SLOOTEN, kerk. ring, prov. Friesland, klass van Sneek.

Deze ring bestaat uit de acht volgende gem. Slooten, Balk, Harig, Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen, Nijega-en-Elahuizen, Oude-en-Nieuwe-Mirdum-en-Sondel, Oudega-en-Kolderwolde en Wijkel.

Men heeft er 9 kerken, welke door acht Predikanten bediend worden, en telt er 3100 zielen, onder welke 1200 Ledematen.

SLOOTEN, gem. prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. Sneek, kant. Lemmer (12 m. k., 7 s. d.); palende N. aan het Slootermeer, O. aan de griet Doniawarstal, Z. aan Lemsterland, W. aan Gaasterland.

Deze gem. bevat de stad Slooten, en de Klokslag dier stad.

Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 225 bund. 40 v. r. 68 v. ell., waaronder 223 bund. 97 v. r. 2 v. ell., belastbaar land.

Men telt er 147 h., bewoond door 184 huisgez., uitmakende eene bevolking van 900 inw., van welke eenige in de veeteelt hun bestaan vinden. De landen rondom de stad zijn over het algemeen laag, en waren voor dezen van weinig waarde; doch zijn, door de allengskens toenemende inpolderingen in zoo verre, vooral aan den westkant, door den Coehoorns-polder enz. verbeterd, dat zij thans zeer schoone en vruchtbare weilanden bevatten.

Ook heeft men er 1 looijerij; 2 scheepstimmerwerven; 1 bokkingdroogerij, en 1 korenmolen.

De Herv., die er 800 in getal zijn, onder welke ruim 200 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring Slooten, behoort. Volgens synodale akte van 1584 was hier toen Predikant Aggaeus of Agge, die in 1586 opgevolgd werd door Antonius Nicolaus van Wassenaar, die in dat jaar herwaarts kwam, en in het jaar 1589 naar Leeuwarden vertrok. Hij was Priester te Hoogebeintum, werd Predikant der Hervormden, toen onder het kruis, en predikte het Evangelie in Braband, Holland en Zeeland. het beroep geschied thans door den kerkeraad.

De R. K., die men er ruim 100 telt, maken met eenigen uit den omtrek, eene stat. uit, welke tot het aartspr. van Friesland behoort, 130 zielen, en onder deze 90 Communikanten telt, en door eenen Pastoor bediend wordt. - Men heeft is deze gem. eene school, welke gemiddeld door een getal van 100 Leerlingen bezocht wordt.

Het stadje Slooten of Sloten, in het Lat. Slota, in het Fries Sleat, in vroegere tijden Slootmanninga en Slootmannia, ook Sloot en Slute genaamd, ligt 3 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, 1 1/2 u. N. W. van de Lemmer. - Men telt er binnen den wal 140 h., en ruim 850 inw.

De stad is genoegzaam eirond van gedaante, loopende haar grootste lengte van het Noorden naar het Zuiden; zij is omringd met eenen aarden wal, die op zich zelven weinig sterkte geeft, doch, uit aanmerking van de laagte der omliggende landen, die men door het zeewater kan doen onderloopen, zonder groote kosten bijna onwinbaar is te maken. Deze wal bestaat uit drie redelijk welaangelegde, en twee ongeregelde bastions. In de oostelijke courtine vindt men de Koepoort, waardoor men uit Doniawarstal binnen de stad rijdt, en daar tegenover in het Westen de Wykelerpoort, door welke men in Gaasterland komt: tevens vindt men in het Noordeinde der stad bij het bastion, Harinxma-Schans genaamd, de Sneeker-Waterpoort, en aan het Zuideinde de Lemster-Waterpoort. De wal der stad is beplant met schoone ijpenboomen, zoodat zij, indien men tevens in aanmerking neemt het fraaije gezigt op de naburige velden, vooral het schoone Gaasterland, en de steeds aan- en afvarende schepen, voor eenen zeer aangenamen wandelweg mag gehouden worden.

Geen der Friesche steden is met Slooten te vergelijken, ten opzigte van de drukke doorvaart van schepen. De Friesche turf wordt door de stad naar buiten gevoerd, om niet van vele andere binnenschepen te gewagen, die hier door naar de naburige ProvinciŽn varen. en door hare vertolking veel toebrengen tot het in stand houden der stads financiŽn. Daarenboven komen die schepen meest wederom ledig of geladen door Slooten terug; doch de vaart door dit stadje in inzonderheid toegenomen na het verdiepen van het Kolonelsdiep, dewijl na dien tijd de Groninger schepen veel menigvuldiger, dan voor dezen, door de provincie Friesland varen. Ja. men heeft meermalen op eenen dag 40 of 50, en een 70 Groninger schepen door, en langs deze stad zien varen, meerendeels geladen met turf en granen. De Friesche schepen hierbij gerekend, kan men gemakkelijk opmaken, dat hier op een dag wel eens 100 en meer schepen door moeten komen. Ondertusschen varen alleen de kleine schepen door de binnengracht der stad, terwijl de grootere de stads buitengracht moeten bevaren: door de binnengracht wordt betaald 10 cents, door de buitengracht heen 65 cents, terug 75 cents.

