AMELANDS-HUIS, aanzienlijk adellijk gebouw binnen Leeuwarden. Zie Cammingha-huis.

ANNAKLOOSTER (ST.), voorm. nonnenklooster van den derden regel van St. Franciscus, te Leeuwarden. Zie Fiswert.

CAMBUUR (ACHTER-), b., aan de oostzijde der st. Leeuwarden, prov. Friesland, tusschen het Vliet en het Cambuursterpad.

CAMBUUR, voorm. groot adell. slot, prov. Friesland. Zie Camminghaburg.

CAMMINGHABURG of Cambuur, ook wel onder den naam van het Oud-Blokhuis bekend, voormaals een adell. slot, prov. Friesland, kw. Oostergoo, 5 min. beoosten en onder het behoor van de stad Leeuwarden.

Deze zeer oude stins was geheel uit eene diepe en breede gracht, die haar omringde, opgetrokken, door hovingen en singels omgeven en nog door eene tweede gracht en afzonderlijke voorpoort van den algemeenen weg afgescheiden. het huis, reeds zeer vroeg door het adellijk geslacht Cammingha gebouwd, werd in het jaar 1306 door den Potestaat Regnerus Cammingha bewoond, en had in 1398, toen het bewoond werd door Gerrit Cammingha, die met Hertog Albrecht van Beijeren heulde en Hollandsche bezetting ingenomen had, een hevigen aanval van de Friezen te verduren, die het slot innamen en de bezetting ombragten of verdreven. Het werd achtervolgens door verschillende leden van de geslachten Cammingha, Juckema, Eminga, Burmania en Rengers bewoond; doch toen het, in het midden der vorige eeuw, ledig gelaten werd, is het, na den brand van het Lands Tuchthuis te Leeuwarden, een tijdlang gebruikt geworden tot eene bewaarplaats van gevangenen, en later van lands ammunitie. In 1810 is het slot met de kapel, voorpoort en nevenstaande boerenwoning afgebroken, en de hooge standplaats van het slot zelf beplant met populieren, die nog lang, zelfs op eenigen afstand, de geheugenis aan het vroeger zoo beroemde gebouw levendig hielden. Doch ook deze herinnering is in 1838 verdwenen en die plek sedert geslecht, de diepe grachten grootendeels gedempt, en verder alle sporen van vroegere bewoning en beplanting uitgewischt.

CAMMINGHAHUIS of Amelandshuis, adell. h. in Leeuwarden, aan de Voorstreek.

Het was vroeger een weerbaar kasteel, maar, in het jaar 1658 vernieuwd zijnde, heeft het aanmerkelijke veranderingen ondergaan, terwijl tevens de voorgevel versierd werd met de wapenschilden van Cammingha, Heringa, Jelmera, Unia en een groot getal kwartieren, die er tot 1795 nog aanwezig waren.

Dit gebouw was in Leeuwarden, de zetel van dien tak der Cammingha's, welke Bepaaldelijk Heeren van Ameland waren, van waar het den naam van Amelandshuis bekwam en zelfs nog draagt. Het werd oorspronkelijk gesticht bij de buurt Hoek, gelegen aan de noordoostzijde van Nijehove of Oud-Leeuwarden; doch nadat de Cammingha’s bij die buurt de St. Catharinakerk gesticht, en vele der rondom deze stins liggende gronden tot erven uitgegeven hadden, nam deze parochie, even als de zoo nabij gelegene jeugdige stad, dermate toe, dat op den Landsdag van 1426 werd besloten, dat de beide parochiën Oldehove en Hoek met de stad Leeuwarden vereenigd zouden worden. Hierdoor en door eene nadere bewalling der stad werd ook het Amelandshuis in Leeuwarden betrokken, en verkregen de Cammingha's meer gezag in de stedelijke regering. In het laatst der vijftiende eeuw was daarvan bezitter Pieter van Cammingha, die het bij testament van den jare 1521 naliet aan zijnen zoon Wytze, opgevolgd door diens broer Haijo, die later geleerden en letterkundigen roem verwierf; van dezen vererfde het op zijns broers zoon en kleinzoon Pieter en Frans, van welke de eerste als een der onderteekenaren van het verbond der Edelen, bekend staat. Daarna werd het bezeten door de navolgende Heeren van Ameland: Sicco, Pieter, Wytze en Watze van Cammingha, welke laatste, gehuwd met Rixt van Donia, het gebouw in 1658 vernieuwde. Hun zoon Frans Duco, de laatste Heer van Ameland uit dit geslacht, kinderloos overleden zijnde, heeft zijne moeder de heerl., naar het schijnt, bij testament gemaakt aan Sicco van Goslinga, Wilco Holdinga, Baron thoe Schwartsenberg, en zijne vrouw Frederica Sophia van Goslinga, en Anna Dodonaea, Baronesse thoe Schwartsenberg; welke erfgenamen de heerlijkheid Ameland, in 1704, verkochten aan den Frieschen Stadhouder Johan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau. Dit gebouw bleef het eigendom van een dier erven, het geslacht thoe Schwartsenberg, door hetwelk het thans nog wordt bezeten en bewoond.

CAMMINGHAHUIS, op het hoog van de Groote Kerkstraat te Leeuwarden, prov. Friesland, weleer door eenen anderen tak van het bovenvermelde beroemde geslacht gesticht en bewoond, draagt, hoezeer het voorste gedeelte later ook naar eene nieuwere bouworde vertimmerd is, in eenen ouden toren als anders, nog de blijken van de oorspronkelijke stichting als kasteel of stins. Het is hetzelfde gebouw, dat in 1584 Tiete van Cammingha toebehoorde, doch, dewijl deze in Spaansche dienst verbleef, zoo het schijnt, tevens met zijne goederen aan den Staat vervallen verklaard werd; waarom dit huis aan den toen nieuw benoemden Stadhouder Graaf Willem Lodewijk van Nassau ter bewoning werd afgestaan (1).

Dit gebouw wordt in sommige stukken Oud-Camminghahuis genoemd, gelijk het adellijk geslacht van Harinxma Thoe Slooten, onder den naam van Klein-Camminghahuis voorkomt.

(1) Vriesch Charterboek IV. 458

CAMSTRABUREN, noordelijke voorst. der stad Leeuwarden, prov. Friesland, kw. Oostergoo, langs de Ee of trekvaart naar Dockum, waar in het jaar 1840 een houtzaagmolen is gebouwd, terwijl er eene pottenbakkerij bestaat.

CATHARINAKLOOSTER (ST.), voorm. kl. te Leeuwarden, prov. Friesland, tusschen de Speelmansstraat en de Groote-Kerkstraat.

Het was gesticht door Humme Obben?, Beambtschrijver en Burgemeester van Leeuwarden en zijne huisvrouw Houck, op aandrang van hunne dochter Wilmodis? en geholpen door Wybe Gerrits, mede Burgemeester van Leeuwarden. Hemme kocht eerst, in het jaar 1507?, eene stede, op welke hij een huis schijnt gebouwd te hebben. Vervolgens kocht hij eenige aangrenzende huizen en nog ledige plaatsen, en bestemde toen het geheel tot een klooster van Nonnen van den derden regel van St. Dominicus. Deze stichting door den Bisschop van Utrecht, en bij eene Pausselijke bul erkend zijnde, werd, op een klooster van gezegde orde aangenomen, mits het aanstaande Algemeen kapittel der orde ook zijne toestemming daartoe gaf. Nadat deze toestemming in het jaar 1523 gegeven was, deed Wilmodis, den 8 Julij van dit jaar, hare gelofte in dit klooster, waarvan zij naderhand Priorinne werd. De kerk van dit gesticht, welke de Kerk der Apostelen genaamd, en in het jaar 1530 plegtstatig ingewijd werd, is, nadat het klooster in het jaar 1580 vernietigd was, in het jaar 1657, tot eene Kerk voor de Waalsche gemeente ingerigt, waartoe zij nog dient; terwijl en Pastorijen, het R. K. Armhuis en eenige partikuliere huizen wordt ingenomen.

Het klooster was aan de H. Catharina van Senen toegewijd, en komt in oude stukken voor onder den naam van de Predikaren of Dominiciorde-Convente der Witte- of Nieuwe-Nonnen, gelijk  de kapel onder den naam van de Clarissekerk. - Bij de vernietiging, in het jaar 1580, bleven van dit klooster slechts drie Nonnen en twee Werkzusters hunner gelofte getrouw; zij huurden van de stad drie en vermoedelijk een gedeelte van het klooster geweest was, waardoor zij het dus nog eenigermate in stand hielden.

DOMINIKANER KLOOSTER, voorm. Nonnenkloost. te Leeuwarden, prov. Friesland. Zie Catharina-Klooster (St.).

DOMINIKANER-KLOOSTER, Predicaren-Klooster of Jacobijner-Klooster, voorm. kloost. te Leeuwarden, benoorden de tegenwoordige Groote of Jacobijner-kerk, die de kapel van het klooster geweest is.

Dit klooster werd, meent men, in 1238, anderen zeggen in 1242 of 1243, welk laatste jaartal het naast aan de waarheid schijnt te komen, door het adellijk geslacht van Cammingha gesticht. Het verbrandde met een gedeelte der stad in het jaar 1392, en het zou eerst in het jaar 1487, ter voriger plaatse weder zijn opgebouwd geworden. Dit komt echter onwaarschijnlijk voor. Het herbouwen zal dus alleen ten opzigte der kerk gelden. In laatstgemeld jaar namelijk, werden de grondslagen van de nog bestaande kerk gelegd; maar daarom kunnen de Kloosterlingen wel bij voortduring hunne zamenwoning, ofschoon in nederigen staat, toch in stand gehouden hebben.

Voor het overige was dit klooster een uitgestrekt en aanzienlijk, ja zelfs, naar het schijnt, een prachtig gebouw. In het reventer 9de eetzaal) daarvan, waren de Staten des lands, in de Saxische tijden en al vroeger, gewoon te vergaderen, wanneer zij te Leeuwarden bijeen kwamen. Ook andere plegtige en gewigtige vergaderingen zijn aldaar gehouden geworden. Het strekte nu en dan aan onderscheidene hooge personaadjen tot verblijf. De papieren van staat werden er in langwerpig-ronde spanen dozen zorgvuldig bewaard. De tegenwoordige Kosterij van de Groote kerk was er een gedeelte van, en de Muntjemuur-, eigenlijk Monnikenmuur-straat, ontleende haren naam van dit gesticht. De kerk, die, zoo als tegenwoordig nog blijkt, voor eene kloosterkerk, een bij uitstek groot en aanzienlijk gebouw was, werd van 1578 tot 1580 door de Hervormden en de Roomsch-Katholijken gezamelijk gebruikt, zoo dat, op de predikdagen der eerstgemelden, de Monniken hun werk ten tien ure des morgens moesten verrigt hebben. De Hervormden predikten er voor het eerst op Woensdag, zijnde toen den 20 Augustus van het eerstgemelde jaar. Deze kerk wordt, sedert dat de hoofdkerk van St. Vitu vervallen is, de Groote Kerk genoemd.

ESPELBACH, voorm. adell. h. in de st. Leeuwarden, prov. Friesland, op de Eewal, in de zestiende eeuw door eenen Jonkheer van Espelbach gebouwd, en sedert door verschillende Friesche adellijke familiën bewoond, tot dat het, in 1793, afgebroken en door een modern huis vervangen werd.

FLIET (HET-), buurs., prov. Friesland, kw. Oostergoo, gem. Leeuwarden, eigenlijk eene voorstad van die stad uitmakende, en aan de oostzijde daarvan gelegen. Het is eene zeer fraai bebouwde buurt met vele fabrijken.

FRANCISKANER-KLOOSTER, voorm. kloost., in en onder het behoor der stad Leeuwarden, prov. Friesland. Zie Galileën.

GALILEEN (OUD-), b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, gem. Leeuwarden. Zie Galleijen (Oude-).

GRACHTWAL, bebouwde buitensingel, Z. O. van Leeuwarden, prov. Friesland. kw. Oostergoo.

In 1571 werden de Leeuwarders, op bevel van den Prins van Oranje belaagd door eenig volk, vergaderd onder het bevel van Duco Martena, die echter in zijne onderneming niet slaagde. Dit had ten gevolgde, dat het Leeuwarder Blokhuis, door den toenmaligen Stadhouder Caspar Robles, Heer van Billy, aanmerkelijk werd versterkt, welke Stadhouder des Konings zaken, thans, wegens den inval van Schouwenburg en andere Prinsgezinden, zeer wankel staande, bestuurde. Hij had nogtans het geluk van alle zijne vijanden te verslaan of te verjagen, en werd daarna met buitengewone vreugdeteekenen te Leeuwarden ingehaald; ook kwam aldaar de Bisschop van Groningen, Jan Knijp, om door zijne tegenwoordigheid der statie des te meer pracht bij te zetten.

In het jaar 1576 ontstond er in Friesland een zeer hevigen storm, die onder anderen de Oldehoofsterkerk deed instorten.

In het jaar 1577 kwam Wybe van Goutum, waarschijnlijk door bestel van Billij, met honderd dertig man op het Vliet, eene voorstel van Leeuwarden, en wist eerlang den Drossaard, Jan van Mathenes de Wijbisma, te belezen, om hen op het slot te laten, waarvan hij zich toen volkomen meester maakte. De burgerij van Leeuwarden kocht hem er wederom af, voor eene leening van dertien weken, die drie honderd dertig honderd gulden beliep. Men sprak toen ook van het slot omver te halen; doch dit gebeurde niet, uithoofde van de afwezigheid van den Stadhouder, den Graaf van rennenberg, die eerst, gelijke velen, zijn hof gemaakt hebbende bij Don Jan, na het gebeurde te Namen, de zijde der Algemeene Staten verkozen te had, door hen tot vasten Stadhouder over Friesland, Groningen, Drenthe, Twente en Lingen aangesteld, en voor het einde van September in Friesland wedergekeerd was. Hier, twee vendels Hoogduitsers van Rosso’s regiment, liggende in de schansen te Oostmahorn, in de Lemmer, te Slooten, te Makkum en de Hindeloopen, met toezegging van eenige betaling, vergenoegd, en tot vertrekken bewogen hebbende, deed hij deze schansen slechten, stellende daarna, de Friesche boeren in ‘t geweer, onder eenen Hopman, in elke grietenij, hetwelk hem echter, in Groningerland, daar hij het ook dacht te doen, niet gelukken wilde.

Den 4 Maart 1578 werd de nieuwe Stadhouder, Graaf van Rennenberg, zoo het heette in ‘s Konings naam, door Prins Willem van Oranje aangesteld, met groote blijdschap te Leeuwarden ingehaald, ofschoon men ras bespeurde, dat men eenen wolf in het schaapsvel had gekregen. In het zelfde jaar wisten die van Leeuwarden zich, bij verrassing, meester van het Blokhuis te maken, na den bevelhebber Mathenes overmand te hebben; zij gaven aan de bezetting, die hun het huis overgaf, 3300 guldens, en leidden er Rienk Cammingha, benevens den Burgemeester Aedje Lamberts, op met 60 man; dit was echter van korten duur, dewijl Rennenberg er zich weder meester van wist te maken. Naardien men begeerde van dezen dwangnagel ontslagen te worden, dewijl men meer en meer overtuigd werd van de kwade oogmerken des Stadhouder, werd, op den laatsten Januarij 1580, een vast besluit genomen, om het blokhuis te overmeesteren. Te dien einde kwamen eenige vaandels soldaten bijeen, en overweldigden met de Burgers, onder het beleid van den Burgemeester en het hoofd der schutterij, Aedje Lamberts, in den nacht tusschen dien dag en den eersten Februarij, het kasteel. Om hier toe te geraken, namen zij met zich, behalve de Geestelijkheid, eene menigte vrouwen en kinderen van dezulken, die op het kasteel lagen, doch in de stad woonden; zoodat de bezettelingen verlegen stonden, dewijk zij zich niet konden verdedigen, zonder hunne eigene vrouwen en kinderen te treffen; waarom de Bevelhebber best dacht, het huis over te geven, mits hij niet zijn volk vrij kon aftrekken en een jaargeld genieten van twee honderd gulden. Het blokhuis werd alzoo vermeesterd en alles, wat van de stadszijde nadeel kon doen, vernietigd en afgebroken, waarna de geheele Geestelijkheid, onder een smadelijk muzijk en de uitjouwing der soldaten, ter stad werd uitgeleid. daarmede nam ook het Bisdom van Leeuwarden een einde.

In het jaar 1610 ontstonden er bewegingen te Leeuwarden, waarvan men de oorzaak niet duidelijk aangeteekend vindt. Eenigen uit de gezworene gemeente waren, op het einde van het jaar 1609, klagtig gevallen aan de Gedeputeerde Staten en aan den Hove van Friesland, over de Wethouderschap, hen onder anderen beschuldigende, van zich zekere voordeelen toe te eigenen, welke in de stadskas behoorden te komen. Het geschil werd, kort hierop, bijgelegd. De Wethouderschap deed gewillig afstand van de genotene voordeelen. Het misnoegen duurde echter onder het volk voort. Men riep, dat de Wethouders door onbehoorlijke middelen in de Regering bleven. Op Nieuwjaarsdag trekken eenigen, ongewapend, naar het raadhuis, smeten de glazen in, braken de raadkamer open en dreven de Wethouderschap, bezig met het doen der jaarlijksche verkiezing, naar buiten. De Gilden, hierop bijeen gekomen zijnde, bragten de gemeente in de wapenen, en traden toen zelf toe tot de aanstelling eener nieuwe Wethouderschap, die, voor deze reis en om meerdere zwarigheden te voorkomen, in de Regering, bevestigd werd. Doch op het einde dezes jaars vermaande Graaf Willem Lodewijk, Stadhouder van Friesland, de Gedeputeerden: “zorg te dragen voor diergelijke moeijelijkheid, de ontslagene Wethouders tevreden te stellen, en, voor alle dingen, te verhinderen, dat er geene Spaanschgezinden, Papisten, omgekochten en andere vijanden van den Staat in het bewind raakten.” Het leed echter nog eenige jaren, eer er te Leeuwarden nieuwe verandering in de Regering kwam. Sedert hadden de nieuwe Regenten wel aan eenigen uit de burgerij, die, huns oordeels, gematigde gevoelens hadden in het stuk van godsdienst, doch bij anderen den naam droegen van Vrijgeesten, Papisten, mennisten en diergelijken, genoegen kunnen geven, maar geenszins aan allen. Men vond er ook, die de nieuwe Regenten beschuldigden van dezelfde misslagen, welken zij en de hunnen eertijds den ouden ten lasten gelegd hadden. Het bleek ten minste klaar, dat zij zelve en anderen, die het met hen hielden, alleen in de Regering zochten te handhaven; anderen, die het, naar veler oordeel, beter meenden met de godsdienst, daar buiten sluitende. Die het met deze laatsten eens waren, heette men hier Geneefsche-, de andere Politieke- of Staatkundige Geuzen. In December des jaars 1614 hadden eenige gematigden der burgerij, zoo als zij zich noemden, zich bij de Wedhouderschap vervoegd meet een vertoog, waarin zij klaagden: “dat de vorige misbruiken niet geweerd werden; dat men lieden van de Hervormde godsdienst uit de Regering hield en er zulken toe riep, die, in het stuk der leer, verdacht waren of er weinig werk van maakten; voorts verzoekende, dat er, door gemagtigden uit de Wethouderschap en uit de burgerij, eenen onpartijdigen Raad mogt benoemd en de Regering hersteld worden op eenen beteren voet.” De Wethouders hadden hierop geantwoord, dat zij zich zouden houden willen aan het octrooi op de bestelling der Regering, ten tijde van Leicester gegeven, hetwelk sommigen hunner nogtans, in het jaar 1610, reeds verbroken hadden. men was hierop overgegaan tot de jaarlijksche verkiezing van de Wethouderschap. De gemagtigden der burgerij hadden er eene aantijging regen gedaan, waarop zij in hechtenis genomen en niet eerder geslaakt werden, voor dat zij de nieuwe Regering voor wettig hadden erkend; het morren nam ondertusschen toe. De Staten, op den Landsdag, in Februarij van het jaar 1615, bijeengekomen, namen er kennis van en magtigden den Stadhouder, de Gedeputeerden en het Hof, om de twist door gevoegelijke middelen te beslissen. Men trad in onderhandeling met de Wethouderschap, doch kon het niet eens worden. Graaf Willem en de twee kollegiën vonden derhalve geraden, zich van de magt, hun verleend, te bedienen, en stelden “dat de tegenwoordige Wethouders in het bewind zouden blijven tot den eersten Januarij naastkomende, wanneer de Stadhouder, de Gedeputeerde Staten en het Hof, voor deze reize, eenen nieuwen Magistraat en Gezworene Gemeente benoemen zoude; waarna de wet, jaarlijks, zou veranderd worden, in dezer voege: dat de dienende Wethouders, op den Nieuwjaarsdag, eerst twaalf personen noemen zouden, der Hervormde leer, zoo als die nu openlijk in de kerk geleerd werd, toegedaan en vaste goederen in de stad bezittende; dat zij, daarenboven, nog vier personen noemen zouden, doch niet uit de Gezwoerene Gemeente of uit de twintig Hoplieden der Schutterij; dat de Gezworene Gemeente en de Hoplieden bij deze vier, elk nog vier personen zouden voegen, welke twaalf nog zes anderen tot zich kiezen, en daarna hun getal, bij loting, tot op de helft, dat is negen, verminderen zouden, welke negen Electeurs of kiezers der nieuwe Wethouders zouden zijn, en de plaats van eenen Burgemeester en twee Schepenen, die jaarlijks zouden afgaan, uit de eerstgenoemde twaalf personen, vervullen. ”De tegenwoordige Regering voorziende, dat men haar uit het bewind stellen zou, klaagde hierover aan de Algemeene Staten, die, hiertoe bewogen, meent men, door den Advokaat Oldenbarneveld, eenen ernstigen brief naar Leeuwarden lieten afgaan, waarin het gezag des Stadhouders en der twee kollegiën, naar sommiger oordeel, veel te laag gesteld werd. Ook zouden zij Christoffel Biesman, Burgemeester van Nijmegen, Adriaan Teding van Berkhout, Raad in de Hove van Holland, en Adolf van de Waal, Heer van Moersbergen, naar Leeuwarden af, die, alle drie de Remonstrantschen toegedaan zijnde, de verandering der tegenwoordige Regering zochten te voorkomen. Doch tegen het einde des jaars ontstond er zulk een geweldige oploop, dat men voor een bloedbad begon te vreezen, waarom zij het bevorderen van hun oogmerk moesten opgeven. De Stadhouder en de twee kollegiën veranderden de Wethouderschap en de gezworene gemeente, stellende drie Burgemeesters aan, die, vóór het jaar 1610, in het bewind waren geweest, nevens eenen der tegenwoordige, waarna zich alles tot rust begon te schikken.

