HINDELOOPEN (KLOKSLAG-VAN-), dat gedeelte van de gem. Hindeloopen, prov. Friesland, kw. Westergoo, hetwelk buiten de stad van dien naam gelegen is.

HINDELOOPEN, gem., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, O. aan de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.

Deze gem. bevat de stad Hindeloopen, benevens de zoogenaamde Klokslag van Hindeloopen, waarin eenige verstrooid liggende h. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 500 bund. 79 v. r. 23 v. ell., waaronder 498 bund. 16 v. r. 18 v. ell. belastbaar land: telt 237 h., bewoond door 272 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 1200 inw., die meest hun bestaan vinden in boerderij, dijk- en polderwerken en een weinig vischvangst; terwijl men er thans twee scheepstimmerwerven, eene wolkammerij en eene verwerij heeft.

De Hervormden, welke hier 950 in getal zijn, onder welke 350 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum, behoort. Bij de algemene Hervorming in Friesland, in het jaar 1580, werden de eerste godsdienstoefeningen alhier gehouden ten huize van zekeren Laurens Gijsberts, ter plaatse, waar thans een boschje gevonden wordt, bij den Heer J. T. van der Laan in eigendom bezeten wordende, wijk C, No. 63. Dit geschiedde, alzoo de kerk verbrand was, mogelijk wel in de onlusten, die kort te voren in Friesland plaats hadden. De Herv. gem. werd eerst bediend door den Leeraar van Koudum, Rudolfus Fabritius, en daarna door die van Molkwerum, tot dat de gem., in het jaar 1600, alleen een eigen Leeraar bekwam. De eerste, die te Hindeloopen alleen het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Gerardus Vockengius of Gerard Vocking, die sedert het jaar 1597 Molkwerum en Hindeloopen te zamen bediende, maar in 1600 alleen voor Hindeloopen beroepen werd, terwijl men toen Molkwerum bij Warns en Scharl voegde. In het jaar 1603 vertrok Vocking naar Makkum. Van 1726 tot eenige volgende jaren werd de gemeente door twee Leeraren bediend, van welke de eene als ordinair en de andere als extra-ordinair Predikant werd aangemerkt; als toen toch werd door de Regering een tweede Predikant aangesteld, die tevens als Rector der latijnsche school moest fungeren, is geweest Hanso Lemstra, die in Maart 1726 als S. S. Min. Cand. herwaarts kwam, en in het jaar 1728 naar Heeg vertrok. na het vertrek van den Predikant Bouwe Ringnalda, naar Dronrijp, hetwelk in het jaar 1794 plaats had, bleef de tweede predikantsplaats onvervuld, tot dat die, bij besluit van Koning Lodewijk, in dato 14 Januarij 1808, geheel werd ingetrokken, terwijl de eenige Predikant nu tevens Rector is. Onder de vroegere Herv. Predikanten dezer stad, verdient bijzonder melding Dominicus Goltzius, die hier in 1684 van Tjummarum beroepen werd, en tot 1719, wanneer hij emeritus werd, hier Gods woord verkondigde, en wiens talrijke en uitmuntende geschriften nog de aandacht en lezing overwaardig zijn. Bij vacature werd voorheen door den kerkeraad een zes- en een drieral gemaakt (namelijk alleen in betrekking tot den eersten of gewonen Predikant, want de tweede werd geheel alleen door de Regering benoemd), hetwelk ter approbatie aan de regering werd aangeboden, en waaruit alle Mansledematen ťťn tot Predikant aanstelden; doch dit is, sedert de tegenwoordige kerkverordening, geheel vervallen, staande de beroeping nu alleen aan den kerkeraad.

