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt.

De Herv., die er 600 in getal zijn, behooren tot de gem. van Oudega-Nijega-en-Opeinde, welke hier eene kerk heeft, die vóór de reformatie aan St. Salvador toegewijd was, zijnde een langwerpig vierkant gebouw, met eenen stompen toren, buiten welken echter de klokken, in een zoogenaamd klokhuis hangen. Op den oostelijken muur der kerk, die minder oud dan het overige gedeelte schijnt te zijn,. vindt men het jaartal 1599. Ook heeft de kerk eenen hangzolder. - De Doopsgez., van welke men er 60 aantreft, worden tot de gem. van Witveen-en-Rottevalle gerekend. - De gecombineerde school voor Opeinde en Nijega wordt gemiddeld door een getal van 160 leerlingen bezocht.

OPPERBUREN, geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 u. N. ten O. van Heerenveen, kant. en 3 u. N. W. van Beetsterzwaag, 1/4 u. N. van Oudega, waartoe het behoort; met 5 h. en ruim 30 inw.

OUDEGA of Oldega, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 1/2 u. N. N. W. van Beetsterzwaag, op eenen hoogen zandgrond in het geboomte omringd van lage hooi- en weilanden.

Het is een zeer oude plaats, misschien wel de oudste van de grietenij, zoo als haar Friesche naam Aodegea (oude buurt) genoegzaam te kennen geeft. De geschiedenis nogtans geeft den tijd der stichting niet naauwkeurig op, en meldt ons alleen, dat het behoorde onder den Abt van het Smalleneester-konvent of klooster, waarvan nog in het geh. Smalle-Ee, hetwelk door de Smalle-Eester-zanding en de Oudegaster-zanding van Oudega gescheiden is, de plaats, waar het gestaan heeft, wordt aangewezen. In vereeniging met Smalle-Ee moet Oudega toen eene aanmerkelijke bevolking gehad hebben, daar er reeds in het jaar 1453 te Smalle-Ee eene jaarmarkt gehouden werd, en in het konvent van dien naam, gedurende de twisten der Schieringers en Vetkoopers, eene zamenkomst dezer partijen geweest is. Trouwens, Oudega zelf draagt onderscheidene kenmerken van ouderdom. Aan het kerkgebouw, waaraan nergens een jaartal, hetwelk ons de stichting meldt, gevonden wordt, vindt men nog veel duifsteen, en niet zelden werden hier steenen doodkisten opgedolven. Zulk eene steenen kist werd onder anderen in het jaar 1817 daar opgegraven, hebbende eene lengte van 2,57 ell. Het deksel was lang 2,692 ell., de breedte boven 0.993 ell., de breedte in het midden 0,941 ell. en onder 0.706 ell. Aan de buitenzijde was zij ruw, doch op het deksel, aan het hoofdeinde en aan de beide zijden, binnen de kist, vond men, in verheven beeldwerk, deze figuren: (zie origineel); aan het voeteinde (zie origineel); voor het overige was de binnenzijde boogswijze, als matwerk, gebeiteld en zeer net bewerkt. Deze kist werd, gelijk alle de voorheen gevondene, uit het kerkhof gegraven, en zoowel de plaats als het kruis doen ons denken, dat daarin een geestelijk is begraven geweest. Eene soortgelijke kist werd nog in het jaar 1838 opgegraven. De Geschiedschrijver Winsemius meldt (1), op het jaar 1254, dat er destijds een groot aantal wolven en wilde dieren, uit Drenthe en Westphalen gekomen, zich in Zevenwouden en Oostergoo ophield, en niet alleen vele verwoestingen aanrigtte onder de schapen en het vee, maar zelfs de lijken op de kerkhoven uit de graven haalde, zoodat vele inwoners, om deze reden, uit verre plaatsen steenen zerken ontboden, onder welke de lijken, uit vrees voor de wolven, bedekt en begraven werden. Daar nu Oudega niet verder dan omtrent vijf uren gaans van de Drentsche grenzen verwijderd is, en dit gedierte zich dus ook zekerlijk hier zal bevonden hebben, is het misschien ook omtrent dien tijd geweest, dat zij hier in gebruik waren, en van daar nog in zulk een aantal in deze streken gevonden worden. Dit wordt te meer waarschijnlijk, daar, volgens het verhaal der landlieden, hunne voorouders zich in steenen doodkisten begraven lieten, om van de wolven niet verslonden te worden. Indien nu deze veronderstelling, of liever gissing, te bewijzen ware, zoude hieruit volgen, dat dan het dorp Oldega reeds sedert zes eeuwen bestaan had.

