ANDRINGA, fraai gebouwd en schoon gelegen heerenhuis, prov. Friesland, kw. Zevenwolden, griet. Lemsterland, in het v. de Lemmer, sedert lang door het adellijk geslacht van Andringa de Kempenaar bezeten en bewoond.

BANDEGA, voorm. d., prov. Friesland. Zie Bandt.

BANDT, Band, Bant, Bandega of Bantega, voorm. d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, van hetwelk men ten W. van den rijweg van de Lemmer naar Heerenveen nog het oude kerkhof ziet, en onder den naam van Bandster-akker bekend is.

De landen van dit dorp moeten zich zuidwaarts zeer ver uitgestrekt hebben, doch zijn van overlang door de zee weggespoeld.

BRANDEMEER (HET), Brandmeer of Kleine Slootermeer, meertje prov. Friesland, kw. Zevenwouden, in het N. W. van de griet. Lemsterland, tegen Doniawerstal, 1/2 u. Z. O. van Slooten

BRANDMEER, meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden. Zie Brandemeer.

BREKKEN (GROOTE-), meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, O. ten Z. van Slooten, die door de kromme-Ee met het kleine-Slootermeer, door de Langesloot met de Ee, door de Mutzard en Zijlroede met de lemmer en door de Rhijnsloot met het Tjeukemeer gemeenschap heeft.

BREKKEN (KLEINE-), meertje, prov. Friesland, kw, Zevenwouden, griet. Lemsterland, N. W. van de Lemmer, Z. O. van de Groote-Brekken.

BREKKEN (KLEINE-), meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, gedeeltelijk griet. Lemsterland, gedeeltelijk griet. Doniawarstal, O. van Slooten en N. ten O. van de Groote-Brekken.

ECHTEN of Echtelen, in de uitspraak Iechten, in het oud-Friesch Achtelum genoemd, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 3 u. Z. W. van Heerenveen, kant. en 1 1/2 u. N. O. van de Lemmer, aan het Tjeukemeer. Men telt er 160 h., meestal boerderijen, welke zeer uit elkander gebouwd zijn, en ongeveer 800 inw., die meest hun bestaan vinden in de veenderijen.

De Herv., die hier nagenoeg 700 in getal zijn, bezitten eene eigene kerk, met spitsen toren, en hebben met het nabijgelegene d. Oosterzee eenen Predikant. In de kerk aldaar ligt begraven Jonkheer Antoon Anne van Andringa de Kempenaer, in der rijd Grietman van Lemsterland, en Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, † te 's Gravenhage, in Junij 1825. - De R. K., van welke men er ongeveer 30 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend.

De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 130 leerlingen bezocht.

Dit d. heeft, bij den watersnood van Februarij 1825, zeer veel geleden, zijnde aldaar meer dan 22,000 roeden turf weggedreven. Sommige huizen waren er weggespoeld, anderen ingestort en van de 160 geen 25 onbeschadigd gebleven, terwijl vele hoornbeesten, schapen, varkens en paarden bij deze ramp omkwamen.

ECHTERBRUG, geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. kant. en 2 1/2 u. Z. ten W. van Heerenveen, 1/2 u. Z. ten W. van Delfstrahuizen, griet. Schoterland, 1/4 u. O. van Echten, griet. Lemsterland, tot welke beide d. het behoort.

Dit geh. Ontleent zijnen naam van eene brug over de Pier-Christaans-Oosterzee-sloot.

EESTERGA, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 4 1/2 u. Z. van Sneek, kant. en 1/2 u. N. ten O. van Lemmer.

Men telt er 15 fraaije boerenwoningen en 10 andere kleine gebouwen of huizen, gezamelijk bewoond door ongeveer 150 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt.

De Herv., die hier ruim 110 in getal zijn, behooren tot de gem. Lemmer-Follega-en-Eesterga, welke hier eertijds eene kerk had, ruim 1/4 u. van de Lemmer af staande. De juiste tijd, wanneer dit gebouw werd afgebroken, is niet met zekerheid bekend, doch waarschijnlijk is dit geschied in 1740 of eenige jaren later. Het kerkhof, hetwelk nog aanwezig is, dient bij voortduring tot begraafplaats. Men vindt daarop eene overdekte klok, een zoogenaamd klokhuis, gelijk men meer op kleine plaatsen in de provincie Friesland aantreft, waarmede gedurende de begrafenisplegtigheid geluid wordt.

De R. K., van welke men er 16 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend.

Er bestaat ook geen dorpschool meer; terwijl de kinderen de scholen te Follega en te Lemmer bezoeken.

De landerijen van dit d. zijn uitmuntend, vrij uitgebreid en loopen tot aan de Groote Brekken; doch de huizen en de boerderijen staan in eene rij, van het Zuiden naar het Noorden, ter zijde van den rijweg naar de Lemmer, en zijn weinig in getal. Ten westen van den rijweg naar Heerenveen zag men vroeger nog het oude kerkhof van het voorm. dorp Bandt of Bantega, welks landen zich zuidwaarts zeer verre uitstrekten, doch die van overlang door de zee zijn weggespoeld. Thans vindt men daarvan geene sporen meer, alleen worden nog ten huidigen dage eenige stukken lands, daaraan de Band-Akkers genaamd. Ook moet hier vroeger een huis of plaats, met name de Brandende put geweest zijn. In dit huis werd, in het laatst der zeventiende eeuw, eene put gegraven, welke geen water wilde geven, waarom men een man met een touw om den middel, daarin nederliet, om, wanneer het water, bij het verder uitdelven, te spoedig mogt opkomen, ras wederom te kunnen worden opgetrokken; doch, toen hij door het welzand henen was, kwam er geen water, maar wel eene zwavelvlam, welke, niettegenstaande men den arbeider ras omhoog haalde, hem het haar en de kleederen verzengde, ja, tot boven de put uitsloeg, doch waarna het opkomend water ras de vlam uitdoofde. Buiten twijfel loopt hier in den grond een ader van aluinachtige zwavelaarde, die, zoo als later genoegzaam, door proeven met den Hombergiaanschen pyrophorus, gebleken is, vuur vat, zoo ras zij aan de open lucht wordt blootgesteld. Van deze brandende put, weet men echter met geene zekerheid de juiste plaats meer aan te wijzen.

De meertjes: het Groote-Wiel, het Kleine-Wiel, de Kleine- Brekken en een gedeelte der Groote-Brekken, benevens een gedeelte van den stroom de Rijn, behooren tot dit dorp.