Reeds in het midden der zestiende eeuw bestond hier eene Doopsgezinde gemeente, die op sommige tijden 1000 leden telde. Van het jaar 1615 tot 1628 bestonden hier de Waterlandsche- en de Vlaamsche gemeente. Ook schijnt er destijds nog eene kleine gem. van Hoogduitsche Doopsgezinden bestaan te hebben. De Waterlandsche en Vlaamsche gemeente werden in 1628 vereenigd. Die vereeniging heeft geduurd tot 1749; toen zijn er weder twee gemeenten ontstaan, bekend onder den naam van het Oude- en Nieuwe-Huis of de Groote- en Kleine-Vermaning, ook wel de Grove- en Fijne-Mennonieten, welke zich echter in het jaar 1810 ten tweede male vereenigd hebben, en sedert door eenen Leeraar bediend zijn. Op het einde der zeventiende eeuw telde de Vlaamsche Doopsgezinde gem. 570, en de Waterlandsche 210 niet gealimenteerde leden; in 1796 beide gem. 350 zielen. Thans telt men er 150 zielen en onder deze 60 Ledematen. De eerste Predikant bij de Groote-Vermaning, in 1749, is geweest W. van der Ploeg, die van hier vertrok naar Dockum. Bij de Kleine-Vermaning, in 1749, was de eerste Predikant D. J. Bogaart, welke hier van Aalsmeer kwam en wederom van hier in 1772 naar Enkhuizen vertrok. Bij de tegenwoordige vereenigde gemeente is het geweest S. Gorter, welke alhier in 1808 beroepen werd van de Joure, en die van hier in 1813 vertrok naar Zijldijk.

Het getal Roomsch Katholieken, hetwelk men er heden aantreft, beloopt 90, welke te Workum hunne godsdienst oefenen.

Ook bestaat, volgens besluit van Z. M. den Koning, in dato 5 December 1841, No. 9, eene Christelijke Afgescheidene gemeente, welke ruim 20 zielen telt, en die ook, in 1842, eene eigene kerk alhier gebouwd hebben.

De IsraŽlieten, die er ongeveer 30 in getal zijn, hebben eene bijkerk, welke tot de ring-synagoge van Bolsward behoort.

Men heeft in deze gem. eene school.

De stad Hindeloopen, bij verkorting Hinloopen, in het Lat. Hindelopa, ligt 8 u. Z. W. van Leeuwarden, 4 1/2 u. W. Z. W. van Sneek 2 u. N. van Stavoren, 5 1/2 u. Z. van Harlingen, 52o 53' N. B. 23o 27' O. L. De stad wordt aan drie kanten door de zee bespoeld en heeft maar alleen aan den zuidoostkant goed weiland, zoodat zij de gedaante van een schiereiland vertoont. Het is eene naakte plaats zonder bosch of boomen. Zij heeft een goede haven aan den Noordkant, die aan de Noordwestzijde door palen en steenen, en aan de Oostzijde door strand en palen gedekt is. Het is an daar, dat de inwoners zich sedert eeuwen bijna geheel op de zeevaart hebben toegelegd, en reeds zeer vroeg grooten handel dreven. Ook kunnen bij stormwinden, kleine schepen daarop veilig toezeilen; doch voor groote schepen heeft zij geene genoegzame diepte, alzoo er, bij een gewoon hoog tij, niet boven de vier of vijf voet water in den mond der haven gevonden wordt. Zij is voorzien van eene steenen sluis, ter wijdte van 16 houtvoeten (ruim 4 ell. en 2 palm.), en zoo zwaar en sterk, dat, zij voor geene andere, in de prov. Friesland, behoeft te wijken. De stad, geheel en al met grachten doorsneden zijnde, vertoont zich, alsof zij in verscheidene eilanden verdeeld ware. De grootste dier grachten is de Zijlroede, waardoor het binnenwater uit den Indijk en het Haanmeer naar zee vloeit; zijnde er behalve dat, op 's Lands kosten, in het jaar 1775, eene nieuwe waterleiding gegraven en eene sluis in den Slaperdijk gelegd, welke zich van het Workumer-Nieuwland tot aan Koudum uitstrekt.

