AMKAMA, voorm. klooster van Premonstreiter monniken, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, onder het d. Berlikum. Het was eene uithof van het klooster Lidlum.

ANJUM, of Aanjum, ook wel Anyjum geschreven, van ouds Aninghem genoemd, voorm. Klooster van Reguliere Kanonniken, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, 3 u. W. ten N. van Leeuwarden, 1 1/2 u. N.O. van Franeker, 1 u. N. ten W. van Dronrijp en 3/4 Z.W. van Berlikum, 1/4 u. N.W. van het d. Slappeterp, waaronder het behoort. Het werd omstreeks 1256 gesticht door Siboud Epinga en zijne broeders Nanne en Sibrand, bloedverwanten van Ludolf, Prior van Lidlum. Ebel Scheltinga, hunne nicht, die, even als Doeke Tjaerda van Bayum en Doeke Scheltinga van Minnertsga, toen, wegens hare vroomheid, zeer vermaard was, ondersteunde hen in dit godvruchtige werk, hetwelk onder het bestuur van Wijbrand, Pastoor van het dorp Anjum, volbragt werd. Bij de inwijding ontving dit klooster den naam van Marias Berg, naderhand bekwam het dien van Anjum. Ofschoon het reeds sedert de tijden der Kerkhervormingen niet meer bestaat, is de plaats, waar het gestaan heeft, nog onder den naam van Anjum of Klooster Anjum bekend, en maakt het een geh. uit, dat tot het arr. Leeuwarden, kant. Dronrijp behoort.

In 1572 had een gedeelte van het Spaansche krijgsvolk veelal zijne legerplaats in dit klooster, waaruit het dan gedurig in de omstreken roof, moord en plundering aanrigtte.

AYSMA, adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/2 N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Berlikum, 1/2 u. O. ten Z. van Beetgum, waartoe zij met de buurt Dijksterhuizen behoort, 3/4 u. N. O. van Dronrijp.

Zij is thans eene fraaije boerenplaats Groot-Aysma geheeten, in bezit van het eigenrfde geslacht van dien naam.

BADEGUM, oude naam voor het d. Beetgum. Zie dat woord.

BEETGUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en ruim 1/2 u. O. ten Z. O. van Berlikum, aan de Slagtedijk of ouden rijweg van Leeuwarden op Franeker.

Men wil, dat het weleer Badegum geheeten was, omdat de zee tot aan het kerkhof spoelde en men zich rondom in het zeewater kon baden, want vr de bedijking van de grietenij het Bildt, was Beetgum een zeedorp, aan den mond van de Middelzee of het Boorndiep.

Behalve de kom van het dorp of de kerkbuurt ligt een groot getal huizen en boerenplaatsen van dit dorp langs den genoemde dijk, waar zij de buurten Dijksterhuizen, Beetgumermolen en Hameren vormen. Het welvarend aanzien van bijna alle die huizen is een blijk van vruchtbaarheid der bouw- en weilanden, waardoor dit schoone en groote dorp wordt omgeven.

Men telt er in het geheel 800 inwoners, onder welke 700 Herv., die eene gem. uitmaken, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring van Stiens, behoort. De eerste, die hier het leeraarambt bekleed heeft, is geweest Johannes Petri Duirewout, die in het jaar 1594 naar Dronrijp vertrok. De kerk (foto) staat op eene aanzienlijke hoogte, ten Z. van den weg, heeft eenen stompen toren, en is met onderscheidene fraaije gestoelten en grafsteenen versierd, waaronder vooral aanmerkelijk is, die ter eere van Johan Onuphrius, Vrijheer Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg. Deze, in het jaar 1513, in Franekeradeel geboren, was keizer Karel V, in den Italiaanschen oorlog, tegen Franciscus I, Koning van Frankrijk, gevolgd, en tot Kolonel over 1000 paarden bevorderd. Van daar terug gekomen, huwde hij met Maria, de tweede dochter van Frederik van Crombach, die, voor zijne aan den Keizer bewezene diensten, door dezen, in het jaar 1518, tot Drost van Harlingen bevorderd was; uit welk huwelijk het tegenwoordige nog bestaande geslacht Thoe Schwartenberg en Hohenlansberg is voorgekomen.

De op dit dorp wonende Doopsgez. behooren tot de gem. van Berlikum. De R. K., die er weinig in getal zijn, worden tot de statie van Dronrijp gerekend.

Onder de kerkbuurt behoort de fraaije state Martena of Groot-Horne, welke, met aanzienlijke hovingen, orangerie en hertenkamp omgeven, door den Baron G. F. Thoe Schwartenberg en Hohenlansberg, Grietman van Menaldumadeel, bewoond wordt. Het is een der oudste, schoonste en grootste landgoederen in Friesland. Te Dijksterhuizen liggen de van ouds eigengerfde staten Aysma en Buma, ten O. van Beetgum, aan de noordzijde van den weg, nu boerderijen.

Te Beetgumermolen is op de halve lengte van het dorp, in het jaar 1836, eene nieuwe school en onderwijzerswoning gebouwd.

De kermis van dit dorp valt in op den derden Zondag in October.

BEETGUMERMOLEN, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en ruim 1 u. O. van Berlikum, 1/2 u. O. van Beetgum, waartoe het behoort, aan den rijweg van Leeuwarden naar het Bildt en Franeker; met eenen koornmolen en een schoolgebouw.

BELSUM, landfriesche naam van het dorp Berlikum. Zie dat woord.

BERLEKUM, d. prov. Friesland. Zie Berlikum.

BERLICHOM, oude naam van het d. Berlikum, prov. Friesland. Zie Berlikum.

BERLICUM, d., prov. Friesland. Zie Berlikum.

BERLIKOM, d., prov. Friesland. Zie Berlikum.

BERLIKUM, Berlikom of Berlekem, doorgaans bij verbastering in het stadfriesch Belkum en in het landfriesch Belsum geheeten, d., prov., Friesland, kwart. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, 2 u. N. O. van Franeker, 3/4 N. van Menaldum en 1 u. Z. van St. Anna-Parochie.

Berlikum behoort, zoo men wil, tot de oude Friesche steden, welke thans, of geheel niet, of niet meer als zoodanig bestaan. Oudtijds lag het, hoewel op de tegenwoordige plaats, aan de Middelzee, en er was hier, tijdens het bestaan van dien zeeboezum, eene aanzienlijke haven met eene sluis of zijl, zoo ter ontlasting van het overtollige binnenwater, als ook voor de scheepsvaart, waarom het stadje of een gedeelte van de plaats Uitgong genoemd werd, als hebbende hier eenen uitgang of uitvaart naar zee. Naar men wil, was de plaats, waar die sluis lag, juist ter zelfde stede, waar heden nog de Kruisstraat is; doch liever, en om meer juist te spreken, waren Berlikum en Uitgong twee afzonderlijke, hoewel zeer nabij elkander gelegene, plaatsen, zijnde de scheiding thans nog aan het steenen pijpje, omstreeks het midden der lange kerkbuurt bij de oude haven, kenbaar, wordende het oostelijk deel Uitgong en het westelijke Berlikum genoemd. Reeds in de vijftiende eeuw waren Berlikum en Uitgong, wat de burgelijke belangen van bedrijf, nering en handel betreft, geheel vereenigd, doch in het kerkelijke nog eenigermate onderscheiden, gelijk ook de namen steeds nog beide in gebruik waren. De tijd der stichting dezer plaatsen is onbekend, doch dagteekent al zeer vroeg. Reeds in het jaar 606 vindt men in de kronijken, de stad Uitgong vermeld, als zijnde daar een wanschapen kind, met twee hoofden, vier armen en twee ruggelings aan elkander verbondene ligchamen, geboren.

Het is niet ongelooflijk, dat Berlikum of Uitgong, hetwelk op een bord in de kerk Teutium of Te Uitgum genoemd wordt, eene dier Friesche plaatsen zij, welke min of meer reeds bestonden, toen de Romeinen, met hunne vloten onze zeen door kruisende, onder anderen de Middelzee bevoeren, in welke eene der Rijntakken uitvloeide, en hunne overwinningen ook tot deze oorden overbragten; of dat deze overheerschers den eersten grondslag tot het bestaan dezer plaatsen hebben gelegd, wegens eene gunstige gelegenheid aan de zee, om aldaar te havenen, zijnde deze kust toen zeer veilig voor de zuidwestelijke en noordwestelijke winden. Hiervoor pleit ook de naam Civitas Emensis aliud t Uytkom, quib. Siatulanda, zoo als Schotanus het op zijne kaart van Oud-Friesland noemt. Zeker gaat het, dat dit Uitgong eene der oudste zeeplaatsen in Friesland geweest is, en wel ligt vr de opkomst van Harlingen en na den ondergang van Ezonstad aan de Lauwers, de voornaamste zeestad naast Stavoren.

Uitgong was voor de buitenlandsche scheepvaart en de binnenlandsche nering zeer gunstig gelegen, en alzoo nam het, bij de verbetering van den landbouw en de uitbreiding van de scheepvaart, in de tiende en volgende eeuwen aanmerkelijk in grootte, aanzien en vermogen toe. Want ook voor de binnenvaart lag Uitgong niet minder voordeelig. Gelegen aan den mond van het water de Ried was er overvloedige gelegenheid voor de binnenvaart, hetwelk den bloei en de grootheid dezer plaats zeer bevorderde: want uit gemeld water de Ried, werden van tijd tot tijd vele vaarten en kanalen gegraven naar de omgelegene plaatsen, als: naar Menaldum, Minnertsga, Firdgum, Tjummarum, Franeker en vele andere, welke vaarten allen met de Ried gemeenschap hebben.

Uitgong, als aan de Middelzee gelegen zijnde, was ook meermalen blootgesteld aan de roverijen en strooptochten der Noormannen. Zoo werd het, in het laatst der negende eeuw, door dusdanige zeeroovers bijna geheel verwoest: naar het schijnt, uit wraak over het geleden verlies en de nederlaag bij eenen vroegeren strooptogt ondergaan van den dapperen Joulsma, destijds wonende te Britsum, op Britsenburg.

Na de opslijking van de Middelzee namen Berlikum en Uitgong meer en meer in grootte, koophandel en aanzien af, daar zij toen landplaatsen geworden waren, en de sluis, door droogte en ophoging van den buitengrond, verstopt was; terwijl vele inwoners verhuisden naar Franeker, dat langs hoe meer in bloei toenam. In het jaar 1470 sloten de inwoners van Franeker ter eenre en die van Berlikum en Uitgong ter andere zijde een verbond, waarbij wederzijds vrije en onbelemmerde koophandel en scheepvaart, ontheffing van tollen, wal- en bruggelden, benevens eene behoorlijke rechtsbedeling aan elkander beloofd werd.