FOLLEGA of Vollega, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 4 u. Z. ten O. van Sneek, kant. en 1 u. N. ten O. van de Lemmer, aan den rijweg van de Lemmer naar Leeuwarden. Het is het noordelijkste d. der grietenij, en bestaat uit eenige verstrooid liggende boerderijen. Men telt er 38 h. en ruim 230 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt, waartoe men er lage hooilanden aantreft; ook is er veel doorvaart uit de naar het Tjeukemeer en Slooten, langs de Follegasloot of Woudsloot en de Tweede Follegasloot, waarover hier eene groote valbrug ligt.

De Herv., die hier 200 in getal zijn, behooren tot de gem. van Lemmer-Eesterga-en-Follega. Zij hadden er vroeger eene kerk, doch deze is in de zeventiende eeuw afgebroken, zoodat er thans niet meer dan een klokkestoel bestaat.

De R. K., van welke men er 25 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend. Er schijnt in de nabijheid der Follegabrug vroeger ook eene R. K. kerk te hebben gestaan, welke voor ruim 80 jaren moest zijn afgebroken. De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 70 leerlingen bezocht.

Dit d., is de geboorteplaats van den Geschiedschrijver Martinus Hamconius, geb. in 1551, † in 1620.

De Groote Brekken, de Kleine Brekken en het Brandemeer behooren gedeeltelijk onder dit d.

FOLLEGA-BRUG of Follegaster-Brug, brug, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, ten O. van Follega, over de Follega-sloot; bij deze brug, van welke men een schoon uitzigt op het groote Tjeukemeer heeft, staat eene herberg, aan welker bewoners de tol betaald wordt.

De 2 October 1799 wilden de Engelschen, die toen in Friesland geland waren, bij deze brug eene batterij opwerpen, doch het gelukte eene bende gewapende burgers, naar de Lemmer opgetrokken, met oogmerk om de stellingen des vijands op te nemen, bij twee herhaalde aanvallen, der Engelschen deze stelling te doen ontruimen, bij welke gelegenheid drie stukken geschut, en onder deze een achttienponder, in hunne handen vielen.

FOLLEGA-SLOOT, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, tusschen het Tjeukemeer en de Groote Brekken.

FOLLEGASTER-BRUG, brug, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Zie Follega-Brug.

FOLLEGASTER-SLOOT, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Zie Follega-Sloot.

HINTJAMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 4 1/2 u. Z. Z. O. van Sneek, kant. en 1 1/2 u. N. N. O. van de Lemmer, bij Oosterzee, waarvan men de juiste plaat, waar het gestaan heeft, niet meer weet aan te wijzen.

LEMMER (DE), kant., prov. Friesland, arr. Sneek; palende N. W. aan het kant. Sneek, N. aan het kant. Rauwerd, O. aan de kant. Heerenveen en Oldeberkoop, Z. aan het Overijsselsche kant. Steenwijk en aan de Zuiderzee, W. aan het kant. Hindeloopen.

Dit kant. bestaat uit de stad Slooten, benevens de griet. Lemsterland, Doniawarstal en Gaasterland; beslaat eene oppervlakte van 34,365 bund. 30 v. r. 71 v. ell., waaronder 28,129 bund. 64 v. r. 25 v. ell. belastbaar land; telt 1877 h., bewoond door 2203 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 10,600 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt.

LEMMER (DE), kerk. ring, prov. Friesland, klass. van Heerenveen.

Men telt er 11,800 zielen, onder welke 2800 Ledematen, in de volgende 13 gem.: Akkrum, Terhorne, Goingaryp-en-de-Broek, Haskerhorne-en-Oudehaske, St. Jansga-en-Delfstrahuizen, Joure-Westermeer-en-Snikzwaag, Langweer-en-Ter-Oele, de Lemmer-Follega-en-Eestergaa, Oldeboorn-en-Nes, Oosterhaule-en-Oldeouwer-en-Nijega, Oosterzee-en-Echten, Terkaple-en-Akmarijp en Tjerkgaast-St.-Nicolaasga-Doniaga-Idskenhuizen-en-Legemeer. Er zijn 22 kerken, bediend wordende door 13 Predikanten.

LEMMER (DE), oudtijds Limma en Lenna, in het Fr. Liammer en in het Perkamentenboek van Utrecht, op de jaren 1228 en 1236, onder den naam van Lenna voorkomende, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 5 u. Z. W. van Heerenveen, aan de Zuiderzee 52 o 50' 43'' N. B., 23o 22' 34'' O. L.

Het is een fraai en groot dorp of liever vlek, hetwelk, na Harlingen, eene der beste en voornaamste havens van Friesland heeft, zoo wegens hare gunstige ruimte, als wegen de gemakkelijkheid van het vaarwater naar Amsterdam, dewijl men, derwaarts reizende, eene korte en ruime zee heeft, zonder eenige belemmering van banken of platen.

Reeds voor lange tijden in de Lemmer eene plaats van veel scheepvaart geweest; doch zij is grootelijks in bloei toegenomen, sedert het bestuur van wijlen den Heer Grietman Regnerus van Andringa, die, door het aanleggen van welgeregelde veerschuiten, postwagen enz. heeft te weeg gebragt, dat niet alleen die uit Groningen, maar ook velen uit Friesland, doorgaans hunne reis naar Amsterdam over de Lemmer nemen, waartoe de ruime en gemakkelijke veerschepen, die alle avonden van hier herwaarts en terug varen, en in welke, tot een bewijs van het aanzien des veers, de kajuiten vroeger meermalen drie of meer weken voor den tijd, op welken de schepen varen moesten, besteld waren, aanmerkelijk bijdragen, en door den in het jaar (1845) aan te leggen straatweg van Leeuwarden over Sneek naar de Lemmer niet weinig zal worden bevorderd. Ook heeft de oorlog van 1756 en eenige volgende jaren veel tot den bloei van deze plaats toegebragt, wegen den voorspoed der scheepsreederijen, aan welke die van de Lemmer geen gering deel hebben gehad. De zeescheepvaart is er thans echter van minder belang dan de binnenlandsche, zijnde er in 1844 ingeklaard 22 en uitgeklaard 30 zeeschepen. De scheepstimmerwerven, zeilmakerijen en andere handwerken, welke tot het uitrusten van koopvaardijschepen noodig zijn, waren hier vroeger reeds in grooten bloei, hoewel die thans van minder belang zijn. Men heeft er evenwel nog 2 scheepstimmerwerven, 1 lijnbaan, 1 houtzaagmolen, 2 taanderijen, 3 mastenmakerijen, 2 pottebakkerijen, 1 looijerij, 3 bokkingdroogerijen en 1 korenmolen.

De Lemmer is met eene dubbele streek huizen gebouwd aan de zoogenaamde Zeilroede, die, van het Noordwesten tot het Noordoosten schietende, midden in het dorp, door een verlaat of schutsluis loopt, en daarop in eene ruime buitenhaven, aan weerskanten met een houten hoofd voorzien, eindigt. Op het Noorderhoofd brand des nachts ter verkenning een hoog geplaatste lantaren.