De Algemeene Staten hadden, reeds sedert het jaar 1625, gepoogd de gemeene middelen bijna op den zelfden voet, als zij in Holland geheven werden, in Friesland in te voeren. Zij deden te dien einde bezendingen derwaarts, en bewogen Westergoo en een gedeelte van Oostergoo tot bewilliging, doch de steden waren niet te bewegen. Men besloot hierop de uitspraak, voorheen op dit stuk ook hier vanwege de Algemene Staten gedaan, bij voorraad te volgen. Graaf Ernst Casimir, Stadhouder van het gewest, werd gematigd, om de gemeene middelen, bij panding en door middel van krijgsvolk, te doen betalen. Het graauw te dezer gelegenheid, in April des jaars 1626, te Leeuwarden op de been geraakt, terwijl de landsdag gehouden werd, viel Douwe van Aylva, Grietman van West-Dongeradeel, zoo fel op het lijf, dat hij zich bergen moest in een huis, hetwelk toen aangevallen werd en geplunderd zou geworden zijn, ware het niet door twee vaandels schutters beschermd geworden; de landsdag door dezen oploop gestoord, scheidde verward. Graaf Ernst aanschrijving gekregen hebbende uit ‘s Gravenhage, om de Hoofden der oproerigen aan te tasten en te doen straffen, zocht, om hiertoe in staat te zijn, vooraf vijf vaandelen knechten, boven de gewone bezetting, behendiglijk binnen Leeuwarden te brengen; doch ‘s daags voor de uitvoering van dezen toeleg kreeg men er de lucht van. Terstond kwam de burgerij in de wapenen, en werden de poorten en straten bezet, zoodat men genoodzaakt was, de naderende knechten bevel toe te zenden, om terug te keeren. De burgerij, toen het spel meester, dwong den Stadhouder de bezetting, die in de stad lag, te ontwapenen. Het graauw dreigde de naaste adellijke huizen te plunderen, hetwelk echter de burgerij belette. De beweging onder het volk sloeg van Leeuwarden over naar de andere steden en naar onderscheidene dorpen. Men vorderde den ontvangers rekening af, plunderde, hier en daar, hunne huizen, en bedreef velerlei moedwil. Doch na verloop van eenigen tijd, werden drie dezer plunderaars gevat en onthalst. Graaf Ernst, ondertusschen aan de Gedeputeerden der steden verklaard hebbende, dat hij met geen ander oogmerk krijgsvolk in Leeuwarden had willen brengen, dan om de hoofden der voorgaande beroerte te doen straffen; geenszins om, gelijk men verspreidde, de gemeene midelen met geweld in te voeren, deed men de ontwapende bezetting de wapenen wedergeven, met welken zij toen te velde trok, waarna de rust, in Friesland, voor eene wijle tijds hersteld werd.

Na dien tijd bleef Leeuwarden geheel onder de regering der Staten van de provincie Friesland, zonder dat er veel merkwaardigs is voorgevallen tot in het jaar 1672, gedurende welk jaar het ook hier, gelijk alom in de provincie, zeer onrustig was. Men vernam hier naauwelijks den gevreesden voorspoed der fransche wapenen, of de doelisten begonnen in allen ijver te vergaderen, om de Regering, die nu, wegens de afwezigheid der Militie, haar wettig gezag niet beschermen kon, met allerlei voorstellen lastig te vallen. Doch op den zeven en twintigsten September brak het oproer het eerst in volle kracht uit, dewijl op dien dag, niet alleen door de Gecommiteerden tot de reforme, op eene vrij geweldige wijze, eene vergadering der Heeren Staten gevorderd, maar ook, zoodra deze vergaderd waren, het Landshuis door de gewapende burgerij bezet werd, zoodat er niemand op noch af kon komen. De Heeren de Blau en Hagius, zijnde gecommiteerd door de burgerij van Leeuwarden, drongen toen met geweld in de kamer van Oostergoo, en eischten eene volkomene goedkeuring der door hen voorgestelde punten, met bijvoeging, dat, zoo de Heeren het niet vrijwillig deden, men het hen zou doen. De Heeren gingen toen in hunne kamers; doch hadden geen tijd om hunne zaken behoorlijk te overleggen, wegens het onophoudelijk geroep en gedreig der hollende burgerij, aan de deuren roepende: Resolveert, en maakt een einde of wij maken het, enz., hetwelk van dat gevolg was, dat de Staten alles, wat door de Gecommiteerden was voorgesteld, met opmerkingen van verschillende aard, die met elkander volkomen in tegenspraak waren, moesten goedkeuren. Voorts matigde zich de regering van Leeuwarden de magt aan, om alle Leden der Staatsvergadering, drie of vier weken lang, binnen Leeuwarden opgesloten te houden, door middel der gewapende burgerij aan de poorten, die niet alleen geenen enkelen afgezondene ten landsdage doorliet, maar ook alle schuiten en wagens ten naauwkeurigste onderzocht, opdat er vooral niemand mogt ontkomen. Ondertusschen hadden de meergemelde Heeren het te Leeuwarden zeer onaangenaam, dewijl men zich niet ontzag hen dagelijks op straat door allerlei bedreigingen te beleedigen, waarom de meest gehaten onder hen zich sluipswijzer aan deze geweldenarijen onttrokken, en zich gezamelijk naar Sneek begaven, alwaar zij meenden, met even goed regt, de Staten van den Lande te kunnen vertegenwoordigen als te Leeuwarden. Zoodra zij hier zitting hadden genomen, werd er een brief aan de Regering van Leeuwarden afgevaardigd, behelzende een voorstel om de zaken in der minne bij te leggen; doch dit voldeed geenszins aan de verwachting, naardien die van Leeuwarden deze niet genoegzaam voltallige vergadering voor onwettig hielden, en daaraan een schamper antwoord gaven, hetwelk open en onbeantwoord aan de Schrijvers terug gezonden werd. Die van Leeuwarden vereenigden zich inmiddels met de meeste Gedeputeerden der overige steden en zulke Heeren uit den lande, welke hunne partij waren toegedaan, tot eene afzonderlijke Staatsvergadering te Leeuwarden, geheel gesteld tegen die van Sneek. Deze twee tegengestelde Staatsvergaderingen namen allerlei strijdige raadsbesluiten, welke zij zoo hardnekkig volhielden, dat zij er niet zouden zijn afgeweken, al had er ook ‘s Lands welzijn aan gehangen. Zoodanig een gedrag was voorzeker thans gevaarlijker dan ooit, dewijl de Bisschop van Munter, nu van Groningen afgetrokken, op zijne luimen lag, om de Friesche posten, die zeer trouwhartig door den Stadhouder werden bewaard, te overrompelen. De Heeren Staten-Generaal vonden derhalve noodig, om uit naam van hen en Willem, Prins van Oranje, eene commissie herwaarts te zenden uit hun midden, geschikt om, met den Stadhouder van Friesland, de zaken tot eene gunstige bevrediging te brengen, en, nadat dit volbragt was, een nieuw reglement van regering, tot wederzijds genoegen van den Soeverein, en de Ingezetenen, te ontwerpen. Deze Heeren Middelaars waren: Prins Hendrik Casimir van Nassau en de Heeren R. van Molenschot, M. van Crommon, Jan van Eck en Allart Pieter van Jongestal. Zij deden in het eerst vele vergeefsche pogingen, om een middel tot bevrediging te vinden; doch bragten het eindelijk zoo ver, dat de leden der tegenstrijdige vergaderingen aannamen, op den negentienden Januarij des jaars 1673, bij elkanderen zijnde, werd de vergadering, door den Heer Molenschot, met eene welsprekende redevoering geopend, en daarin den beklagelijken toestand van ‘s Lands zaken, met de middelen van redres op de treffendste wijze voorgesteld. De gewigtigste punten van den landsdag werden toen overwogen, die vooral, ten opzigte der noodzakelijke zware petitiën, eene buitengewone aandacht vorderden. Daarna werd door de Heeren Middelaars, op 22 Februarij, het ontwerp van een Reglement en Ordonnantie reformatoir overgegeven, om in het vervolg te dienen tot eene vaste en altoos durende wet, naar welke zich een ieder zou hebben te regelen, bestaande ui 105 artikelen, welk reglement, hoewel vele nuttige zaken bevattende, en ofschoon toen ter tijd aangenomen, nooit, volgens den eisch der Friesche Constitutie, is geresumeerd geworden, gelijk volstrekt noodzakelijk was, om daaraan kracht van wet te geven. Door deze maatregelen werd echter eindelijk de rust in Leeuwarden en in geheel Friesland hersteld.

In 1748 had Leeuwarden ook een ruim deel aan de onlusten, welke toen de provincie Friesland beroerden, en zich omtrent de stad, op het Vliet, Oud-Galileën en bij de Schram, het eerst openbaarden, in den nacht van den 29 Mei, met het afbreken van de Opzigtershuisjes, bij de daar, bij de daar ter plaatse staande korenmolens; zijnde dit, als een fraai stukje, onder het slaan der trommen en het spelen op de fluit, ten uitvoer gebragt. Met reden was men toen in de stad beducht, dat ook door de hollende Vlietsers en andere buitenlieden eene gelijksoortige rol zou worden gespeeld, waarom besloten werd, dat er een geheel espel der burgerij, met geladen geweer, zou waken, benevens eene sterkte patrouille van der Staten garde. Dan desniettegenstaande had zich, reeds voor het sluiten der poorten, een aanzienlijk getal buitenlieden in de stad begeven, terwijl ongeveer 25 anderen, in den avond, bij de Hoesterpoort, met eene aldaar liggende jaagschuit, overvoeren, en de wallen beklommen, waarna een opzigtershuisje, onder het gewone veldmuzijk, werd afgebroeken, en vervolgens de vijf overigen, zoodat dien nacht te een uur alles was verrigt, en de Vlietsers terugkeerden, zoo als zij gekomen waren. OP den 31 begaven de voornoemde helden zich wederom, des avonds laat, in de stad, bijna op de zelfde wijze, en vervraken toen de sloten van de molens, gelijk ook de ketenen van de molens der grutters, die, volgens de landswet, alleen van des morgens ten zes ure tot in den avond ten zes ure mogten malen, wordende de molens telkens op dien tijd door de opzichters geopend en gesloten; terwijl zij den gortmakers toestonden, zoo lang en zoo veel te malen als zij wilden, en de molenaars bevolen geene cedels te halen bij de Collecteurs, met bedreiging van in zulke gevallen de molens te zullen vernielen. Eene gelijksoortige rol werd te zelfden tijde gespeeld door de geheele provincie, en dus het gemeen, voor eenen tijd, van den drukkenden last op het gemaal verlost.

Wegens de nijpende armoede, veroorzaakt door den strengen winter van het jaar 1740, had de Regering van Leeuwarden zich verpligt gevonden, de huren der huizen en landen onder haar regtsgebied staande, met eene belasting van eenen halven stuiver op den gulden, ten voordeele der arme kas, te bezwaren. Deze last was, naar het oordeel der menigte, te zwaar, terwijl eenigen het valsch gerucht uitstrooiden, dat de Heeren die penningen tot hun eigen gebruik besteedden, waaruit ras eene bedreiging geboren werd, dat, zoo de Regering deze last niet vernietigde, de huizen dergene, welke die hadden ingesteld, zouden worden omvergehaald. Om deze reden besloot de Regering, tot voorkoming van verdere onheilen, die belasting af te schaffen, gelijk op den 31 Mei 1748 bij afkondiging werd bekend gemaakt.

 Ondertusschen was te Leeuwarden aangekomen eene bezending van zeven en vijftig Gecommiteerden der stad Harlingen, welke, behalve het afschaffen der algemeene havenpachten en nog eenige bijzondere, de stad Harlingen alleen betreffende, vorderden, dat het Erfstadhouderschap in het doorluchtige huis van Oranje en Nassau, zoowel in de vrouwelijke als mannelijke linie mogt worden vastgesteld, gelijk reeds in Holland was geschied, en met de zelfde praeëeminetiën en regten; als ook, dat den Stadhouder magt zou worden gegeven, om de misbruiken in het stuk der stemming enz. te verhelpen. Aan de eerste verzoeken werd, door de niet voltallig vergaderde leden van Staat, aanstonds, en aan de overigen op den 3 Mei daaraanvolgende voldaan. Gedurende dien tijd hadden insgelijks de grietenijen en de overige steden van Friesland hunne Gecommiteerden tot herstel van ‘s Lands zaken benoemd, welke allen, op den 5 Junij, in de Groote kerk van Leeuwarden vergaderden, alwaar zij het gunstig besluit der Heeren Staten, op de voorgemelde en eenige andere punten vernamen en verder uit iedere grietenij en stad twee Gecommiteerden benoemden, ten einde deze met elkanderen, 10 Junij, des morgens ten negen ure, op den Stads Schutters-doelen mogten vergaderen en aldaar raadplegen over alles, wat verder tot redres van ‘s Lands zaken dienstig zou worden geoordeeld. Wij zullen er hier niets anders van zeggen, dan dat zij eene groote menigte van punten vaststelden, gedeeltelijk zeer goed, doch gedeeltelijk ook zeer bedenkelijk, waarom de Heeren Staten ze niet wilden goedkeuren, dan op deze voorwaarden: dat er het goeddunken van den Heer Erfstadhouder op zou moeten worden ingenomen. Doch dit was geenszins de meening der Doelisten, waarom zij zich niet ontzagen, de Hooge Regering met dreigende voorstellen lastig te vallen, die echter op niets uitkwamen, dewijl de Erfstadhouder inmiddels een aantal militie in de provincie zond, om de algemeene rust te herstellen, die toen verder door zijn Reglement-Reformatoir werd bevestigd.

Gedurende de voornoemde zittingen op den Doelen viel er nog een geweldig oproer te Leeuwarden voor, op den 26 Julij, dat zijn oorsprong nam uit de belasting van het passagegeld, in 1744, tot drie stuivers gesteld voor een ieder, die zich buiten de provincie wilde begeven. Van den beginnen af was er al, inzonderheid onder het scheepsvolk, eene groote onwilligheid in het betalen dezer heffing bespeurd, zoodat velen deswege gedagvaard en geboet moesten worden door het collegie der Heeren Gedeputeerden. Thans kwam eene menigte dezer lieden het betaalde terug eischen van den Lands Fiskaal, onder voorwendsel, dat de boete ten onregte was betaald geworden, hetwelk ook eenige anderen deden, die wegens sluikerij enz. waren beboet. In het eerst gaf de Fiskaal de boeten zonder tegenzeggen terug, tot voorkoming van opschudding; doch daar kwamen er zoo veel, dat hij geene gereede penningen meer voorhanden had. De Fiskaal klaagde derhalve aan het Provinciale Hof, hetwelk twee dier oproerlingen, welke met zoodanige eischen opkwamen, deed gevangen nemen; doch hieruit ontstond zulk eenen geweldigen opstand, dat de Heeren Raden genoodzaakt werden, nog dien zelfden avond te tien ure, te vergaderen, en de gevatte personen onder borgtogt te ontslaan. nadat alle onrust, door het ontzag voor het krijgsvolk, gestild was, werd er eene algemeene amnestie of akte van vergetelheid, wegens het gepleegde, afgekondigd. Dus werden deze lieden toen ook niet verder in regten betrokken, en de openbare rust hierdoor hersteld.

Een deerlijk ongeluk trof deze stad door het afbranden van het Landschaps- Tucht- en Werhuis, tusschen 12 en 13 November 1754, een brand, die, door de ligt aan te steken brandstoffen van wol en braziliehout, welhaast niet te blusschen was. Vijf manspersonen zaten op eene plaats, tot welke men ter hunner redding niet konde geraken; den smartelijksten dood voor oogen ziende, staken zij de handen door de traliën, smeekende zoo lang om hulp, totdat zij, door den rook verstikt, geen geluid meer konden geven, en in de vlam omkwamen. Dit was ook het deerlijk lot eener gevangene vrouw, aan de vallende ziekte onderhevig, die zich, gelijk de andere vrouwen, niet wist te redden, door van eene verdieping naar beneden te springen. Andere gevangene manspersonen, waaronder eenigen zich reeds, uit benaauwdheid en wanhoop, bij elkander op stroo nedergelegd hadden, in geene andere verwachting dan door de vlam verteerd te zullen worden, kregen, door het maken van geweld, hulp van buiten, en zagen meest allen naar een goed heenkomen, gelijk ook ééne der vrouwen de gevangenis ontvlugtte. met allen mogelijken spoed bragt men de aangevoerde brandspuiten aan den gang, doch met weinig baat, dewijl de brand vast aanwakkerde, hooger rees, langs de gebinten van het dak opklom, de zolderingen aantastte, ter regter en linker hand door de vleugels van het gebouw vloog, den voorraad van hout en turf aanstak, waardoor de vlam torenshoogte in de lucht opsteeg, en, bij eenen sterken wind, de gloeijende vonken, als een vuurregen, over de stad dreef. Welhaast stond het geheele gebouw in vollen brand; geene moeite, geene wakkerheid kon tot redding baten, weshalve men deze met vrucht aanwendde, tot behoud van het daar voor staande Blokhuis, of de gevangenis van het Hof Provinciaal, hetwelk, reeds aangestoken, de ellende scheen te zullen vermeerderen. Bij de aangewende pogingen ter behoudenis, kwam het omloopen van den wind, waardoor het gevaar van het Blokhuis verminderde, het Stads Turfhuis en Ammunitiehuis behouden bleven, en de zorg der brandblusschers zich alleen behoefde te bepalen tot het timmerhuis en eene groote schuur met hooi, reeds met brandzeilen bedekt, Met het aanbreken van den dag lag dit gebouw, omtrent honderd jaren voren gesticht, geheel in puinhoop, asch en kolen.

Hoezeer men in het onrustige jaar 1787 te Leeuwarden een steun aan het krijgsvolk had, waren de partijschappen ook hier oorzaak van groote spanning en beweging. Kleine onlusten vielen er voor tusschen het krijgsvolk en de burgers, die de krijgs- en burgerwachten deden verdubbelen. Behalve het opontbod der Regimenten, in soldij van Friesland staande, gaf de Regering te Leeuwarden, den vier en twintigsten Augustus, last aan den Bevelhebber der krijgsbezetting om de paarden der Ruiters uit de weide op stal te halen, en alle afwezige Ruiters op te ontbieden, om spoedig gereed te kunnen zijn, wanneer men hunne mogt behoeven. Het blijkbaar aangroeijen der aanhangelingen van de Franeker Staatsleden in Friesland zelf, de loopende en geenszins in allen deele ongegronde geruchten, dat de vrijeeorporisten te dier stede en elders in Friesland, niet alleen uit Holland en Overijssel toevoer van krijgsbehoeften, maar ook van manschappen zouden bekomen, verdubbelde de vrees te Leeuwarden en deed, met den aanvang van September, maatregelen ter verdediging nemen. Vanhier de aanstelling eener commissie tot verdediging, uit de Heeren van het Mindertal, het Hof en het Collegie; vanhier het verbrengen en bezorgen van ‘s Lands ammunitie, die buiten de stad op Camminghaburg lag; vanhier het versterken van de wallen door het opwerpen van de noodige batterijen; vanhier, eindelijk, de uitmonstering van alle zoodanige leden der schutterijen, die aan de Regering den nieuwen eed van getrouwheid niet verkozen te doen; en de schikkingen, gemaakt ter aanmoediging en ten voordeele der schutters, die zich in dezer voege op nieuw verbonden. Bij de kort daaropvolgende omwenteling van het jaar 1787 viel er te dezer plaatse niets meldingswaardig voor.