Duister blijft het, wat men van Berlikum en Uitgong als afzonderlijke plaatsen te denken hebbe, en in hoe verre zij gescheiden of vereenigd waren. In het kerkelijke schijnen zij of geheel vereenigd of naauw verwant geweest te zijn; ten minst de standplaats van de Pastoors wordt weleens bij afwisseling Berlikum of Uitgong genoemd, terwijl de bewijzen voor het bestaan van afzonderlijke kerken in beide die plaatsen zeer gering zijn. Echter schijnt Uitgong de meest geigebruikelijke naam geweest te zijn, ten tijden dat het als zeestad nog bestond, en na de afneming der stad heeft de naam van Berlikum alleen de overhand behouden, terwijl die van Uitgong allengs verdween.

In het jaar 1470 had men nog wel onderscheid van namen en plaatsen, maar de burgelijke betrekkingen waren toen reeds geheel vereenigd. Onder de edele staten, die hier weleer bestonden, telde men Eysinga en Adelen, van de familie te Sexbierum afkomstig, en vooral Hemmema. Deze laatste state was ten O. van Berlikum op Bildtgrond gelegen. Daar benoorden lag op het Bildt de state Nijfenne, aan de Hemmemas toebehoorende, en (buiten Broersma-state), te Kollum het eenige leen in Friesland. Ook had het klooster Lidlum hier eenen uithof, Amkana geheeten.

Thans is Berlikum nog eene aanzienlijke plaats en een der vermakelijkste kleidorpen van Friesland. het bevat 160 h., die voor het meerendeel in eene zeer lange, dubbele, meest oost- en westwaarts loopende rij bebouwd zijn, terwijl er daarenboven eenige kleine bijstraten bestaan, die, even als de hoofdstraat, grootendeels zeer goed geplaveid zijn; achter de buurt loopt de Ried, ook het Berlukumwyd genaamd, zijnde de vaart van Franeker naar Berlikum, tegen den ouden zeedijk te niet, en wordt daar nog heden de Haven genoemd, ter nagedachtenis aan de uitvaart naar de Middelzee. men telt er ruim 1200 inw., die voornamelijk hun bestaan vinden in den verkoop der menigvuldige appelen, peren, bezin en andere boom- en aardvruchten, welke hunne boomgaarden en tuinen, bij gunstige jaren, in kwistige hoeveelheid en uitmuntende hoedanigheid, opleveren, en door geheel Friesland, maar vooral naar Leeuwarden, Harlingen en Franeker verzonden worden; terwijl mede de aardappelteelt, vooral van vroege aardappelen, hier zeer uitgebreid is, en goede voordeelen oplevert. Ook is te Berlikum voor doortogt van reizenden van en naar Leeuwarden, het Bildt, Franeker, Harlingen enz. Jammer voor Berlikum, dat de ontworpen straatweg van Leeuwarden naar Harlingen, dit dorp geheel mis loopt, als gaande, in eene meer regte rigting, over Dronrijp, ruim gaans zuidelijker.

De Herv., die hier 1100 in getal zijn, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring Stiens behoort. De eerste, die hier het Leeraarambt waarnam, is geweest Hermannus Luinga, in of vr het jaar 1589 naar beroepen. De voorm. fraaije kerk, die hier, omstreeks het jaar 1320, door Eelko Liauckema, den twaalfden Abt van Lidlum, gebouwd, en vr de Hervorming vermoedelijk aan den H. Marcus toegewijd was, stond oudtijds onder het oppergebied van de abdij Lidlum, aan welks Abten het vergeven der pastorij en het bevestigen stond. De pastorij had een inkomen van honderddertig goudgulden, en het vikarisschap bragt honderd goudgulden op. Bovendien ware er drie prebenden, waarvan de eerste honderd, de tweede honderd en een, en de derde vijftig goudgulden opbragten. Jaarlijks werd er een plegtigen omgang gehouden, waarin een hostie, door mirakelen vermaard, omdragen werd. Onder de Pastoors van Berlikum zijn vroeger onderscheidene Abten van Lidlum geweest, als: Eelco Liauckema, de twaalfde, Godefridus Andla, de vijftiende, Siardus II, de zestiende, Theodorus, de zeventiende, Wybrandus II, de achtiende, Hesselus de een en twintigste en IJsbrand van Harderwijk de drie en dertigste abt. De oude kerk, even als de toren, wegen bouwvalligheid, in het jaar 1777, weggebroken zijnde, is in plaats daarvan eene fraaije achtkante koepelkerk (foto) met eenen klokkentoren gebouwd, die thans nog bestaat en tot groot sieraad van dit dorp verstrekt, terwijl zij over de vlakke bouwlanden van Westergoo zeer ver gezien kan worden.

De Doopsgez., die ruim 50 in getal zijn, hebben hier mede eene kerk en gemeente, welke haren eigen Predikant beroept.

De R.K., die hier slechts n huisgezin van 6 personen uitmaken, behooren tot de statie van Dronrijp.

Men heeft in dit dorp eene school, die gemiddeld door ruim 150 leerlingen bezocht wordt.

Te Berlikum wordt jaarlijks van ouds op St. Mareusdag, die den 25 April invalt, eene beroemde paarden- en beestenmarkt gehouden. Eertijds stond het vee, bij die gelegenheid, op de geregtigheid van het Bildt; doch uithoofde van een geschil over de wederzijdsche regten, hebben die van Berlikum een gedeelte van den ouden zeedijk met eene rij jongen boomen bezet en alzoo tot eene marktplaats bekwaam gemaakt. Thans heeft men er nog eene najaars paarden- en beestenmarkt op St. Victorsdag, in het begin van October.

In het jaar 1572 heeft Berlikum veel van het Spaansche krijgsvolk geleden. Sommige van deze benden hadden nu en dan hunne legerplaats in dit dorp of in het naburige klooster Anjum, geduriglijk in den omtrek roof, moord en plundering aanrigtende. Een hoop Friesch voetvolk trok den 20 October van dat jaar op Berlikum aan, om de Walen en Spanjaarden van daar te verdrijven, doch deze niet vindende, staken zij den korenmolen, benevens eenige huizen bij de kerk in brand, waarna zij aftrokken, zoodat de plaats toen van vriend en vijand te lijden had.

Berlicum is de geboorteplaats van Sixtus Hemmema, geb. 6 Februarij, 1533, 1586, na zich door vele geleerde werken, waaronder een de vinitate Astroligi, te hebben bekend gemaakt en van den in koophandel, staat- en landhuishoudkunde bijzonder ervaren Jan Huidekoper, geb. den 3 Maart 1766, den 27 januarij 1855, als Commissaris des Konings bij de Nederlansche handelsmaatschappij. Ook hebben de Beroemde werktuigkundigen Arjen Roelofs, Sieds Johannes Rienks en Roelof Hessels Hommema hier hunne uitstekende teleskopen en andere optische werktuigen vervaardigd.

BERLIKUM, kant., prov. Friesland, arr. Leeuwarden; palende N.W. aan de Wadden, O. aan de kant. Holwerd en Leeuwarden, Z. aan het kant. Rauwerd en W. aan het kant. Harlingen.

BLAAUWHUIS, voorm. adell. state, prov. Friesland, griet. Menaldumadeel, onder Dronrijp. Zie Glinstra.

BLESSUM, oudtijds Blessingum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. ten O. van Berlikum. Het is een net dorpje, fraai in het geboomte gelegen. Men telt er 180 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt.

In dit dorp, dat schoone en vruchtbare landerijen heeft, lag de fraaije state Ringia; vroeger werden er nog onderscheidene stinsen gevonden, waaronder Wissema, waarvan echter weinig meer over is.

De Herv., die hier wonen, behooren tot de gem. van Boxum-en-Blessum. Zij hebben hier eene nette kerk met orgel. De pastorij bragt vr de Hervorming honderd en tien goudgulden op en het vikarisschap negentig. Thans wordt hier den nen zondag des voormiddags en den anderen zondag des namiddags dienst gedaan.

De Doopsgezinden hadden hier vroeger eene vergaderplaats, die echter sedert het jaar 1824 niet meer gebruikt wordt, dat de gem. zich met Baard vereenigd heeft. De R. K., worden tot de statie van Dronrijp gerekend. Men heeft hier ne school.

BOLSWARDERBRUG op Pyphorne, brug, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, over de trekvaart van Harlingen naar Leeuwarden, ter plaatse, waar deze de Bolswarder-trekvaart opneemt.

BOXUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/4 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. W. N. W. van Berlikum. Men telt er ongeveer 40 h. en 220 inw., die grootendeels hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt.

De inw., die allen Herv. zijn, behooren tot de gem. van Boxum-en-Blessum, en hebben hier eene kerk, waarvan de pastorij vr de Hervorming honderd en dertig en het vikarisschap honderd goudgulden opbragten. Ook waren er twee prebenden, de eene van honderd en de andere van zestig goudgulden. De Proost van St. Janskerk te Utrecht had er zestien schilden (38 guld. 40 cents) te ontvangen. In de veertiende eeuw heeft hier als Pastoor gestaan Wibrandus, de achtste Abt van Lidlum, waaruit men gist, dat de pastorij van Boxum ter begeving van die Abten zal gestaan hebben. Bij de kerk staat een stompe, zeer scheve kloktoren.

Men heeft hier eene school, die gemiddeld door 34 leerlingen bezocht wordt.

Eertijds vond men hier twee adell. staten, Scheltema en Oedsma. Ook hadden de Kanonniken van Lidlum er twee uithoven, te weten: Monnikhuis en Ter-Poorte.