In het jaar 1838 is er eene belangrijke herstelling aan de hier liggende zeesluis geschied. Bij die gelegenheid zijn de zoogenaamde peilplatingen of houten beschoeijingen aan de sluis, door eene steenen kaai of vleugelmuren vervangen; terwijl daarin tevens schotbalkssponningen zijn aangebragt. Van den oostkant ontvangt het vlek het vaarwater de Rijn, welke, uit het Tjeukemeer komende, zich met het vorige, even boven de sluis, vereenigt. Tusschen dit water en den zeedijk heeft men onderscheidene kleine straten, benevens een zindelijk, met schelpen bestrooid, plein, vóór het aanzienlijk logement de Wildeman, uit hetwelk men een fraai zee- en havengezigt heeft. men telt er 464 h., bewoond door 2620 inw.

De Herv., welke er 2220 in getal, behooren tot de gem. de Lemmer-Follega-en-Eestergaa, die hier eene kerk heeft, zijnde een net gebouw, met eenen koepeltoren, welke twee omgangen heeft en met de kerk in 1716 gebouwd is. De kerk, welke in 1759 vergroot is, heeft twee hangzolders en vier ingangen of buitendeuren. De predikstoel munt uit door veelvuldig en sierlijk snijwerk. In deze kerk is in het jaar 1842 een fraai orgel geplaatst, vervaardigd door den Heer D. Ypma, te Bolsward, hetwelk den 28 Augustus van dat jaar godsdienstig is ingewijd.

De R. K., van welke men er 310 aantreft, onder welke 200 Communikanten, maken eene stat. uit, die tot het aartspr. van Friesland behoort, en door eenen Pastoor bediend wordt. De kerk, aan den H. Willibrordus toegewijd, is een net gebouw, zonder toren en van een orgel voorzien.

Er zijn hier twee scholen, gebouwd onder één dak, verdeeld in eene jongens- en meisjesschool, welke door een getal van 190 jongens en 160 meisjes bezocht worden. het is een grootsch en fraai gebouw.

Men heeft er eene weekmarkt, welke op Maandag gehouden wordt; de kermis valt in den 16 Junij of den eersten Maandag daarna.

Er is hier een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, hetwelk den 1 Februarij 1819 is opgerigt en thans 55 leden telt.

De Lemmer is de geboorteplaats van de regtsgeleerden: Augustijn Boelema, en Domincus Mellema, en den Taalkundige Andreas Myrica, ook wel, naar zijne geboorteplaats, Lemmariensis of Lemmerius genaamd, † in 1585, als geneesheer te Groningen.

De Lemmer heeft in vorige tijden verschillende lotgevallen ondergaan. In 1421 bouwde Jan, Hertog van Beijeren, die, na den dood van Willem, Graaf van Holland, door een gedeelte van Friesland tot Beschermheer was aangenomen, hier een kasteel, doch dit werd in het volgende jaar, door de andersgezinde Friezen, over zwak ijs, bij verrassing ingenomen, en daarna de Slotvoogd, Floris van Alkemade, met veele zijner soldaten doodgeslagen.

In 1516 werd geheel de Lemmer verbrand, uitgezonderd de kerk. - In 1521 werd hier, door den Gelderschen Stadhouder, tegen de invallen van het Sticht, een sterk blokhuis gebouwd met diepe grachten; doch de Bourgondiërs veroverden het in 1523 en deden het gebouw door de huislieden slechten. - In het jaar 1581 werd deze plaats, met Kuinre en Slooten, door de Staatschen op de Spanjaarden veroverd.

In den noodlottigen oorlog van het jaar 1672 liet de Bisschop van Munster, nadat hij meester van geheel Overijssel was geworden, deze plaats opeischen; doch de Munsterschen werden afgeschrikt door eenige wagens met vlugtende personen beladen, die op den zeedijk heen en weder reden, doch die zij voor rijtuigen met krijgsvolk aanzagen en daarom onverrigter zake vertrokken.