Nadat, in het jaar 1793, de opening der fraternaniteit te Leeuwarden was toegestaan, trokken de Gemeenebest-gezinden, wel vijf honderd in getal, den 6 Februarij, paarsgewijzen naar gemelde societeit, en werden door den burger Jona, met eene aanspraak, verwelkomd. Daarna was men dadelijk bedacht op het vormen van een commité van opstand door de geheele provincie en het wapenen der Gemeene-best-gezinden. Den 9 van gezegde maand werden vier honderd geweren, uit het ammunitiehuis, aan de burgers rondgedeeld, die terstond hunne Officieren verkozen, en den volgenden dag werd bepaald om de omwenteling te bewerken. Den 10 trokken de gewapende kompaniën op, en bezetten het stadshuis, waar de Regering en de Vroedschap, als ook het Commité van Leeuwarden, was vergaderd. Eenige leden daarvan, van het stadhuis komende, vroeger aan de vereenigde burgers, of het hun wil niet was, dat de tegenwoordige Regering van hare bediening werd ontzet. Dit met een algemeen hoezee beantwoord zijnde, vervoegde zich een der leden bij de vergaderde Regering, om haar aan te zeggen, dat zij, het vertrouwen des volks verloren hebbende, van hunne posten werden ontslagen, hetwelk door den Voorzitter, met eene betuiging van aller bereidwilligheid daartoe, werd beantwoord. Deze vertrokken zijnde, werd door den Secretaris van het Commité de, door dat Ligchaam gekozene, leden der Stads-Regering ter goedkeuring voorgedragen, die, allen aangenomen, dadelijk op ontboden en door het Commité geinstalleerd  werden. Des namiddags werden de in 1787 uitgewekenen, van wier aankomst men verwittigd was, door de gewapende burgermagt, met het lossen van het geschut, plegtstatig ingehaald. Op den 19 dier maand verschenen te Leeuwarden de twaalf compagniën burgers in de wapenen, verklaarden zich voor de fraterniteit en ontvingen aldaar van den President der nieuwe Municipaliteit de hun in 1787 ontnomene vaandels en verdere krijgs-ornamanten. De door het Commité-Revolutionair verkozene provionele Representanten der provincie bevonden zich reeds in gemelde societeit. Het Commité, statelijk begeleid door de gewapende magt, trok, onder het losbranden van het geschut, naar het landschapshuis, ontzette de aldaar vergaderde Staten van hunne regeringsposten met eene nadrukkelijke uitspraak, stelde vervolgend een zestigtal personen tot Provisionele Representanten aan de vergaderde menigte voor, die, allen goedgekeurd zijnde, door het Commité dadelijk uit de Fraternaliteit afgehaald en op eene, door het volk bekrachtigde instructie, beëedigd gëinstalleerd werden. Deze instructie behelsde onder anderen, dat de Staatsleden zich in de noodige Commité’s zouden verdeelen, om alle zaken van bestuur, de finantiën, justitie, koophandel, zeevaart, landbouw en fabrijken betreffende, op de best mogelijk wijze, ten algemenen nutte waar te nemen, zoodanig nogtans, dat het opperbestuur en de finale vaststelling van de gewigtigste zaken zou blijven bij het geheele ligchaam der Representanten; dat een dezer Commité’s onmiddelijk belast zou worden met het onverwijld opmaken van een ontwerp ter geregelde oproeping des volks, ten einde zoodra mogelijk, en wel uiterlijk binnen den tijd van vier maanden, eene volkomene en vrije volksrepresentatie te kunnen daarstellen; dat het Hof van Justitie zou aanblijven, onder erkenning van het gezag en de magt van de Provisionele Representanten des volks; en eindelijk, dat zij, zoo van tijd tot tijd, als na afloop hunner werkzaamheden, en de vervanging daarvan door anderen, door den druk de noodige rekenschap en openbaar verslag van hunne verrigtingen aan de natie moesten geven. Op deze instructie moesten zij zelfs den eed afleggen.

In het jaar 1842, op den 27 Julij, den laatsten dag van de kermis, ontstond in den vroegen morgen in een der kramen, op de Lange-Pijp geplaatst, een geweldige brand, die in weinige oogenblikken alle kramen op dat plein vernielde, de gebouwen aan weerszijden aantastte en de stad met het lot, dat Hamburg kort te voren had getroffen had, bedreigde. Doelmatige aanwending van alle bestaande bluschmiddelen en eene gunstige windstilte, ware oorzaak, dat de brand zich enkel tot dien omtrek bepaalde. De schade der kramers alleen bedroeg bijna 100,000 gulden.

Het wapen van Leeuwarden bestaat in een veld van azuur (blaauw), met eenen springenden leeuw van goud.

KEIMPEMA, voorm. adell. h., prov. Friesland, te Leeuwarden, in de Groote-Kerkstraat. – Het moet vroeger een sterk huis geweest zijn. Later is het tot eene bijzondere woning ingerigt.

LEEUWARDEN (BLOKHUIS-VAN-), voorm. kast., prov. Friesland, kw. Oostergoo, in de stad Leeuwarden, aan de vesting of bolwerk.

De aanvang der stichting van dit gebouw dagteekent van den 22 Februarij des jaar 1499, door Willebrord van Schaumburg, Stadhouder des Hertogen van Saksen. Dit huis is bij zijne eerste bouwing en voltooijing van veel grooter omtrek en sterkte geweest dan tegenwoordig: want men vindt bij Gassema, dat toen rondom het huis eene gracht is gegraven van 280 reoden in den omtrek. Vervolgens is dit gebouw, in den jare 1571 door den Onder-Stadhouder Caspar de Robles, Heer van Billij. nog aanmerkelijk versterkt; ook was het destijds de verblijfplaats des Stadhouders, en altijd met genoegzaam krijgsvolk voorzien. – Men vond in den oude westergevel aan de regterhand, een hardsteenen wapen, verbeeldende eenen dubbelen arend, met een schild er voor, en daarop zoo het scheen, twee harten met oude Duitsche letters rondom het wapen, doch geheel onleesbaar. Aan de linkerhand vond men insgelijks een wapen, als hangende aan een lint of strik, zijnde het geheele schild, als hangende aan een lint of strik, zijnde het geheele schild, met eenen dwarsbalk er door, op welks beide einden, op eene afzonderlijk versiersel, eenige duitsche letters gehouwen waren, doch ook geheel onleesbaar. Voorst was in dezen gevel nog geplaatst het jaartal van 1515, hetwelk waarschijnlijk beteekend zal hebben de overdragt van Friesland aan Prins Karel van Bourgondië; ten minste vindt men bij Gabbema, dat Floris van Egmond, Heer van IJsselstein, als Stadhouder van gemelden Prins, in den jare 1515, den Saksischen Raad uit eed en dienst ontsloeg, en eenen nieuwen Raad uit ingeborene Friezen aanstelde, welken nieuw benoemden Raad hij bij zich op dit blokhuis ontbood, om den eed in zijne handen af te leggen. Dit blokhuis is in het jaar 1580 tusschen de laatsten Januarij en den eersten Februarij door eene behendige krijgslist van de stads schutterij en drie kompagniën

 Staatsche soldaten, nadat het tachtig jaren gestaan had, gedeeltelijk gesloopt, de grachten gevuld en de wal geslecht. Thans dient het hoofdgebouw tot woning van den Kommandant van het huis van Opsluiting en Tuchtiging, dat aan de oostzijde daarvan is aangebouwd.

LEEUWARDEN, arr., prov. Friesland. Dit arr. bevat het kw. Oostergoo, behalve de griet. Smallingerland, met toevoeging uit Westergoo, van de steden Harlingen en Franeker, benevens de grietenijen Menaldumadeel, Franekeradeel, Barradeel, Baarderadeel en het Bildt. Het beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 122,035 bund. 84 v. r. 82 v. ell., waaronder 118,811 bund. 12 v. r. 78 v. ell. belastbaar land, 7 kantons, zijnde: Leeuwarden, Berlikum, Holwerd, Dockum, Bergum, Rauwerd en Harlingen; telt 21,270 h., bewoond door 26,739 huisgez., uitmakende eene bevolking van 129,800 inwoners, die meest hun bestaan vinden in landbouw, veeteelt, handel, fabrijken enz.

LEEUWARDEN, gem., prov. Friesland, arr. en kant. Leeuwarden ( 1 m. k., 1 s. d.); palende N. aan de griet Leeuwarderadeel, O. aan Tietjerksteradeel, Z. weder aan Leeuwarderadeel, W. aan Menaldumadeel.

Deze gem. bevat de stad Leeuwarden, benevens de Klokslag-van-Leeuwarden. Dit stedelijk regtsgebied is van eene zeer groote uitgestrektheid, en heeft eene langwerpige, onregelmatige vierkante, gedaante, van het Oosten naar het Westen 1 1/4 u. lang, doch van het Zuiden naar het Noorden 3/4 u. gaans breed. Zij bevat de b. het Vliet met Pietersburen, het Slot, Kleijenburg, Schilkampen en Willaart, Achter-de-Hoven, Achter-Cambuur, de Grachtswal, de Vijverbuurt, Oude-Galileën, Camstraburen, Bilgaard, Taniaburen, het Nieuwland enz.

De voornaamste wateren, binnen den klokslag van Leeuwarden, zijn vooral: de Trekvaart van Leeuwarden op Franeker en Harlingen, eerst gegraven in 1507, en met een behoorlijk jaagpad voorzien in 1647. Op 1/4 u. afstand van de stad loopt uit deze vaart zuidwaarts de Trekvaart naar Sneek, in de zestiende eeuw gegraven en in 1662 met een trekpad voorzien. Daarna de Trekvaart op Dockum of de Dockumer-Ee, die van eenen onheugdelijke ouderdom is en tot bij Snakkeburen onder stads geregtigheid ligt. Voorts de vaart van het Vliet, die ten Oosten van Schilkampen het Kurkmeer wordt genoemd, en verder zich met de wateren van Tietjerksteradeel vereenigt, doch, zuidwaarts loopende de Tynje heet, en die zich als Grootscheepsvaarwater naar Groningen, de Lemmer enz. uitstrekt. Eindelijk het Potmargediep of de Potmarge, welke, tusschen de Wirdumerpoort en den Grachtswal uit de Stadsgracht spruitende, zich in het zuidoostelijk deel der stads geregtigheid vereenigt met de Tynje.

De voornaamste rijwegen, door dezen klokslag loopende, zijn: de Zuidelijke Straatweg naar Zwolle, de Oostelijke Straatweg naar Groningen, de Westelijke Straatweg naar Harlingen, de Leprozeweg of het Spanjaardsdijkje en de Rijweg buiten de Wirdumerpoort Achter de Hoven naar en voorbij Mariënburg enz.

De gem. Leeuwarden beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 1657 bund 2 v. r. 10 v. ell., waaronder 1392 bund. 63 v. r. 90 v. ell. belastbaar land. men telt er 3521 h., bewoonde door 4655 huisgez., uitmakende een bevolking van 23,400 inw., die meest hun bestaan vinden door binnenlandschen handel in de veelvuldige voortbrengselen van den Frieschen grond en in andere waren, gelijk mede door fabrijken, handwerken enz.

Het land omtrent Leeuwarden, aan den zuid-, en noordkant, bestaat uit best vruchtbaar weiland, gelijk ook voor een gedeelte ten Oosten, tot aan Schilkampen; doch verder naar Tietjerksteradeel grenzen is het veel lager en dus van mindere waarde. benoorden de stad is ook veel vruchtbaar land bouwland. Fraai is van verre het gezigt op de stad, wegens de menigte van molens en de vele fabrijken, welke in hare nabuurschap gevonden worden.

In het midden der vorige eeuw bestonden te Leeuwarden omstreeks 20 wolkammerijen, waaronder er waren, die des zomers 3 en des winters 10 knechts, bij zich aan huis werk verschaften; terwijl sommigen buiten 's huis in den winter 300 à 400 lieden uit de geringe volksklasse aan brood hielpen, dat des zomers met andere handwerken werd verdiend. Alle de kousen der Friesche regimenten werden door deze menschen gebreid. Thans is dit belangrijk middel van bestaan voor een groot aantal behoeftigen, door den menigvuldigen invoer van buitenlands geweefde goederen, tot groot nadeel van de zelijkheid?? en welvaart, bijna verloren gegaan. De destijds en later in Leeuwarden en in andere Friesche steden bloeijende saijetfabrijken maakten, door deugdelijkheid van stof en den aanzienlijken prijs der waren, een belangrijk voorwerp van handel en vertier uit. De voornaamste der thans hier nog bestaande fabrijken en trafijken zijn: 2 bierbrouwerijen, 8 branderijen, 2 mouterijen, 1 steenbakkerij, 4 pottebakkerijen, 2 kalkbranderijen, 7 leerlooijerijen, 2 lijmziederijen en velleblooterijen, 2 leermolens en zeemtouwerijen, 1 zeemfabrijk, 7 scheepstimmerwerven, 9 lijnbanen, 1 zoutkeet, 3 zeepziederijen, 3 cichoreifabrijken, 3 verwfabrijken, onder welke 2 friesch-groenfabrijken, 1 linnenverwerij of klanderij, 6 tabaksfabrijken en kerverijen, 2 houtzaag-, 7 olie-, 3 cement-, 3 pel- en 7 korenmolens.

De Hervormden, die hier 16,900 in getal zijn, onder welke 4,600 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Leeuwarden behoort, en door 7 Predikanten bediend wordt. De eerste die als vaste Predikant in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Paschasius Baers, die in 1590 herwaarts kwam, en in 1605 naar Bergum-op-Zoom vertrok; zijnde er wel vroeger Predikanten in oude schriften vermeld, maar dat waren meest vrijwillige Predikers, voor eene tijd van elders gekomen en zoo gezegd ter leen. De eerste tweede Predikant is geweest Hermannus Kolde, die in het jaar 1590 herwaarts kwam, en in het jaar 1634 overleed; de eerste derde Predikant is geweest Regnerus Hachtingius, die in het jaar 1593 herwaarts kwam, en hier overleed; de eerste vierde Predikant is geweest Johannes Bogerman, die in het jaar 1604 herwaarts kwam, en in het jaar 1633 naar Franeker vertrok; de eerste vijfde Predikant is geweest Petrus Eilshemius, die in het jaar 1623 herwaarts kwam, en in het jaar 1632 naar Embden vertrok; de eerste zesde Predikant is geweest Viglius Cornelii, die in het jaar 1641 herwaarts kwam, en in het jaar 1657 overleed; de eerste zevende Predikant is geweest Benjamin Nieuwold, die in het jaar 1829 herwaarts kwam, en in het jaar 1845 emeritus werd. Het beroep geschiedt door den kerkeraad. Onder de hier gestaan hebbende predikanten verdienen melding de reeds genoemde Johannes Bogerman, van 1604-1644, die in 1618 en 1619 Voorzitter op het Nationale Synode te Dordrecht geweest is, en de door zijne schriften beroemde Wilhelmus a Brakel, van 1675-1678.

Ook heeft men er eene Waalsche Gemeente, die 150 zielen telt, onder welke 100 Ledematen. Zij wordt door eene Predikant bediend. De eerste, die in deze gem. het leraarambt heeft waargenomen, is geweest Joseph Pithoys, die in het jaar 1659 herwaarts kwam, en omtrent het jaar 1770? overleed.

De Doopsgezinden, die hier 550 in getal zijn, onder welke 330 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot in 1844 door eenen Predikant bediend werd. In dat jaar is echter door de Doopsgezinde gemeente besloten, eenen tweeden Predikant aan te stellen, en zal alzoo in het vervolg het leraarambt door twee Predikanten worden waargenomen.

De Evangelisch-Lutherschen, van welke men er 500 aantreft, onder welke 250 Ledematen, maken eene gem. uit, die tot de ring van Groningen behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Julius Caesar, die de gem. te Groningen in stilte bediende; want destijds hadden die beide gem., nog geen verlof tot vrije uitoefening van godsdienst bekomen. Julius Caesar, te Groningen wonende, kwam, ten minste viermaal in het jaar, den Evang. Luth te Leeuwarden het H. Avondmaal toedienen. De tweede Leeraar, die voor de Evang. Luth. te Leeuwarden, als ook voor die te Harlingen, in stilte predikte, was Jacobus Duive of Taube, die in het jaar 1667, naar Leeuwarden beroepen werd, doch de voorstanders dier gemeente, dit beroep aan het Amsterdamsche Consistorie bekend gemaakt hebbende, ontvingen van daar het berigt terug, dat Duive niet regtzinnig in de leer was; het Consistorie bragt te weeg, dat hij van daar wegraakte, en zond aan de gemeente te Leeuwarden en te Harlingen een ander, met name Mr. Arnold Lenderich, van Utrecht, dien de voorstanders tot hunnen Leeraar aannamen, en van wien zij veel werk maakten, omdat hij beloofd had, de gemeente vrije godsdienstoefening te bezorgen, zoo als die ook verzocht, maar niet verkregen heeft. Na hem stonden hier nog wel Frans Wilhelm von Ramshausen, die in 1671 naar Zwolle vertrok, en van 1672-1678 Johannes van Keulen (Johan von Cöln), die in het laatstgemelde jaar naar Monnickendam werd beroepen. Het duurde echter tot na het jaar 1679, toen Elias Pomian Pesarovius Predikant te Leeuwarden werd, eer de gemeente aldaar vrije godsdienstoefening werd vergund, ebbende hij door goede voorspraak van buitenlandsche Vorsten, van de Heeren Staten van Friesland daartoe vrijheid verkregen. Onder de later hier gestaan hebbende predikanten verdienen melding Philippus Lodovicus Statius Muller, een man van buitengewone bekwaamheden, uitgebreide godgeleerde en wijsgeerige studiën, die er van 1750-1755 stond en in 1776 als Hoogleeraar te Erlangen overleden is, en Augustus Sterk, een zeer geleerd en smaakvol man en een uitstekend Predikaer, van 1773-1780, overleden in 1815, als Predikant te Amsterdam; terwijl beide tevens door hunne menigvuldige schriften beroemd zijn.

De Roomsch-Katholijken, die hier 4150 in getal zijn, maken, met een groot deel van de griet. Leeuwarderadeel, 4 stat. uit, welke gezamelijk 4900 zielen tellen, onder welke 3000 Communikanten. Deze statiën zijn: die van den H. Willibrordus, waartoe 1350 zielen, onder welke 800 Communikanten, behooren, en welke door eenen Pastoor bediend wordt; die van den H. Franciscus, waartoe 1400 zielen, onder elke 900 Communikanten, behooren, en welke door eenen pastoor bediend wordt; die van den H. Bonifacius, waartoe 15800 zielen, onder welke 980 Communikanten, behooren, en welke door eenen Pastoor bediend wordt; die van het Klooster, met 560 zielen, onder welke 320 Communikanten, welke door eene Pastoor bediend wordt. Tot deze stat. behooren bovendien 300 R. K. in het huis van Opsluiting en Tuchtiging.

De Israëliten, van welke men er ruim 1200 aantreft, maken eene hoofdsynagoge uit, van welke men er ruim 1200 aantreft, maken eene hoofdsynagoge uit, welke tot het synagogaal ressort van Leeuwarden behoort, terwijl zij door eenen Opper-Rabijn bediend wordt.

Het schoolwezen is in deze stad op eenen uitmuntenden voet ingerigt. Er zijn hier slechts drie scholen van particuliere onderwijzers. Al de overige zijn stedelijke gebouwen, waarvan de onderwijzers van stadswege bezoldigd worden. Deze bestaan: in drie Latijnsche scholen, twee Fransche kostscholen voor Jongens en Meisjes, twee Stads-Burgerscholen voor Jongens en Meisjes, twee Stads-Tusschen-scholen in de stad en twee buiten de stad, drie Stads-Armen-scholen, eene Stads-bewaarschool, en eene Stads-Israëlitische-Armenschool. Meestal zijn het nieuwe gebouwen, zoodat weinige steden des Vaderlands zulk eene voortreffelijke verzameling van scholen bezitten, daar de stedelijke regering moeite noch kosten ontzien heeft om voor alle standen goede gelegenheid ter bekoming van onderwijs daar te stellen. Bovendien zijn er nog van stadswege eene Muzijk- en zangschool, en eene Bouwkundige- en Handteekenschool. Van wege het Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, zijn er herhalingscholen voor Jongens en een School voor vrouwelijke dienstboden geopend.

De stad Leeuwarden, in het Friesch Lieuwert, ligt 40 u. N. O. van Amsterdam, 10 u. W. van Groningen, 18 u. N. N. W. van Zwolle, 4 u. Z. W. van Dockum, 3 1/2 u. O. van Franeker, op 53o 12' 14'' N. B., 20o 54' 23'' O. L., in een zeer vruchtbare landouw, van welige weilanden omgeven. Het is de grootste en meest bevolkte stad der provincie Friesland.

De eerste oorsprong van deze stad schijnt gesteld te moeten worden omtrent het jaar 1190; ten minste zoodanig is het getuigenis der oudste Schrijvers, die den eersten aanleg der stad schijnen te bepalen omtrent de oude, nu voor jaren afgebrokenen, kapel, voor dezen Nijehove en laatst het Klokhuis genoemd.