Hindeloopen heeft goede straten en was vroeger digt bebouwd, en zonder eenige opene plaatsen en pleinen, uitgezonderd een plein in wijk A, dienende tot een kerkhof voor drenkelingen enz.; doch daar er, gedurende de laatste zeventig jaren, wel honderd vijftig huizen zijn weggebroken, en velen eene bijzondere bouworde hebben, zoo geeft dit op sommige plaatsen een zeer ongeregeld aanzien. Wegens den oorsprong en eerste bouwing dezer stad valt met zekerheid niets te bepalen, doch uit de bouworde der huizen en hunne benaming mag men met grond besluiten, dat ze, bij haren eersten aanleg, een dorp geweest is, onder welke benaming zij ook reeds op het jaar 779 vermeld wordt; terwijl zij, door toenemende zeevaart, in het jaar 1225, tot eene stad is verheven. De huizen, meerendeels met roode pannen gedekt, worden er nog hedendaags verdeeld in het binnehuis, middelhuis, buiten- en lytshuis, gelijk ten platte lande. Ook zijn er altijd zeer vele koemelkerijen in de stad geweest, hebbende haar getal, in het jaar 1642, nog wel 162 beloopen, dat te minder te verwonderen is, als men nagaat, dat de vermogende ingezetenen tevens eigenaars waren van de landerijen, nabij de stad gelegen. De meeste huizen der stad zijn naar den ouden trant, met trapgevels, gebouwd, slechts van eene verdieping en van binnen op eene vaak hechte, doch vreemde wijze, fraai met eikenhout betimmerd. In het voorjaar betrekt men hier gewoonlijk het zoogenaamde lytshuis, zijnde een klein gebouw of vertrek aan den waterkant, welk gebruik de strekking heeft, om het woonhuis zoo veel mogelijk zindelijk te houden.

De kleding der inwoners, bijzonder der vrouwen, verschilt zeer veel van die der overige Friezen. haar hoofdkapsel openbaart het, of zij gehuwd of ongehuwd zijn, terwijl de stof harer kleeding meestal ruitvormige figuren oplevert, die nogtans zeer onderscheiden zijn, en verschillende vreemde namen dragen. Ook de taal, zeden en levenswijze hebben iets bijzonders, al hetwelk eene opmerkzame beschouwing overwaardig is. Dit vreemde gaat evenwel langzamerhand veel verloren, zoo als de welvaart dezer stad in de laatste tijden ook aanmerkelijk verminderd, en de scheepvaart nagenoeg vervallen is.

Sommige zijn van gevoelen, dat het bijzondere, hetwelk de inwoners dezer stad van andere oorden onderscheidt, is toe te schrijven aan den handel, dien den Hindeloopers oudtijds in het Noorden dreven, namelijk hun verkeer op het Zweedsche eiland Amak; terwijl de kleeding dier eilanders, vroeger eenige overeenkomst had met die der Hindeloopers.

Uit de gelegenheid en namen van eenige deelen der stad valt op te maken, dat de Noordkant en Westkant, zijnde de Buren, de Noord-Ee en de West, met de Korkstraat, de eerste beginselen der stad geweest, dewijl men daar achter de Tuinen heeft, zijnde thans eene straat, die zich langs de Buren uitstrekt tot aan de Zijlroede, welke, met de daarin liggende sluis, buiten de oude stad is geweest, doch eertijds gebruikt werd om er moesgroenten te zaaijen en te planten. Hieraan volgen de Kleine- en de Groote-Klinten en Wiltje-Klinten; benamingen, waarvan de oorsprong tot hiertoe niet gebleken is. Men zou echter mogen gissen, dat deze dusgenoemde straten oudtijds zeker soort van schansen zijn geweest, dienende om de stad voor het geweld van vijandelijke aanvallen te dekken. Dit komt ons waarschijnlijker voor, omdat deze straten een gedeelte der stad insluiten, en zulke hoogten, die tegen of voor eene stad, als eene linie worden opgeworpen, misschien wel de naam van Klinten gedragen hebben. Althans tusschen Molkwerum en Warns is een gedeelte der linie tegen de stad opgeworpen, om de Spanjaarden te verdrijven, nog tegenwoordig bekend onder den naam van Klinten. De Galgepolle, gelegen tegenover Wiltje-Klinten, tusschen de Kerkstraat en de Oude Weide, wordt dus genaamd, omdat hier, volgens overlevering, eertijds de galg stond. Doch dewijl het niet bewezen is, dat Hindeloopen ooit het regt gehad heeft om halsstraffen op te leggen, zou het wel kunnen zijn, dat men aan deze plaats, buiten de stad liggende, dien naam gegeven hebbe, om dat daar, ten tijde der binnenlandsche beroerten der Schieringers en Vetkoopers, wel de eene of de andere is opgehangen, en mogelijk wel in het jaar 1418, wanneer tusschen Molkwerum en Hindeloopen, bij Palesloot, een slag is voorgevallen, waarin wel 300 man sneuvelden en 200 gevangen genomen werden, of anders in het jaar 1420, wanneer een tweede veldslag is voorgevallen, ten Oosten der stad, omtrent 3/4 uur gaans van daar, in de Made, bij het Oudehof, waarin bij de 200 man sneuvelden en even zoo veel gevangen geraakten; zijnde het geenszins te verwonderen, dat er in de eerste woede eenige van die gevangenen zijn opgehangen. Aan de Galgepolle ligt de Oude Weide, met welker aanleg in het jaar 1614 een begin gemaakt werd, en dewijl de huizen op stads grond gebouwd werden, waren de eigenaars gehouden, eene jaarlijksche grondpacht van eene gulden voor ieder huis aan de stad te betalen; doch deze, van tijd tot tijd afgekocht zijnde, zijn er thans maar twee over, waarvan deze jaarlijksche grondpacht betaald wordt. Deze deelen maken zamen genomen de Oude stad uit, welke in 1638 en volgende jaren is uitgelegd en vergroot, met dat gedeelte, hetwelk aan de Zuidkant der Zijlroede ligt, en bestaat uit de Nieuwe stad, Nieuwe weide en Dubbelstraat.