Het water is hier altijd zoet, en stroomt door de stad, naarmate de winde van streek veranderen, en de nabij gelegen groote wateren ginds en weder drijven. Dit voorregt geeft hier eene groote zuiverheid aan de lucht en het water, die op de gezondheid der inwoners een aanmerkelijken invloed heeft, wordende hierom in deze stad, doorgaans weinige, en nooit besmettelijke, ziekten waargenomen. De naburige ruime en zuivere wateren geven ook veel meer visch, door welke te vangen en te verkoopen hier eenige lieden hun bestaan vinden.

De groote toevloed van allerlei schepen en vaartuigen heeft dit stadje vroeger zeer neringrijk gemaakt, en zoo volkrijk, dat vele huizen door twee en meer huisgezinnen werden bewoond. De menigvuldige veerschepen, die door Sloten dagelijks van en naar de Lemmer voeren, veroorzaakten hier eenen drukken doortogt en aanmerkelijke vertering. Ook woonden hier destijds eenige kooplieden, die grooten handel dreven in boter, vleesch, spek en andere gelijksoortige waren, wordende hier jaarlijks een groote menigte beesten geslagt, wier vleesch in tinnen gekuipt, en naar buiten verzonden werd. Voorst bloeide hier de binnen- en buitenlandsche scheepvaart, waardoor de ingezetenen, in het algemeen, vrij vermogend waren. Dit is thans echter grootendeels veranderd; tegenwoordig toch staan er onderscheiden van de beste huizen ledig; de handel in boter en kaas is onbeduidend; die in vleesch en spek niet noemenswaardig; het naar buiten verzenden van vleesch in tonnen heeft geheel opgehouden. Op en gering aantal na, zijn de bewoners van Slooten tegenwoordig mingegoede burgers of armen.

Het stadje, hoewel klein, is echter net gebouwd, en naarmate van hare grootte volkrijk. Het voornaamste gedeelte bestaat uit eene met lindeboomen beplante gracht, ter wederzijden met eene rij huizen bebouwd, van de Sneeker- tot aan de Lemster-waterpoort, en uit eene dubbele straat, die haar genoegzaam regthoekig snijdt, en van de Koepoort naar de Wykeler-poort loopt. Ook zijn er nog eenige achterom-straatjes, doch die hier geen aanmerking verdienen. Over de binnengracht ligt eene breede houten rijbrug, de platte brug genaamd; ten Zuiden van welke er nog eene kleinere is. De voornaamste huizen staan aan den oostkant der binnengracht, benevens de twee merkwaardigste openbare gebouwen der stad; het Stadhuis en de kerk.

Het Stadhuis, ten Noorder der kerk, is naar evenredigheid der stad, groot van omtrek, in het jaar 1757 geheel vernieuwd, en in eene zeer nette orde opgebouwd. Daar achter is eene nieuwe en groote Stadsschool.

De Hervormde kerk, aan de oostzijde der Binnengracht, is geen zeer oud gebouw, zijnde in 1647 geheel nieuw opgetrokken. De Klokkentoren, die van eene spits is voorzien, staat boven op de kerk niet verre van den gevel, die naar het westen ziet. In de kerk is een zeer fraai orgel; ook heeft men er vele zerken van oude adellijke Friesche familiŽn die hier begraven liggen, wier wapens vroeger de kerk versierden. Slooten plagt vůůr de Reformatie slechts eene kapel te hebben, staande onder de parochiekerken der naburige dorpen: want de ingezetenen behoorden ten deele onder de parochie van Wykel, ten deele onder die van Tjerkgaast. Maar op het einde der zestiende eeuw heeft Cunerus Petri, Bisschop van Leeuwarden, de gemelde kapel tot eene parochiekerk verheven; en eenen Pastoor over de nieuwe parochiekerk aangesteld. De kerk is op den naam van St. Jan den Dooper ingewijd, en dit is de reden dat de jaarmarkt van Slooten, die zeer vermaard is, daags na St. Jans Onthoofding gehouden wordt. In de parochiekerk was een vikarisschap en drie prebenden gesticht, de tweede prebende werd St. Nicolaas-prebende genoemd, de derde was door stedelingen voor den Koster gesticht. De pastorij bragt 110 goudgulden (165 gulden) op, het vikarisschap 100 (150 gulden); de eerste prebende had een inkomen van 100 goudgulden (150 gulden), de tweede, dat is St. Nicolaas prebende was jaarlijks 70 (105 gulden) en de laatste 40 goudgulden (60 gulden) waard.