Menigvuldig zijn de gissingen wegens den naam dezer stad. Sommigen verhalen, dat hier oudtijds een herberg stond, welke een leeuwenbeeld in den voorgevel voerde, ter nagedachtenis van eenen leeuw, die hier voor dezen verslagen werd, zoodat men vooreerst den waard naar den leeuw, en ook allengskens het opkomende gehucht naar dat dier noemde. Anderen spreken van des waards liefelijkheid, alsof de naam lieve waard zoo veel zou willen beteekenen, als lieve of aangename waard. Zelfs meenen de voorstanders van deze en dergelijke verhalen de plaats nog te kunnen aantoonen, op welke die vermaarde herberg zou hebben gestaan, en waarvan de sporen nog overig zouden zijn in een huis aan de oude stadsgracht, binnen welke deze herberg namelijk besloten was, eer men het dorp Oldehove met Nyehove vereenigde, voerende dit huis nog den naam van Aed Lewerd. het woord waard is ondertusschen aan eenen geheel anderen oorsprong toe te schrijven, dewijl het, als een naam van steden en dorpen gebruikt, altoos eene hoogte aanduidt, op welke men zoodanig eene plaats heeft aangelegd om veilig te zijn voor den aandrang der hooge wateren, toen de landen nog door geene behoorlijke dijken en zeeweringen beveiligd waren: dus kan men de laatste lettergreep van den naam dezer stad, vrij zeker hieraan toe schrijven. ook is het niet zeer moeijelijk eene behoorlijke afleiding te vinden voor de eerste lettergreep. Weleer vloeide hier immers naar de Middelzee de stroom of liever het watertje de Le of Lea, nog heden de Dockumer-Ee: en dus beteekent Leeuwarden eigenlijk een hooge bewoonde plaats aan het stroompje de Le of Lea. Liever gelooven we echter, dat de eigen nam Lieuwe, waarschijnlijk die van een aanzienlijken bewoner van dit oord, vóór werd, werden of warden (de terpen, waarop de stad is gebouwd) gevoegd, de eenvoudigste en natuurlijkste naamafleiding der stad is.

Zee gelegen was de aanleg deze stad aan den mond van een uitstroomend water in de Middelzee, die hier voorbij liep (1) waarom zij ook allengskens in bloei toegenomen en de voornaamste der Friesche steden geworden is, gelijk zij tot heden is gebleven, ofschoon met eene groote verandering in de ligging, naardien deze stad, weleer een Zeestad aan eenen diepen zeeboezem gelegen, thans in eene Landstad veranderd is.

(1) Zie P. Brouwer Pz. en W. Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de geschiedenis der Middelzee. Leeuwarden 1834.

Sedert het jaar 1453, werd de oude gedaante der stad grootelijks veranderd en uitgebreid, naardien men toen met haar vereenigde het dorp Oldehove (Oldehovestra, vroeger ook Aula Dei genoemd) met zijne parochiekerk, aan St. Vitus toegewijd. Zulks kan nog heden blijken uit een oud Friesch diploma, volgens hetwelk de Staten der provincie, te Bolsward vergaderd, in dat jaar het genoemde dorp met de stad vereenigd en aan haar regtsgebied onderworpen hebben. Volgens het zelfde diploma werd, op den zelfden tijd, met de stad vereenigd het dorp Hoek met zijne parochiekerk, aan den oostkant der stad gelegen, terwijl de oorspronkelijke stad aan de zuidzijde daarna aanmerkelijk werd vergroot, met de zoogenaamde Nieuwestad, thans een der aanzienlijkste gedeelten daarvan uitmakende. later werd dit geheel allengskens met nieuwe wallen en grachten bevestigd.

Omtrent dien tijd had men rondom de stad en in de genoemde dorpen vele adellijke huizen en stinsen, als die van de geslachten Camminga, Unia, Camstra, Burmania, Minnema enz., welke, door de vergrooting der stad, van zelfs binnen de muren kwamen, en nog heden gedeeltelijk in wezen zijn.

De stad bevat in haren omtrek ruim 80 bund., en is rondom met eene breede gracht omringd, welke eene fraaijen met boomen beplanten buitensingel heeft, die rondom de geheele stad loopt. De stadswal had eene langwerpig vierkante, doch onregelmatige gedaante, zijnde het smalst van het Zuidwesten naar het Noordwesten, en het breedst van het Zuidoosten naar het Noordoosten. De stadswal was vroeger versterkt met zes bastions of bolwerken en drie ravelijnen, aan welke de Hoeksterpoort, de Wirdumer-poort en de Vrouwenpoort lagen. Aan den zuidwest- den west- en den noordkant waren de werken zoo geschikt, dat men ze, met eenige verbeteringen en het leggen van eenen bedekten weg enz., gedurende eenigen tijd zou kunnen verdedigen; doch aan den Zuidoostkant was de stad genoegzaam zonder eenige verdediging gebleven. Deze wallen zijn thans gedeeltelijk afgegraven en tot fraaije beplantingen en wandelplaatsen aangelegd. Men had vroeger tusschen deze bolwerken 4 land- en 7 waterpoorten. De landpoorten waren: de Hoeksterpoort ten Noorden; te Tuinsterpoort ten Oosten; de Wirdumerpoort ten Zuiden en de Lieve-Vrouwenpoort ten Westen, welke echter allen in de laatst verloopen twintig jaren zijn weggebroken. De waterpoorten zijn de Hoekster-waterpoort ten Noorden; de Vlietster- en de Nieuwe-waterpoort ten Oosten; de Huizumer- en de Wirdumer-waterpoort te Zuiden en de Lieve-Vrouwe-waterpoort ten Westen.

De stad Leeuwarden wordt met menigvuldige grachten en straten doorsneden. De voornaamste gracht loopt midden door de stad. Zij is ter wederzijden met fraaije huizen bezet en draagt den naam van de Voorstreek, doch aan de westelijke en aanzienlijkste helft meer bijzonder van de Nieuwestad, dewijl dit gedeelte later onder de stad opgenomen en bebouwd is geworden. De nette Tweebaksmarkt, de Turfmarkt, benevens de Eewal, de Weaze, de Tuinen en de Nieuwe-buren zijn daarvan zijtakken.

De voornaamste straten, welke meestal op die grachten uitkomen, zijn: de Wirdumerdijk, de St. Jacobsstraat, de Groote-Kerkstraat, de Kleine-Kerkstraat, de Weerd, de Bagijnestraat, de Groot-Hoogstraat, de Kleine-Hoogstraat, de Oude-Oosterstraat, de Nieuwe-Oosterstraat, de Sacramentstraat, de Breedstraat, de Korfmakerstraat enz.

De stad is net gebouwd en met een aantal fraaije openbare en bijzondere gebouwen versierd, welke, vooral in de laatste twintig jaren, aanmerkelijk vermeerderd en verfraaijd zijn, en van den bloei en de welvaart getuigen, welke de stad bijna bestendig mogt genieten. Door het afgraven van de wallen en het wegbreken van de vier landpoorten zijn de verschillende voorsteden nu meer onmiddelijk met de stad in betrekking gekomen. En deze voorsteden zijn zoo aanzienlijk, dat de Grachtswal en het Vliet aan de oostzijde, en Oud-Galiliën en Camstraburen aan de noordzijde, nog jaarlijks in uitgestrektheid toenemende, een groot gedeelte van de stedelijke bevolking bevatten, voor hetwelk binnen de digt bebouwde stad geene ruimte ter bewoning meer overig was. En geen wonder, daar de bevolking, welke in 1741 13,462, in 1748, 14,270 en in 1811 16,504 zielen bedroeg, thans op twee en twintig duizend à drie en twintig duizend geschat wordt, zoodat zij dus sinds eerstgenoemd tijdstip, met ongeveer 10,000 personen is vermeerderd. het aantal huizen bedraagt thans nagenoeg 4000.

Leeuwarden heeft eene aanzienlijke en beroemde weekmarkt, welke des Vrijdags gehouden wordt, terwijl ook des Dinsdags, vele zoogenaamde landschepen in de stad komen en als het ware eene halve markt gehouden wordt; alsmede eene drukke veemarkt gedurende de herfstmaanden; twee paardenmarkten in 't laatst van April en September, en eene veelbezochte kermis, welke den tweeden Woensdag van Julij invalt. Diensvolgens zijn er, ten behoeve van den handel en van andere aangelegenheden, ruime pleinen en marktplaatsen: De voornaamste daarvan zijn de Lange-Pijp (Lange-Piepe) of Grootemarkt, en het Hofplein, beide zeer lange overwelfde bogen; de Veemarkt welke in het jaar 1837 veel vergroot en vernieuwd is; het Ruiterskwartier en het Zaailand, twee fraaije lanen; het breede Waagplein; de Vischmarkt; de Nieuwe-kaai; de Arentstuin; het Exercitieveld, Achter de hoven enz.

Aan de noordzijde van de stad, binnen de stadwallen, ligt de Stads-tuin of zoogenaamde Prinsen-tuin, eene schoone inrigting, welke, bij het genot der natuur, eene aangename gelegenheid tot wandeling en verpoozing, te midden van het gezellig verkeer, aangenaam verschaft, en die te merkwaardiger is, omdat bijna geene stad in Nederland eene dergelijke gelegenheid, op deze wijze bezit. Het was voormaals een lusthof der Friesche Stadhouders, thans een stedelijk eigendom. Door Graaf Willem Frederik van Nassau werd hij, in 1648, in een bastion der stadsvesten aangelegd; door zijnen zoon, Hendrik Casimir II, is hij later met het westelijk tournooiveld en eenen oostelijken moestuin vergroot, en met een lusthuis, eene oranjerie en tuinmanswoning voorzien; en door Willem Carel Hendrik Friso, geheel nieuw aangelegd en verfraaid. Zoo ontving, deze plek van ruim 2 bund. oppervlak, van lieverlee, hare tegenwoordige grootte en aanzien. Doch nadat de tuin, in 1795, als domein, ten algemeene gebruike was verpacht geworden, behaagde het Koning Willem I, in 1819, de stad Leeuwarden in het bezit daarvan te stellen, ten einde, bij voortduring, tot wandelplaats voor de ingezetenen te verstrekken. Sedert dien tijd is de tuin op Engelsche wijze aangelegd en beplant, en met overdekte galerijen, eene rotonde, muzijktent en in 1843 met een fraaij hoofdgebouw voorzien, zoodat hij thans, als plaats van uitspanning, allezins doelmatig is ingerigt. Bovendien biedt hij bijzonder gunstige gelegenheid aan tot het houden van volksfeesten.

De Stedelijke begraafplaats, ten N. van de stad, aan den Spanjaardsweg, is, met hare fraaije gebouwen en beplantingen, eene uitmuntende inrigting, die welligt in ons Vaderland door geen van dien aard overtroffen wordt. Zij is in het jaar 1830 op eene grootsche en onbekrompene wijze aangelegd, die der regering tot eere verstrekt. Daar nevens is ook eene afzonderlijke Begraafplaats voor de Israëliten.

Behalve op deze Begraafplaats en in den Prinsen-tuin, vindt men op de ten deele afgegravene en met fraai plantsoen beplante stadswallen en op de buitensingels, alsmede op de straatwegen en een aantal voetpaden ruime gelegenheid tot wandelen.

De Stads Verschwater-Vijver, aan den Singel, over de kazerne, is een zeer geschikt middel, om de stad, en bijzonder de bezetting, van versch water te voorzien.

Onder de Rijks- of Provinciale gebouwen komt vooral in aanmerking het voormalige Hof der Friesche Stadhouders, thans een Koninklijk Paleis, waarom Leeuwarden onder de residentie-steden des rijks wordt gerekend. Het is een groot en eenvoudig gebouw, dat zich van buten vertoond als bestaande uit drie gebouwen, waarvan het middelste achterwaarts inwijkt, met een voorplein, hebbende in iederen hoek een steenen trap of bordes. Dit gebouw, hetwelk onder Prins Willem IV, aan de achterzijde, eenen grooten omvang had, is van binnen van onderscheidene ruime vertrekken voorzien. Het wordt thans inzonderheid versierd door eene fraaije verzameling afbeeldingen van Friesche Stadhouders en andere vorstelijke personen. Een zevental Stadhouders hebben hier verblijf gehad, namelijk: Willem Lodewijk, Ernst Casimir, Hendrik Casimir I, Willem Frederik, Hendrik Casimir II, Johan Willem Friso en Willem Carel Hendrik Friso, welke laatste, in 1747, de stadhouderlijke waardigheid over alle gewesten bekomen hebbende, zijne hofhouding naar den Haag verplaatsen moest.

Het Gouvernementshuis, op de Tweebaksmarkt, of het Collegie der Gedeputeerde staten van Friesland, is een schoon en zeer breed gebouw, waarvan de eerste stichting niet zeker te bepalen is; doch het is van tijd tot tijd, en nog laatstelijk in het jaar 1787, aanmerkelijk verbouwd, waardoor het thans een fraai voorkomen heeft. het heeft beneden tien schuifkozijnen op eene rei en eene poort, welke aan de regterzijde zes aan de linkerzijde vier van de voorgemelde kozijnen heeft. De poort is ter zijde voorzien met pilaren, naar de Iönische orde, versierd met kapiteelen en lijsten. Deze poort en de twee naaste kozijnen staan tusschen twee hardsteenen pilasters, tot de kapitale lijst oploopende en alzoo het middenfront uitmakende. In de tweede verdieping ziet men elf kozijnen, in orde boven de onderste geplaatst; in de derde verdieping insgelijks elf kozijnen, mede in de zelfde orde geplaatst als de onderste, en boven deze laatste de kapitale lijst, op de pilasters van het middenfront oprijzende tot eene frontispice, in welks fronton het wapen van Friesland staat, gedekt met eene koninklijke kroon. Deze lijst en frontispice zijn gemaakt naar de Dorische orde, en op de lijst twee dakkozijnen, gedekt door frontispicen. Van binnen is het zeer doelmatig ingerigt en van onderscheidenen ruime vertrekken doorzien, onder welke de vergaderkamer der Gedeputeerde Staten uitmunt.

Het oude Landhuis of Landschapshuis, op de Tweebaksmarkt, diende vroeger tot vergaderplaats van de Staten van Friesland, terwijl later daarin de Regtbank van Eersten Aanleg zitting hield; thans staat dit gebouw ledig. De voorgevel van dit gebouw pronkt nog met een monument van den Munsterschen vrede.

Het gebouw, waar thans het Provinciaal Geregtshof van Friesland en de Arrondissements-regtbank hunnen zetel houden, staat in den Jacobyner- of Wabbe-Wisjesdwinger, en was, toen het in 1838 voltooid werd, tot een Stads Militair-Ziekenhuis bestemd.

Het huis van Tuchtiging en Opsluiting, is verbonden met het hoofdgebouw van het voormalige blokhuis of kasteel der stad. Het werd in 1661 gebouwd, doch brandde, den 12 November 1754, bijna geheel af, waarna het veel sterker en veiliger is opgebouwd. Nog voor weinige jaren, en wel in het jaar 1824, is daar naast een veel grooter gebouw, tot werkzalen der gevangenen aangebouwd. Deze alzoo vereenigde gebouwen zijn, in het jaar 1838, ter wederzijde door eene gracht van de stad afgescheiden. Het is eens van 's Rijks groote gevangenissen, waar een aantal gevangenen, niet alleen uit de provincie Friesland, maar ook uit andere oorden overgebragt worden, doch is wat bekrompen voor het groot getal veroordeelden, die het gewoonlijk bevat. Deze gevangenis heeft eene zeer ruime binnenplaats, en wordt door het tijdelijk garnizoen bewaakt. Zij heeft thans eene uitmuntende inrigting en bestuur. Ook het fabrijkaat in deze gevangenis, waar 600 à 700 mannen en jongens zijn opgesloten, is uitmuntend. De voortreffelijke inrigting en orde en de doelmatigheid der ingevoerde klassificatie (in vier klassen) onder de gevangenen zijn de voorwerpen van den lof der vreemdelingen. De arbeid der volwassenen bestaat in de bewerking van wol, waarvan zij lakens, dekens, kousen, wollen garens, slaapmutsen, halsdoeken, enz. vervaardigen. De jaarlijksche afleveringen der fabrijk bedragen door elkander 13,000 a 14,000 ell. laken van drievierendeel breedte, 2000 ell. tieretijn, 800 paren kousen, 3000 à 4000 doeken, en ongeveer 4000 pond garen, 9000 stuks kleeding door de troepen, enz. Het geheele bedrag der, in 1837, door deze fabrijk afgeleverde stoffen, was 98,356 guld., waaraan dus ieder gevangene door 173 guld. per hoofd had toegebragt. De algemeene kosten van onderhoud bedroegen, in 1837, 36,904 guld. Ook de zedelijke verbetering draagt hier goede vruchten.

het Huis van Burgelijke en Militaire verzekering, voorheen de Canselarij, waar de Raden van het Hof van Friesland vergaderden, op de Turfmarkt, is een zeer aanzienlijk gebouw, in antieken stijl, dat in het jaar 1571 voltooid werd. De voorgevel is van rooden steen, afgewisseld door vele sieraden van gehouwen hardsteen. Een vrij hooge stoep, aan de beide zijden met zeven trappen, leidt tot aan den ingang. Aan de buitenzijde van deze stoep is eene borstwering, welke aan den voorkant met vier pilasters prijkt, op ieder van welke een zittende leeuw gezien wordt, houdende elk een wapen van de vier kwartieren der provincie Friesland. Vóór deze stoep in het midden heeft men den ingang tot de kelders. Boven de stoep rijst een spitse gevel omhoog, welke trapsgewijze opgaat, waarop negen hardsteenen beelden in levensgrootte gezien worden, voorstellende verschillende christelijke deugden. Vroeger had men boven den ingang het volgende opschrift:

 

Divo Philippo Hispaniarum Rege Catholico, et Frisiae Domini Regnante, Carolo de Brimev Comiti de Megen, ejusdem Regis nomine Frisiam Cubernante, S. S. hanc justitae aedem opera et sollocitudine Caroli Nitzenii, quondam Praesidis, inchoatam, piis votis ag concordibus animis Igramus ab Achelen, Praeses, Jacobus Roussel, Valerivs ab Ockinga, Adrianus Vastaerts, Antonius Lopes del Vaille, Boudevinus a Loo, Exquaestor, Idzardus a Sickinga, Petrus a Fritema, Focco Rommarts, Joannes Carolus, Procurator Regius, Jvlius a Dekama, Hyeronimus ab Hania, et Hector ab Aytta, Consiliarii, solenni peracto sacro, primum, jurisdicendi causa collegiatim, cum petro ab emskerck graphaeo ingressi, hoc monumentum perpetuae memoriae ergo pos.

(d.i. In het jaar onzes Heeren 1571, den 7 November, toen, onder de regering van Filips den Katholijke, Koning van Spanje en Heer van Friesland, terwijl Karel van Brimeu, Graaf van Megen, in zijnen naam Stadhouder van Friesland was, dit geregtshof, door de zorg en den arbeid van Carel van der Nitzen, weleer Voorzitter, begonnen was, hebben Igram van Achelen, Voorzitter, Jacob Roussel, Watze van Ockinga, Adriaan Vastaerts, Antonis Lopes del Vaille, Boudewijn van Loo, gewezen rentmeester, Idserd van Sickinga, Petrus van Fritema, Focke Rommarts, Joannes Carolus, procureur des Konings, Julius van Dekama, Hieronymus van Hania en Hector van Aytta, Raadsheeren, Petrus van Emeskerk, Geheimschrijver, voor de eerste reize tot uitspraak van het regt hier vergaderd zijnde, tot eene eeuwige gedachtenis dit gedenkteeken geplaatst.)

Doch van dit opschrift is thans bijna niets meer te vinden, zijnde dit, als onbestaanbaar met 's lands duur gekochte vrijheid, uitgekapt, op deze weinige woorden na, welke het jaar der stichting vereeuwigen:

(d.i. In het jaar onzes Heeren 1571, den 7 November.)

De voorzaal was de openbare vierschaar. Ook zag men er eene vuist ter nagedachtenis van iemand, die eene Grietman gewond had. Dit gebouw bevatte vele vertrekken tot verschillende gebruiken afgezonderd. na het jaar 1811 diende het tot een hospital, sedert het jaar 1824 is het tot het tegenwoordige doel ingerigt. Alle personen, die, van eenige misdaad beschuldigd zijn, worden hierin zóó lang bewaard, tot dat de Regters hunne straf hebben uitgesproken; zoo mede correctionele gevangenen. Ook houdt de krijgsraad hier zijne zittingen.

Vroeger had men hier nog een vorstelijk paleis, het Oude Hof of Prinsessehuis genoemd, in de Groote-Kerkstraat, hetwelk weleer door Maria Louisa, geboren Prinses van Hessen-Cassel, weduwe van Jan Willem Friso, prins van Oranje, bewoond werd, nadat Willem Carel Hendrik Friso, met Anna, Kroonprinses van groot-Britanje, gehuwd was, en waar zij den 9 April 1765 hare dagen geëindigd heeft. Dit gebouw is later verkocht en dient thans tot verschillende partikuliere huizen.