Boxum is zeer beroemd door den vermaarden slag, den 17 Januarij 1586, voorgevallen, tusschen Stein Maltesz, een Deensch Edelman en Overste-Luitenant van Graaf Willem Lodewijk en den Spaanschen Overste Johan Baptista de Tassis, in welk gevecht Maltesz, slechts 1000 man krijgsvolk en een kornet paarden bij zich hebbende, wel door de Spaanschen, meer dan tweemaal zoo sterk zijnde, geslagen werd, maar nogtans den vijand zijne overwinning duur deed bekoopen. Stein Maltesz, de Hopman Willem Willemsz, Groustins en Michiel Hage werden gevangen genomen. De broeder des eerstgenoemde en Hopman Hidde Sibrands sneuvelden. Eenige waren inde kerk gevlugt, onder welke de Vaandrig Otto Clant, die, het aangeboden leven versmadende, zich, na langen tegenweer, in zijn vaandel wikkelde en aldus doorstoken werd. Al vechtende sneuvelde ook de Kapitein Hessel Meckama, wiens ouders zijne gedachtenis vereerden door een Latijnsch gedicht bij zijn graf, aan den muur van de Jacobijner kerk te Leeuwarden, te doen plaatsen. Inmiddels was het een groot geluk, dat de Spanjaarden, over het ijs in Westergoo gevallen, geen gelegenheid hadden, van hunne overwinning gebruik te maken, waarin zij verhinderd werden door het dooiweder, dat hen noodzaakte, uit vrees van te zullen worden afgesneden, het land te verlaten, hetwelk zij anders op hun gemak zouden hebben kunnen uitplunderen. Na dien tijd hebben de Spanjaarden zich niet weder in Westergoo vertoond en de zaken der provincie zijn allenskens in beter order gekomen.

BOXUM-EN-BLESSUM, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Leeuwarden, ring van Wirdum; met 2 kerken, ne te Boxum en ne te Blessum en 560 zielen. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen is geweest Petrus Hain, die er in het jaar 1565 dienst deed, doch de eerste vaste Predikant in deze gem. was Theodorus Nicolaas IJlstanus, die er in het jaar 1641 overleed.

BOXUMERDAM, nieuwe brug, over de Sneeker trekvaart, in den weg van Leeuwarden naar Boxum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Die weg loopt, in eene oostelijke strekking, van het d. Boxum naar den straatweg.

BOXUMERZOOL, vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, loopende, in eene oostelijke rigting, van het d. Boxum tot in de Sneekertrekvaart.

BUMA, Buwma of Bouwma, voorm. adell. state, thans eene zathe of boerenhoeve, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/4 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Berlikum, 1/2 u. O. van Beetgum, in de buurt Dijksterhuizen, 1/4 u. N. van Englum, waartoe zij behoort.

BUWMA, adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Buma.

DEINUM of Deynum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. Z. O. van Berlikum, aan de trekvaart van Franeker op Leeuwarden. Men telt er, in de kom van het d., 400 inw. en met de daartoe behoorende b. Schenkenschans en een gedeelte der b. Ritsumazyl, 480 inw., onder welke vele schapen- en varkensslagters zijn.

Wegens de hellende ligging van dit dorp langs eene hooge terp, waarop de ruime kerk staat en aan de breede trekvaart, is het eene aangename en welvarende plaats, waarvan de h. echter zoo verward staan, dat het wel naar eenen kleinen doolhof gelijkt. Zij is omgeven door eenen dijk, het St. Janspad geheeten, als zijnde deze dijk aldus aangelegd om te dienen tot de processie van St. Jan, den Patroon van dit dorp, welke processie jaarlijks op St. Jansdag plaats had.

De Herv., die hier 420 in getal zijn, maken ne gem uit., welke tot de klass. en ring van Leeuwarden behoort. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen is geweest Petrus Sichemus, die in het jaar 1580 of 1581 herwaarts kwam en in het jaar 1601 waarschijnlijk overleden is. De kerk (foto) (foto2) was vr de Reformatie aan den H. Johannes toegewijd en leverde destijds jaarlijks 150 goudg. (210 guld.) op het vikarisschap gaf 100 goudg. (140 guld.); de prebende, die er was, 83 goudg. (112 guld.). De Proost van St. Jans trok er 12 schilden (27 guld.). De toren dezer kerk is van een bijzonder maaksel, waarom men hem weleens de Deinumer-Boeskool noemt. Men begon aan dezen toren te bouwen in het jaar 1550, doch in het jaar 1557 was hij eerst voltooid. Ter nagedachtenis van de ligging van Deinum, nabij de vroegere Middelzee, sedert wier verlanding of opslijking dit dorp van eene zeeplaats een binnenlandsch dorp is geworden, vindt men aan de noordzijde des torens het volgende versje, dat daar in 1753, door J. Groenewoud, is vernieuwd:

Ut Struxere Pharum fastigia lucida nautis,

Sic procul heac horas turris, iterqve notat.

d.i. Strekte eer mijn heldre spits ten baken op het nat,

Thans wijst des toren u, van verre, 't uur en 't pad.

De R. K., van welken men er 60 aantreft, worden tot de stat. van Dronrijp gerekend.

De dorpschool, die gemiddeld door 130 leerlingen bezocht wordt, is even als de onderwijzerswoning, in het jaar 1836 gebouwd; de groote pastorie, die aan de noordzijde der kerk, aan de helling der terp ligt, is weinige jaren vroeger geheel vernieuwd.

Onder dit d. ligt nog het in nieuweren smaak aangelegde buit. Welgelegen. Voorheen vond men er de state Feitsma, terwijl de state Siersma nog, in verminderden toestand, aanwezig is. Siardus Siersma, de vierde Abt van Lidlum, die er in 1332 , was aldaar geboren.

De meeste landerijen onder dit dorp zijn alleen geschikt tot bouw-, wei- en hooiland; ook zijn er velen onder, welken niet dan door ontpoldering voor den overlast van het winterwater kunnen beveiligd worden.

DOTINGA (GROOT-), voorm. state, prov. Friesland. Zie Dotinga.

DOTINGA (KLEIN-), voorm. state, prov. Friesland. Zie Dotinga.

DOTINGA, ook wel Groot-Dotinga of het Roodhuis, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, 5 min N. van Dronrijp, waartoe zij behoorde.

Het is thans eene boerenhoeve aan den nieuwen straatweg van Leeuwarden op Harlingen.

DOTINGA, ook wel Klein-Dotinga, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, 5 min. Z. van Marssum, waartoe zij thans als boerenhoeve behoort.

DRONRIJP, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. van Berlikum. Het is in twee buurten verdeeld: de Kerkeburen en Bruggebuurt geheeten, van welke de eerste ten noorden, ter zijde van den rijdweg en de tweede zuidelijker aan de trekvaart van Leeuwarden naar Franeker ligt, hetgeen dit groote d. veel levendigheid bijzet, en het lot eene fraaije en vermakelijke plaats maakt.

De Kerkeburen ligt rondom, doch vooral ten Z. van de kerk. Men gaat van daar ongeveer 10 min. ver, langs een gevloerd pad, zuidwaarts naar de Bruggebuurt aan te trekvaart, alwaar eene dubbele rij huizen, zuid- en noordwaarts loopende, wordt gevonden, terwijl de buurt langs den trekweg en vooral aan den overkant der vaart, alwaar men eenige meer aanzienlijke huizen aantreft, oost- en westwaarts loopt. De brug, over welke men van de kerkburen komende, de trekvaart overgaat, heet de Hoornbrug.

Men telt er 1100 inw., die meest hun bestaan vinden in de landbouw en veeteelt; terwijl men er in het N. O. en Z. goed bouwland, en in W. veel weideland heeft. Ook vindt men in het d. een tigchelwerk en eenen koorenmolen.

De Herv., die hier 1000 in getal zijn, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Harlingen, ring Franeker, behoort. De eerste, die te Dronrijp het leeraarsambt heeft waargenomen, is geweest Oeble Ipes, die er in het jaar 1585 was, en naar Dokkum schijnt vertrokken te zijn, waar hij in 1589 overleed.

De kerk (foto), welk in het jaar 1544 gebouwd is, was vr de Reformatie aan den H. Salvius toegewijd, had destijds aan inkomen 200 goudg. (300 guld.) en het vikarisschap 100 goudg. (150 gul.) Nog waren er twee prebenden ieder van 100 goudg, en eene derde, die voor den Koster was, van 80 goudg. (120 guld.). het is een groot en schoon gebouw, met een der fraaiste torens van Friesland, met eene nette pastorie en een schoolgebouw daarnevens.

De R. K., van welke men er ruim 100 telt, maken met die van de overige d. dezer griet. eene stat. uit, welke tot de aartspr. van Friesland behoort, en door eenen Pastoor bediend wordt, en 500 zielen telt, onder welke 300 communicanten. De kerk, onder den titel van Onze Lieve Vrouwe geboorte gewijd, staat in de straat aan de Bruggebuurt. Zij is in het jaar 1839 gebouwd en van eenen toren voorzien, heeft eene nette bouworde en vooral een keurig altaarstuk door den Heer Otte de Boer geschilderd.

Voorheen waren hier veel Adell. staten, thans meest in boerenplaatsen veranderd, als: Foppinga, Hommema, Glins of het Blaauwhuis, Fetza, Groot-Dotinga of 't Roodhuis, Hobbema, Ozinga enz. tegenwoordig wordt het d. versierd door de faaije nieuwe bui. Schatzenburg en Oorbijt.

Er worden hier twee jaarmarkten gehouden, de eerste den eersten Mandag in Mei; de tweede den vierden Zaturdag in Junij.

Dronrijp is de geboorteplaats van Eise Eisinga, den uitvinder van het beroemde planetarium te Franeker. Hij zag het licht den 21 Februarij 1744 en den 27 Augustus 1828. Even als de Staatsman Jhr. I. Aebinga van Humalda, ligt hij hier op het kerkhof met zijnen geleerden vader, Jelte Eisinga, begraven.

Behalve al deze bijzonderheden is Dronrijp nog merkwaardig wegens de schoone ligging. Niet slechts, dat de Harlinger vaart en de rijweg, uit Hennaarderadeel naar Menaldum of Beetgum in het midden des dorps elkander snijden, of dat de nieuwe straatweg van Leeuwarden naar Harlingen, ten Noorden het loopt, terwijl allen gezamelijk tot een ruim vertier bijdragen; maar wij bedoelen de ligging van dit dorp op 6 of 7 terpen, die in eene rigting van het Zuiden naar het Noorden, aan de oppervlakte eenen golvenden vorm geven. In den zomer, wanneer deze heuvelen met een schat van granen prijken, leveren sommige punten inderdaad schilderachtige gezigten op, waartusschen zich een aantal fraaije boerenplaatsen en vooral het aanzienlijke dorp, met zijne nette huizen en hooggelegen kerken, zich fraai verheffen. Vandaar dat wij Dronrijp eene der schoonste en welvarendste dorpen van Westergoo noemen.

Toen de Friesche Edelen in het jaar 1500 den Hertog van Saksen binnen Franeker belegerd hielden, was een der vier Hoofdkwartieren van het Friesche leger in dit dorp gevestigd.

DYKSTERHUIZEN of Dykstrahuizen, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/4 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Berlikum, 1/4 u. N. van Beetgum, waartoe het behoort.