De oorsprong van den naam dezer stad meenen sommigen daarin te zoeken, dat de Koningen en Prinsen van Friesland, oudtijds hun hof houdende te Stavoren, zich met de jagt plagten te verlustigen in het bosch van Kreil, gelegen ten Westen en Noordwesten van Hindeloopen, doch van overlang door de zee ingenomen, en dat zij op die plaats daar nu de stad gevonden wordt, een jagthuis hadden, waarbij van tijd tot tijd ook meer andere huizen zijn aangebouwd, waarvan echter de juiste tijd der stichting ook onbekend is. Deze verzameling van huizen was in het jaar 719 reeds tot een dorp aangegroeid, hetwelk toen door Deenen en Noormannen is uitgeplunderd en in brand gestoken. daar zich nu in gemeld bosch vele herten en hinden ophielden, zal man aan die plaats, en dus aan deze stad, bij gevolg, den naam van Hindeloopen gegeven hebben, gelijk ook is af te leiden uit het oude wapen der stad, zijnde geweest eene hinde, loopende over het veld, blijkbaar uit de oude zegels, die allen gelijk zijn.

Het bewijs dat Hindeloopen door de Staten des Lands, in het jaar 1225, tot eene stad verheven werd, is niet in de stads-archieven te vinden; doch dit valt ligt te begrijpen, dewijl de stad, bij onderscheidene gelegenheden, meer dan eens is in brand geraakt, waarbij alle oude stukken zullen verloren geraakt zijn.Door de zeevaart, eene der voornaamste bronnen van bestaan der ingezetenen, si de stad van tijd tot tijd in rijkdom en vermogen toegenomen. Ten bewijze daarvan strekken, onder anderen, de voorregten, welke door Albert, Koning an Zweden, aan die van Stavoren en Hindeloopen zijn gegeven, op den 25 Julij 1368, en daarna, door de Prelaten, Grietmannen en Mederegters der landen en steden in Oostergoo en Westergoo, den 7 Julij 1435 goedgekeurd. De zakelijke inhoud dezer voorregten kwam hierop uit: ĄDat die van Stavoren en Hindeloopen vrij mogten varen in het Rijk van Denemarken en Schoonen, en daar koophandel doen zonder hinder. dat zij aldaar het zeestrand vrij zouden hebben, om alle zeevonden zelve te mogen bergen, en de arbeiders te winnen, waar zij die noodig hadden. dat, zoo er goederen aandreven, waarvan de eigenaar onbekend was, de naaste voogd die zou moeten bergen, met de Priesterschap beschrijven, in de kerk brengen, en vervolgens deze goederen aan den naasten erfgenaam overgeven, mits dat de arbeiders een redelijk loon ontvingen. Dat de steden ook zelve voogden moeten stellen op hare eigene wetten te Schoonen en Balsterbod, gelijk ook in het geheele land regters over hare eigene burgers enz." Daar deze voorregten, met meer anderen, bij het lossen en laden, mits de tollen betalende, gepaard gingen, is het meer dan waarschijnlijk, dat eenige inwoners uit deze steden zich daar met der woon hebben nedergezet. Wanneer Koning Christiaan II, ten jare 1514, trouwde met Isabella, zuster van keizer Karel V, werd aan de Nederlanders, die zij mede bragt, dit eiland ter bewoning aangewezen, denkelijk omdat die zich met de toenmalige bewoners, als ook Nederlanders zijnde, best zouden kunnen verstaan. De stad, in grootheid toenemende, was destijds reeds in het verbond der Hanzesteden begrepen, en maakte, in het jaar 1370, een vredeverbond met Waldemar, Koning van Denemarken. Toen Hertog Jan van Beijeren, in het jaar 1421, door Harlingen gehuldigd werd, verzegelden die van Hindeloopen niet alleen de brieven van huldiging, maar huldigden hem ook daarna zelve.