Het dorp is, met de onderhoorige landen, ruim twee uren gaans lang en een uur breed. men wil, dat de oudste bewoners zich des zomers met hunne kudden naar de lage omstreken begaven, en aldaar op de hoogste plaatsen hunne tenten opsloegen. Zoodanige legerplaatsen vindt men vele aan den westkant van het dorp in de maadlanden. Sommige dier maadlanden hebben daarvan waarschijnlijk den naam ontvangen van de Hemmen en de Hooge-Warren. Ten Zuiden van het dorp, tegen over Smalle-Ee, vindt men het Gea-lan (buurtland). Door het Gea-lan liep oudtijds slechts ééne vaart, waardoor Oudega met Smalle-Ee te water gemeenschap had, het Oude-diep genaamd, hetwelk in de Munniks-gruppel uitloopt. In latere tijden zijn, ten gemakke der scheepvaart, nog gegraven de Wopke-slooten, in het Zuidoosten en de Zetsloot, in het Zuidwesten van de Oudegaster-zanding. Op het westeinde van het dorp is mede eene zanding, waarin nog eene vaart uitloopt naar Oudega, die de Geeuw genaamd wordt. men verdeelt het dorp in de volgende buurten, als: het Moleneind, de Voor-weg, de Achter-weg, de Buren, de Wal, de Gaasten, het West, het Uiteinde en de Opperburen, die te zamen bevatten 140 h. en ruim 760 inw., welke meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt. Ook heeft men er eenen wind-korenmolen. In vorige tijden waren hier onderscheidene kooijen, tot het vangen van wilde eenden; doch deze zijn sedert lang verdwenen, zonder eenig ander spoor na te laten dan de naam.

(1) Kronijk, bl. 136.

De Herv. behooren tot de gem. Oudega-Nijega-en-Opeinde, welke hier eene kerk heeft. Deze kerk, vóór de Reformatie aan de H. Agatha toegewijd, is een oud langwerpig vierkant gebouw, men eenen, boven het kerkdak vierkant opgaanden, vervolgens spits toeloopenden en geheel op zich zelve staanden toren, doch zonder orgel. - Men heeft er ook eene kerk voor de Christelijk-Afgescheidenen, waartoe ongeveer een vierde der inw. behooren. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 120 leerlingen bezocht.

Vroeger stond, niet ver van dit d., de Groot-Haersma, waarvan het huis in het jaar 1841 afgebroken is. Zie Haersma (Groot-).

Van tijd tot tijd heeft dit d. in de verwoestingen en bezwaren van deze provincie gedeeld.