Het is eene fraaije b., meest uit aanzienlijke boerenplaatsen bestaande, gelegen ter noord- en vooral ter zuidzijde van den voorm. Zee- of Slachtedijk, thans den puinweg naar het Bildt. De staten Buma en Aysma lagen er vroeger; thans zijn Groot- en Klein-Aysma twee uitmuntende bouwhoeven in dit vruchtbare oord.

ENGLUM of Engelum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. O. ten Z. van Berlikum.

Volgens sommigen zoude dit d. gesticht zijn door de Angelen (die met Egistus overkwamen), om ten minste in Friesland hunne naamsgedachtenis na te laten.

Men telt er 32 h. en ruim 230 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. Er zijn zeer vruchtbare landerijen, die meest tot bouwakkers, aardappelteelt en weilanden dienen.

De inw., die hier allen Herv. zijn, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Leeuwarden behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Jasperus Stookman, die in het jaar 1584, naar Winsum vertrok; destijds moet dit d. met Beetgum kerkelijk zijn vereenigd geweest, waarvan het in het jaar 1645 gescheiden werd, na de scheiding was de eerste Predikant te Englum Rombartus Hagema, die er nog dat zelfde jaar beroepen werd. In het jaar 1651 werd Beetgum weder met Englum vereenigd, hetwelk geduurd heeft tot aan den dood van Hagema, die in November 16?3 voorviel. De kerk, welke er vr de Reformatie stond, was aan den H. Christophorus toegewijd. De pastorie had destijds aan inkomsten 100 goudgulden (150 guld.), het vikarisschap 90 goudgulden (135 guld.). Bovendien was er nog eene prebende van 120 goudgulden (180 guld.). De Proost van de St. Janskerk te Utrecht, had voor zijn deel 12 schilden (16 guld. 80 cents). In plaats van de kerk werd, in het jaar 1773, de tegenwoordige gebouwd, welke in het jaar 1834 van een orgel voorzien is. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 50 leerlingen bezocht. - Vroeger stond hier het sterke slot Grovenstins. Zie dat woord.

EYSINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, onder Berlikum. Ter plaatse waar zij gestaan heeft ziet men thans eene aanzienlijke pachthoeve.

FEDZE, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Fetza.

FEITSMA, Feitzma of Feytsma, later en thans nog Siersma-state genoemd, state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, ten Z. O. der kerk van Deinum.

Deze state wordt thans in eigendom bezeten door den Heer Mr. W. B. Buma, woonachtig te Weidum.

Eene dezer staten is het stamhuis geweest van het oude Friesche geslacht Feitsma, van hetwelk wij Hessel Feitsma als teekenaar van het verbond der Edelen vermeld vinden, terwijl Jelger van Feitsma, de aanzienlijkste eerambten in Friesland bekleedde, toen hij met Hessel Aysma, in 1585 benoemd werd, om het hoog gebied aan den Koning van Frankrijk op te dragen (1).

(1) Zie over den eersten J. W. te Water, Historie van het verbond der Edelen, st. II. bladz. 395 en over den laatsten, Mr. J. Scheltema, Staatkundig Nederland, D. I. 349.

FETSA, Fetse, Fetze of Fetza, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, 1/4 u. N. van Dronrijp, waartoe zij behoorde. Thans is het eene aanzienlijke boerenplaats

FETZA of Fetze, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Fetsa.

FLERINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, 1/4 u. W. van Menaldum, waartoe zij behoorde.

FOLKEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, waarvan men niet meer weet op te geven bij welk d. zij gestaan heeft.

FOPPINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, 5 min. Z. van Dronrijp.

FRANJEBUREN, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. O. van Berlikum, 1/2 u. N. W. van Marssum, waartoe het behoort.

FRANJUM, voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, 1/4 u. N. W. van Marssum.

Het werd bewoond door Nonnen, die tot de orde van den H. Benedictus behoorden. Dit klooster, wiens stichter niet bekend is, stond onder het opzigt van den Pastoor van Marssum, als Prior, doch bleef, zoo het schijnt, na het overlijden van den Pastoor Juwo, eenigen tijd van eenen gewonen bezorger beroofd. Hierdoor begonnen de Zusters te ontaarden, en het was te vrezen, dat het kloosterlijk leven en de inkomsten beide verloren zoude gaan. Eenige zusters, hiervoor met reden bekommerd, namen de toevlugt naar het klooster Lidlum, dat toen onder het bestuur stond van den Abt Hoite van Winsum, hem verzoekende, dat hij het onder zijne bescherming nemen wilde. Hoite willigde het bezoek der Zusteren gereedelijk in, doch niet zonder het voordeel van zijn eigen klooster daarmede te bedoelen. De Middelzee, tusschen Marssum en Leeuwarden, nam namelijk ter wederzijden, door gedurige opslijkingen, van tijd tot tijd grootelijks af, en dus stelde hij zich voor, dat zijn klooster, door den sterken aanwas van landerijen grootelijks bevoordeeld zou worden. Veertig maagden werden door hem naar Lidlum en Baijum verplaatst, hebbende hij alleen zooveel volks te Franjum laten blijven, als noodig was tot den landbouw. Van dit klooster waren reeds in het jaar 1575 nog slechts de grondslagen der kapel te zien. Thans bestaat er niets meer van.

GACHET, landh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, 1/4 u. N. W. van Marssum.

GALAMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, onder Menaldum.

GLINS, voorm. stat., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie het volgende art.

GLINSTRA of Glins, ook wel Blaauw-Huis genoemd, voorm. stat. Prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, 1/2 u. Z. O. van Dronrijp; ter plaatse waar zij gestaan heeft ziet men thans eene boerenhoeve.

De daartoe behoord hebbende gronden, eene oppervlakte beslaande van 38 bund. 50 v. r. 98 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door Jonkheer V. L. Vegelin van Claerbergen, woonachtig te Joure.

GRALDA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. van Berlikum, Z. van Menaldum, 1/2 u. N. van Dronrijp.

De daartoe behoord hebbende gronden worden thans door onderscheidene eigenaars bezeten.

GROESTRA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 3/4 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. ten Z. van Berlikum, 1/4 u. N. W. van Marssum.

GROLDA, naam onder welken de voorm. state Gralda, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, wel eens voorkomt. Zie Gralda.

GROVESTINS, Groustins of Grouwstins, voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. O. Z. O. van Berlikum, 5 min. Z. O. van Englum, waartoe zij behoorde.

Deze stins, vroeger Sirtema geheeten, en door singels en grachten omgeven, was van zulk eene buitengewone dikte en zwaarte, dat zij daarin boven andere grootelijks uitmuntte, en dit gaf aanleiding, dat de eigenaar en zijn geslacht de naam van to of van Grovestins hebben aangenomen en de oude geslachtsnaam van Sirtema bijkans in vergetelheid is geraakt. In het midden der vorige eeuw was er van den ouden slottoren nog een gedeelte over; doch thans is al het oude weggeruimd, en daarvoor eene fraaije boerenwoning in de plaats gebouwd, welke thans, met de daartoe behoorende gronden, eene uitgestrektheid beslaande van 22 bund. 94 v. r. 10 v. ell., in eigendom bezeten wordt door den Heer Maurits Pico Diderik Baron van Harinxma thoe Slooten, woonachtig te Beetsterzwaag.

Ten tijde der verschillen tusschen de Schieringers en Vetkoopers, voegde de familie van Grovenstins zich bij de laatsten, die inzonderheid aan Wybe van Grovestins eenen sterken steun hadden, doch die met 800 menschen, in den zwaren watervloed van 1313, verdronk.

In 1446 werd deze stins belegerd en ingenomen door Sikke en Douwe Sjaerdama, Schieringer Edelen, die den toenmaligen eigenaar, Sjoerd Grovestins, gevangen naar Franeker voerden. Deze liet eenen zoon na, die in de wandeling Scherne Wybe genoemd werd, omdat hij de eerste der Friezen was, die zich deed scheren, want scherne is in het boeren-Friesch zoo veel als geschoren. Deze werd ook in de onlusten betrokken, en door eene list van Swoe Sjaerdama op Hottingahuis, gevangen genomen, omdat hij Tjaard Groestra, bastaardzoon van Douwe Sjaerdama, gevangen hield, doch daarop werden zij beiden tegen elkander uitgewisseld en ontslagen. Wybe verloste daarna de Abt van Lidlum, door die van Roorda te Tjummarum gevangen te houden, en herstelde hem. Tegen die van Leeuwarden had hij eenen doodelijken haat opgevat, schoon hij het anders, zoowel als zij, met de Vetkopers hield. Hierdoor gebeurde het op zekeren tijd, dat Sikke, de zoon van Douwe Sjaerdama, regent te Franeker, met behulp van eene aanzienlijke menigte Schieringers burgers en huislieden niet alleen, maar ook van Leeuwarder vetkoopers, in alle stilte voor het slot kwam, het insloot en nog dien zelfden dag, zijnde Pinksterzondag van het jaar 1482, bestormde. Grovestins juist voor het venster staande, om des vijands leger en bewegingen gade te slaan, werd met eenen kogel doorschoten. Latere beroemde afstammelingen van het geslacht Grovestins waren de gebroeders Oene en Wybe van Grovestins, beide teekenaars van het verbond der Edelen, van welke de laatste den 18 Junij van het jaar 1600 overleed (1); alsmede de Generaal Frederik van Sirtema toe Grovestins, die door eenen gelukkigen en wel overlegden togt, in het jaar 1712, aan het hoofd van vijftien honderd ruiters, zoodanigen schrik in Frankrijk bragt, dat men te Versailles in ernstige overweging nam, of de Koning naar Chambord zoude wijken (2).

(1) Men zie over hen J. W. te Water, Historie van het Verbond der Edelen, Stuk II, bl. 424-496, en over de laatste Mr. J. Scheltema, Staatkundig Nederland, D. I. bl. 401-403.

(2) Dit geval vindt men meer omstandig vermeld in O. Z. van Haren, Aantekeningen op de Geuzen [uitgave van Immerzeel], bl. 96, en daaruit overgenomen in onze Herinneringen uit het gebied der geschiedenis betrekkelijk de Nederlanden, bl. 77-78, en nog omstandiger in den Almanak der koninklijke militaire akademie voor het jaar 1830, bl. 114-143.

HAMMERSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. van Berlikum, waarvan men thans niet eens de juiste plaats meer weet aan te geven.

HAMMERSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. van Berlikum, waarvan men thans niet eens de juiste plaats meer weet aan te wijzen.