De Roomsch-Katholijken, zoowel van Slooten als van de naburige plaatsen, werden weleer door twee Priesters bediend, die hun verblijf in het naburig dorp Hemelum hielden. De eerste van die twee Priesters was genaamd Adam Petri, volkomen Bacalaurus in de Godkunde; de tweede was Wilhelmus Petri, Adams volle Broeder. Onder het bestuur van den Aartsbisschop van Sebaste hebben die van Slooten hunnen eigen Pastoors gekregen; zijnde de eerste geweest Johannes Christophorus Sourhuys.

De tegenwoordige Roomsch-Katholijken kerk, aan den H. Fredericus toegewijd en in het jaar 1818 gesticht, is een klein, langwerpig vierkant gebouw, zonder toren doch van een orgel voorzien. - Volgens een oud handschrift hebben de Augustiner-Monniken hier ook eene kerk gehad, doch, waar die gestaan heeft, weet men niet meer aan te wijzen. - Men heeft in dit stadje geene godshuizen.

Gedurende de ongelukkige verdeeldheid der Schieringers en Vetkoopers werden de eerste hier door de laatsten, in het jaar 1420, belegerd, doch wederom door Hertog Jan van Beijeren, ontzet. Bij die gelegenheid sneuvelde eene groote menigte Verkoopers. In 1486 werden de Schieringers hier nogmaals door de Vetkoopers aangetast, doch de aanvallers kloekmoedig teruggedreven.

Tijdens den oorlog tegen Karel, Hertog van Gelder, tegen de Saksers, en daarna tegen de BourgondiŽrs, was Slooten in handen van de Gelderschen, dan werd, in 1522, door de BourgondiŽrs veroverd, na een zwaar beleg, hetwelk aan Heer Johan van Wassenaar, die daarover het bevel had, het leven kostte. Van toen af is de stad eenige jaren van hare vestingwerken, die in het gemeld beleg te veel geleden hadden, ontbloot geweest. Nadat zij, in het jaar 1582, aan der Staten zijde was overgegaan, hebben deze, in aanmerking nemende hare bekwamen gelegenheid, ter dekking dezer geheele provincie, haar met eenige dwingers of bolwerken tegen de Spaanschen versterkt. gedurende den geheelen Spaanschen oorlog heeft Slooten daarom ook weinig of geen vijandelijke overlast geleden. Den 13 Mei 1588 was het echter in groot gevaar, om door verrassing te worden ingenomen. Zekere Dotto Sybles, uit het dorp Grouw oorspronkelijk, smeedde eenen aanslag, om een schip, waarin van onderen soldaten verborgen waren, en dat boven met ledige tonnen bedekt was, tegen het vallen van den avond in de stad te brengen. Hij had heimelijk verstandhouding van binnen, met zekeren Pier Lupckes, van Tjerkgaast, die ter zelver tijd, wanneer het schip zou binnen geraakt zijn, de stad aan onderscheiden hoeken zou aan brand steken, ten einde, door de daaruit ontstane verwarring, den aanslag te begunstigen. daar echter het schip, ter oorzake van eenen zwaren storm, niet kon voortkomen, werd de zaak ontdekt, waarop Pier Lupckes gevat, op den 26 dier maand onthoofd werd, en zijn hoofd op het Noorderbolwerk op eenen staak gezet.

Toen de Engelschen, in 1799, in Noord-Holland en Friesland geland waren, hadden in deze stad en te Balk eenige oproerigheden plaats, en werden er onderscheidene baldadigheden gepleegd; maar het kloekmoedig besluit van het Departementaal Bestuur, om den vijand eene krachtdadigen wederstand te bieden, verijdelde de hoop der muitelingen, die door de gewapende burgers betengeld werden. In de twee zoo even gemelde plaatsen werden er vijf ter neder geveld en twee gekwetst, terwijl eenigen van de schuldigsten gevat werden.

Het wapen van Slooten bestaat in een veld van goud, met een kasteel, uit welk dak de vlam slaat, met toren en poort van keel, geplaatst op twee kruislings liggende sleutels van azuur.

SLOOTEN (DE KLOKSLAG-VAN-), streek lands, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. Sneek, kant. Lemmer, gem. Slooten, zijnde dat gedeelte der gem. Slooten, hetwelk buiten de stad van dien naam gelegen is.

SLOOTMANNINGA en SLOOTMANNIA, vroegere namen van het stadje Slooten, prov. Friesland, kw. Zevenwouden. Zie Slooten.