Den 27 September 1799 kwamen er vele Engelsche schepen, onder bevel van Kapitein Bolton, voor deze belangrijke Friesche haven ten anker, en openbaarden reeds met het aanbreken van den dag, duidelijk het voornemen, om zich van de Lemmer meester te maken, daar gezegde Bolton aan den Kommandant der plaats, zijnde de Luitenant van Grutten, deze trotsche opeisching deed toekomen: „ Het is vruchteloos, dat gij van uwe zijde eenigen weerstand biedt. Ik sta u één uur tijds toe, om de vrouwen en kinderen te doen vertrekken, en, zoo gij binnen dat tijdsverloop de plaats niet overgeeft aan de Britsche wapenen, ten behoeve van den Prins van Oranje, zullen uwe onderhebbende manschappen onder de puinhoopen bedolven worden." Het antwoord van Van Grutten, bevatten een verzoek, om 24 uren uitstel te erlangen, dit werd echter geweigerd en de plaats onverwijld opgeeischt, met bedreiging, dat, zoo men binnen een half uur de oranjevlag niet van den toren uitstak, het bombardement een aanvang nemen zou, en dit had zeker plaats gehad, indien zulks niet door het lage water was verhinderd. dan, dit beletsel was den volgende dag, den 29 September, uit den weg geruimd. Toen ondernam Bolton, werkelijk den aanval, naderde de plaats en beschoot haar meer dan een uur heftig, uit twee schepen, hetwelk ten gevolge had, dat van Grutten, hetzij met overleg der Municipaliteit die de vlag op den toren had doen plaatsen, of wel uit eigen beweging, zonder eenigen tegenstand, order tot den aftogt gaf. Hiermede scheen echter de bezetting niet tevreden, althans er werden door de kanonniers, buiten bevel van den Kommandant, nog zes en dertig schoten uit het kanon gedaan; terwijl het gepeupel zich voorbereidde, om het huis van den Kommies van Loenen te plunderen, bij welke gelegenheid een der oproermakers, op de bedreiging aan eenen soldaat gedaan, van doorstoken te zullen worden, bijaldien hij met vuren niet ophield, door dezen militair met de bajonet doorboord werd. gedurende deze verwarring onder de bewoners der plaats, beschoten de Engelschen haar, ruim een uur lang, met zwaar geschut van twee schepen, welke ter wederzijden van de haven post gevat. Zij maakten gebruik van de reeds toenemende beweging hunner aanhangers en daaruit voortvloeijende afwending te hunnen voordeele. Zij klommen het hoofd der haven, plantten aldaar de Engelsche vlag, traden de plaats binnen en wapende oogenblikkelijk de oranjegezinde burgers. De militairen en de gewapende burgermagt trokken vervolgens, onder verschillende aandoeningen en verwenschingen tegen hunnen Kommandant, terug; terwijl eenige geladen vaartuigen, op het voorbeeld van een Leeuwarder schipper, de wijk naar Slooten namen. Middelerwijl was een vrij aanzienlijk getal gewapende burgers ter hulpe toegesneld, die Slooten, Stavoren, het Klif en geheel Gaasterland in bedwang hielden, en deze plaatsen tegen eenen vijandelijken inval niet alleen beveiligden, maar zelfs aan de bezetting op de Lemmer het vermoeden en de vrees inboezemde, dat zij langs die zijde ontrust konden worden, waarom deze het dan ook raadzaam oordeelde westwaarts, naar den kant van Tacozijl, eene batterij aan te leggen, ten einde alzoo tegen eene aanval van den kant van Slooten en het overige gedeelte van Gaasterland gedekt te zijn. Den 2 October begaf zich een detachement der gewapende burgermagt naar de Lemmer, met oogmerk, om de stellingen van 's vijands zijde te verkennen. De Engelschen, op dat tijdstip bezig zijnde bij de Follegaster-brug, twee uren van daar gelegen, eene batterij op te werpen, gelukte het den onzen hen van daar te verdrijven en een achttienponds stuk kanon te vermeesteren, hetwelk zij, zonder behulp van paarden, op de Joure binnen bragten. Een tweede aanval, ten zelfden dage ondernomen, beantwoordde mede aan het voorgestelde oogmerk, bij welke gelegenheid de vijand de zoo even gemelde stelling aan de brug, met achterlating van éénen twaalf-en éénen zesponder en met verlies van twee dooden en vijf gekwetsten, aan de onzen inruimde, waardoor het verder doordringen aan dien kant werd voorgekomen. De aanvallers hadden bij deze kort op elkander gevolgde aanvallen niets gelden. Het verlies der stelling bij de Follegaster-brug maakte eenige voorziening van 's vijands zijde ter verdediging van de Lemmer noodzakelijk. Tot dat einde werden alle de bruggen aldaar afgebroken en eene batterij voor het huis van den Heer de Kempenaer aangelegd, terwijl hij van de andere zijde eene afwending poogde te maken, door eenen aanval op Slooten te doen. Deze gesteldheid van zaken bleef eenige dagen voortduren, zonder dat er van wederzijden iets ondernomen werd. Inmiddels was de kolonel Gelderman, Chef van de derde halve Brigade Bataafsche Infanterie, uit het leger van den generaal Brune aangekomen, om het kommando in deze streken op zich te nemen en alles te bewerkstellingen, wat tot hare verdediging konde dienstig zijn. Na de aankomst van den Kolonel Queysen op de Joure, met een gedeelte der gewapende burgermagt, uit het departement van den Ouden IJssel werden er zeer ernstige maatregelen genomen, om de Lemmer te hernemen. Het was op den elfden October, dat men tot dat einde eene eerste poging deed. De op de Joure vergaderde gewapende manschap begaf zich van daar, den tiende October des avonds te elf ure, op weg, met oogmerk, om zich met eenige andere Kompaniën, die van onderscheidene plaatsen moesten optrekken, te vereenigen. Met deze magt, sterk omtrent vierhonderd man en eenige veldstukken, vielen zij in den morgenstond van den elfden October eene vijandelijke batterij aan, terwijl vier kanonneerbooten op het vaarwater, genaamd de Brekken, eenen andere batterij beschoten, en alzoo de aldaar liggende vijandelijke brikschepen verhinderden, om de onze in de zijde te verontrusten. Dus doende trachtte men 's avonds stelling te verkennen, en, zoo de gelegenheid het toeliet, de plaats te hernemen. Tot dat einde was ook een aanval van de zijde van Kuinre bevolen; dan deze had, om welke redenen wist men niet, geen voortgang, zoodat de aanval alleen in het front geschiedde, waardoor het vuur der vijandelijke batterijen, zijnde ten minste drie in getal, alleen en gelijktijdig op dat punt gerigt was. Een detachement jagers van het battaillon van den Luitenant Kolonel Hoynck van Papendrecht, sterk zes en twintig man en één Officier, hetwelk vooruit marcheerde, en order had, om op den weg eene batterij, welke tegen ons centrum gerigt was, bij verrassing te vermeesteren of een aldaar geplaatsten achttienponder te vernagelen, was, het zij door te groote drift van den Officier, hetzij uit onvoorzigtigheid niettegenstaande de waarschuwing der gidsen, tusschen het vuur de vijanden doordrongen tot voor de hoofdwacht, en werd gevolglijk afgesneden, zoodat slechts vijf man ontkwamen; zijnde de overigen met den Officier in 's vijands handen gevallen, gedood en gekwetst. Door deze verkeerde verrigting was de vijand vroegtijdig van den aanval onderrigt. Echter rukte onze kolonne tot digt onder de Lemmer voort, waar zij op eene allerhevigste wijze door vier en twintig en achttienponders beschoten werd, en tegen welke kanonnade geen ander vuur, dan dat van twee zesponders gesteld kon worden. Onaangezien dit hevig schieten van de zijde des vijands, bleven, zoo burgers als militairen, met de grootste bedaardheid en standvastigheid, gedurende drie uren tijds, dit gevaarlijke punt bezetten, wanneer de Luitenant Kolonel Pacque bevel gaf om terug te trekken, hetwelk in de beste orde geschiedde, zonder dat men, gedurende den aanval of bij den aftogt, buiten de zoo even gemelde een en twintig manschappen, één éénig man verloren had, doordien het vijandelijk geschut niet wel gerigt was. Slechts één militair gekwetst. Eenig vol van de kanonneerboten, welke in de binnenwateren post gevat had, had zich aan wal begeven en den aanval stoutmoedig en geregeld ondersteund. Op het eerste kanonschot geraakten alle de Engelsche schepen, voor en omstreeks de Lemmer liggende, in beweging, en vele vaartuigen ontruimden op dien ogenblik de haven. Ofschoon deze aanval vruchteloos afliep, zoo had men er echter dat voordeel van, dat de onzen met den vijand waren bekend geworden, waardoor zij in de gelegenheid gesteld werden, een tweeden aanval met meer vrucht te ondernemen, en welke in de daad zou zijn beproefd geworden, ware het niet, dat de heilzame gevolgen der roemrijke overwinning, van den 6 October, te Castricum zich ook in dit gedeelte van het gemeenebest hadden doen gevoelen. In den nacht van den 13 October verlieten de Engelschen de Lemmer met zoo vele overhaasting, dat zij eenig, kort te voren vernageld, geschut moesten achterlaten. Deze aftogt geschiedde echter niet zonder roof en plundering, wordende er eenige huizen, zoo veel mogelijk door hen ledig gestolen en geplunderd. eenige beurtschepen, met nog een en twintig andere geladene vaartuigen, waren reeds twee dagen vóór de vlugt dier rovers naar Texel gezonden. Zekere Feike Michiels, eenoud patriottisch schipper, werd door hen medegevoerd; terwijl onderscheidene Prinsgezinden, vrijwillig volgden, uit vrees zeker, van eerlang voor hunne gedragingen te zullen moeten boeten; ook namen de leden van de door den vijand aangestelde regering de vlugt, maar daarentegen werden eenige achtergeblevene booswichten, die aan de plundering handdadig waren geweest, kort nadat de plaats wederom door de Nederlanders was bezet geworden, in hechtenis genomen.