In het jaar 1514 was hier Grietman Jelle Sikkes, die uit zijne grietenij naar Leeuwarden vlugtte, omdat de ingezetenen de Geldersche partij aankleefden, terwijl hij het men den Hertog van Saksen hield. Op St. Mathijsdag van dat jaar deed hij hier eenen inval met de Leeuwarders, en verbrande te Oudega vijf en dertig huizen. Dit bekwam hem echter zeer kwalijk, dewijl het volk der naaste dorpen, door klokklepping verzameld, hem op den terugtogt aanviel, en met hem zijnen zoon en velen der zijnen doodde. In het volgende jaar werd de geheele grietenij Smallingerland afgeloopen, en in Oudega brand gesticht door de Saksische benden. In den Spaanschen oorlog, in het jaar 1583, werd Oudega met eene bezetting bezwaard, om den vijand het doordringen naar Smalle-Ee te beletten. Men vindt nog nabij Oudega eenen blaauwen steen, gelijk hier de overlevering zegt, tot een gedenkteeken strekkende van een gevecht, tusschen inwoners van Oudega en eenig krijgsvolk van den Bisschop van Munster, in het jaar 1672 geleverd, hetgeen waarschijnlijk tegen een gedeelte van dat krijgsvolk zal geweest zijn, hetwelk tusschen Dragten en Bergum, door de Frieschen Overste Aylva, in Julij van dat zelfde jaar, werd teruggedreven

OUDEGA-NIJEGA-EN-OPEINDE, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Leeuwarden, ring van Bergum. Men heeft er drie kerken, als: ééne te Oudega, ééne te Nijega en ééne te Opeinde, en telt er 1720 zielen, onder welke ruim 100 Ledematen. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Emarus Marci, die welligt in het jaar 1598 herwaarts kwam, en in het jaar 1603 overleed.

OUDEGASTER-RIJP, b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr., en 5 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 1/2 u. N. N. W. van Beetsterzwaag, 1/2 u. N. W. van Oudega, waartoe het behoort.

OUDEGASTER-ZANDING (DE), meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo; griet. Smallingerland, Z. van Oudega.

Het staat door de Wopke-sloten met de Smalle-Eester-zanding, door het Ouddiep met de Munniksgruppel en door de Zetsloot met de Munnik-Ee in verbinding.

PEIN (DE), naam, welken men veelal geeft aan het d. Opeinde, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Opeinde.

SANDING (DE ESUMER-), voorm. meertje, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat. Door de Zoete met de Wijbe-Sanding in verbinding staat, doch reeds voorlang in de Oude-gaaster-sanding versmolten is.

SANDING (DE OUDEGAASTER-) , meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat door de Wopkes-sloot met de Smalle-eester-sanding en door het Ouddiep en de Zetsloot, met de Monnike-Ee, in verbinding staat.

SANDING (DE SMALLE-EESTER-) , of Smalle-Gaaster-Sanding, meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat door de Wopkes-sloot, met de Oudegaaster-sanding, en door de Monniken-gruppen, met de Monnike-Ee, in verbinding staat.

SANDING (DE WESTER-) , meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat ten W. door de Geeuw met het Kruis-water in verbinding staat.

SANDING (DE WYBE-) , voorm. meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, dat door de Zoete, met de Esumer-Sanding, in verbinding staat, doch reeds voorlang in de Oude-gaaster-Sanding versmolten is.

SANDWATER (HET) , voorm. meertje, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, 1 1/4 u. Z. O. van Oudega, waarin de Monnike_Ee, de Kletstervaart, en de Dreit, uitliepen. Het is thans droog

SMALLE-EE of Smalle-Ie, ook wel Smalnie geheeten, geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 u. N. O. ten N. van Heerenveen, kant. en 1 u. N. W. van Beetsterzwaag, 20 min. N. W. van Boornbergum, waartoe het behoort, aan de Smalle-Eester-Zanding; met 17 h. en 90 inw.

Dit geh. was nog in 1617 de hoofdplaats der griet. Smallingerland. - Vroeger stond hier een abdij van Benediktijner Nonnen, mede Smalle_Ee genaamd. Zie volgend art.

Te Smalle-Ee bereidt men sedert jaren een geneesmiddel, hoofdzakelijk uit kinabast bestaande, ter verdrijving van de koorts. Die Smalle-Eester-koorts-potjes zijn door de prov. Friesland en Groningerland beroemd, van welke dan ook jaarlijks voor duizende guldens verkocht worden.