Het stadhuis, aan het Kerkhof en bij de Houw, dat in het jaar 1683 gebouwd werd, is wel klein, doch net, en bevat behalve de Raadkamer en de Secretarie, een vertrek, war het Kantongeregt zijne zitting houdt. Onder het stadhuis is de Waag, het Stadspakhuis, de Plaats voor de Gevangenen en de ratelwacht. Op het stadhuis wordt tegenwoordig nog eene morgenster bewaard, zoo als die bij de oude Noordsche volken in gebruik plagt te zijn, alsmede de kaak, waarop de leeuw met het wapen der stad en de boeijen. Van die kaak komt het Friesche spreekwoord af, den leeuw in den bek gezien hebben, voor de geesselstraf te hebben ondergaan.

Men heeft er eene Vischmarkt, vůůr welke de vischvangst van Petrus geschilderd is met de nationale Nederlansche vlag.

Daar het bekend is, dat Hindeloopen in de vroegste tijden, ten aanzien van het kerkelijke gestaan heeft onder het klooster van St. Odulfus te Stavoren, doch op den 7 Augustus 1561, door Paus Pius IV, onder het nieuwe bisdom van Leeuwarden gesteld werd, zoo zal de kerk, die over het Stadshuis en de Gouw staat, ook waarschijnlijk wel aan den H. Odulpus zijn toegewijd geweest; althans zeker is het, dat de nu nog aanwezige kerk niet, zoo als sommigen willen, in het jaar 1632 gebouwd kan zijn, daar zij, welke aanvankelijk niet groot schijnt te zijn geweest, reeds in het jaar 1626 vergroot werd. Vůůr de Reformatie bragt zij 140 goudgul. (210 guld.) op. Ook was er destijdseen vicarisschap, dat 100 Philippusguld. (125 guld.) opbragt. Het is een groot en fraai gebouw van gelen steen, doch alzoo zij door aanwas der Hervormde gemeente te klein bevonden werd, is er, in het jaar 1658, aan den zuidkant eene nieuwe kerk tegen de oude aangebouwd, nadat men den muur aan dien kant weggebroken, en het dak op pilaren had doen rusten. Deze beide gebouwen maken dus door hunne vereeniging maar eene kerk uit, doch worden doorgaans de Oude- en Nieuwekerk genoemd. Boven den ingang der Nieuwekerk leest men het volgende versje, zinspelende op den naam der stad:

Des heeren woord

Met aandacht hoort,

Komt daartoe het hoopen

Als hinden loopen.

Deze kerk, welke in het jaar 1834, toen zij deerlijk in verval was, aanmerkelijke verbeteringen ondergaan heeft, is van binnen net en zindelijk. doch niet prachtig betimmerd, en sedert het jaar 1635 van een orgel voorzien, dat, volgens het daarop staande jaartal, in het jaar 1634 moet vervaardigd zijn, en wel klein, doch voor dien tijd allezins groot genoeg zal geweest zijn. Het heeft in het jaar 1840 aanmerkelijke verbeteringen ondergaan. De kerk pronkt met eenen zeer hoogen fraaijen toren, die in het jaar 1615 uit den grond opgetimmerd, en met een fraai spits van drie omgangen voorzien is. Doch deze, in de maand October 1701, onder de namiddaggoddienst, door den bliksem in brand geslagen, en op twee omgangen na afgebrand zijnde, welke ook reeds van ouderdom vervallen waren, werd alles tot op het muurwerk weggebroken, en in het jaar 1734 wederom in dien stand opgebouwd, waarin zij zich tegenwoordig nog vertoont, prijkende met eenen grooten windwijzer, welke de gedaante van een schip heeft. Deze toren is in het jaar 1833 aanmerkelijk hersteld geworden.