Weinige weken voor den watervloed, van Februarij 1825, was de Lemmer reeds met eenen doorbraak bedreigd, even buiten het dorp, op dat punt van den dijk, waar de zaagmolen stond, en alleen een onvermoeide arbeid bevrijdde toenmaals de plaats van eene overstrooming. In den nacht van den 4 februarij was het water, voor dat de doorbraken in de nabijheid van de Lemmer plaats hadden, hier tot de ontzettende hoogte van zeven voeten boven peil geklommen, dus ruim zeven duim hooger dan in het jaar 1776, zoodat het op den Nieuwendijk, de Hoofden, de Schans en op de Schulpen (het hoogste gedeelte dezer plaats) tot aan de vensterramen stond, en men met schuitjes door de straten voer. De voornaamste doorbraken; beoosten de Lemmer, hadden plaats op den middag, ongeveer ten twaalf ure. Van daar tot aan Schoterzijl telde men niet minder dan dertien gaten, waaronder twee doorloopende, het eene ter wijdte van 100 en ter diepte van 8 ell., en het andere ter wijdte van 20 en ter diepte van 4 ell., terwijl hierbij kolken van meer dan 30 voet diepte scheurden. Bewesten deze plaats bezweek de zeedijk insgelijks, in den namiddag van den zelfden dag ten drie ure, op ongeveer tien minuten afstands; doch deze doorbraak was van minder aangelegenheid. Omstreeks acht ure in den avond kwam het water op de Nieuweburen, en in den morgen van den 3 stond het ruim 1 ell. op de straat, zoodat alle huizen aldaar tot op die hoogte in het water stonden. Het water stond in een huis, op het hoogste gedeelte van den zeedijk, ter hoogte van 3 palm. en op de laagste gedeelten dezer plaats wel 1 1/2 ell. hoog. Men heeft opgemerkt, dat et water in het eerst ieder uur 3 palm rees. ten gevolge hiervan vlugtten vele bewoners naar de hoogere verdiepingen en zolders hunner huizen; andere verlieten hunne woningen om hooger liggende op te zoeken; terwijl nog anderen met schepen door de vensters gehaald en in veiligheid gebragt werden. De schade op den dag van den 4 Februarij, zoowel aan de publieke werken, als partikulier eigendommen toegebragt, was aanmerkelijk. Het havenhoofd werd zoodanig geteisterd, dat eene menigte palen er uit en in en door de huizen, daar naast staande, wegspoelden. Hoezeer men vreesde, dat de zeedijk aan het einde van de straat, genaamd de Nieuwendijk, bij de Pottebakkersteeg, op het zelfde oogenblik zoude bezwijken, waarop de doorbraken in de nabijheid plaats hadden, was men echter gelukkig genoeg dit voor te komen en alzoo de Lemmer voor eenen gewissen ondergang te behouden. De meeste huizen op den Nieuwendijk waren van achteren ingeslagen en daardoor vele goederen, dewijl er geen tijd was, om die in veiligheid te brengen, weggespoeld. Aan de binnenzijde van dien dijk waren de meeste achtergevels der huizen ingestort, achter de herberg de Wildeman werd de zeewering, welke aldaar in de voorgaande jaar nieuw gemaakt was, geheel weggeslagen, wardoor dit logement in het grootste gevaar verkeerde, als zijnde aan de opene zee blootgesteld. De ontsteltenis, die daar heerschte, is niet te beschrijven, daar het vol menschen was, die uit hunne huizen gevlugt waren. Hoewel het zeer veel leed, bleef het echter behouden; doch van de daarnevens gestaan hebbende gebouwen was niets meer aanwezig. In de Schans spoelde eene schuur geheel weg, benevens onderscheidene hokken en achterhuizen, waarvan de standplaats niet meer te herkennen was. men rekent, dat er wel 50 huizen onbewoonbaar waren. regenbakken en putten stortten in, en in de kerk stond het water 2 palm. hoog. Hierdoor zijn onderscheidene graven ingestort en zerken tegen elkander opgezet, zoodat de kerk voor het oogenblik onbruikbaar was. Hoe groot ook het verlies en de schade aan goederen zijn mogt, geen mensch echter kwam hierbij om het leven. De Lemmer was de verzamelplaats van vele ongelukkigen, uit de omliggende dorpen. In den nacht, tusschen den 4 en 5, kwamen er schuiten, booten en pramen aan, met dezulken, dia alles verloren hadden; onder dezen bevond zich eene vrouw, welke dien zelfden nacht onder den blooten hemel bevallen was. Den 6 werden er van hier overal schepen ter redding uitgezonden naar de naburige plaatsen. De stallen om de haven stonden vol vee, en dat, hetwelk niet geborgen kon worden, moest op de markt in de open lucht blijven. Zoo hebben daar, in den nacht tusschen den 5 en 6 Februarij, wel veertig koebeesten en eenige paarden gestaan, die aan eene boer, digt bij deze plaats woonachtig, toebehoorden.

LEMMER-FOLLEGA-EN-EESTERGA, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Heerenveen, ring van de Lemmer.

Men heeft er ééne kerk te Lemmer, en telt er 2340 zielen, onder welke 650 Ledematen. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Lambertus Leving, die omstreeks het jaar 1596 herwaarts kwam, en tegen het jaar 1620 overleed; want in dat jaar werd hij opgevolgd door Wilco Hermanni Somer.

LEMSTERHOEK, gedeelte van de griet. Lemsterland, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, 1 u. W. van de Lemmer, alwaar vroeger het d. Lemsterhoek heeft gestaan, waarvan het nog dien naam draagt.

LEMSTERHOEK, voorm. d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, 1 u. W. van de Lemmer, ter plaatse, nu nog Lemsterhoek geheeten.