HEMMEMA of Nyefenne, voorm. state of leen, waarmede de Saksische Hertogen het geslacht Hemmema in 1502 beleend hadden. Vroeger gelegen in den Zuidhoek van de griet. het Bildt, 1/4 u. regt benoorden het vorige art., onder St. Anna-Parochie, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, in het midden der vorige eeuw gesloopt.

HEMMEMA, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en d. Berlicum, aan welks oostzijde zij, benoorden den ouden zeedijk, op Bildtgrond lag, hoewel zij reeds gerekend werd tot Berlicum te behooren.

Deze state was in het begin der vijftiende eeuw door Hette Hemmema gesticht. In 1496 woonde hier Doeke Hettes Hemmema, behoorende tot de Schieringer partij. De Groningers, door de Vetkoopers en Saksische gezinden in het land geroepen, belegerden in gemeld jaar deze state, waarop Alef Hemmema met eenige soldaten, benevens Back, de huisvrouw van zijnen broeder Doeke, die zich te Franeker bevond, aanwezig waren. De sterkte van het slot, de zware aarden wallen of bolwerken, en vooral de dapperheid der belegerden, waaronder ook Bauck, hoewel zwanger zijnde, zoo zeer uitmuntte, waren oorzaak, dat de belegeraars vooreerst onverrigter zake moesten aftrekken, doch met te vaster voornemen, om hunne pogingen te herhalen en de krachten te verdubbelen. De Groningers herhaalden hunne aanvallen, en om het slot naderbij te komen, trachtten zij de wijde diepe gracht met hooi te vullen, doch de belegerden schoten zoo geweldig, dat het hooi in brand geraakte, waarbij zoo velen gewond werden, dat de Groningers negen wagen vol gekwetsten naar Leeuwarden moesten voeren. Nog gaf men de inneming van het slot niet op; men versterkte zich nogmaals, met de inneming van het slot niet op; men versterkte zich nogmaals, en door behulp van zeker krijgswerktuig, eene kat genoemd. De wallen beklommen hebbende, had Alef Hemmema nog even den tijd, om, met drie knechten, in den nacht heimelijk te ontvlugten, ten einde zich naar zijnen broeder te Franeker te begeven, om te beproeven of er nog eenig ontzet voor het bedreigde slot ware aan te brengen. Doch het was te laat; de soldaten op het slot waren te weinig in getal en daarbij afgemat, zoodat de Groningers en hunne medehelpers het slot stormenderhand innamen, zijnde al de soldaten van Hemmema, slechts n uitgezonderd, daarbij gesneuveld. Bauck zelve werd gevangen genomen, en, niettegenstaande haren hoog zwangeren toestand, naar Groningen gevoerd, alwaar zij in de gevangenis twee kinderen ter wereld bragt.

In de zestiende eeuw leefde hier Sixtus Hemmema, mede uit dit vermaarde geslacht afkomstig. Zijn vader was Hector Hemmema en zijne moeder Barbara van Gratinga, wonende op deze state, alwaar Sixtus den 6 Februarij 1533 geboren werd. Hij leerde de Latijnsche taal en de eerste beginselen der wetenschappen te Groningen, studeerde voorts in de wis- en geneeskunde te Keulen en later te Leuven, en overleed in het jaar 1586, oud 53 jaren, terwijl zijn naam zijne geboorteplaats blijft vereeren.

Omstreeks het jaar 1750 is deze state afgebroken, na den dood van den laatsten bezitter, den braven Kolonel Karel Duco, Grave van Aumale, naar wien nog een huis, aan den ingang van Berlikum, de Aumalepoort genoemd wordt. De standplaats, gracht en singels van Hemmema-state zijn, bij het inkomen van Berlicum. nog duidelijk kenbaar, hoewel alles thans in digten moestuin herschapen is.

HEMMEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1/4 u. O. van Berlikum, aan eene hooge terp, W. ten Z. van Beetgum, waartoe zij behoorde.

HEREMA, Heerema, Heerma, Harama of Herama, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en Z. O. van Berlikum, waartoe zij behoorde. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans nu weiland.

HERINGA, state (foto), prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. W. van Berlikum, te Marssum, hebbende met het front een fraai gezigt langs den straatweg naar Leeuwarden.

Deze state behoort tot het, in de jaren 1710-1712, daarnaast gestichte fraaije Popta-Gasthuis, wier vier Voogden of Bestuurders hierin ieder eene kamer of tijdelijk verblijf hebben, en die het geheele gebouw, met deftigen toren en voorpoort uitmuntend onderhouden. Zeker zeer vermogend Advocaat, met name Henricus Popta, deed een gesticht bouwen naast deze state, waarin zes en twintig bejaarde vrouwen, behalve afzonderlijk en vrije woning, nog vele andere voordeelen genieten, bestaande deze inrigting uit de inkomsten van eenige boerenplaatsen, door genoemde stichter, bij uitersten wil, aan dit gebouw vermaakt. Eene hooge stoep leidt tot den ingang van de binnenplaats, waar men eene afgeslotene vrij groote bleek, in het midden aantreft; terwijl overigens iedere woning met de noodige geriefelijkheden is voorzien is. Dit gasthuis beslaat, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 12 v. r.

De stichter was geboren te Leeuwarden den 3 Mei 1653, en, aldaar overleden den 7 November 1712, werd hij begraven in de Galiler kerk, onder eenen dubbelen grafsteen, met een opschrift, door hemzelven, in zijne eigenhandige testamentaire dispositie van den 29 October 1712, opgegeven. Hij was door zijne uitgebreide praktijk en spaarzaamheid zeer rijk geworden, of, zoo als hij in zijn testament zegt, God had hem groote rijkdommen toegedeeld. Hij was het gasthuis begonnen te bouwen in 1710, en, na zijnen dood voltooid zijnde, werd het ingewijd door de vier Voogden, den 13 Mei 1713, op welken dag ook alle de eerste vrouwen bezit van hare kamers genomen hebben. Onder de menigvuldige bepalingen van het testament verdient deze opmerking, dat in eeuwigheid geene vastigheden, tot dit gesticht behoorende, mogen verkocht worden. De inwonende vrouwen zullen jaarlijks, op des stichters sterfdag, eenen maaltijd ter zijner gedachtenis houden. Er zijn zes leenen aan verbonden, om zes jongelieden daaruit te laten studeren.

HOBBEMA of Hubbema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. Z. van Berlikum, in het d. Dronrijp, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heft, ziet men thans eene boereplaats, met net gebouwd voorhuis. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 35 bund. 20 v. r. 8 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door Jonkheer Mr. Idsert Frans van Eysinga, Grietman van de griet. Hennaarderadeel, woonachtig te Wommels.

HOMMEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. ten W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. van Berlikum, 1 u. Z. Z. W. van Dronrijp, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans twee boerenplaatsen. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 158 bund. 17 v. r. 11 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door de erven Mr. Petrus Johannes van Beyma, te Leeuwarden, Sipke Tiele Olivier en P. G. Sinnema, beide te Dronrijp.

HORNE (GROOT-TER-), state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Martena-State.

JUCKEMA of Jukkema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/4 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Berlikum, N. van Bozum, waartoe zij behoorde.

JUCKEMA of Jukkema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. O. van Berlikum, Z.O. van Menaldum, waartoe zij behoorde.

KERKBUREN, eene der twee buurten, waaruit het d. Dronrijp, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 3/4 u. Z. van Berlikum, bestaat. - Het ligt ter zuidzijde van den rijweg van Leeuwarden naar Franeker.

KRUISTRAAT, plaats, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/4 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en in het d. Berlikum.

Naar men wil, zoude te dier plaatse, de sluis de zijl gelegen hebben, door welke de haven van Uitgong zich in de Middelzee ontlastte.

LAUTA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1/2 u. W. N. W. van Berlikum, Z. W. van de kerk van Wier, waartoe zij behoorde.

MARSSUM of Marsum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 3/4 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. z. o. van Berlikum.

Men telt er in de kom van het d. 60 h. en 560 inw. en, met het daartoe onder behoorende Ritsumaburen, 97 h. en ongeveer 750 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, terwijl er ook eene tabakskerverij bestaat. De kerkbuurt bestaat uit eene dubbele streek huizen, aan den straatweg en aan den Slagtedijk. Op het Zuiden van dit dorp heeft men, aan de jaagvaart van Franeker en Leeuwarden, Ritsumaburen, en over gemelde vaart eene houten brug, nog hedendaags Ritsumazijl genoemd, omdat hier, vr de overdijking der aangespoelde landen, eene sluis plagt te liggen, zoo tot eene waterkeering tegen de Middelzee, als om zich daarin van het overtollige water te ontlasten. Daar de nieuwe straatweg van Leeuwarden naar Franeker door dit dorp loopt, is het aanmerkelijk in vrolijkheid toegenomen.

De Herv., welke 720 in getal zijn, onder welke 200 Ledematen, maken eene gem uit, welke tot de klass. en ring van Leeuwarden behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Jacobus Arendts, die in het jaar 1580 herwaarts kwam, en in het zelfde jaar nog naar Leeuwarden ter leen vertrok, doch niet naar Marssum terugkeerde. De kerk (foto) bragt vr de Reformatie 100 goudguld. (150 guld.) op. Ook waren er eene vikarij en eene prebende, welke even zooveel opbragten. Deze hooggelegene kerk is een net gebouw, dat in het midden der zeventiende eeuw aanzienlijk hersteld is; het verwulf is gemaakt in 1724 en het orgel, geschonken door Jonkheer Pieter van Jongestal, is ingewijd den 16 Februarij 1804. De stompe toren, waarop een ronde koepel, heeft twee klokken, beide gegoten in het jaar 1618.

De Doopsgez., die er 23 in getal zijn, behooren tot de gem. van Leeuwarden. - De R. K., van welke men er 14 telt, worden tot de stat. van Dronrijp gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 90 leerlingen bezocht.

Men heeft in dit d. een gasthuis, het Popta-Gasthuis (foto) geheeten, waartoe de voorm. state Heringa behoort. Zie dat woord. - Mede heeft men er nog een buit. Uniastate geheeten en vroeger had men er nog de state Andringa, Dotinga, alsmede het kloost. Franjum. Zie dat woord.

Ook is een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 13 September 1797 opgerigt is en 50 Leden telt.

De kermis te Marssum valt in den tweeden Zondag in September.