Onder de Stedelijke gebouwen moeten wij het eerst vermelden, het Stadshuis of Raadhuis, nevens het Koninklijk Paleis. Het is een fraai en aanzienlijk gebouw, in het jaar 1715 gesticht, op de plaats, waar het oude Radhuis weleer gestaan heeft. het rust op verwulfde kelders, en heeft eene vierkante gedaante. het front is van onderen opgetrokken met blaauwen steen, tot den onderkant van de benedenkozijnen, en vorts opgemetseld met graauwen steen; bestaande de eerste rij in acht groote schuifkozijnen, in welker midden een sierlijk gemaakt deurkozijn staat, zijnde de kapitale ingang, hebbende ter zijden twee opgaande pilasters, die gekroond zijn met eene fraai gemaakte lijst, op welker fries het volgende opschrift gelezen wordt:

Pace et Justitia

(d. i . door vrede en geregtigheid.)

Dit deurkozijn of ingang staat, met de twee naaste schuifkozijnen, één voet vóór het gebouw uit, en maakt, dus oprijzende tot van boven toe, het middenfront van den gevel uit. In de tweede rij of verdieping heeft men negen schuifkozijnen, in een nette orde boven de onderste geplaatst, waarvan het middelste regt boven de deur staat, en de plaats is, alwaar de gewone publikatiën geschieden. Dit kozijn is omtrokken met steenen architraven en eenige sieraden, van boven overdekt met een front, waarin men vroeger het volgende opschrift las: Den eersten April 1715 heeft Zijne Hoogheid den Heere Willem Carel Hendrik Friso, Prinse van Oranje en Nassau, Erf-Stadhouder en Capitain Generaal van Friesland, ect., ect., ect., den eersten steen aan dit stadhuis gelegt, oud 3 jaaren en 7 maanden. Aan elke zijde van dit kozijn staat op een pedestal, met de onderste pilasters opgaande, een van steen gehouwen beeld, van welke dat aan de regterzijde eene afbeelding is van den Vrede, en dat aan de linkerzijde van de Geregtigheid. In de derde rij of verdieping heeft men negen kozijnen, insgelijks met de ondersten opgaande, en daarboven de kapitale lijst, welke rondom het geheele gebouw gaat, en het middelste front dekt met een frontispice, in welks fronton men eenige beelden ziet, van welke het middelste eene afbeelding is van de Vrijheid, rustende met de regterhand op het stadswapen; terwijl aan de linkerzijde de Wet en Geregtigheid, en aan de regterzijde de Voorzigtigheid vertoond wordt. De lijst is bewerkt naar de Dorische orde. - Dit gebouw heeft een Pavillioendak, gedekt met leijen, en twee dakkozijnen in het front; terwijl uit het dak, achter de frontispice van het middelfront, een kunstig gewerkte achtkante toren rijst, op de hoeken voorzien met pilasters en hunne pedestallen; gaande, op de hoogte van de pedestallen, rondom den toren eene balustrade, omheinende eenen looden zolder. - De pilasters, van boven gekroond zijnde met kapiteelen, gaan hunne lijsten rondom den toren, boven welken zich een achtkanten koepel verheft. Dit gebouw, hetwelk in het jaar 1760 met eene fraaije vierkante zaal vergroot is, welke thans met de levensgrootte afbeeldingen van prinses Maria Louisa en Koning Willem I, door van der Kooigeschilderd, pronkt; bevat bovendien zeer goede vertrekken, waarvan een met een door Keekkerk, fraai geschilderd behangsel versierd is. Daar boven is het hoogst belangrijke stedelijk Archief en de Bibliotheek. Men bewaart hier ook het zwaard van Groote Pier, die zich Admiraal der Zuiderzee noemde; als ook nog het zwaard, waarmede de Edellieden Gerbrand Mokkema en Jemma Herjuwsma, op den 16 November 1512, voor het Blokhuis, binnen Leeuwarden, zijn onthoofd.

De Stadswaag, nabij de Lange-Pijp of Groote-Markt, aan het water, dat door de geheele stad loopt, is even fraai van bouworde als gunstig van ligging, en dient beneden tot het wegen van allerlei koopwaren. Voorheen diende de bovenverdieping gedeeltelijk tot een verblijf der nachtwachten, gedeeltelijk tot hoofdwacht voor de stadsschutterij; thans is dit in een uitmuntend lokaal voor de stedelijke muzijk- en zangschool veranderd. In het benedenste gedeelte ziet men onderscheidene afbeeldingen van ongemeene zware runderbeesten. Als eene merkwaardigheid verdient aangeteekend te worden, dat hier eenmaal een os gewogen is, die aan vleesch en smeer ruim 1546 oude ponden woog, alsmede een hond van 147 zulke ponden. Al de boter, kaas, wol enz., die hier ter markt komen, moeten, vóór de verzending, in dit gebouw gewogen worden, beloopende dit op sommige marktdagen meer dan 1000 vaten boter en 10,000 ponden kaas.

De Korenbeurs, aan de Wortelhaven, is een partikulier huis, dat binnen kort door een nieuw stedelijk gebouw zal vervangen worden.

De nieuwe Kazerne: Prins Frederik, op den Amelands-dwinger, in het jaar 1827 gesticht, is een grootsch gebouw van eene voortreffelijke inrigting, drie verdiepingen hoog, elf ramen breed en dertien diep. Zij is bestemd tot huisvesting van meer dan duizend man soldaten.

De Hoofdwacht was te voren met hare rij kolommen, een zeer aanzienlijk gebouw. Het is in 1844 grootendeels gesloopt en vervangen door een in modernen stil sierlijk gebouw, van drieledige bestemming, als benden, voor Hoofdwacht en Policie, en boven, voor het Kantongeregt. Voorheen lagen daarvoor twee stukken geschut, drieponders, bij laatsten wil aan de provincie geschonken door Jr. Hobbe Jesaias Baron van Aylva, destijds Generaal der Infanterie en Gouverneur van Maastricht. Zij voerden een opschrift, aanwijzende, dat zij door Lodewijk den XV, Koning van Frankrijk, aan den vorigen eigenaar tot loon voor betoonde dapperheid vereerd ware.

Tot de overige gebouwen behooren nog de Stads-Timmer-en-Turfschepen op den Hoekster-dwinger, het Kruidmagazijn bij de Verschwater vijver, de Manége of Rijschool in de Groote Kerkstraat, en het kantoor van den Waarborg der Gouden en Zilveren werken in de Doelstraat. Ook is er te Leeuwarden een Postkantoor in de Pijlsteeg. Ook verdienen nog melding, een fraai Sociteits-gebouw aan een plein, waar eene afgebroken poort heeft gestaan, en het prachtige Winkelgebouw van Sinkel, aan de Nieuwegracht.

 De Hervormden hebben hier drie kerken, de Groote of Jacobijnerkerk, de Galileërkerk en de Westerkerk.

De Groote of Jacobijnerkerk is reeds in 1487 gebouwd. Het was, weleer, de kerk of kapel van het aanzienlijke klooster de Dominikanen of Predikheeren, en, als zoodanig, welligt de grootste kloosterkerk van geheel Nederland. Behalve eenige fraaije gestoelten, onder welke men ook eene voor het vorstelijk huis aantreft, bevat deze kerk een grafkelder, in welke, sedert het jaar 1584 tot 1765 vele lijken, uit het hooge geslacht van Nassau zijn bijgezet geworden. Het eerste was van Prinses Anna, dochter van Prins Willem de I, gemalin van Graaf Willem Lodewijk van Nassau; het laatste dat van Maria Louisa, Douairière van Johan Willem Friso. Bovendien bevatte het koor dezer kerk vóór den jare 1795, twee fraaije marmeren tombes, voor genoemde Graaf Willem Lodewijk en zijne gemalin Prinses Anna van Oranje, vervaardigd door den kunstenaar Pieter de Keizer. Tegen over dit koor ziet men een uitmuntend fraai, groot en zeer geroemd orgel, in dit jaar 1720 vervaardigd. Terzijde daarvan ziet men een eenvoudig wit marmeren gedenkteeken, in den jare 1820 aan J. H. Nieuwold, en aan zijne uitstekende verdiensten, ten aanzien der verbetering in de vakken van opvoeding en onderwijs, daar geplaatst. Deze uitmuntende man was laatstelijk Predikant bij de Hervormde gemeente te Warrega, en overleed in het jaar 1812. - Boven dit kerkgebouw is een koepeltoren. Nadat deze kerk gedurende een geheel jaar voor de godsdienstoefening onbruikbaar was geweest, si zij den 26 Maart 1843 weder ingewijd, ten gevolge van zeer aanzienlijke verbeteringen en verfraaijingen, welke daarin zijn aangebragt, waardoor dit kerkgebouw inwendig eene uitmuntende inrigting en sierlijk voorkomen heeft ontvangen.

In Augustus 1845 is, door Jonkheer Mr. P. B. J. Vegelin van Claerbergen en Jonkvrouw L. A. Vegelin van Claerbergen, ter nagedachtenis van hunne moeder, Vrouwe A. A. M. Vegilin van Claerbergen, aan de Hervormde gemeente van Leeuwarden een aanzienlijk geschenk vereerd, bestaande in een keurig bewerkt en massief zilveren doopvont, met deksel, rustende op een fraai voetstuk van gegoten ijzer.

De Galileërkerk, op de Tweebaksmarkt, was vroeger de kapel van het Miderbroedersklooster Galileën. Eertijds stond dit buiten de stad, ten Oosten van de Ee, vanwaar de buurt nog Old-Galileën heet; doch in 1498 werd het binnen de stad gebragt. Noordwaarts aan de kerk was eertijds het kerkhof, alwaar de Monniken begraven werden. Naderhand begroef men hier de met den dood gestrafte of in den kerker gestorvene misdadigers. Ook dit gebouw, dat in 1854 een geheel nieuw orgel bekomen heeft, is in 1844 inwendig geheel vernieuwd en verfraaid, en heeft de eerste godsdienstoefening daarin weder plaats gehad op den 9 Maart 1845. Een brede voorgevel, in 1805 gebouwd, geeft dit gebouw van voren een zeer goed aanzien.

De Westerkerk, in de Bagijnestraat, behoorde oudtijds tot het klooster der Graauwe Bagijnen, en was in het jaar 1510 gesticht. In het jaar 1609 werd zij voor eene som gelds door den Magistraat van Leeuwarden aan de Staten overgedragen, en diende, tot het jaar 1617, tot een Landschaps Tuchthuis, waarna zij tot de vorige eigenaren terug keerde en wederom tot een kerkgebouw ingerigt werd. Deze kerk wordt in dit jaar (1845) van binnen geheel vernieuwd, en zal, nevens een nieuw orgel, eene uitmuntende inrigting en voorkomen ontvangen.

De Waalschekerk of Franschekerk, in de Groote-Kerkstraat, was vroeger de kapel van het Witte Nonnenklooster. Zij is zeer net betimmerd en voorzien van een fraai orgel; ook heeft zij eenen toren met eene klok er in.

De Doopsgezindekerk, op den Wirdumerdijk, heeft, achter een breed voorplein, een deftig aanzien, en is inwendig keurig betimmerd en van een voortreffelijk orgel voorzien. Vroeger waren hier drie Doopsgezinde kerken. De beide anderen zijn thans bijzonder eigendom.

De Evangelisch-Lutherschekerk, in de Nieuwe-Oosterstraat, is omstreeks het jaar 1680 gebouwd. Sedert 1669 had men waarschijnlijk vergaderd in een huis en stalling, door eenige meer gegoede lieden op eigen kosten gehuurd, en staande achteraf in de Oosterstraat, denkelijk op dezelfde plaats, waar thans nog de kerk staat. Dit gebouw werd in 1677, met het nevensliggend erf, eigendom der gemeente, ofschoon zij het niet waagden het op de eigen naam te koopen. In 1679 bood een rijk lid der gemeente, Antonius Möller of Möllerius, edelmoedig aan, voor eigen kosten, op dezelfde plaats, waar men vergaderde, eene nieuwe kerk te stichten en haar der gemeente ten schenke te geven. Naauwelijks waren echter huis en stalling omgeworpen en weggeruimd en de grondslagen gelegd, om den voormuur aan de straat op te trekken, waardoor het gebouw eenigermate het uiterlijk voorkomen eener kerk zou verkrijgen, of er kwam, van regeringswege, een stellig en streng bevel, om de werkzaamheden terstond te staken, en den opbouw tot nader order uit te stellen. Eerst twee jaren later gelukte het, door de medewerking van andere mannen van invloed, volkomene vrijheid van godsdienst te verwerven. Na het verkrijgen van deze vergunning sloeg men met nieuwen lust de handen aan het werk, en weldra stond er eene Luthersche kerk te Leeuwarden. De Heer Möllerius gaf haar ten geschenke, en alle de leden beijverden zich, door vrijwillige bijdragen, ook het inwendige van het gebouw doelmatig in te rigten en van het noodige te voorzien. De kerk was toen zeer klein; doch op het laatst der vorige eeuw, en wel in het jaar 1774, si zij, wegens den toenmaligen aanzienlijken toeloop van toehoorders, zeer ruim en net herbouwd en met een fraai orgel, twee hangzolders en besloten banken versierd. Onder het Fransche bestuur werd deze kerk eenigen tijd tot pakhuis voor de Douanen, ter berging van aangehouden goederen, in beslag genomen; doch werd kort daarna, door de bemoeijingen van den Predikante Johan Frederik Freijer, aan de gemeente terug gegeven. Inmiddels was de dienst bij broederlijke vergunning in de Waalsche kerk verrigt.

De Roomsch-Katholijken bezitten te Leeuwarden vier kerken: als die van den H. Willibrordus, over de Korenmarkt, een oud gebouw, zonder toren, doch van een orgel voorzien; die van den H. Franciscus, in de Oude-Kerkstraat, een goed gebouw, zonder toren; doch van een orgel voorzien; die van den H. Bonifacius, op de Vleeschmarkt, welke wegens schoonheid van bouwoude uitmunt, en van eenen koepeltoren is, doch niet van een orgel voorzien, en die van het Klooster, aan den H. Dominicus toegewijd, in de Bonte-Papesteeg, een oud gebouw, zonder toren, doch van een orgel voorzien.

Vóór de Hervorming van het jaar 1580 was deze stad in het bezit van vier kloosters, als: het Jacobijner-klooster der Dominikanen of Predikheeren, achter de Groote-kerk, welke toen tot dat klooster behoorde; het Minderbroeders-klooster, Galileën, op de Tweebaksmarkt, waartoe de Galileër-kerk behoorde, het St. Anna-klooster-der-Graauwe-Bagijnen, in de Bagijnestraat, ter zijde van de Westerkerk, welke daarvan nog over is, en het St. Catharina-klooster-der-Nieuwe-of-Witte-Nonnen, tusschen de Speelmanstraat en Groote-Kerkstraat, waarvan de Waalschekerk de kapel is.

Ook stond hier later eene kerk voor de Roomsch-Katholijken niet meer tot eenig godsdienstig gebruik gebezigd geworden, in 1818 tot eene Stads Armenschool is verbouwd.

Leeuwarden bestond, vóór het jaar 1580, uit drie parochiën. Toen was de kerk van Oldehove, toegewijd aan den H. Vitus en diens medgezellen Modestus en Crescentia, de hoofdkerk. Wanneer die kerk gesticht was, is geheel onzeker. Zij was omstreeks 1529 zoo vervallen, dat men besloot eene kerk te bouwen, welke men van eenen deftigen toren dacht te voorzien, zijnde er voorheen bij St. Vituskerk vermoedelijk geen andere geweest dan een klein spits torentje op het kerkdak zelf. Men begon de nieuwe stichting met het leggen van de grondslagen van den toren, op eenen geringen afstand van de toenmalige kerk, onder het bestuur van zekeren Jacob van Aaken, die tot oppersten Bouwmeester aangenomen werd, op de navolgende voorwaarden. Hij zou de stad zes jaren dienen, en, indien hij gedurende dien tijd het hem opgedragen werk naar genoegen verrigte, zou hij stads-metselaar worden. Intusschen zou hij acht stuivers 's daags voor arbeidsloon genieten, eene vrije woning en een nieuw kleed. Doch voor dat er van de zes jaren drie verstreken waren, overleed van Aaken. Daarom werd, voor de nog overige drie jaren aangenomen zekere Cornelis Frederiks of Fredriks, die dagelijks tien stuivers, elk jaar een lakenschen tabbaard met eenen goud geborduurden leeuw op den regtermouw en voorts vrije woning hebben zou; kwam gedurende dien tijd de torenbouw toevallig stil te liggen, dan kon de stad hem tot ander werk gebruiken. Die toren, de nog bestaande Oldehoof, is echter nimmer volbouwd geworden, ofschoon men er lang aan schijnt gewerkt te hebben. Het niet volbouwen is waarschijnlijk te wijten aan de zeer zigtbare verzakking in den noordwestelijken hoek, en men heeft het werk gestaakt bij den tweeden omgang, het tegenwoordige bovenplein. Men heeft van dien top een fraai landgezigt, dat zich zelfs tot in zee uitstrekt. Door eenen geweldigen orkaan, die den 23 januarij 1576 over Friesland woedde, stortte de kerk in. Men wil, dat men vervolgens van plan was, om aan den toren eene nieuwe kerk te bouwen, doch dat zulks, om de gemelde verzakking van den toren zoude achterwege zijn gebleven. Eene rij boomen wijst nog heden de aloude omtrek van het kerkgebouw met den gewijden grond aan. Op den 6 of 7 September 1566 werd de Hervormde leer eerst in deze kerk gepredikt, des morgens door Antonius Nicolaï of Claessen, geboren van Dockum, gewezen priester te Hoogebeintum, en des namiddags, door Martinus Eleus of Eleacus Aegidius Eliacus, mede een Fries van geboorte, en voorheen Priester te Tjum. In 1567 werd echter de R. K. godsdienst in al haren luister hersteld, en in 1570 verscheen hier de nieuwe en eerste Bisschop van Leeuwarden, Cunerus Petri. In zijn plechtgewaad gedost, zegende hij, daags na zijne aankomst, die op den 1 Februarij plaats had, in St.-Vituskerk, de getrouw geblevene gemeente, en an het zingen van den avondzang, nam hij zijnen intrek in het klooster der Graauwe Bagijnen, waar hij toefde, tot den 8 Maart daaraanvolgende. Inmiddels werden de kerken van Oldehove en Nijehove, zoo wel als die van St. Catharina, op nieuw door hem gewijd; want ook die van Nijehove was door de prediking van de nieuwe leer ontheiligd geworden. Tot aan 1580 zegepraalde het oud geloof, en werd dit heiligdom op nieuw tot de Hervormde eeredienst ingerigt; doch eindelijk in 1595 gesloopt.

De tweede Parochie was die van Nijehove, en hare kerk was der H. Maagd Maria gewijd. Zij stond over de tegenwoordige Groote of Jacobijnerkerk, van welke men niets meer weet, dan dat ook zij, zoo als reeds gezegd is, ontwijd en weder gewijd is geworden. Zelfs vindt men niet vermeld, of zij na 1580 als kerk gebruikt is geweest; zij was later eene klokgieterij, en is in het jaar 1765 afgebroken.

De derde Parochie was die van St. Catharina, en hare kerk was aan die Maagd en Martelaresse geheiligd. Denkelijk was zij reeds gesticht vóór de vereeniging der stad met die van Oldehove, en met alle de hofsteden van Cammingaburen, en die in den Hoek en van Ooster-terp (nu het Hoog-terp), welke, blijkens de stukken daaromtrent in de archiven der stad berustende, eerst in 1435 plaats gehad heeft, ofschoon 's Lands Staten dit reeds in 1425 bepaald hadden. Gezegde kerk stond bij de, in het jaar 1834, afgebrokene Hoeksterpoort, vroeger de St. Catharinapoort, en ook wel de Gallileërpoort genaamd. Zij strekte naderhand den Staten van Friesland tot Wapen- of Tuighuis, en is tegenwoordig het Stads-Werkhuis.

Er bestaat te Leeuwarden sedert een paar jaren ook eene gemeente van Christelijke Afgescheidenen, die een klein vierkant kerkje bezit, aan de Noordkade, zonder toren of orgel. Naast de kerk is de woning van den Predikant.

De Synagoge, in de Sacrament-straat, is een niet groot, maar fraai kerkgebouw.

Van de Weldadige Gestichten noemen wij eerst het Old-Burger-Weeshuis, over het stadhuis. Het is in het jaar 1534 door Auck Peters gesticht. Dit gebouw ziet door zes schuiframen uit op het stadshuisplein; het is van binnen met vele ruime vertrekken voorzien, zoo voor de Voogden en Voogdessen, als voor den Binnenvader, de Binnenmoeder en de kinderen, welke laatste meest nagelaten weezen zijn van burgers der stad, en nog steeds, naar oud gebruik, half rood en half zwart gekleed zijn. In dit gesticht, waarin de wiskundige Willem Loré, die als buitengewoon Hoogleeraar aan de akademie te Franeker overleed, opgevoed was, zijn thans 50 kinderen opgenomen.