Het werd, in het jaar 1410, door Adolf van Swieten, die door Frederik van Blankenstein, den een en vijftigsten Bisschop van Utrecht, herwaarts gezonden was, te vuur en te zwaard verwoest

LEMSTERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Zevenwouden (3 k. d., 12 m. k., 7 s. d.); palende N. W. aan Doniawarstal, O. en N. O. aan Schoterland, waarvan zij door de Tjonger of Kuinder, de Pier-Chistiaansloot en eene scheidlinie, die met eenen hoek door het Tjeukemeer loopt, wordt afgescheiden, Z. O. aan het graafs. de Kuinre, nu tot de prov. Overijssel behoorende, Z. aan de Zuiderzee, W. aan Gaasterland, bestaande de scheiding gedeeltelijk uit wateren en voorts uit scheidliniën. Zij is de zesde griet. van Zevenwouden, en bevat 5 dorpen, zijnde: de Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten. Vroeger behoorden er nog twee dorpen onder, met name Bandt en Bantega en Lemsterhoek, waarvan het eerste eene prooi der Zuiderzee is geworden, terwijl het laatste te vuur en te zwaard verwoest is. Er waren dus zeven dorpen in deze griet.; doch Oosterzee en Echten maakten toen eene bijzondere streek uit, onder den naam van Oostzimgerland of Oostzingerland, zoodat de beide vernietigde dorpen tot de zoogenaamde Lemster-Vijfga schijnen behoord te hebben.

Deze griet. heeft, van het O. naar het W., eene lengte van 2 1/2 u., en van het N. naar het Z. eene breedte van 1 1/4 u. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 6601 bund. 59 v. r. 96 v. ell., waaronder 6125 bund. 2 v. r. 59 v. ell. belastbaar land. men telt er 858 h., bewoond door 920 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 4800 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt, zijnde de landerijen dezer grietenij alle wei- en hooilanden en meest laag gelegen. Men heeft er voorts 2 scheepstimmerwerven, 1 lijnbaan, 2 taanderijen, 2 pottebakkerijen, 2 bokkingdroogerijen, 1 koren-, 1 olie- en 2 houtzaagmolens.

De Herv., die hier 4300 in getal zijn, onder welke 1130 Ledematen, maken de gem. van de Lemmer-Follega-en-Eesterga en Oosterzee-en-Echten uit, welke 3 kerken hebben, als: eene te Lemmer, eene te Oosterzee en eene te Echten, welke door twee predikanten bediend worden.

De Doopsgez., van welke men er 30 telt, worden tot de naastbij gelegen gem. van Warns, Woudsend en Joure gerekend. - De R. K., die er 400 in getal zijn, onder welke 290 Communikanten, maken de stat. van de Lemmer uit. - De Isr., van welke er 70 wonen, behooren tot de ringsynagoge van de Lemmer.

Men heeft in deze griet. 5 scholen, als: twee aan de Lemmer, zijnde eene jongens- en eene meisjesschool, ééne te Echten, ééne te Follega en ééne te Oosterzee, welke gezamelijk gemiddeld door een getal van 640 leerlingen bezocht worden.

Deze griet. is zeer waterrijk en bevat, behalve wateren van minder belang, als het Brande- of Kleine-Slootermeer, de Kleine Brekken, de Wielen enz., een groot lang water, bekend onder den naam van Groote-Brekken, in het westelijk deel der grietenij, gelijk ook een gedeelte van het Tjeukemeer.

behalve de gemelde groote wateren vindt men ook onderscheidene aanmerkelijke vaarten in deze grietenij, waarvan eene uit de Groote-Brekken naar het Tjeukemeer loopt, en de Rijnsloot of Woudsloot genaamd wordt, over welke eene valbrug ligt, bij het dorp Follega, terwijl eene andere ook de Rijn genaamd, uit het Tjeukemeer loopt naar de Lemmer, werwaarts men van Slooten vaart, langs de Lange-Sloot, door de Groote-Brekken, en eindelijk langs de Zijlroede.

Van rijwegen is deze grietenij schaars voorzien: de voornaamste van allen is de zeedijk loopende van tacozijl tot aan de Overijsselsche grenzen bij Slijkenburg; voorts de rijweg, die van de Lemmer naar Oosterzee, Echten enz. loopt, en langs welken men, voordezen, geheel door Schoterland moest rijden, om naar de Joure te kunnen, terwijl er alleen een afgesloten voetpad en paardepad derwaarts liep van de Lemmer over de Follegasterbrug; doch dit pad is, in later tijd, in eene zeer bekwamen rijweg veranderd en nu straatweg geworden.

In oude tijden was Lemsterland zeer vermaard, uithoofde der vele oorlogen, die aldaar gevoerd zijn, als tegen den Graaf van de Kuinre, de Bisschoppen van Utrecht, en de Graven van Holland, welke uit aanmerking van de goede haven, hunnen intogt in deze provincie, meestal door de Lemmer deden. Door hunnen invloed werd eene sterkte of kasteel te Oosterzee gebouwd, dat echter daarna door de Friezen gesloopt is.