SMALLE-EESTER ZANDING (DE), op de kaart van Schotanus à Sterringa, onder den naam van Smalleneester-Sanding voorkomende, meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet Smallingerland, 20 min. N. van Boornbergum, dat ten W. door de Monniksgruppen, met de Monnike-Ee, ten N. door de Wopkesloten, met de Oudegaster Zanding in verbinding staat.

SMALLE-NEESTER-SANDING (DE), meer, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Smalle-Eester-Zanding (De).

SMALLER-EESTER-KONVENT, voorm. abdij, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, 1/2 u. N. W. van Boornbergum.

Het werd bewoond door Benediktyner Nonnen en had zijnen naam van het water de Ee gekregen. Deze nonnen stonden onder het opzigt van de Benediktyner Abten, die de Nonnen door Priors bestierden. Pieter van Groningen stond hier, omtrent het midden der zestiende eeuw als Prior. Hij bekwam van Georgus van Egmond, toenmaligen Bisschop van Utrecht, bij eenen brief van den 16 Maart 1548, de magt, om de kloosterlijke geloften der maagden aan te nemen, die zich in het Konvent te Smallen-Ee begaven, en het kloosterlijke leven, als ook de orde van gemelde konvent, aanvaarden wilden; alsmede om haar het wiel (of de Nonnensluijer), volgens den regel der meergemelde orde, op te zetten. In dit klooster is, ten tijde van de Schieringers en Vetkoopers, eene zamenkomst gehouden tusschen de afgezondenen van Friesland en Groningen.

Ter plaatse, waar dit klooster gestaan heeft, ziet men nog eene lindeboom, die, op het dunst van den stam, eene el boven den grond, eenen omtrek heeft van 4.40 ell.

SMALLINGER-EE, geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland. Zie Smalle-Ee.

SMALLINGERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr. Heerenveen, kant. Beetserzwaag (1 k. d., 9 m. k., 5 s. d.,); grenzende N. aan Tietjerksteradeel, waarvan zij door den Zuster-weg en het stroompje de Lits wordt afgescheiden; terwijl dit watertje deze grietenij ook van Achtkarspelen scheidt tot aan de Rottevalle, van waar de verdere scheiding tusschen deze grietenijen, door een scheidgruppel, in de veenen, voltooid wordt. Ten Oosten grenst Smallingerland aan de Groninger Ommelanden, en wordt daarvan gescheiden door den Lauwers-stroom, die hier weleer bevaarbaar was, doch thans geheel is opgedroogd, ofschoon hij zich eertijds uitstrekte tot aan het oude klooster Termunten. In het Zuidoosten en Zuiden ligt Opsterland, van welke grietenij Smallingerland gedeeltelijk gescheiden wordt door den Leppe-dijk. In het Zuidwesten komt eindelijk nog Utingeradeel en in het Westen Idaarderadeel.

Deze griet., die van het Oosten naar het Westen 5 u. lang en van het Noorden naar het Zuiden 2 u. breed is, telt de navolgende zes dorpen, Dragten, waar het grietenijhuis staat, Boornbergum met Smalle-Ee, Kortehemmen, Nijega, Oudega en Opeinde, benevens een klein gedeelte van Rottevalle.

Smallingerland beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 12,493 bund. 99 v. r. 80 v. ell., waaronder 11,756 bund. 45 v. r. 86 v. ell. belastbaar land. Het is de negende grietenij van Oostergoo. Van waar zij haren naam heeft, is niet zeker: men schijnt aan smal te moeten denken; doch in tegenstelling van breed zou dat woord hier niet zeer te pas komen, omdat de griet. in zulk eene beteekenis juist niet smaller is dan onderscheidene andere, uitgezonderd alleen naar den kant van Groningerland, waar zij niet zeer breed is. Zoo men het woord nam in beteekenis van gering, slecht, gelijk de Engelschen hun smal bezigen en wij ook in meer dan een geval doen, zou het zeer wel aanleiding hebben kunnen geven, om de grietenij dus te noemen. In oude tijden toch, eer de turfgraverij bekend was, had men hier, in het Noorden en Oosten, hooge moerassige veenen, bosschen en struiken; terwijl de lage landen ten Zuiden en Westen gelegen, door het afloopende veenwater plas en dras lagen en dus van weinig nut waren. Ondertusschen zou het wel kunnen zijn, dat Smallingerland zoo veel gezegd ware, als Smalle-Eesterland, hetwelk dan slecht Waterland zou te kennen geven, omdat het woord Ee de beteekenis van water heeft.