Het Nieuwe Stads-Weeshuis, aan het Groot- of Jacobijner-Kerkhof, in het jaar 1675 van stadwege gesticht, is een groot langwerpig vierkant gebouw, waarin meer dan vijf en twintig vertrekken zijn; onder deze muntten de Voogden-en-Voogdessenkamers inzonderheid uit. In het jaar 1823 had dit huis, dat toen vervallen verklaard was, zijn behoud te danken aan de weldadige dankbaarheid van eenen edelen voormaligen wees van dit gesticht, Jacobus Martinus Baljeé, die, als Raad van Nederlands-Indië, te Batavia overleed, en zijne nalatenschap aan zijn vaderlijk gesticht, uit erkentenis voor genoten weldaden, vermaakte, op het oogenblik, dat de Minister de Coninck alle gesubsidieerde gestichten van weldadigheid, ten behoeve van de Koloniën van Weldadigheid, vernietigde. Daarom prijkt, ter vereeuwiginge van zoo veel deugd, een metalen eerezuil in het middel van het gesticht, dat daardoor zijnen voedsterling als redder eerbiedigt (1). Ten behoeve van dit huis is daaraan een schoenmakers- en een kleedermakersvertrek, een naaiwinkel enz. verbonden. De kleeding der kinderen is een gewaad van half blaauw laken; thans zijn er 140 weezen in dit gesticht opgenomen.

men zie verder over dezen dankbaren wees: W. Eekhoff, het leven en de lotgevallen J. M. Baljeé. Leeuwarden 1835.

Het Diakonie-Armenhuis der Hervormden, in de Groote-Kerkstraat, welk gebouw weleer tot munt diende, is in 1758 gebouwd, en wordt door eene vaart afgescheiden van het daarbij gelegen St. Anthony-gasthuis, en bestaat uit vele kleine kamers, waarin de Ledematen der Hervormde kerk, die oud en gekrekking zijn, en dus hunnen kost niet kunnen winnen, wonen. Behalve de kleine vertrekken zijn er in dit huis onder anderen nog eene ruime eetzaal, eene ziekenkamer enz. Ruim 60 oude en verarmde Leden van de Hervormde kerk worden in dit groot en uitmuntend gesticht behoorlijk verzorgd.

Het Roomsch-Katholijk Weeshuis, in de Oosterdwarsstraat, gesticht in het jaar 1786, is een niet zeer groot gebouw, waarin thans ruim 20 weezen opgenomen zijn.

Het Roomsch-Katholijk Armenhuis, in de Speelmanstraat, in het jaar 1839 geheel vernieuwd, is eene zeer goede inrichting, om ruim zestig arme personen te verplegen.

Het St. Anthonij-Gasthuis, in de Groote-Kerkstraat, gesticht omstreeks het jaar 1420, is een zeer groot langwerpig vierkant gebouw, rondom een ruimen bleek gesticht, zijnde de langste vleugels ruim honderd en de kortste vijf en zestig treden lang. In het gebouw waren van ouds 44 kamers, doch toen was er eene kerk bij, die in het vervolg van tijd tot nog twaalf nieuwe kamers is verbouwd. Dit gebouw, hetwelk oorspronkelijk, zoo als de naam aanduidt, tot een Gasthuis gesticht was, is later, als Proveniershuis, ingerigt voor lieden, welke daarin voor hun leven vrije woning en kost willen koopen, hetgeen voor eene matige somme gelds kan geschieden. In de kamer, waar de Voogden vergaderen, staat het portret van den Patroon St. Anthonius in den schoorsteen. In 1843 is het met onderscheidene nieuwe kamers vermeerderd.

Voorts heeft men er nog het Ritske Boelema-Gasthuis, in de Munnekemuurstraat, gesticht in het jaar 1623, waarin 28 arme vrouwen, zoo van de Hervormde als Roomsch-Katholijke godsdienst, behalve vrije inwoning, nog eenige andere voordeelen genieten; het Gabbema-Gasthuis, achter de Groote-Kerk, in het jaar 1633 gesticht, hetwelk 12 oude vrouwen tot huisvesting dient; het Boshuizer-Gasthuis, aan het Groot-Kerkhof, gesticht in het jaar 1652, waarin 19 oude vrouwen gehuisvest worden; het Marcelis-Goverts-Gasthuis, op den Grachtswal, in het jaar 1658 voor 20 oude arme vrouwen gesticht, en in het jaar 1766 zeer fraai en ruim herbouwd.

Oudtijds had men in deze stad ook het St. Jacobs-Gasthuis, dat in het jaar 1490 gesticht was, en eene kerk had, waarvan men de standplaats aan den tegenwoordigen Nieuwetoren nog duidelijk kan onderkennen.

Nog heeft men de Stads-Soepkokerij, in de Groote-Hoogstraat; alsmede eene Vereeniging tot Ondersteuning van behoeftige Kraamvrouwen.

De latijnsche-school, in de Bagijnestraat, op den hoek van de Bollemanssteeg, maakte voormaals een gedeelte uit van het Graauwe-Bagijne-Klooster. Zij had haren ingang in de Bollemanssteeg, door eene poort van hardsteen; daarboven op vertoonde zich eene springende fontein, mede van hardsteen, en aan de zijden het jaargetal 1625, benevens het volgende opschrift:

Hic vivos Helicon sudat Soltmaeius imbres,

Doctrinaeque, scatent, et pietatis opes.

Sparge sacras fons uber aquas, et flumine largo

Mentes, ora, forum, templa lahemque riga.

d.i.

 

De heilige Helicon druipt hier van levend water:

Hier wellen schatten op van deugd en wijsheidszin

Stort, rijke bron, uw vocht, en stroom met mild geklater

De harten en verstand, de markt en tempels in.

Dit gebouwcis, in 1830, geheel vernieuwd, en met vertrekken voor de stedelijke Teekenscholen vergroot. Aan de Latijnsche-school wordt thans door eenen Rector, eenen Conrector en eenen Preceptor aan 30 leerlingen onderwijs gegeven. Aan de Stads-Teekenscholen telt men, in het bouwkundig teekenen, 1 Onderwijzer, 1 Adjunct en 70 leerlingen, en in het handteekenen 1 Onderwijzer en 70 leerlingen.

Verdere wetenschappelijke inrigtingen zijn: het Friesch Genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde, opgerigt in het jaar 1828 en tellende 15 honoraire, 35 buitengewone, 24 werkende en 129 gewone, te zamen 201 leden; het in 1833 opgerigte Friesche Genootschap van proefondervindelijken landbouw, in drie departementen verdeeld, als: één voor den akkerbouw, één voor de hout- en één voor de veeteelt; het Natuurkundig genootschap, ontsproten uit een Physisch Gezelschap, hetwelk in of vóór het jaar 1794 voor het eerst bijeen kwam en, op den 1 October 1844, 57 gewone en 8 eereleden telde. Het is in het bezit van een gedeelte der physische instrumenten van opgeheven Althenaeum te Franeker en vergadert in het gebouw van het Departement Leeuwarden der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, en het Taal-, Geschied- en Dichtkundig Genootschap: Constanter, in het jaar 1819 opgerigt en thans 6 leden tellende.

Men heeft hier ééne Fransche kostschool voor Jongens met 90 leerlingen; ééne Fransche kostschool voor Meisjes, met 40 leerlingen; twee Stadsscholen, waarop de burger- en aanzienlijke standen voor het onderwijs twintig gulden in het jaar betalen, zonder meer wel ééne voor jongens, met 170 leerlingen en ééne voor meisjes, met 170 leerlingen; twee Stads-Tusschen-scholen, waarop aan kinderen van min gegoede ouders voor 10 en 5 cents per week onderwijs wordt gegeven, de eerste met 520, de tweede met 560 leerlingen; twee Stads-Tusschenscholen, buiten de stad, de eene op het Vliet, met ruim 200 en de andere op Oud-Galileën, met 250 leerlingen; twee Stadsarmenscholen, waarin de behoeftige kinderen gratis onderwijs genieten, de eerste voor meisjes met ruim 610 en de tweede voor jongens, met ongeveer 660 leerlingen; terwijl nog eene derde zodanige school, waarin 170 leerlingen onderwijs genieten, in het Nieuwe-Stads Weeshuis mede door het stedelijk bestuur onderhouden wordt; ééne Stedelijke-Bewaarschool, verbonden met eene der Tusschenscholen, waarin kinderen van 3 tot 6 jaren voor 5 cents per week worden opgenomen, met 200 leerlingen; eene Stads-Israëlitische Armschool, met 110 leerlingen, en twee Bijzondere scholen van de tweede klasse, met 140 leerlingen.

Ook bestaat er te Leeuwarden een departement der Maatschappij: Tot Nut van ’t Algemeen, dat den 30 Julij 1792 opgerigt is, thans 300 leden telt en een eigen gebouw heeft op het Heerenwaltje, waarin de Vergaderingen; Herhalingsschool, Spaarbank en de vier Bibliotheken worden gehouden; eene Afdeeling van het Godsdienstig Tractaatgenootschap, met 100 Leden in de stad en 30 er buiten, die te Leeuwarden contribueëren; eene Afdeeling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap, in het jaar 1814 opgerigt, met 100 leden; ééne Afdeeling van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, met ruim 90 contribueerende leden; ééne Afdeeling van het Genootschap tot Zedelijke verbetering der gevangenen, met 160 leden en 40 bij de Correspondenten, en ééne Afdeeling van het Fonds van de Gewapende dienst in de Nederlanden.

Ook heeft men hier één Schouwburg, in het Ruiterskwartier, en ééne uitmuntende Concertzaal, in de Breedstraat, beide particuliere eigendommen, welke tot het doel, waartoe zij bestemd zijn, zeer goed zijn ingerigt. De Schouwburg is in 1844 van binnen bijna geheel vernieuwd en ziet er thans zeer net uit.

Van de menigvuldige Beroemde Mannen, te Leeuwarden geboren, vermelden wij: den braven Willem Carel Hendrik Friso, later, onder den naam van Willem IV, als Stadhouder bekend geworden, geb. 1 September 1711, † 22 October 1751.

De Godgeleerden: Dirk Philips, den bijzonderen vriend van Menno Simonsz, een zeer geleerd man, naar wien sommige Doopsgezinden zich Dirkisten noemen, geb. in 1504; Jelle of Gellius Faber de Bouma, geb. omstreeks 1500, † 2 Junij 1564; Arnoud Cathius, geb. in 1576, † 13 December 1630, na eerst Hoogleeraar te Antwerpen te zijn geweest; Wilhelmus a Brakel, geb. 10 Januarij 1635, † 30 October 1711, als Predikant te Rotterdam, Campegius Vitringa, geb. 16 Mei 1659, † 31 Maart 1722, als Hoogleeraar in de Hebreeuwsche taal, Godgeleerdheid en Kerkelijke Geschiedenis te Franeker; Annaeus Ypey, die tevens een bekwaam Oudheid- en Letterkundige was, geb. 26 September 1760, † 5 April 1837, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Groningen; Eelko Tinga, geb. 25 November 1762, † 30 Julij 1828, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Groningen; Lucas Suringar, geb. 22 December 1770, † 23 Augustus 1833, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Leyden, na vroeger die waardigheid te Lingen te hebben bekleed, en Theodoor Paul Bergsma, geb. 10 Maart 1800, † 3 September 1833, als Emeritus-Predikant van Bunnik, na onderscheidene schriften te hebben uitgegeven.

De Regtsgeleerden: Timaeus Faber, geb. in 1578, † 18 September 1623, als Hoogleeraar in de Regten aan de Hoogeschool te Franeker; Dominicus van Arum, geb. in 1579, † 24 Februarij 1737, als Hoogleeraar te Jena; Hector Bouricius, geb. in 1593, † 3 Januarij 1636, als Hoogleeraar in de Regten aan de Hoogeschool te Franeker; Gerlacus Scheltinga, geb. in 1708, † 9 Februarij 1765, als Hoogleeraar te Leyden; Petrus Wierdsma, geb. in September 1729, † 31 December 1811, en Gabinus de Wal, geb. 30 December 1785, † 22 September 1833, als Hoogleeraar in de Regten aan de Hoogeschool te Groningen, na vroeger die betrekking te Franeker te hebben bekleed.

De Staatsmannen: Duco Martena, een der Teekenaars van het Verbond der Edelen, geb. omstreeks 1530, † den 11 November 1605; Willem van Haren, geb. in 1626, † in 1708, na onderscheidene gezantschappen te hebben bekleed; diens neven Willem van Haren, geb. den 21 Februarij 1710, † 27 Junij 1768, na eerst Gedeputeerde te velde en later Afgezand aan het hof van Prins Karel van Lotharingen, als Gouverneur der Oostenrijksche Nederlanden, te zijn geweest, en Onno Zwier van Haren, geb. den 2 April 1715, † den 2 September 1769, na, behalve vele inlandsche Staatsambten, zeer belangrijke buitenlandsche zendingen te hebben waargenomen, welke beide laatste zich tevens als groote Nederduitsche Dichters hebben doen kennen; voorts Sufridus Westerhuis, geb. 10 Mei 1688, † 22 October 1731, als Gecommiteerde wegens Friesland in de Generaliteits-Rekenkamer, na vroeger onderscheidene andere posten te hebben bekleed, en Jonkheer Idsert Aebinga van Humalda, geb. den 12 September 1752, † den 21 Februarij 1834, als Oud-Gouverneur van Friesland.

De Geneeskundigen: Bernardus Fullenius, geb. in 1602, † den 27 Januarij 1657, als Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Franeker; Johannes Hemsterhuis, geb. 1 Januarij 1657, † 6 januarij 1708, insgelijks als Hoogleeraar te Franeker; Frederikus Kutsche, geb. 4 Julij 1742, † 29 Mei 1816, en Julius Vitringa Coulon, geb. 29 Mei 1767, † 15 Augustus 1843, welke beide laatste hooggeachte Geneesheeren te Leeuwarden waren.

Den Kruidkundige David Meese, geb. den 25 December 1723, † den 23 Augustus 1770, als Hortolanus aan de Akademie te Franeker.

De Wiskundigen: Jan Vredeman de Vries, geb. in 1527; Willem Loré, geb. in 1679, † 22 Mei 1744, als buitengewoon Hoogleeraar in de Wiskunde aan de Hoogeschool te Franeker, en Jacobus Pierson Tholen, geb. 20 September 1764, † 20 September 1824.

De Geschiedschrijvers: Sibrandus Leo, die in 1557, als R. K. Priester, te Menaldum stond; Suffridus Petrus, eigenlijk Sjoerd Pietersz., geb. den 15 Junij 1527, † den 25 Januarij 1597, die ook in de oude Letterkunde en Regtsgeleerdheid zeer ervaren was; Bernardus Gerbrandus Furner of Furmerius, geb. 20 October 1542, † 6 Augustus 1616; Pier van Winsum, meer bekend onder den naam van Pierius Winsemius, die ook latijnsche gedischten uitgegeven heeft, geb. in 1586, † 2 November 1644, als Hoogleeraar in de Welsprekendheid en Geschiedenis aan de Hoogeschool te Franeker; Simon Abbes Gabbema, geb. omstreeks 1630, † in 1688, na zich ook als Kruidkundige en Letterkundige te hebben doen kennen; Horatius Vitringa, geb. in 1632, † vermoedelijk in 1699, en Jacques George de Chauffepié, geb. 9 November 1702, † 3 Julij 1786, als Predikant bij de Waalsche gemeente te Amsterdam.

De Nederduitsche Dichters: Petrus Baerdt, uit het midden der zeventiende eeuw, en de bovengenoemde broeders Willem en Onno Zwier van haren.

De Letterkundigen: George Bataller, geb. in 1528, † 6 October 1581; Johannes Fungerus, die in het laatst der zestiende eeuw leefde en onderscheidene werken heeft uitgegeven; Tobia Gutberleth, geb. in 1674, † in 1703; Sigebert Haverkamp, geb. in 1684, † den 25 April 1742, als Hoogleeraar in de Grieksche Letterkunde aan de Hoogeschool te Leyden; Lodewijk caspar Valckenaer, geb. in 1715, † 15 Maart 1785, als Hoogleeraar te de Grieksche en Vaderlandsche Geschiedenis enz. aan de Hoogeschool te Leyden, na eerst te Franeker, met grooten roem, in de Oude Letteren onderwezen te hebben; Joan Daniel van Lennep, geb. in 1724, † in 1771, als Hoogleeraar te Franeker; Johannes Ruardi, die tevens de Latijnsche lier hanteerde, geb. 25 Maart 1746, † te Scharmer den 25 Julij 1815, als Hoogleeraar in de Latijnsche- en Grieksche taal, de Welsprekendheid en de Grieksche Oudheden aan de Hoogeschool te Groningen, en Bavius Antonius Nauta, geb. 24 April 1803, † 2 Julij 1835, na zich eenen welverdienden roem te hebben verworven, door de uitgave van Letterkundige geschriften.

Behalve deze letterkundigen, die ook meest alle latijnsche Dichters waren, nog de latijnsche Dichters, die tevens als Litteratoren grooten naam gemaakt hebben: Reinier en Hendrik Neuhosius?; Ernestus Baders; Theodorus van Kooten; † in 1813; Johan Adam Nodell, overleden als Rector der Latijnsche scholen te Rotterdam; Richeus van Ommeren, geb. den 12 December 1746, † 6 januarij 1796, als Rector der Latijnsche school te Amsterdam, en Herman Bosscha, die mede een verdienstelijk Geschiedschrijver was, geb. in 1755, † 11 Augustus 1819, als Rector der latijnsche school te Amsterdam.

De Schilders: Wijbrand de Geest: Pieter de Valk, geb. in 1584 ; Gilles de Winter, geb. omstreeks het jaar 1650, † in 1720; Wigerus Vitringa, geb. 8 October 1657, † 18 Januarij 1721; Johan Buma, die ook de Nederduitsche lier hanteerde, geb. in 1694, † den 28 Julij 1758; Bernardus Accama, geb. in 1697, † in 1756; diens broeder Mathijs Accama, geb. in 1702, † in 1783; Herman Wouter Beekkerk, geb. in 1756, † in 1796; Johannes Jelgerhuis Rienksz., die tevens een bekwaam Tooneelspeler was, geb. in 1770, † 6 October 1836; Jan Hendrik Nicolai, geb. in 1776, † in 1828; Dirk Ploegsma; Eelke Jelles Eelkema, geb. 8 Junij 1788, † 27 November 1839, en Tjeerd Andringa, geb. 15 Junij 1806, † 7 Junij 1827.

Den Teekenaar Rienk Jelgerhuis, geb. in 1729, † 17 April 1806.

Ook zijn te Leeuwarden geboren de Dichteressen: Jetske Reinou van der Malm, en Clara Fetona van Raespelt, geb. van Sytzama, geb. 5 April 1729. De Schilderes Margaretha de Heer, en de Teekenares en Schilderes Wilhelmina Geertruida van Idsinga, geb. 10 November 1788, † 9 Mei 1819.

De wederwaardigheden dezer aanzienlijke stad, opgekomen in duistere en verwarde tijden, zijn zeer aanmerkelijk geweest. reeds in het jaar 1392 werd zij, betrokken in de toen zoo geweldige verdeeldheden der Schieringers en vetkoopers, door de eerstgenoemde ingenomen en in het Noordoosten gedeeltelijk verbrand.

Die van het geslagt van Camminga hadden van ouds in en rondom Leeuwarden aanzienlijke goederen, en waren de stichters van de aanzienlijke stins Cammingha-burg, ten Noordoosten der stad gestaan hebbende. Dit gaf, in het jaar 1399, toen de Friezen, bij hunne menigvuldige oneenigheden, door Albrecht van Beijeren veroverd werden, aanleiding tot het begiftigen van Gherold van Cammingha met de stad Leeuwarden enz., volgens een handvest van Graaf Albrecht van Beijeren, van den 18 Julij 1399.

In het jaar 1412 werd te Leeuwarden eene kerkelijke vergadering gehouden van de Geestelijkheid der stad en die van Wirdum, Wartena en Grouw, in welke men, onder anderen, besloot, de onschuldigen en overheerden te beschermen, tegen alle geweld en ongelijk, en de baldadigen en kwaaddoeners ten scherpste te vervolgen en te straffen.

In het jaar 1420 werd Leeuwarden ten tweeden male door de Schieringers overvallen, die er eenen tijd lang hunnen zetel hielden, om die van Oostergoo te kwellen, tot dat, in het volgende jaar, op eenen gaarlegger of landsdag te Groningen, de geschillen voor eenigen tijd werden bijgelegd. Wat later werden de brieven, waarbij het halsregt, dat reeds in het jaar 1392 aan de stad verleend was, weder bekrachtigd en elk beroep op hooger afgekeurd, dan alleen bij verdrag.

In het jaar 1437, op Vrijdag na St. Thomas- en Judasdag, vergaderden de twistende Schieringer en Vetkooper Heerschappen te Leeuwarden, om eenige belangrijke punten vast te stellen, tot herstel van de rust des lands, die toen wederom verstoord was. Gedurende eenigen tijd verkreeg men hierdoor den vrede, die echter spoedig weder verbroken werd door de partijzucht van Gabbinga en eenige andere, hetgeen aanleiding gaf tot eenen gaarleger te Leeuwarden met die van Groningen. Door dezen bekwam men wederom, gedurende eenige jaren, rust, en toen de tweespalt op nieuw ontbrandde, werd zij, omtrent het jaar 1456, weder gestild door de vrees voor eenen inval van den Hertog van Bourgondië, Filips de Goede. Deze had in dien tijd de Friezen vermaand, zich, tot beslissing hunner dagelijksche oneenigheden, onder zijn opperbestuur te begeven; doch zonder eenig ander gevolg, dan dat de twistende partijen zich vereenigden, om des noods geweld met geweld te keeren; waardoor de aloude vrijheid, terwijl den Hertog elders de handen vol werk kreeg, zich wederom in vollen luister vertoonde.