Door den watervloed van Februarij 1825 heeft deze grietenij veel geleden. Ze zeedijk, van de Lemmer tot aan Schoterzijl, heeft door den geweldigen aanval der zee het meeste geleden, daar de kracht van den vloed zich hier het sterkste verhief. Het zeewater, door den noordwesten wind tegen de Friesche en Overijsselsche kusten aangedreven, verzamelde zich of werd van den Lemsterhoek tot aan Elburg toe, als in een diepe kolk op een getast. Door den springvloed en den fellen wind tot eene zeldzame hoogte opgejaagd, gepaard met de schudding en beweging der grond, konden noch dijk, noch werken de onwederstaanbare kracht van den golfslag tegenstaan, te minder daar de woeling, de heftige opeenstuwing en deining der zee veel sterker waren, dan men dit, naar mate van wind en stroom, had kunnen verwachten. Op Vrijdag morgen stortte alzoo de hoogezwollen zee met hare ontzettende baren, in volle kracht en met woest geweld, aanhouden op den kruin des dijks, voor het Oostzimger-Land gelegen aan. Bij elken slag al hooger opgestuwd, verhieven zij zich met breede koppen tegen, op en eindelijk tot elf palmen over den dijk en rolden in de diepe vlakten neder. Niet lang kon een zwakke aarden wal zoo veel geweld verduren: want op dezen dag, eer nog de avond ingevallen was, werd de geheele zeedijk allerdeerlijkst geteisterd en op vele plaatsen tot op het maaiveld weggeslagen; terwijl door dertien gaten, waaronder er van eene geweldige lengte en diepte waren, de zee landwaarts in stoof en spoedig het geheele Oosterzeesche- en Echter-Veld bedekte. Onder deze doorbraken waren drie doorloopende gaten, waarin diepe kolken geslagen en zware brokken uit den grond verre landinwaarts in geworpen waren. Gelukkig echter en opmerkelijk, dat slechts op ééne plaats, alwaar huizen op den dijk waren gebouwd,  juist daarbij of tegen over ééne doorbraak viel. Deze woning werd vernield, doch de bewoners, die kort te voren bij hunnen buurman waren gevlugt, zijn aldaar behouden gebleven. Daar nu in dezen namiddag het zeewater met voortdringend geweld over de velden stroomde, het geheele gebied van Oosterzee en Echten bedekte, de vaarten insnelde en het binnenwater voortstuwde, zag men met schrik en ontzetting den spoedigen aanwas en daarna den vreeselijk stijgenden vloed, veroorzaakt door de vereeniging van het instortend zeewater van Overijssel, met dat door de doorbraken in den zeedijk, beoosten de Lemmer. In de nabijheid van de buurschap de Lange-Lille in Stellingwerf-Westeinde, niet verre van de Echterbrug, in deze griet., is duidelijk deze vereeniging opgemerkt, daar eerst, de stroom, tegen den wind in het Noordwesten oploopende, het zeewater ook eenigen tijd in die rigting werd voortgedreven; doch plotseling werd zijn loop veranderd en in de Tjonger, bij de Echtersloot, met al wat de vloed van den kant van den Lemmer met zich voerde, als met eene vliegende vaart noordwestwaarts die rivier opgedreven. Aldus steeg het water allengs meer en meer: want van het Zuiden en het Westen groeide de massa door gelijken toevoer aan. Alle polders onder de beide dorpen, waren reeds ten zeven ure des avonds ondergeloopen, en vóór den nacht was in geheel Lemsterland geen drooge plek meer. Geene polderdijk was zoo hoog of het stroomde daarover, en waar zich verder eenen weg had kunnen banen of verdeeld worden, vond het nu tegenstand en daarna vereende kracht, door het instortend water van de Overijsselsche kust. De snelle stroom langs verscheidene wegen door den stormwind in het Tjeukemeer gestort, moest al wat aan zijnen zoom gelegen was, de verdubbelde kracht van den vloed doen ondervinden. Des avonds ten 7 ure kwamen aan de Follegasterbrug, aan dit Meer gelegen, de golven met zulk een hevigheid aandruischen en wiessen met zulk eenen spoed, dat binnen één uur tijds het water dertien palmen hoog in de huizen stond, en kort daarna al de landen van Follega en Eesterga meer dan twee ellen diep daaronder bedolven werden. - Vele huizen dreigden in te storten en geheele stukken lands scheurden uit den grond en werden tegen de dijken aangeworpen. Dit was de gesteldheid van Lemsterland, toen onder dit onheil langzaam de nacht genaakte; ieder was verlegen en verslagen, en zorgelijk de toestand van hen, die op zolders en vlieringen gezeten, den nog steeds rijzenden vloed zagen; maar erger was het met zoo velen, die in de waggelende en ondermijnde woningen, tusschen vrees en hoop, hun lot moesten afwachten; allerakeligst werd de toestand dergenen, die hulp- en radeloos in den donkeren nacht, in den hevigen storm het instortend huis ontvlugt, om lijf en leven te bergen, met een wankel bootje of op vlot en balken dobberende, telkens in elken golfslag, den hun aangrijnzenden dood aanschouwden! - Zoo menig een, buiten de polders woonachtig, moest de zwakke tent of het bouwvallig huis met vrouw en kinderen verlaten, en met achterlating zijner goederen, onzeker van zijn lot, in een reeds vervallen vaartuig, zich der golven toevertrouwen, en eene schuilplaats zoeken. Zeer velen gelukte het dan ook, nog voor den nacht, in de meer bewoonde streken aan te landen en zich in hun behoud te verheugen.

Het wapen van Lemsterland bestaat uit een veld van zilver, met eenen arm van keel (rood), komende van de regterzijde des schilds, dragende op zijn hand eenen wereldkloot van goud, het schild gedekt met een kroon van goud.

LEMSTER-VIJFGA (DE), naam, onder welken men vroeger de vijf dorpen van Lemsterland verstond, zijnde destijds Bandt, Eestergaa, Follega, de Lemmer en Lemsterhoek.

LEMSTER-ZIJL (DE); zeesluis, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, in het vl. de Lemmer.

Deze sluis is van zeer veel nut, zoo om het binnenwater, dat uit het Tjeukemeer en andere wateren in grooten overvloed herwaarts heen schiet, naar de zee te leiden, als ook ter begunstiging van de in- en uitvaart veleer schepen, die hier eene goede haven vinden en eene genoegzame diepte om haar aan te doen.

MUYTZAARD (DE), streek lands, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, Z. van de Groote-Brekken, tusschen twee oude sloten met name de Nieuwe-Duiker en een gedeelte van de Oude-Duiker en het vaarwater de Zijlroede.

OOSTERZEE, oudtijds Oosterse, in het Oud-Friesch Aesterzee, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 5 u. Z, van Sneek, kant. en 1 u. N. O. van de Lemmer, Z. van het Tjeuke-meer.

Dit d., is het grootste der grietenij, hoewel niet zeer bevolkt, naar zijne uitgestrektheid, tellende men er slechts 360 h. en nagenoeg 920 inw., die meest bestaan van den landbouw. Ook heeft men er eenen houtzaagmolen en eenen oliemolen. Oosterzee is wel voorzien van schoone riviervisch.

De landen van dit d., ten N. aan het gemelde meer palende, strekken zich zuidwaarts wel 1 1/2 uur uit, en zijn bekend onder den naam van Oostringer-land. Zie dat woord.

De Herv., die hier 900 in getal zijn, behooren tot de gem. van Oosterzee-en-Echten, die hier eene kerk heeft. Deze kerk, die eenen fraaijen spitsen toren plagt te hebben, welke reeds van overlang vervallen is, staat landwaarts in, aan den westkant van den rijweg, van Heerenveen naar de Lemmer, waar langs ook bijna alle de huizen aan den noordkant zijn gebouwd. De kerk zelve, een langwerpig vierkant gebouw, 22 ell. 6 palm. lang, en 9 ell. 4 palm. breed, is in 1706 gebouwd, nadat de vorige, welke van eenen geheel anderen bouwtrant was, door eenen harden wind was ingestort. De predikstoel staat in het midden, hoewel hij beter aan het oosteinde zoude geplaatst zijn. De nette koepelvormige toren is in 1798, ter vervanging van eenen klokkestoel, welke er destijds bestond, op de kerk geplaatst.

De Doopsgez., die er 4 in getal zijn, behooren tot de gem. van Joure. - De 16 R. K., die er wonen, behooren tot de stat. van de Lemmer. - De school wordt gemiddeld door een getal van 90 leerlingen bezocht.