Men telt er 1069 h., bewoond door 1420 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 7240 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt. Men heeft er schoone bouw- en weilanden. vroeger had men er ook vele veenen, doch deze zijn vergraven en herschapen in land. Behalve het voordeel, dat de ingezetenen van de korenlanden en de veevoeding trekken, helpt de vischvangst hier ook menigeen aan brood; doordien er onderscheidene vischrijke wateren zoo in het Westen en Zuiden als in het midden der griet. gevonden worden. het is opmerkelijk dat in de dorpen Nijega en Opeinde de landen alle roeien op den toren van Boornbergum.

Ofschoon de bodem en de gedaante van het land, een gedeelte van Oostergoo uitmaken, gelijken zij zoo zeer op die van Zevenwouden, dat Schotanus, in zijne Beschrijving van Friesland, zich niet weerhouden kon zulks in de volgende vier dichtregelen aan den dag te leggen.

Quos similis facies sylvarum deprimit agros

Partibus annumerus Osterogoa tuis?

Non est usus idem membris in corpore nostro

Et junctum oppositum splendet ab opposito

(d. i. Rekent gij, Oostergoo! de akkers, wier voorkomen gelijk is aan dat der wouden (de Zevenwouden) tot uw gebied? (zeker!) In ons ligchaam strekken de leden niet alle ten zelfden gebruike, terwijl de voortreffelijkheid van verschillende zaken des te meer uitkomt, als zij naast elkander zijn geplaatst.)

Men heeft in deze griet. 3 scheepstimmerwerven, 2 lijnbanen, 7 looijerijen, 7 klakovens, 1 branderij, 1 mostaard-, 2 houtzaag- en 4 korenmolens.

De Herv., die er 5350 in getal zijn, onder welke 660 Ledematen, maken 3 gem. uit, zijnde die van Dragten, Boornbergum-en-Kortehemmen en Oudega-Nijega-en-Opeinde, welke zes kerken hebben.

De Afgescheidenen, die er ruim 1180 bedragen, behooren tot de gem. van Dragten en Oudega.

De Doopsgez., die men er 700 telt, behooren tot de gem. Dragten-en-Rottevalle, alwaar zij eene kerk hebben.

Men heeft in deze griet 7 scholen; als: vier te Dragten, ééne te Boornbergum, ééne te Opeinde en ééne te Oudega, welke gezamelijk door een getal van 1280 leerlingen bezocht worden.

De wateren, welke men in deze griet. vindt, zijn: de Kromme-Ee, de Wijde_Ee, de Monnike-Ee, de Wester-Zanding, de Oudegaaster-Zanding, de Smalle-Eester_zanding, de Dragtstervaart enz.