Den 18 Augustus 1397, viel in de nabijheid van dit d., een scherp gevecht tusschen de Schieringers en Vetkoopers voor. Beide de partijen ontmoetten elkander op de Menaldumer-mieden, tusschen Marssum en Dronrijp en vielen met de uiterste verwoedheid op elkander aan. Er sneuvelden van wederzijden eenige personen. Bottinga en Dekama raakten in dit gevecht handgemeen, en vochten zoo lang, dat zij beiden zwaar gewond en half dood ter neder vielen. De Vetkoopers namen eindelijk de vlugt en lieten hunne vijanden de eer der overwinning.

MARSSUMERDIJK (DE), straatweg, prov. Friesland, kw. Oostergoo.

De weg, welken dezen naam vroeger voerde, is thans een gedeelte van den straatweg tusschen Leeuwarden over Marssum naar Harlingen

MARTENA, Martna of Groot-Terhorne, state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel arr. en 1 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en ruim 1/2 u. O. ten Z. O. van Berlikum, 10 min. O. van Beetgum.

Dit adell. h. met toren is nog zeer aanzienlijk, als geheel uit het water opgehaald en op kelders gebouwd, die eene onderaardsche gemeenschap hebben met drie torentjes, bastionswijze, welke het noordelijke en westelijke deel des gebouws bestrijken, en die buiten twijfel weleer aldus tot verdediging zijn gebouwd, toen men zich, voor de uitvinding van zwaar geschut, in een versterkt huis lang kon verdedigen.

In de laatste jaren der vijftiende eeuw had deze stins veel te lijden van het geweld en de verbittering der Vetkoopers.

In het jaar 1545 werd Johan Onuphrius Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, afkomstig uit het aloud geslacht van Seinsheim en in 1513 in Frankenland geboren, door zijn huwelijk met Maria van Crombach (dochter van Frits von Crombach en Lucia Martena) eigenaar van deze state, en werd er de stamvader van een uitgebreid geslacht, hetwelk door staat- en krijgsbedrijf steeds aanzienlijk in Friesland is geweest.

De geleerde Staatsman Georg Frederik thoe Schwartzenberg, de Uitgever van het Friesch Charterboek (1), afstammeling in de zevende generatie in regte linie van bovengenoemden, heeft het als eigenaar bezeten en bewoond, gelijk ook nu nog diens kleinzoon van gelijken naam, den Grietman van Menaldumadeel.

Wegens de uitgestrektheid van de schoone beplantingen, hertenkamp en bloemkweekerij wordt deze plaats thans voor de aanzienlijkste op de kleistreken van Friesland gehouden. Zij beslaat eene oppervlakte van ruim 11 bund.

 

(1) Men zie over hem Mr. J. Scheltema, Staatkundig Nederland, D. II, bl. 302.

MEER (HET OUDE-), of Wierster-Oude-Meer, watertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, loopende van de Ried, N. W. voorbij Wier naar Bolkerzijl en verder naar St. Jacobi-Parochie.

MENALDUM, bij verkorting Menaam, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 u. ten O. van Berlikum.

Dit dorp is oud en groot van omtrek, daar het zich met zijne landerijen geheel tot aan het kerkhof van Beetgum, en voorts tusschen Berlikum, Schingen, Dronrijp en Marssum uitstrekt. De landerijen, in de strekking van Berlikum en Beetgum, zijn zeer vruchtbaar; naar den kant van Dronrijp en de Harlingervaart zijn ook vele schoone bouw- en weilanden, doch minder is eene groote plek laag land, de Menaldumer-Mieden of Menamer-Mieden genoemd.

De buurt ligt bijna cirkelvormig W., N. en O. om de kerk. men telt er 107 h. en 1170 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en aardappelteelt. Vroeger bloeide er ook eene wolkammerij en saaijetmakerij.

De Herv., die er 1070 in getal zijn, onder welke 230 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring van Stiens behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Fredericus Isbrandi, die in het jaar 1586 hier stond en er ook nog in het jaar 1591 was. De kerk, welke vr de Reformatie met de abdij van Lidlum vereenigd en daarbij ingelijfd was, kreeg hare Pastoors uit dat klooster. De pastorie plagt eertijds honderd en tien goudgulden (165 guld.) op te brengen, het vikarisschap tachtig goudgulden (120 guld.). Van de prebende kwamen zestig zulke guldens (90 guld.). De Proost van de St. Janskerk te Utrecht had er zestien schilden (22 guld. 40 cents) van te trekken. Het is een schoon en groot gebouw, met eenen staanden toren, beide op eene hoogte gebouwd. Deze kerk is van een orgel voorzien, hetwelk, even als de kerk, in 1783 aanzienlijk hersteld is.

De 9 Doopsgez., welke er wonen, behooren tot de gem. van Berlikum en Leeuwarden. - De R. K., van welke men er 90 aantreft, worden tot de stat. van Dronrijp gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 100 leerlingen bezocht. - Men heeft er een nieuwgebouwd Armenhuis. - Ook pronkt dit d., sedert het jaar 1840, met een sierlijk nieuw Grietenijhuis.

Vroeger had men er de staten Orxma, Dekama, Juckama, Fleringa, Galama en Gralda, alsmede een klooster van de orde van Premonstreit.

De Kermis valt in dn eersten Zondag na 10 Augustus.

MENALDUMADEEL, griet., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum (2 k. d., 3 m. k., 9 s. d.); palende N. aan de griet. het Bildt, O. aan Leeuwarderadeel, Z. aan Baarderadeel, W. aan Franekeradeel en Barradeel.

Deze griet., welke van het O. naar het W. 2 u. lang en van het N. naar het Z. 2 u. breed is, bevat de volgende 13 dorpen: Menaldum, ook wel Menaam genoemd, Berlikum of Belkum, Wier, Beetgum, Englum, Deinum, Marssum, Boxum, Blessum, Dronrijp, Schingen, Slappeterp en het klooster Anjum. Zij beslaat, volgens het kadaster, een oppervlakte van 7785 bund. 56 v. r. 24 v. ell., waaronder 7656 bund. 71 v. r. 3 v. ell. belastbare grond. Men telt er 990 h., bewoond door 1378 huisgez., uitmakende eene bevolking van 7230 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, graan- en aardappelenteelt en ooftbouw. Ook heeft men er 1 kalkbranderij, 1 steenbakkerij, 2 cichoreifabrijken, 1 tabakskerverij, 1 vellenblooterij, 2 rogge- en pel en 3 houtzaagmolens.

De landerijen dezer grietenij bestaan meerendeels uit zeer vruchtbare kleigronden, die tot de graan- en aardappelteelt zeer geschikt zijn, vooral die, welke langs de ouden zeedijk liggen, van Marssum af tot aan Wier en in den omtrek van Beetgum, Englum, Menaldum en Dronrijp. De lagere landen zijn ook meerendeels zeer goed en geschikt tot beste wei- en hooilanden. De landen, buiten den ouden zeedijk tot aan de Swette loopende, hebben eenen stijveren kleibodem, die minder geschikt is tot bouwland, doch tot weiland voortreffelijk dient. Ondertusschen zijn er ook in deze grietenij eenige lagere streken, miedlanden genoemd, die des winters doorgaans onder water liggen, doch door inpoldering en bemesting in goed weiland kunnen veranderd worden, gelijk te Deinum in het laatst der zeventiende eeuw is gebleken; hebbende men die daar met veel voordeel dus verbeterd.

De Herv., die hier ruim 6600 in getal zijn, onder welke 1200 Ledematen, maken 10 gem. uit; zijnde: Beetgum, Berlikum, Boxum-en-Blessum, Deinum, Dronrijp, Englum, Marssum, Menaldum, Schingen-en-Slappeterp en Wier, die 12 kerken hebben, welke door 11 Predikanten bediend worden.

De Doopsgez., die men er ongeveer 170 telt, onder welke ongeveer 60 Leden, maken de gem. van Berlikum uit. - De 10 Evang. Luth., die er wonen, worden tot de gem. van Leeuwarden gerekend.

De R. K., die men er 450 aantreft, onder welke ruim 300 Communikanten, maken de stat. van Dronrijp uit.

Er zijn in deze griet. 11 scholen, welke gezamelijk gemiddeld door een getal van ongeveer 900 leerlingen bezocht worden.

De oude en adellijke staten, die vroeger in dit deel gevonden werden, of gedeeltelijk nog bestaan, zijn: te Menaldum, de huizen Juckema, Fleringa, Dekema, Galama, Gralda en Orxma; de Beetgum, Martena of Ter-horne, welke nog in het bezit is van het adellijk geslacht Thoe Schwartzenberg, Donia, Hemmema, Aysma en Buma; te Englum, Groustins of Sirtema; te Marssum, Klein-Dotinga, Groestra, Unia en Heringa, welke beide laatste nog bestaan; te Deinum, Feitsma en Sierma; te Blessum, Wissema en Rinia; te Dronrijp, Fetse, Foppinga, Hobbema, Hommema, Glinstra, Osinga en Groot-Dotinga; te Schingen, Wobbema; te Wier, Lauta, en te Boxum, Scheltema en Juckema.

Te Menaldumadeel vindt men geene groote wateren, doch daar door loopt van Kingmatille, door Dronrijp en Ritsumazijl, tot aan de Swette, de algemeene jaagvaart van Harlingen op Leeuwarden, en daaruit zuidwaarts, een half uur gaans ten oosten van Dronrijp, de Bolswarder trekvaart van en naar Leeuwarden, te welken einde hier eene brug over de Harlinger-vaart is gelegd, voor de jaarpaarden. De plaats, alwaar de Harlinger-vaart door de Swette loopt, heet Schenkeschans, en van daar loopt zuidwaarts de jaagvaart van Leeuwarden op Sneek. Ook vindt men hier nog eene aanzienlijke vaart, doch zonder jaagpad, welke van Wier, door de Ried, voorbij Berlikum, naar Menaldum gaat en, na zich eindelijk, bij Ritsumazijl, met de algemeene jaagvaart vereenigd te hebben, tot eene uitwatering en binnenvaart voor de noordelijke dorpen naar Leeuwarden verstrekt. Ook de breede Riedstroom, van Berlikum naar Franeker, is van veel belang.