Te Oosterzee plagt ook een regthuis te wezen, gelijk mede twee aanzienlijke staten, beide den naam voerende van Oosterzee, naar twee Grietmannen uit het geslacht, welke hier hebben gewoond, en insgelijks eene Roorda-state, doch die allen reeds voor vele jaren verdwenen zijn. - Opsommige kaarten van Friesland ziet men bij dit d. eenen heerlijken aanleg van eene groote uitgestrektheid, het Huis-ter-Velde genaamd, doch deze bestaat slechts uit eenige beplante lanen, en dient voorts tot eene vogelkooi.

Oosterzee is de geboorteplaats van den Godgeleerde Menso Poppius, † na 1567. Hij was de Schrijver van het register der Roomsche Priesters, die wegens hunne Hervormde gevoelens in 1567 uit Friesland gevlugt zijn, en in Oost-Friesland eene schuilplaats gezocht en gevonden hebben.

In den jare 1196 kwam Jonkheer Willem, zoon van Floris III, Graaf van Holland, hier in het land, hetwelk toen in oorlog was met Hendrik Kraan, Graaf van de Kuinder, hebbende de eerste, om dezen twist, die van zeer langen duur was, uit te houden, hier een sterk slot gebouwd.

In 1198 had Willem geluk zijne vijanden te verslaan; ook kreeg hij, eenigen tijd later, den Bisschop van Utrecht, die de Friezen met onregtvaardige afpersingen kwelde, gevangen, hoewel hij echter, naderhand, door beleid van eenige Monniken werd losgelaten. ten jare 1521 werd Oosterzee, door den Bisschop van Utrecht, geheel verbrand.

OOSTERZEE, ter onderscheiding van het voorgaande ook wel het Blaauw-Huis genaamd, voorm. state, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 5 u. Z. van Sneek, kant. en 1 u. N. O. van de lemmer, N. O. van Oosterzee, waartoe zij behoorde. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans weiland.

OOSTERZEE, voorm. state, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, arr. en 5 u. Z. van Sneek, kant. en 1 u. N. O. van de Lemmer, N. O. van Oosterzee, waartoe zij behoort. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans weiland.

OOSTERZEE-EN-ECHTEN, kerk. gem., prov. Friesland, klass van Heerenveen, ring van de Lemmer.

Men heeft er twee kerken, als: ééne te Oosterzee en ééne te Echten, en telt er 1840 zielen, onder welke 400 Ledematen. De eerste, die in deze gemeente het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Antonius Nicolai, die hier spoedig na de Hervorming was, en welligt niet in vaste dienst, maar ter leen.

OOSTERZEE-SLOOT, water in Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, dat, 1/4 u. N. O. van Echten, uit het Tjeukemeer voortkomt, met eenen zuidoostelijken loop langs het geh. Echtenburg loopt, en zich in de Kuinder ontlast.

OOSTZIMGERLAND, Oostzingerland of Oosterzees-en-Echter-veld, groote uitgestrektheid laag land, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, onder de d. Oosterzee en Echten.

Het beslaat eene oppervlakte van 600 bund. Weleer liep het tot aan den dijk de Worst, welke Friesland van Overijssel scheidt, doch na den watervloed van het jaar 1701 is het zuidelijkste gedeelte van dat land verlaten, en een nieuwe afsnijdende dijk aangelegd, welke over de oude Schoterzijl naar Slijkenburg loopt.

Op dit veld zijn, in oude tijden, onderscheidene bloedige veldslagen geleverd, als, onder anderen, in het laatst van Augustus 1396, tusschen de Friezen, onder hunnen Potestaat Juw Juwinga, en de Hollanders, onder Hertog Albrecht van Beijeren, die een verbazend Leger van 180,000 man op eene vloot van 1400 schepen aanvoerde, met geen ander doel, dan om het kleine, doch, door de dapperheid van zijne bewoners zoo geduchte, Friesland te veroveren. De Friezen verrigten wonderen van dapperheid, doch hunne klein getal moest voor de talrijke legerbenden des vijands wijken. Sedert den aanvang dezer eeuw is men begonnen dit veld te verveenen, en heeft men daarin polderdijken aangelegd en drie groote veenkanalen gegraven. Men gaat daarmede zoo ijverig voort, dat er jaarlijks ongeveer 1,500,000 vierkante ellen grond verveend of tot turf gemaakt wordt. Eerlang zal hier zelfs een groote veenpolder worden aangelegd.

PIER-CHRISTIAANS-OOSTERZEE-SLOOT, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Zie Oosterzee-sloot.

RHYN (DE OUDE-),  water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland.

Het loopt van de Groote-Brekken oostwaarts naar de Follegastersloot en met deze tot aan het Tjeukemeer, waarin het zich ontlast.

RHYN (DE), water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Het neem zijnen oorsprong uit het Tjeukemeer en loopt zuidwestwaarts naar de Lemmer, waar het zich ontlast in de Zuiderzee.

RIJNSLOOT (DE) of de Woudsloot, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, dat in eene westelijke strekking van het Tjeukemeer naar de Groote-Brekken, langs Follega loopt.

Het gedeelte dat langs Follega schiet, wordt de Follegastersloot genoemd.

TJEUKEMEER (HET), meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, tusschen de griet. Lemsterland, Doniawerstal en Schoterland, dat ten N. met de Wiel en de Uilespring, en door de Dijksloot en de Nije-Ryn met de Wester-Sypen, ten O. en Z. O. door de Broeresloot en de Pier-Christiaan-Oosterzee-sloot, en ten W. door de Follega-sloot, met de Groote Brekken in verbinding staat.

Het is het grootste meer van Friesland, dat door zijne vischrijkheid aan de bewoners der omliggende dorpen goede kostwinning geeft. Het kan soms geweldig onstuimig zijn, maar wordt weinig bevaren.

Volgende pagina nog ophalen.

VELDE (HET HUIS-TE-), voorm. buit., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, 2 u. Z. O. van Oosterzee, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar deze buit. gestaan heeft, ziet men thans eene eendenkooi en boerenhuis, omgeven door eenigen beplante lanen, welke door den watervloed van het jaar 1825 grootendeels zijn vernietigd, alles beslaande eenen oppervlakte van 77 bund. 4 v. r. 30 v. ell. en in eigendom bezeten wordende door den Heer van Andringa de Kempenaer, woonachtig te Lemmer

VOLLEGA, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland. Zie Follega.

WIEL (DE GROOTE-), meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, 1/4  u. N. van de Lemmer, in het d. Eesterga, van alle kanten van zeer vruchtbaar weiland omgeven.

Dit meertje hetwelk thans nog eene oppervlakte beslaat van 6 bund. 32 v. r. 70 v. ell., wordt van tijd tot tijd kleiner door aanwas aan den West- en Noordwestkant.

WIEL (DE KLEINE-), voorm. meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Lemsterland, Z. van de Groote Wiel. Dit meertje is sedert lang digt gegroeid en in vruchtbaar weiland herschapen.