De rijwegen zijn in deze griet. zeer aangenaam, wegens het menigvuldige houtgewas, hetwelk hen, gelijk ook de naast gelegen erven omzoomt. De voornaamste dezer wegen zijn de Lykweg, die van Nijega, door Opeinde, naar Noorder- en Zuider-Dragten, en van daar naar Opsterland loopt; de Hoogeweg, die van Oudega, ten Zuiden van Nijega en Opeinde, naar de Kletten loopt, en voorts in het Westen van de Dragten, naar Kortehemmen, het naaste dorp aan Opsterland, van waar hij in het Noordwesten verder westwaarts naar Boornbergum leidt; gaande van daar weder een andere rijweg noordwestwaarts naar Smalle-Ee. Ook gaat van Dragten een rijweg derwaarts, die, eerst langs de Dragtster-vaart heen schietende, zich eerlang met den ouden Slingeweg vereenigt, en daarmede zuidwestwaarts voortloopt, tot hij in den Zuidelijke-Slingeweg valt, die insgelijks van den Hoogeweg voortkomt, en na deze vereeniging verder westwaarts schietende, eerst de Postlaan, en daarna de Dragtster Hooiweg heet. Van de bijzondere hooiwegen maken wij geene melding. Wegens meergemelden Hoogeweg merken wij nog maar alleen aan, dat hij zich, ten Oosten van Kortehemmen, eerst westwaarts en vervolgens noordwestwaarts buigt, en alzoo, voorbij gemelde dorp, naar Smalle-Ee schiet, zich tusschen beiden vereenigde met den reeds gemelden Dragtster-hooiweg.

Ten tijde der inlandsche twisten, tusschen de Schieringers en Vetkoopers, en naderhand in de Spaansche oorlogen, heeft deze grietenij veel moeten lijden. Ook ging zij, naar het voorbeeld van Achtkarspelen en Opsterland, in het jaar 1420, een verbond aan met de Groningers, om zich te verzekeren tegen de onderdrukking van den hertog Jan van Beijeren, toenmaals Voogd van Holland.

Bij den watervloed van Februarij 1825, werd het westelijke gedeelte dezer grietenij, alwaar men in den morgen van den vijfden den vloed vernam, mede door het zoute water overstroomd, en wel van de grensscheiding van Idaarderadeel tot oostwaarts op de alge landen van het dorp Oudega, en het buitenste verlaat van de Dragten, terwijl het opgestuwde binnenwater zich uitstrekte over het noordelijk gelegen Nijega, en nabij de dorpen Noorder- en Zuider Dragten, benevens Boornbergum. De hoogste stand des waters was ongeveer zes palmen boven gewoon winterwater, zijnde niet te min het geh. Smalle-Ee vrij gebleven. gering evenwel was de schade door de overstrooming aangerigt, en slechts eene koe was verdronken; geene gebouwen waren vernield en geene ongelukken voorgevallen.

Het wapen der griet. Smallingerland bestaat uit een veld van zilver, met vijf groene bomen, staande op eenen natuurlijke voorgrond, langs welke heen springt een hert van keel. het schild gedekt met een gouden kroon.

SMALLINGER-OPEINDE, naam, onder welke het d. Opeinde, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Smallingerland, ter onderscheiding van Groninger-Opeinde wel eens voorkomt. Zie Opeinde.

SMELLINGERA-LANDT, oude naam van de griet. Smallingerland, prov. Friesland, kw. Oostergoo. Zie Smallingerland.

TIEKE (DE), b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 5 u. N. O. ten N. van Heerenveen, kant. en 2 1/2 u. N van Beetsterzwaag, 1/2 u. O. N. O. van Nijega, waartoe het behoort, aan de grenzen van Tietjerksteradeel.

UITEINDE (HET) , b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 6 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 2 1/2 u. N. N. W. van Beetsterzwaag. – Het is eene der buurten, waaruit het d. Oudega bestaat.

VLIERBOSCH, geh. prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 3 u. N. van Heerenveen, kant. en 1 1/2 u. N. ten W. van Beetsterzwaag, 1 u. W. van Boornbergum, waartoe het behoort; met 2 h. en 10 inw.

ZANDBUREN of Sandeburen, geh., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 u. N. O. van Heerenveen, kant. en 3/4 u. N. van Beetsterzwaag, 1/4 u. N. N. W. van Kortehemmen, waaronder het behoort; met 6 h. en 30 inw.