Onder de verscheidene rijwegen dezer grietenij komt vooral in aanmerking de Oude Zeedijk, geheel van Boxum tot aan Wier, en van daar tot aan Dijkshoek loopende. Deze dijk heeft, door zijne hoogte en breedte, op de meeste plaatsen nog eenen zweem van zijne oude gedaante behouden, en dient, behalve tot eenen rijweg, op vele plaatsen tot schapenweide. Niet verre van Deinum loopt deze dijk, door middel eener brug, over de Harlinger-trekvaart, wordende deze brug de Ritsumazijl genoemd, dewijl aldaar eertijds eene uitwatering voor Westergoo, in de Middelzee, is geweest. Van Berlikum tot Marssum werd deze dijk vroeger veel gebruikt, daar het de algemeene rijweg van Harlingen en Franeker naar Leeuwarden was. Van Marssum tot Beetgum is bij thans bepuind als weg naat het Bildt. Van Berlikum loopt die rijweg door deze grietenij, tot aan Ried, in Franekeradeel. Een andere weg loopt van Beetgum over Menaldum en Dronrijp naar Bayum. Doch de voornaamste weg is thans de straat- en puinweg van Leeuwarden naar Harlingen, welke de geheele grietenij van het Oosten naar het Westen doorsnijdt, over Marssum en Dronrijp.

Het wapen van Menaldumadeel is een veld van zilver, met eenen liggenden eenhoorn, van natuurlijke kleur, vergezeld in den regterbovenhoek en in de punt van een klaverblad van Sinople (groen) en in den linkerbovenhoek van eene ruit van azuur (blaauw). Op een veld van azuur vindt men dit zelfde wapen, doch de ruit van sabel (zwart) en voor de klaverbladen een eikel van de zelfde kleur.

MENALDUMER-VAART, ook wel Menamer-vaart genoemd, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, dat van Menaldum, in eene zuidoostelijke rigting, naar de trekvaart van Leeuwarden naar Harlingen loopt, waarmede zij zich bij Ritsumazijl vereenigt.

MENAMER-MIEDEN, eigenlijk Menaldumer-mieden, groote vlakte, veelal uit weilanden bestaande, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, tusschen de dorpen Marssum en Dronrijp.

Op deze vlakte, is, den 18 Augustus 1397, een zeer bloedig gevecht voorgevallen, tusschen de Schieringers en Vetkoopers, in hetwelk de eerstgenoemden de overwinning behaalden. Deze werden aangevoerd door Sikke Dekema en Gala Hania, welke beiden, zeven jaren uitlandig geweest zijnde, om vreemde mogendheden te dienen, bij hunne terugkomst bevonden, dat hunne beide stinzen te Weidum door de Vetkoopers waren verwoest geworden, hetwelk aanleiding tot dit gevecht gaf. Laatstgenoemden werden door Ode Botnia aangevoerd.

MONNIKHUIS, voorm. uithof van het kloost. Lidlum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, te Boxum, waarmede dat klooster begiftigd werd omstreeks het jaar 1332, door den Abt Eelco Liauckema. Nadat die Abt door de Leekebroeders op Terpoorte vermoord was, geraakte dat leengoed aan anderen.

OORBIJT, Oorebijt of Oorbijters, buit., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. van Berlikum, 10 min. Z. W. van Dronrijp, waartoe het behoort, aan de Harlinger trekvaart.

Dit buit. beslaat, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 36 bund. 37 v. r. 17 v. ell., en wordt thans in eigendom bezeten door den Heer Neno Bushoven Vitor, Oud-Ontvanger te Dronrijp

ORXMA-STATE, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. van Berlikum, 5 min. N. van Menaldum.

Deze state lag vr hare sloping, in 1830, in het midden van breede grachten, en was omgeven van lanen en singels; zij prijkte met een torentje van ouderwetsche bouworde, van hetwelk men een overschoon uitzigt had over de lanen en tuinen, alsmede over de omliggende bouw en weilanden van dit vruchtbare gedeelte der provincie Friesland.

Het was eerst eene zathe of groote boerderij Orxma-zathe genoemd, die in het jaar 1629, door Ruurd van Juckama, gekocht werd van zekere Suiw Sybrens, weduwe van Sjucke Allerts. Hij gaf haar, terstond na den koop, het pand weder in huur, behalve het rood pannenhuis, de singel, het hof en de gracht, welke hij aan zich behield, waarschijnlijk met oogmerk, om aldaar een huis voor zich zelven of een zijner kinderen te bouwen; doch hetzij de dood of eenige andere reden hem daarin heeft verhinderd, het bleef voor zijnen schoonzoon bewaard, dit kasteel, hetwelk, gedurende twee eeuwen, den tand des tijds, zoowel als de mooker des sloopers, trotseerde, op te rigten.

Bij scheiding, in 1640, tusschen de kinderen van bovengemelden Ruurd van Juckama, kwam Orxma-zathe, toen ter tijd drie honderd en vijftig goudgulden (525 guld.) huur doende, aan de oudste dochter bij zijne tweede vrouw, Barbara van Juckama, geestelijke dochter te Haarlem; doch nog vr het opmaken van deze scheiding, schijnt zij deze bezitting, in ruiling tegen andere vaste goederen, overgedragen te hebben aan hare half-zuster Eduarda, in 1627, echtgenoot geworden van Homme van Camstra, zoon van Tjalling van Camstra en Tjemck van Aebinga. Op het stem-kohier van Menaldumadeel komt deze op het jaar 1640, als eigenaar en gebruiker van Orxma voor.

Homme van Camstra stichtte, op de plaats van het oude gebouw (dat wel niet anders dan boven-genoemd roodpanden - of met roode pannen gedekt - huis kan geweest zijn,) eene nieuwe heerenhuizing met schuur, haven, grachten en singels, voorzien van eene poort, boven welker ingang hij de wapens van hem en zijne vrouw plaatste, en liet het zijnen ouden naam Orxma behouden. Deze bouwing moet hebben plaats gehad tusschen de jaren 1640 en 1562, want in laatst gemeld jaar overleed hij. Zijne weduwe volgde hem twee jaren later in het graf; beide zijn te Menaldum begraven. Bij scheiding tusschen hunnen zoon Tjalling van Camstra en zijne zuster Barbara, gehuwd met Bonne van Donia, bekwam de eerstgenoemde Orxma-state in zijn deel, en liet er nog het ontbrekende wasch-en turfhuis bijvoegen. Na zijn overlijden, hetwelk den 28 Augustus 1664 plaats had, kwam het slot in bezit van zijnen eenigen zoon, Thalling Homme van Camstra, in 1695, Grietman en Ontvanger-Generaal van Idaarderadeel, en, in 1704, tevens Lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland, gehuwd met Juliana, dochter van Hans Willem Baron van Aylva, en Frouck van Aylva. Bij zijn overlijden, den 9 October 1727, liet hij zijn ambt na aan Tjalling Willem van Camstra, het oudste van zijne acht kinderen, en zijne woning aan zijnen tweeden zoon Hans Willem van Camstra, die eerst in de krijgsdienst tot den rang van Kolonel-Kommandant bij de infanterie bevorderd, in 1742, in de plaats van zijnen overleden broeder, Grietman van Idaarderadeel werd, en later door den Prins van Oranje begiftigd werd met het ambt van Drossaard en regter van Bredevoort. In 1755 werd hem hierbij den post van Meesterknaap in het Jagtgeregt van Friesland opgedragen. Hij bleef ongehuwd en scheen zijne schoonzuster zeer genegen te zijn, want hij maakte haar bij zijn overlijden, in 1761, universeel erfgenaam van alle zijne goederen, Orxma-state daaronder begrepen. Deze schoonzuster, de weduwe van bovengenoemde Tjalling Willem, heette Asuck, en was eene dochter van den Grietman van Smallingerland, Aulud van Haersma. Kinderloos zijnde, maakte zij, bij haar afsterven, den 6 September 1781, hare zuster Wiskje van Haersma, weduwe van den Secretaris der Staten van Friesland, Jetze van Sminia, te Oostermeer wonende, erfgenaam van al hare goederen. Deze overleed in 1785, en bij scheiding van hare nalatenschap kwam Orxma-state aan haren oudsten zoon Hobbe Baerdt van Sminia, gehuwd aan Louisa Albertina van Glinstra. Deze was eerst Grietman van Aengwirden, naderhand van Tietjerksteradeel en later Lid van de Admiraliteit, wegens Friesland, te Rotterdam. Te Bergum wonende, bleef het slot te Menaldum, gedurende zijn leven en onderscheidene jaren na zijn dood, die in 1813 voorviel, ledig staan, wordende door eenen bejaarden tuinman, tevens huisbewaarder, met zijne vrouw, in den ouden stand onderhouden, terwijl de boomgaarden, jaarlijks, aan de meestbiedenden werden verpacht.

In 1818 of 1819 troffen de gezamelijke erfgenamen eene overeenkomst, bij welke aan Wiskje van Haersma, douarire van Jonkheer Hector van Sminia, Ridder van de orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en Grietman van Idaarderadeel, moeder van de vijf, grootendeels minderjarige, leden van eenen der ervende staken, Orxma-state ter woon word afgestaan. Deze liet het thans min of meer vervallen huis eenige verbeteringen ondergaan, waardoor het wel een minder antiek aanzien kreeg, doch het uiterlijke voorkomen, zoo als het voor twee eeuwen gesticht was, grootendeels bewaard bleef. Zij bewoonde het tot dat men, in 1830, om bijzondere omstandigheden, besloot het slot te verkoopen, waarna het geheel gesloopt is, zijnde alleen de nieuwe stal en het wagenhuis blijven staan, welke later tot een Armhuis voor het dorp Menaldum zijn ingerigt geworden. De geschilderde glazen en de meeste familie-portretten, althans dezulken, welken eenige waarde hadden, zijn bewaard gebleven, en tegenwoordig in het bezit van Jonkheer Hobbe Baerdt van Sminia, Grietman van Tietjerksteradeel, woonachtig te Bergum.

De daartoe behoord hebbende gronden, eene oppervlakte beslaande van 23 bund. 19 v. r. 33 v. ell., worden thans door onderscheidene eigenaren bezeten (1).

(1) Men die meer omtrent deze state en hare bezitters wenschen te weten verwijzen wij naar Oud Nederland in de uit vroegere dagen overgebleven Burgen en Kasteelen geschetst en afgebeeld door Mr. C. P. E. Rodin van der Aa, waar men er tevens eene fraaije afbeelding van vindt en naar de Wandeling van mijnen oudoom den Opzigter naar Orxma-state te Menaldum, door H. van Rollema (Mr. H. Baerdt van Sminia), in den Friesche Volks-Almenak, voor het jaar 1843?, mede met eene plaat.

OSINGA, Osingha, Ozinga of Oosinga, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. O. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. van Berlikum, 10 min Z. O. van Dronrijp, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans bouwland. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 2 bund. 20 v. r. 10 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door Jonkheer C. L. Beyma.

PIJPHORNE, brug, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Bolwarder-Brug.

POELEN (DE), eigenlijk In-de-Poelen, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. van Berlikum, 20 min. O. van Dronrijp; met 16 h. en 18 inw.