Omtrent het jaar 1460 heerschte er eene groote partijzucht tusschen die van Leeuwarden en Dockum, zoodanig zelfs, dat de poorters der beide steden elkander dikwijls beroofden. De schranderste begrepen eindelijk, dat uit zulk eene tweespalt niets dan onheil voor beide partijen te wachten stond, waarom zij, in 1463, eene schorsching van alle geweld bewerkten, die zij voorts in eenen vasten vrede veranderden.

In September 1477 eindigde een hevig verschil tusschen Leeuwarden en de vier deelen in den Leppedijk, Leeuwarderadeel, Tietjerksteradeel, Idaarderadeel en Smallingerland; met dit gevolg, daan aan Leeuwarden voor altoos werd opgedragen den volstrekten eigendom over de vier zijlen in dien dijk, met alle daarbij behoorende tollen, kolken, aard- en ijzerwerk, mits die door de stad wel werden onderhouden.

Omtrent het jaar 1481 was het omtrent Leeuwarden, door de invallen der Schieringer Heerschappen, zeer onveilig, hetgeen gelegenheid gaf tot het oprigten van een bondgenootschap tusschen Leeuwarden en Tietjerksteradeel, benevens Cornjum en Britsum. Tot meerder veiligheid sloot men een driejarig verbond met Sicke en Tjaard Sjaerdama, die te Franeker en in de nabuurschap het bewind voerden.

Leeuwarden, tegen den zin der Woudlieden, eene waag tot haar voordeel te Slooten opgerigt hebbende, had vooral veel te lijden van zekeren Wybe Jarichs Jelkama van Akkrum, een stout man, die eenen grooten aanhang had. In het eerst vergenoegde hij zich met rooven en plunderen; doch ten laatste beproefde hij de stad zelve, toen een deel der burgers op eenen togt daarbuiten was, bij verrassing in te nemen, hetgeen hem echter zoo slecht bekwam, dat hij met groot verlies moest aftrekken. Wybe Jarichs zat middelerwijl niet stil, maar vermeesterde bij nacht de stins Heslinga, te Poppingawier, terwijl de ontvlugte eigenaars die van Leeuwarden om hulp smeekten. Deze, wetende dat hun belang zulks medebragt, toefden niet hun bij te springen, en daarop werd het huis door Ede en Hessel Jongama benevens Pieter Harinxma, hernomen en tot den grond toe afgebroken. Uit deze onlusten wachtte men weder gewigtiger onheilen, tot voorkoming van welke die van Leeuwarden zich vereenigden met de steden Sneek, Bolsward en Slooten, om den openbaren vrede in het land te bewaren; te dien einde zoude men elkander krachtdadig bijstaan, en tot verzekering daarvan negen aanzienlijke mannen verkiezen, die bepalen zouden, met hoeveel manschappen men elkander, ingeval van eenen onverhoopten aanval, moest te hulp komen: zullende Leeuwarden en Bolsward ieder drie en de beide andere steden de overige verkiezen. Nog voegden zich bij dit verbond Gosse Roorda en Worp Keimpema; terwijl door tusschenkomst van goede mannen een vasten vrede tusschen de verbondenen, met Botte toe Herwey en Fekke Bottinga, werd gesloten. Een der eerste gevolgen van dit verbond, in hetwelk Franeker ook eenigzins begrepen was, is geweest de ondergang van die zich van tijd tot tijd tegen Sicke Sjaerdama, te Franeker, en tegen de Leeuwarders verzet had. Men belegerde hem hierom in Mei 1482, met dit gevolg, dat een kogel, uit de groote busse van Leeuwarden geschoten, den belegerde door een blind venster trof, waardoor hij gewoon was het veld te bespieden.

Intusschen was er een hevige twist ontstaan in Gaasterland, tusschen Ige Galema en den Abt van Hemelum; eene zaak vooreerst van geen groot belang, doch die allergewigtigst werd door eenen misslag der Leeuwarders. Deze, denkende dat hier veel te winnen zou zijn, verbraken hun verbond met de overige steden, en boden bijstand aan Ige Galema tegen den Abt van Hemelum, die bij de Schieringers wel gezien was, De Bolswarders hielden het in dit stuk met Leeuwarden, hetgeen ten gevolge had, dat de Abt, onvoorziens binnen Slooten bezet, eenen vrede moest maken naar den wil zijner overwinnaars.

Een weinig later, in 1487, ontstond er in de stad veel onrust over een verbod der Regering, om geene vreemde bieren binnen de stad te drinken. Dit was inzonderheid den boeren zeer tegen de borst, die daarom dit gebod overtraden en door de brouwers en anderen aangetast werden, doch de vlugt namen op Pieter Camminghahuis. Hier wilde het op de been komende gemeen de huislieden volstrekt ter straffe overgeleverd hebben, hetwelk Cammingha echter weigerde. Toen werd de zaak nog erger, zoodat men geweld wilde plegen aan het huis van dien Edelman, welke overal in Oostergoo en Westergoo een groot aantal vrienden had, hetgeen eene buitengewoone ontsteltenis door het geheele land verwekte, zijnde daarenboven de Leeuwarders zeer gehaat wegens hunne heerschzucht en het verbreken van het stedenverbond. Ras kwamen hierop de Schieringer Hoofden, gesterkt met die van Franeker, op de been, in alles ongeveer achtduizend man sterk. Deze, de Leeuwarders onverhoeds overvallende, namen de stad, welke men bezig was met eene nieuw gegraven gracht te bevestigen, bij verrassing in, plunderden haar geheel uit, en rigtten eene groote slagting aan; ook sleepten zij de stads bussen en al wat van waarde was met zich.

De Leeuwarders, nu gedwongen zijnde, vereenigden zich in het volgende jaar, 1488, met de overige steden, om alle tweedragt in het land een einde te doen nemen; doch dit verbond was al wederom van korten duur, naardien de Vetkoopers, bespeurende hoe de Schieringers hunne partij in Westergoo genoegzaam hadden vernietigd, voor zich zelve in Oostergoo begonnen te vreezen, en daarom, in 1491, een verbond van veertien jaren met de Groningers aangingen, bij hetwelk zich de stad Leeuwarden in het volgende jaar voegde. Men weet hoe de onlusten, uit dit verbond gerezen, eindelijk den Hertog van Saksen in het land riepen, en dat zijn Kapitein Fox, in het jaar 1495, een aanslag op Leeuwarden maakte, die toen echter mislukte.

Middelerwijl was de Hertog van Saksen, door Keizer Maximiliaan tot Erf-Postestaat van Friesland verklaard, en wilde deze nu openlijk bezit nemen van het land, dat hij van dien Keizer verkregen had. Dit verwekte eenen grooten schrik onder de Groningers en hunnen aanhang, zoodat genoegzaam de geheele bezetting van Leeuwarden verliep.

Tot dusverre had Leeuwarden echter geen gevaar, dewijl de Woudlieden zich dapper tegen de uitheemsche knechten onder Schouwenburg; doch toen deze door dien Overste verslagen waren, was er niemand, die in Friesland langer wederstand kon bieden, waarom ook Leeuwarden, in 1498, door Schouwenburg, op den vierden van Hooimaand, belegerd werd. De belegeraars, de stad ras aan alle kanten bezettende, plaatsten hun hoofdkwartier in het klooster Fiswert, ten Noorden van de stad, zich tevens ook verzekerende van Camminghaburg, Lekkum, Miedum en Jelsum, welke dorpen in de belegering hun hoornvee verloren, gelijk het Zusterenklooster zijne goederen en kleinodiën. Drie dagen lang duurde het beleg der stad, waarna die van binnen, ziende dat toch alle ontzet onmogelijk was, zich op goede voorwaarden overgaven, en met de Schieringers, door de Saksers, die tot hiertoe meer de rol van bemiddelaars dan van leenheeren speelden, verzoend werden. De Leeuwarders hadden, hoewel overmeesterd, nog hunne vrijheid behouden, eenige Saksische bezetting uitgezonderd, die op Uniahuis lag. doch slecht van krijgsbehoeften voorzien was. Schouwenburg, daarin willende voorzien, zond in Augustus des jaars 1498, eenen grooten wagen vol bussen, kruid, lood enz. binnen Leeuwarden, om daarmede Uniahuis te voorzien; doch die van de stad namen dit zeer euvel op, als strijdende met de voorwaarden, welke zij met den Stadhouder gemaakt hadden. Hier kwam nog bij het ongenoegen, veroorzaakt door het berigt van eenige afgezondene burgers naar Sneek, werwaarts deze verzocht waren te komen door Schouwenburg, om de akte te zien, bij welke Keizer Maximiliaan den Hertog tot het Erf-Postestaatschap verheven had: want deze akte had hun niet voldaan, als zijnde maar eene enkele aankondiging op papier en geenszins een volledig diploma. Het een en ander was van zoodanige uitwerking, dat het volk eenparig naar Uniahuis oprukte, het ter verdediging onnut maakte, en den Hopman met eenige bezettelingen vermoordde. Na dezen geweldigen stap zag men alomme uit naar hulp; ook ontving men eene groote bezetting van Groningen, benevens vier honderd Woudlieden, terwijl de stad van buiten, door Schouwenburg, met een groot heer belegerd werd. Manhaftig was in het begin de verdediging, daar die van binnen dagelijks voordeelige uitvallen deden; te weten, de stedelingen en de woudlieden, doch die van Groningen toonden weinig moed te hebben: want toen de toestand eenigzins bedenkelijk scheen te worden, vertrokken zij heimelijk bij nacht, hoewel niet zonder aanmerkelijk verlies. Die van binnen kregen het eindelijk te kwaad, en werden genoodzaakt zich over te geven op den 23 October, op de volgende voorwaarden. “Blootshoofds en barrevoets zullen de belegerden een voetval doen, of die smaad afkoopen met 14,000 Rijnsguldens. De stad stichte twee wekelijksche missen ter gedachtenis der verslagenen op Uniahuis, en telle eenmaal aan des Hopmans weduwe twee honderd goudguldens. Uniahuis moest worden hersteld, of de waarde daarvan aan Worp Unia betaald. Schouwenburg zij het vergund, tot zijns Heeren meesters dienst een Blokhuis in de stad te leggen, tot kosten van de burgerij, ter plaatse en hoe sterk het hem goeddacht.”

Op deze overgave der stad volgde ras het bouwen van een blokhuis, dat gesticht werd omtrent het hof van Jan Tammema, nadat men het geboomte het uitgeroeid. Op den vier en twintigsten Februarij 1499 sloeg men de handen aan het werk, wordende de aangrenzende grietenijen gedwongen de grachten te graven, te weten Leeuwarderadeel, Ferwerderadeel, Tietjerksteradeel, Holwerderzes, Menaldumadeel, Barradeel, Idaarderadeel en Rauwerderhem; ieder roede tot vijf en twintig goudgulden. De eerste steen, hieraan gebezigd, was van Worp-Uniahuis, hetwelk door de Leeuwarders voor de belegering was afgebroken. Ook wierpen zij eene menigte stinzen in de nabuurschap omver om de steenen tot hun oogmerk te gebruiken.

In het volgende jaar vijftienhonderd raakten de Leeuwarders weder in groot gevaar, wegens hunnen besluiteloosheid, gedurende den tijd, in welken Hertog Hendrik van Saksen door de Friezen te Franeker belegerd werd: want hadden zij nu het half voltrokken blokhuis, waarop Sigismundus Pelug? met een handvol volks gebood, overrompeld, en zich met hun geschut bij hunne landslieden voor Franeker gevoegd, die de stad zou ras hebben moeten bukken. Hadden zij het daarentegen van hun belang gerekend, de Saksische zijde te kiezen, zij zouden de belegeraars gemakkelijk hebben kunnen dwingen, van hun opzet af te zien. Zij, daarentegen, gedroegen zich zoo twijfelachtig, dat zij den haat der beide partijen op zich laadden, hetgeen ten gevolge had, dat de Hertog van Saksen, na zijne overwinning op de Friezen, de Leeuwarders even vijandig als de overigen behandelde, en hunne stad deed plunderen.

In het jaar 1507 werd door de Leeuwarders eene vaart naar Franeker begonnen, en voorts door de grietenijen voleindigd.

In het jaar 1511 onstond er te Leeuwarden, acht dagen voor Pinksteren, een brand bij de school, die zich ras verspreidde aan de beide oorden van de Nieuwestad, en, naar men verhaalt, meer dan twee honderd der beste huizen vernielde.

Leeuwarden had ook rijkelijk zijn deel aan de gelderschen oorlog, die in het jaar 1514 ontstak, houdende deze stad, met Franeker alleen, de Saksische en daarna de Bourgondische zijde; ook waren, bij het vertrek des Hertogers van Saksen geene zijner troepen in de provincie overgebleven, dan alleen twee vaandels in Leeuwarden, en een te Franeker. De Leeuwarders ondertusschen, tot nog toe weinig van de ver af zijnde Gelderschen te vreezen hebbende, zochten hun voordeel in het berooven van hunne naburen, die der Geldersche partij waren toegedaan, en poogden, in den nacht voor den 1 Januarij 1515, de kerk van Jorwerd te overrompelen, waarin de naburige huislieden, uit angst voor den vijand, sliepen; hierop deden zij eenen aanval, met ruim twee honderd man, doch werden door vijf en twintig man in de kerk, die tevens, door het kleppen der klokken, de geheele nabuurschap in de wapenen bragten, zoo wel ontvangen dat zij onverrigter zake moesten terugkeeren. Even ongelukkig was een tweede uitval, tegen die van Wirdum, Jellum en Beers: want toen zij reeds eenen schoonen buit verzameld hadden, werd hun die door het zaamvergaderd landvolk weder afgezet. Ook werden daarbij twintig uitheemschen doodgeslagen, en vele burgers gevangen genomen. Wat later hadden zij verscheiden gevechten met de Geldersgezinde naburen, die nu eens voordeelig dan een ongunstig uitvielen. De Hertog van Saksen middelerwijl geen raad wetende, om de Gelderschen het hoofd te bieden, had in het begin des jaars 1515, zijn gezag over Friesland aan prins Karel van Oostenrijk, naderhand Keizer Karel V, afgestaan, die Graaf Floris van Egmond herwaarts zond, om het gewest uit zijnen naam in bezit te nemen. Hij kwam in het laatst van Zomermaand te Leeuwarden, alwaar toen een Gaarlegger der Staten was, om den ingezetenen den eed van getrouwheid af te nemen.

In dit jaar ontving Leeuwarden verscheiden voorregten door de gunst des Vorsten. Volgens deze werd de aloude regeringsvorm der stad bevestigd; de stads vrijheid en het regtsgebied werd uitgestrekt, zoo wijd en ver, als de drie kerspelkerken van St. Vitus tot Oldehove, Onze Liebe Vrouw tot Nijehove en St. Catharina op den Hoek, binnen en buiten Leeuwarden, met al hare landen, die er toe behoorden, reikten. Ook werden alle bewoners dier landerijen verpligt, zich geheel en al onder gezag van de regering der stad te stellen. het regt zou volgens Roomsch-keizerlijke wetten worden geoefend, hebbende de Raad van Leeuwarden de bevoegdheid om een ieder, het zij edel of onedel, die te Leeuwarden of binnen de vrijheid der stad breukachtig viel, deswege te straffen als hunne eigene inwoners. De Vorst verbond zich tevens de lasten, schattingen, tollen enz. op de landen onder Leeuwarden liggende, nooit te zullen verhogen enz. In het zelfde jaar veroverden de Leeuwarders Unia-stins te Blija, gelijk ook Juwsma-huis te Ferwerd. Daarna plunderden zij Rinsumageest, doch met den buit naar huis keerende, werden zij door de Geldersgezinden geslagen. De Geldersgezinde Friezen hadden intusschen alom de overhand, en hoopten nu de Leeuwarders met geweld tot het omhelzen hunner zijde te dwingen. Op den 15 Junij 1516 vertoonden zij zich het eerst voor de stad, en versterkten hun leger te Deinum, bij de Galgefenne enz. Van daar werd hevig geschoten op de stad, die hun niets schuldig bleef. Treffelijk was de verdediging, doch de belegerden zouden, desniettegenstaande, hebben moeten bezwijken, zoo zij niet door de aankomende hulptroepen des Prinsen waren ontzet; te weten door een leger van drie of vier duizend man, hetwelk de Gelderschen voor Leeuwarden, alleen door de mare zijner aankomst te Harlingen, deed uiteenloopen. In het begin des volgenden jaars gaven de Leeuwarders hunnen Heer te kennen, hoe nuttig het voor de stad zou zijn, hare vestingwerken te verbeteren, waarom zij in dezen des Vorsten bijstand verzochten. Deze, het verzoek inwilligende, begiftigde te dien einde de Regering des stad met de goederen van eenige wederspannige Edelen, als met de huizen van Jouw Jouwsma te Wirdum, Edo Jongama te Rauwerd, Ofke Hessels te Bozum, Fedde Dotinga te Marssum, Keimpe Sierks te Beetgum, benevens de huizen van Jouke Unema en Bennert Abinga, met volle magt om de steenen der afgeworpen huizen tot hunne poorten en wallen te gebruiken, en zich de inkomsten der landerijen, daaronder behoorende, toe te eigenen, tot ‘s Vorsten wederopzeggen enz.

Na den vrede van 1524 genoot Leeuwarden, onder de gelukkige regering van Keizer Karel V, eerst voorspoedige tijden. Ook onder de regering van Koning Philips II, tot aan het jaar 1561, wanneer men, tot besnoeijing der meer en meer toenemende Bisdommen te voorzien, en onder anderen ook Leeuwarden. Van dien tijd af begonnen de gemoedereb der ingezetenen meer en meer van den Koning en zijne Raden te vervreemden. Krachtig verzette men zich tegen de aanstelling van den nieuwen Bisschop, en vruchteloos waren de strenge plakkaten tot herstel van de rust.

In Junij 1566 kwamen te Leeuwarden de Afgezanten der verbonden Edelen, Herbert van Raaphorst, Frits van Egmond en Albert van Huchtenbroek, die ten huize van Gabbe Selsma, in den Vergulden Helm, op de Nieuwstad, hun intrek namen. Hunne berigtspunten hielden in: “De Friezen te verstendigen van het beraamde verbond, en kennis te doen hebben van de zaken, die met de Landvoogdes te Brussel en met Filips in Spanje waren verhandeld. Voorst te geven afschrift van het verbond, met bijvoeging hunner bevelbrieven, bij de Hoofden des bondgenootschap bekrachtigd. Ook hadden zij te bezorgen, na het verkondigen van des Konings toorn, en den keer der dingen ten ergsten, de Friezen in het verbond te trekken tot afwering van ‘s vaderlands kwalijken vaart en eindelijken ondergang, ongeacht de bedriegelijke letteren der Landvoogdes, die daarop uit was, om de onbedachte harten met schoone woorden in slaap te wiegen enz." De harde Roomschgezinden zagen deze Afgezanten met een ongunstig oog aan, en deden hun best om hen door valsche geruchten bij de gemeente gehaat te maken, met het uitstrooijen van allerhanden laster, ten welken einde zich voornamelijk zekere Antonius Joostzoon liet gebruiken. Dit was van dat gevolg, dat er eerlang insgelijks eene menigte schotschriften en gezangen, ten nadeele van den Koning en zijnen Raad, werden verspreid, hetgeen men zocht te weren door het geesselen en bonnen van eenige handdadigen; doch te vergeefs: want hierdoor groeide het misnoegen aan, en brak eerlang ten vollen uit, onder het beleid van eenen stouten burger, Gabbe Selsma, die de Wethouders en het volk tegen de Roomsche kerk zoodanig ophitste, dat men besloot dag en nacht in de poorten te houden, en de versterking der bezetting, met welke de Stadhouder Aremberg in aantogt was, buiten te keeren, hetgeen deze zeer euvel opnam, schoon hij voor dien tijd geduld moest nemen. Tevens nam men het besluit om de beelden van stads wege uit de kerken te nemen, ten einde de plundering te voorkomen. Dit volbragt men op den 6 September 1566, wanneer de wethouderschap last gaf aan de Geestelijken en Gilden, om alwat hun in eigendom toekwam uit de Kerspelkerken te ruimen, wilden zij het niet vernield zien. Hierop trokken des avonds acht burgerrotten met eenige werklieden derwaarts, die alle beelden, schilderijen en altaren, zonder eenig onderscheid, wegnamen, om de kerken tot het prediken op de hervormde wijze, tegen den volgenden dag, bekwaam te maken. Toen werd ook de eerste predikatie in den voormiddag gedaan door Antonius Nicolai(), vroeger Priester te Hoogebeintum, in tegenwoordigheid van den Burgemeester Tjerk Walles en van een groot aantal burgers, die meestal tot meerder zekerheid wel gewapend waren. Na den middag leerde Martinus Eliacus, vroeger Priester te Tjum, waarna men op den vijftienden dier maand het H. nachtmaal des Heren, voor de eerste keer, in het openbaar bediende. Middelerwijl kwamen er zeer strenge bevelen van de landsvoogdes tegen het oefenen van de Hervormde leer, en Aremberg maande daarop de Burgers aan, om, zoo ras mogelijk, de kerken in haren vorigen staat te herstellen, en de nieuwe Leeraren ter stede te doen uittrekken. Der Regering was dit zeer tegen de borst, waarom zij zich, op eene billijke wijze, met hem zag te verdragen, doch hij antwoordde, dat hij niets mogt inwilligen van al het geen, dat naar eenig verdragen of beschermen der nieuwe leer zou gelijken, alzoo hij bevel had, alle de daartoe strekkende voorstellingen aan de landvoogdes te doen en inmiddels des Konings bevelen, zoo veel hem mogelijk ware, uit te oefenen.