POORTE (TER), voorm. uithof van het klooster Lidlum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, bij het d. Boxum, in Menaldumadeel.

Hier werd in 1332 de vrome Abt Eelko Liaukema, op eene verradelijke wijze, door de ongebondene leekebroeders vermoord.

POPTA-GASTHUIS, gesticht, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, te Marsum. Zie Heringa.

RIED (DE), riv., prov. Friesland, kw. Westergoo, welke bij Berlikum, in de griet. Menaldumadeel, aan den ouden Zeedijk, ontstaat, in eene zuidwestelijke rigting de griet. Barradeel van Menaldumadeel scheidt, voorts in Franekeradeel, langs Ried en Boer vloeit; bij Dongjum eene zuidelijke strekking naar Franeker aanneemt, en, van die stad in een westnoordwestelijke rigting door de Getserderzijl langs Wynaldum vloeit en zich door de Roptazijl in de Zuiderzee ontlast. Deze riv. geeft onderscheidene takken als dorpsvaarten af.

Het is zeer waarschijnlijk dat de Ried, vroeger in de zelfde Zuidwestelijke rigting tusschen Dongjum in Getserder-zijl, als n stroom voortgeloopen zal hebben. De lagere ligging der landen aldaar en het voormalig Dongjumer-meer, tusschen beide deze punten gelegen, doen zulks vooral vermoeden. Zeer waarschijnlijk heeft Franeker, aan geen hoofdvaart of gemeenschap met de zee gelegen; ter bevordering harer belangen, is de loop van de Ried verlegd en de beide takken gegraven, welke thans van Dongjum en Getserder-zijl naar de stadsgracht strekken.

RINGIA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. ten O. van Berlikum, W. en tegen het d. van Blessum.

Deze state is in het jaar 1832 afgebroken. ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans bouwland. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande een oppervlakte van 4 bund. 7 v. r. 10 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door onderscheidene eigenaren.

RITSUMABUREN, Ritzumaburen of Ritsemaburen, b., prov. Leeuwarden, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie volgende art.

RITSUMAZIJL, Ritzumazijl of Ritsemazijl, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1/2 W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. Z. O. van Berlikum, 10 min. N. O. van Deinum, tot welke zij gedeeltelijk behoort, en 10 min Z. van Marssum, waartoe het overige gedeelte gerekend wordt. Men telt er 15 h. en 75 inw., als 7 h. en 25 inw. onder Deinum en 8 h. en 50 inw. onder Marssum.

ROODHUIS (HET), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Dotinga.

RYP (DE), verkorte naam, welken men veelal geeft aan het d. Dronrijp, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Dronryp.

SCHELTAMA of Scheltema, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 u. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Berlikum, in het N. O. van het d. Boxum.

Een deze staten was het stamhuis van het voorm. adellijke geslacht Scheltema of Scheltama, ook wel Sceltema gespeld, dat weleer in Friesland zeer bloeide, en waarvan drie leden, de gebroeders Menno en Sibeth Scheltema en Sippe of Scvipio Scheltema, als teekenaars van het verbond der Edelen voorkomen. Dit geslacht schijnt echter, inde mannelijke linie, met de kinderen en kindskinderen van deze edelen te zijn uitgestorven (1).

(1). Zie te water, Historie van het Verbond der Edelen, D. III, bl. 235-237

SCHENKENSCHANS, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 20 min. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. Z. O. van Berlikum, 3/4 u. W. van Deinum, waartoe zij behoort.

Deze b. is waarschijnlijk aldus genoemd naar eene voorm. schans of sterkte welke de Spaansche Stadhouder Georg Schenck van Toutenburgh hier, op de grenzen van Oostergoo en Westergoo, liet aanleggen.

SCHINGEN, in het oud Friesch Scheng, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. Z. W. van Berlikum.

Zoo men meent zoude dit dorp van Dronrijp zijn afgescheurd, wegens het oude en eertijds hevige geschil over het voorgaan ten offer, en dus Schingen, bij verkorting van Scheidingen, geheeten zijn.

Men telt er 16 h. en 113 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.

De inw., die er allen Herv. zijn, behooren tot de gem. van Schingen-en-Slappeterp, welke hier eene kerk (foto) heeft, vr de Reformatie aan den H. Stephanus toegewijd, en destijds 100 goudgulden (150 guld) opbrengende en het vikarisschap 90 goudguld. (135 guld.). Na de vertimmering van 1838, is deze kerk een klein, doch zeer net, langwerpig vierkant gebouw, met eenen hoogen stompen toren, doch zonder orgel.

De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 25 leerlingen bezocht.

Weleer had men hier de state Wobbema, ten zuiden der kerk, doch zij is reeds sedert lang geheel vernietigd, en in een boerenplaats veranderd. Deze state werd, te gelijk met het Blaauwhuis, in het zelfde jaar, namelijk in 1548, gesticht. Ook had men hier voorheen nog eene andere plaats van aanzien, Stedehouders genoemd. Van dit dorp loopt eene binnenvaart naar de trekvaart; doch met rijtuigen kan men van Sweins, Peins, Dronrijp en Menaldum in dit dorp alleen komen door de landen en menigvuldigen hekken.

Schingen is de geboorteplaats van den Kerkelijken Geschiedschrijver Christiaan Schotanus, geb. in 1603, in 1671.

SCHINGEN-EN-SLAPPETERP, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Harlingen, ring van Franeker, die twee kerken heeft, als eene te Schingen (foto)en eene te Slappeterp (foto). De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Bernardus Schotanus, die in het jaar 1603 hier in dienst was, en in het jaar 1608 vervangen werd door Christophorus van Hardenberg, die in 1612 de plaats schijnt verlaten te hebben. men telt er 230 zielen, onder welke ruim 80 ledematen.

SIERSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. Z. O. van Berlikum, te Deinum, waartoe zij behoorde.

Op deze state, thans eene boerderij, was Siardus Siersma, de vierde Abt van Lidlum, geboren. Na eenigen tijd Priester te Sexbierum geweest te zijn, ging hij in het klooster, en werd daarna tot Abt verkozen. Hij stierf in het jaar 1232, na alvorens zijne geestelijke waardigheid te hebben nedergelegd.

SIRTEMA, oude naam van de voorm. stins Grovestins. Zie Grovestins.

SLAPPETERP, in het oud friesch Sleppeterp, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. Z. W. van Berlikum.

Men telt er 16 h. en 120 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.

De inw., die er allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Schingen-en-Slappeterp, welke hier eene kerk (foto) heeft, die vr de reformatie aan den H. Dionysius was toegewijd. De pastorie bragt 100 goudguld. (150 guld.) op, het vikarisschap 70 goudguld. (150 guld.). De Proost van St. Janskerk te Utrecht moest er 6 schilden ( 8 guld. 40 cents.) trekken. Deze kerk is een klein langwerpig vierkant gebouw, met den predikstoel aan het eind en een aan alle kanten spits toeloopend torentje, doch zonder orgel. In het jaar 1826 is deze kerk, uit eene geheel vervallen toestand herbouwd.

Men heeft in dit d. geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Schingen.

STEDEHOUDERS of Stehouders, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. Z. Z. W. van Berlikum, 1/4 u. Z. van Schingen.

STEHOUDERS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Stedehouder.

SWANEPOLLE, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/4 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. Z. O. van Berlikum, 1/4 u. N. ten W. van Blessum, waartoe het behoort; met 2 h. en 5 inw.

SWETTE-HORNE, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 20 min. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. Z. O. van Berlikum, 1/2 u. van Marssum, waartoe zij behoort, nabij Schenkenschans; met 2 h. en 10 inw.

TERHORNE (GROOT-), oude naam van de state Martena, te Beetgum, griet. Menaldumadeel, prov. Friesland, kw. Westergoo, zie Martena.

UITGONG of Uitgum voorm. st., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Berlikum.

UNIASTATE, voorm. state, thans eene buitenpl., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Menaldumadeel, arr. en 1 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. Z. O. van Berlikum, 10 min. N. W. van Marssum, waartoe zij behoort.

Deze buit. beslaat, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 8 bund., en wordt thans in eigendom bezeten door den Heer Jan de Kempenaer van Poppenhuizen, woonachtig te Leeuwarden.

UTGONG, voorm. st., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Berlikum.

WIER, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, 2 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, ruim 1/4 u. W. N. W. van Berlikum. Men telt er 34 h. en 250 inw., die in den landbouw hun bestaan vinden.

Weleer lag dit dorp aan zee en werd toen waarschijnlijk bewoond door visschers, die door de Wierzijl gemakkelijk in zee konden komen, en van daar hunnen visch, door de Ried, naar Franeker en elders brengen.

Vermoedelijk heeft het wel aan die vroegere ligging zijnen naam te danken. Men denke hier aan het zoogenoemde zeewier, zijnde een zeegewas, dat zoo vast in elkander pakt, en waarvan men zelfs, zoo als voorheen te Stavoren, havenhoofden maakte. Thans ligt dit dorp diep landwaarts in, aan den ouden zeedijk, ter bescherming tegen de Middelzee, aldaar aangelegd. Tijdens het Saksisch bestuur in 1515, werd Wier bezwaard met het aanleggen en onderhouden van zekeren dam in die nabijheid, om het zeewater, dat destijds gedurig invloeide, te keeren.

De inw., die er allen Herv. zijn, onder welke 50 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring van Stiens, behoort. De eerste, die in deze gem. het leraarambt heeft waargenomen, is geweest Here Ulckes, die in het jaar 1602 hier in dienst was en in het jaar 1603 naar Wanswerd vertrok.

De dorpschool wordt gemiddeld door 40 leerlingen bezocht.

Hier was weleer de state Lauta, waar de gewone regtdagen voor de geheele grietenij gehouden werden. Zie dat woord.

De kermis valt in den eersten Zondag in Julij.

WIERSTER-OUDE-MEER (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, loopende N. W. uit de Ried naar Bolkezijl, van waar het verder de Vaart naar St. Jacobi-Parochie is.

WIERZIJL (DE), voorm. sluis, thans eene steenen brug in den ouden zeedijk en de vaart naar het Bildt, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, 3/4 u. O. van het d. Wier, waarvan deze sluis haren naam ontleende.

WISMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel. Zie Wissema.

WISSEMA of Wisma, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 1 1/2 W. ten Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. ten O. van Berlikum, in Blessum. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans bouwland.

WOBBEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. Z. W. van Berlikum, 5 min. Z. van Schingen; waartoe zij behoorde. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boereplaats.