Ondertusschen ontving men een nieuw gestreng plakaat van den Koning, gebiedende de naauwkeurige handhaving van het oude geloof, over hetwelk tusschen de leden der verschillende gezindheden eene groote tweespalt ontstond, in welke echter de voorstanders der nieuwe leer, door het onverwacht verschijnen van Aremberg, die gedurende eenigen tijd in Overijssel was geweest, met eene menigte troepen. Dit veroorzaakte eene groote ontsteltenis ten platten lande en had een breed vertoog der Staten den bedreigde gewetensdwang ten gevolge. Die van Leeuwarden, als hebbende het zwaarst gezondigd, waren het meest verlegen, en zonden hierom aan den Stadhouder gezanten, om eene verzoening met hem te bewerken. Deze werd ook getroffen, hoewel op zeer harde voorwaarden, volgens welke zij de nieuwe Leeraars wegzenden en de oude godsdienst in haren vollen luister herstellen moesten; voorts moest de stad haar geschut en geweer overgeven, om geplaatst en gebruikt te worden naar verkiezing des Konings. Deze verzoening had plaats op 11 Januarij 1567, en op den volgenden dag ruimden de Hervormde Leeraars de stad en haar regtsgebied, wordende zij op eene eerlijke wijze uitgeleid door den Burgemeester Tjerk Walles, die hen eerlang als balling volgen moest, waarop de herstelling van de oude kerkdienst volgde. Tot geruststelling der burgerij, werd er toen een plakkaat, van wege de Hertogin, afgekondigd, waarbij het gebeurde goedgekeurd en aan de stad beloofd werd, dat men haar met geene ruiters of voetknechten verder zou bezwaren, zoolang de inwoners zich stil en gerust hielden. Ook werd in die brieven beloofd, niemand wegens het gebeurde in eenige ongelegenheid te zullen brengen.

De Leeuwarders, nu volkomen van hunne vrijheid beroofd, zochten dit op eenigen uit hunne regering te wreken, welke, zoo zij meenden, in het geheim tot hun onheil hadden medegewerkt. Inzonderheid viel de algemeene haat der Hervormden op Mr. Matthijs Rommarts, Stads-Syndiens, die geweldig werd aangetast, onder een heftig geroep van, sla dood! en ter naauwernood door Aremberg werd ontzet. Nog viel de onverstandige woede der stedelingen aan op Pier toe Jelgerhuis, waarom de Stadhouder meer troepen in de stad deed komen, die bij de burgerij werden ingekwartierd.

Na dien tijd genoot Leeuwarden eenige rust tot aan het laatst van 1567 en het begin van 1568, wanneer de Hertog van Alva door zijne wreedheden ook hier algemeenen schrik verwekte onder allen, die deel hadden gehad aan de voorgevallene beroerten. Vele voorname lieden vlugtten toen ten lande uit, en werden met verbeurdverklaring hunner goederen ingedaagd. Onder anderen had men het geladen op den Oud-Burgemeester Tjerk Walles, die, op den 8 Maart 1568, voor de tweede maal werd ingedaagd, als de begunstiger en inhaler der Geuze Predikanten.

Ondertusschen naderde Lodewijk, Graaf van Nassau, de grenzen met zijn leger, waardoor de zaak der vrijheid nieuwe hoop ontving, welke niet weinig toenam door de nederlaag en den dood van Aremberg bij Heiligerlee; doch door het ontstaan der omstandigheden verdween deze weder geheel. Immers, den 1 Februarij 1570 kwam hier de nieuwe Bisschop Cunerus Petri, op aanschrijven en met eenen lastbrief van den Hertog van Alva, hoewel zeer tegen den zin der geestelijkheid en des volks, hetwelk er echter nu in berusten moest. Met groote pracht en onder het geluid der trompetten en het gebulder van het geschut werd hij ingehaald; wordende hij geleid naar de kerk van Oldehove en aldaar op het plegtigst ingewijd, waarna hij de kerk, de altaren enz. weder wijdde, als bezoedeld door de ketterij der Hervormden, die er eenigen tijd gepredikt hadden. Toen maakte hij zich meester van de hem toegelegde abdijen, kloosters en kerken, de geestelijkheid alom regerende met eenen ijzeren schepter.

LEEUWARDEN, kant., prov. Friesland, arr. Leeuwarden. Het bevat de stad Leeuwarden en de griet. Leeuwarderadeel; beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 10,642 bund. 15 v. r. 90 v. ell., waaronder 10,356 bund. 64 v. r. 97 v. ell. belastbaar land, en telt 4493 h., bewoond door 5959 huisgez., uitmakende een bevolking van 29,800 zielen, die meest in landbouw, veeteelt en binnenlandschen handel hun bestaan vinden.

LEEUWARDEN<, kerk. ring, prov. Friesland, klass van Leeuwarden, bestaande uit de volgende 9 gemeenten: Leeuwarden (Nederl. gem.), Leeuwarden (Waalsche gem.), Deinum, Engelum, Goutum-en-Zwichtum, Hempens-en-Teerns, Huizum, Lekkum-en-Miedum en Marssum. Men telt daarin 18,300 zielen, onder welke 5120 Ledematen en heeft er 12 kerken, welke door 13 Predikanten bediend worden.

LEEUWARDEN, klass., prov. Friesland. Zij bestaat uit de vier volgende ringen: Leeuwarden, Stiens, Bergum en Wirdum. Men heeft er 45 gemeenten, met 68 kerken, bediend wordende door 50 Predikanten. Er zijn 50,790 zielen, onder welke 9470 Ledematen.

LEEUWARDEN<, synagogaal ressort der Nederlandsche Israëliten, zich uitstrekkende over de geheele prov. Friesland.

Behalve eene Hoofd-Synagoge te Leeuwarden, die door een Opper-Rabbijn bediend wordt, bestaat ook dit ressort uit de volgende vijf ringsynagogen: Gorredijk, Harlingen, Bolsward, Sneek en Lemmer, en twee bijkerken, als: eene te Hindeloopen en eene te Noordwolde. Men telt er ongeveer 2000 Israëliten.

LEPROZENWEG (DE) of de Spanjaardsdijk, weg, prov. Friesland, kw. Oostergoo, gem. Leeuwarden, N. van de stad Leeuwarden, van den oostelijken dijk der Middelzee, over de Dockumer-Ee, naar den Zwartenweg loopende. Hij is in 1830 bestraat, als weg naar de toen aangelegde Stedelijke Begraafplaats.

LIOUWERD, oude Friesche naam van de st. Leeuwarden, prov. Friesland, kw. Oostergoo, welke benaming nog heden ten dage onder de Land-Friezen in hunne taal vrij algemeen is. Zie Leeuwarden.

MARIENBURG, voorm. lusttuin, prov. Friesland, kw., arr., kant. en gem. Leeuwarden.

Deze lusttuin werd, in het begin der vorige eeuw, door Prinses Maria Louisa, weduwe van Jan Willem Friso, vergroot en naar haar aldus genoemd. Na het overlijden van die Vorstin, werd zij aan de Diakonie der stad Leeuwarden geschonken, aan wie zij nog behoort.

MINDERBROEDERS-KLOOSTER, voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Oostergoo, bij en in de stad Leeuwarden. Zie Galileën.

MINNEMA, of Minnema-huis, voorm. adell. h., prov. Friesland, kw. Oostergoo, te Leeuwarden, op de Korenmarkt, aan den hoek van de Minnemastraat, thans het Logement de Nieuwe-Doelen.

NIEUWLANDS-VAART (DE), oude naam van de Harlinger-Vaart, prov. Friesland, kw. Oostergoo, onder het regtsgebied der stad Leeuwarden.

NIJEHOVE, voorm. d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, dat, allengs aangegroeid zijnde, de stad Leeuwarden geworden is. Zie dat woord.

PAPEMA-FENNE, voorm. groote uitgestrektheid lands, prov. Friesland. Zie Papinga-Fenne.

PAPINGA-FENNE of Papema-Fenne, voorm. groote uitgestrektheid lands, prov. Friesland, onder de parochie van Oudenhove, ten N. van Papinga-stins, thans een gedeelte der stad Leeuwarden uitmakende.

Het behoorde in eigendom aan de huiskapel van Papinga-stins, in gemeenschap met het St. Anthonij-gasthuis. In het jaar 1484 werd de gracht aan de noordzijde der stad er door gegraven.

PAPINGA-STINS of Papema-State, voorm.  aanzienlijke stins, prov. Friesland, onder de parochie Oudenhove, later binnen de stad Leeuwarden getrokken en tot het Oudehof of Prinsessenhof gediend hebbende. Thans is het btot verschillende partikulieren huizen verbouwd.

PIETERSBUREN, b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, bestaande uit eenen molen en nabij gelegene woningen, in de voorstad van Leeuwarden, het Zuid-Vliet genoemd. Zij is dus genoemd naar den stichter Pieter Luitsjes van der Meulen.

POTMARGE (DE),  vaart, prov. Friesland, kw. Oostergoo, die, uit de stadsgracht van Leeuwarden voortkomende, in eene oostelijke rigting, als grens tusschen deze stad en het dorp Huizum, naar de Tynje loopt.

ROLKEMA of Rolkamahuis, voorm. stins te Leeuwarden, prov. Friesland, aan de Eewal.

Dit huis, hetwelk later aan de Dekama's en van Loo's behoord heeft, was zeer breed en werd in 1565 fraai herbouwd. Het is thans tot een koningklijk paleis ingerigt.

SIERCKSMA, Sierxma of Sirxma, ook wel Siersma geschreven, voorm. state, prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr., kant., gem. en 10 min. N. W. van Leeuwarden, op het Nieuwland.

Van de plaats, waar deze state gestaan heeft, ziet men thans geen spoor meer. - Zij was het stamhuis der Siercksma's (ook Sierksma, Syrksma, Siriksma en Sierxma gespeld), die in de vijftiende eeuw als leden van het stedelijk bestuur te Leeuwarden in groot aanzien waren.

SIERKSMAHUIS, twee voorm. aanzienlijke huizen, prov. Friesland, te Leeuwarden, het eene in de Groote-Hoogstraat, naast het gebouw, hetwelk in de zestiende eeuw tot Raadhuis diende; het andere in de Begijnestraat, waarvan, door het verbouwen in verschillende huizen, de juiste standplaats niet meer is aan te wijzen.

SIXMA, voorm. state, prov. Friesland, kant. Oostergoo, gem. Leeuwarden. Zie Siercksma.

SPANJAARDSDIJK (DE) of de Spanjaarsweg, weg, vroeger de Leproseweg, en nog vroeger de Fiswerderweg geheeten, prov. Friesland, kw. Oostergoo, gem. Leeuwarden, welke, benoorden die stad, naar en voorbij de stedelijke begraafpolaats leidt en in 1831 bestraat is.

Deze weg was eerst een hooiweg, daarna de toegang naat het klooster Fiswert en later eene verbinding tusschen den Hoogendijk en den Zwarteweg. Hij ontleent zijnen tegenwoordigen naam van de volgende omstandigheid. Tien vaandelen Spaanschen soldaten, uit Holland naar Friesland gezonden, waren in den morgen van den 19 Mei 1568 te Harlingen ontscheept, en namen hunnen weg op Leeuwarden, met het oogmerk, om, onder het geleide van de Stadhouder, den Graaf van Aremberg, naar Groningerland te trekken, en daar het Nassausche leger op te zoeken en slag te leveren. De regering van Leeuwarden begreep duidelijk, dat die woeste benden op den middag gaarne door deze stad zouden willen trekken, ten einde zich, ten koste van den stillen burger, van verversching en leeftogt ruim te voorzien. De Raad, dit gevaar willende afwenden, voorkwam dit wijselijk, door het besluit, om de poorten gesloten te houden, en de Spaanschen Hoplieden te verzoeken, om met de knechten de Noordzijde der stad om te trekken, ten einde op den Leproseweg van Stadswege gespijzigd te worden. Dit gebeurde, en terwijl de vermoeide Spanjaarden zich op dien weg uitstrekten, om te rusten, werd er uit de stad brood, vleesch, bier, wijn en andere levensmiddelen aangebragt en aan ieder hunner uitgereikt; terwijl hun bovendien nog eenigen leeftogt, tot voortzetting van hunne reis, werd medegegeven. De burgerij, die over dit verstandig gedrag der Regering zeer tevreden was, verzamelde zich in menigte op den stadswal, om dit toneel te aanschouwen. Geen wonder dus, dat deze gebeurtenis in levendige herinnering bleef, en dat, hoe vele redenen men later ook had, om de Spanjaarden te haten, hun naam toch, tot den huidigen dag, eigen bleef aan den weg, op welken zij eens door de stad onthaald waren (1)

(1) - Zie. W. Eekhoff, Gescheidkundige Beschrijving van Leeuwarden, D. I, bl. 263.

UNIAHUIS, voorm. sterk kast. te Leeuwarden, prov. Friesland, in het zuidoostelijke gedeelte der stad, in eenen hoek, welke weleer de stadsgracht vormde, op de plaats tusschen het tegenwoordige Zwitsersch waltje, de Weuse en de Ossekop, welke thans met huizen bebouwd is.

Het was in het begin der vijftiende eeuw gesticht door Kempo Unia, later Grietman van Leeuwarderadeel, en wordt door tijdgenooten beschreven als een >> huys of slot, ende schoon getimmert van playsanee, * genoech starek vth het water opgewracht," of door eene gracht omgeven; ja het wordt zelfs voor de schoonste en sterkste van alle stinzen der stad gehouden. genoemde stichter had het nagelaten aan zijnen zoon Abe, en deze, kinderloos overlijdende, aan zijne broeder Worp en Auke Unia.

Tegen den zin der regering en ondanks hunne eigene beloften, werden deze broeders door Albert, Hertog van Saksen, destijds namens Keizer Maximiliaan, Stadhouder over Friesland, overgehaald, om hem dit huis een tijd lang, en wel van 24 Julij 1498 tot St. Michiel (den 14 December) daaraanvolgende, in te ruimen, onder belofte, dat hij het huis op dien dag zoo goed of beter zou verlaten dan hij het ontvangen had. Bij gebreke daarvan zoude hij hun 200 floreenen (200 guld.) erfelijke landrenten geven, waarvoor Hessel Martena zijne goederen te pande stelde. De bepaling van de som, welke hij intusschen tot huur zou geven, werd dus listig ontdoken. Vervolgens wist de Graaf de regering over te halen, dat zij hem vergunde eene bezetting van 14 of 16 ongewapende mannen met Hopman Pieter van Ulms aan het hoofd, op dit huis te mogen leggen, hoewel van deze Hopman de eed gevorderd werd, dat hij niets vijandigs tegen de stad ondernemen, noch krijgsbehoeften op het huis brengen zoude, voor en aleer de lastbrief des Kiezers vertoond was.

Reeds den 2 Augustus daaraanvolgende dagvaardde Graaf Willebrord van Schaumburg, Krijgsbevelhebber van den Stadhouder, de Afgevaardigden der stad Sneek. Hij vertoonde hun daar een bevelschrift des Keizers, op papier, en begeerde nu, als diens plaatsbekleeder, in hunne stad gehuldigd te worden, en de hem ingeruimde stins te bezetten en te versterken. De Afgevaardigden, die een volkomenen lastbrief des Keizers, op perkament en met zegel bekrachtigd, verwacht hadden, gaven voor, nog geene,magt te hebben, om hem dit verlangen toe te staan, maar daarop het gevoelen van hunne medeburgers te moesten vragen, waarom zij een afschrift van dien lastbrief verzochten. Aldra bleek het, dat de gevoelens der Leeuwarders hieromtrent zeer uiteenliep: de eene partij wilde, uit eerbied voor des Keizers bevel en het gemaakte verdrag, den Hertog aannemen, terwijl de andere, niet tevreden met dit bevelschrift, hem met geweld tegenstaan wilde.

Intusschen oordeelde van Schaumburg, dat hier de letter der gemaakte overeenkomst en niet de uitspraak der menigte zijne zaak behoorde te beslissen. Zonder berigt af te wachten, zond hij derhalve, heimelijk, een wagen met geschut, kruid en lood van Sneek naar en in Leeuwarden, ter versterking van Uniahuis. Hoewel hij de vaten kruid met boter had laten besmeren, en het geschut met riet overdekken, werd deze verradelijke handelwijze, eerst toen de wagen reeds voor de poort der stins was gekomen, ontdekt door eenige kinderen, die daaromheen speelden. Deze deelden hunne bevindingen aan eenige voorbijgangers mede, en nu was de kreet van eenige burgers: >> wij zijn verraden!" genoeg, om de geheele verontwaardigde gemeente tegen Uniahuis en de daarop liggende zwakke bezetting in beweging te brengen. Het gevolg hiervan was, dat velen, zonder voorkennis van de Regering, de stins aanvielen, plunderden, en door een groot gat in den muur te stooten haar weerloos maakten, waarbij de vroeger gemeende Hopman, met drie zijner knechten, als verraders, om het leven gebragt en anderen gewond werden. Gelijktijdig verklaarde de stad zich algemeen tegen den Hertog, en tevens bereid om iederen aanval en alle overheersching eendragtig tegenstand te bieden. later werden de steenen van dit gebouw gebruikt aan het blokhuis te Leeuwarden (1).

(1) Deze tot dusverre onbekende bijzonderheden, zijn eerst onlangs uit een merkwaardig charter, in het Stedelijk Archief, medegedeeld door W. Eekhoff, in zijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I., bl. 106-108, 309 en 176

Dit huis was vermoedelijk het stamhuis van het oude geslacht Unia, van het welke wij twee leden onder de teekenaars van het verbond der Edelen vinden opgegeven, zijnde Auke van Unia, die wegens zijne gehechtheid aan de zaak der vrijheid door Alva gebannen werd, en Horatius van Unia, vermoedelijk de zelfde als Ritske van Unia, en broeder van Auke (1).

(1). Zie over beide J. W. te water, Historie van het verbond der Edelen, St. III, bl. ????

VIERHUIS (HET), h., prov. Friesland, kw. Oostergoo, gem. en N. van Leeuwarden, aan de Ee.

Men verhaalt, dat dit huis, hetwelk reeds in het jaar 1437 voorkomt, weleer den naam droeg van het Heidenshuis en als Zieken- of Lazarushuis is gebezigd geworden.

VIJVERSBUURT, b., prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr., kant. gem. en 5 min. W. van Leeuwarden.

WALTAHUIS, voorm. adell. h., prov. Friesland, te Leeuwarden, tusschen de Weerd en de St.-Jakobstraat.

Het was een groot gebouw, ter westzijde uit het water opgetrokken, en nevens den ingang op een voorplein, met eenen toren versierd. het heeft van 1595-1618 tot een Raadhuis gediend, en is thans het Departements-gebouw der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen.

WEAZE (DE) of de Wease, gracht, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Leeuwarderadeel, welke bij de uitlegging van omstreeks het jaar 1480 aan de stad Leeuwarden getrokken is, en thans het zuidoostelijk gedeelte dier stad uitmaakte.

De benaming schijnt afkomstig te zijn van het woord wease of waese, dat in het Friesch, en ook in het Gotisch, slijk, modder, dras en moeras beteekent, gelijk Waezig, beslijkt, modderig. Vandaar, dat de Hoogleeraar Wassenbergh (1) meende, dat dit oord vroeger de modder en vuilnishoek der stad was, dewijl deze stoffen van daar door de Waterpoort gemakkelijk konden vervoerd worden. Het is wel niet onwaarschijnlijk, dat er, voor dat het aschland buiten de stad aangelegd werd, hier eene bergplaats van haardasch en straatvuil was. Liever denken wij evenwel, dat de lagere, aan de helling van den ouden zeedijk sterk afdragende en daardoor slijkerige grond, vóór dat deze bewald en bestraat werd, aanleiding tot dezen naam heeft gegeven (2).

(1). Taalk. Bijdragen D. I, bl. 3.

(2). Zie Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, D. I, bl. 305?

WEERD (DE), straat in de st. Leeuwarden, prov. Friesland.

Het is dat gedeelte der stad, hetwelk oudtijds aan de Middelzee lag en tot zeewering diende.

WISSEMA-STINS of Wassema-stins, voorm. adell. h., prov. Friesland, kw. Oostergoo, te Leeuwarden, in de Groote-Kerkstraat.

Het behoorde eerst aan het geslacht van Cammingha, doch schijnt bij aanhuwelijking in dat van Wissema te zijn gekomen. Thans is het nog een aanzienlijk huis, toebehoorende en bewoond wordende door den Heer Mr. J. W. Tromp, Rijks-Advokaat.