De Doopsgezinde Kerk, op de Tuinen in wijk B, is een fraai gebouw, dat in het jaar 1653 gesticht, en vroeger misschien de grootste van de geheele provincie geweest is; doch zij is in het jaar 1837, wegens het verminderd getal leden, verkleind geworden. Deze kerk heeft noch toren noch orgel.

Vroeger had men er, ten gevolge der voorgemelde scheuring, nog eene tweede Doopsgezinde kerk, de Kleine-Vermaning genaamd. Zij stond op de Wiltjens Klinten, doch is sedert jaren reeds veranderd in een particulier woonhuis.

De Roomsch Katholijken hadden hier vroeger eene Kerk, doch geen vasten Priester. Voorheen plagt deze gemeente door den Priester van Bakhuizen bediend te worden; doch daarvan is zij in de vorige eeuw afgescheiden, en de kerk afgebroken.

Het Weeshuis, staande op het Oosten der Straten, in wijk C, is in het jaar 1694 gesticht en rijkelijk begiftigd door Lambertus Kamp, die daartoe, bij uitersten wil, zijn huis, benevens eenige landerijen, aan de Diaconie der Herv. gemeente vermaakt had. In dit huis worden alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienst, opgenomen die door het verlies hunner ouderen zich in eenen behoeftigen staat bevinden.

Vroeger had men hier ook een Oudemannen- en Vrouwenhuis, aan het Kerkhof. Dit werd in het jaar 1729 gebouwd, en daarin werden oude lieden der Herv. gemeente onderhouden en vankost en kleederen voorzien. Sedert het jaar 1820 heeft dit gesticht opgehouden te bestaan; het gebouw dient thans (1843) tot de Latijnsche school (als er namelijk leerlingen zijn, hetgeen sedert de laatste drie jaren het geval niet is), alsmede tot de Catechisatiekamer van de Hervormde Gemeente, en tot woonhuis voor den kerkelijken Deurwachter.

Ook heeft men er een Spinhuis, in de Kerkstraat, waarin aan meer dan honderd behoeftige lieden werk verschaft wordt.

De Stadschool wordt door een gemiddeld getal van 150 leerlingen bezocht.

De beestenmarkt valt in den 5 Mei en den 22 October.

Er bestaan vele historische overleveringen en herinneringen omtrent deze stad, waarvan de volgende de voornaamste zijn.

Men wil, dat in het jaar 775 en vele jaren te voren, ter plaatse, waar thans Hindeloopen staat, een bosch geweest zij, waar de koningen van Friesland op herten en hinden plagten te jagen, geheel van de Kreil af langs den Vliestroom tot naar Workum heen, toen het Breezand ook nog land was.

De Denen en Noormannen plunderden en verbrandden gedeeltelijk, in het jaar 1779, het toenmalige d. Hindeloopen; doch die van Stavoren, welke toen reeds magtig waren, kwamen de Hindeloopers te hulp, ontnamen den vijanden hunnen buit, beschermden hunnen landslieden met hunne oorlogschepen, en bewaarden alzoo de plaats.

In het jaar 910 begonnen die van Hindeloopen meer moed te krijgen en hun dorp weder met huizen te betimmeren, zoodat de plaats begon aan te groeijen.

Het bosch Kreil bij Hindeloopen stond, in het jaar 1270, nog in volle kracht, en daarin groeiden boomen van hard eikenhout, welke verre landwaarts in gehaald werden, om er huizen en kerken mede te betimmeren.

Tijdens het vreeselijk woeden der Schieringer- en Vetkooper-verdeeldheden, in het jaar 1418, viel er tusschen genoemde partijen een slag voor bij Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, waar Heer Okke van den Broek met eenen hoop Vetkoopers landde, en Sikke Sjaerdama's volk, dat Schieringers waren, versloeg, zoodat er wel tweehonderd dood bleven en even zoo veel gevangen werden gemaakt. Twee jaren later viel er nabij de stad, waarschijnlijk bij het Oudhof in de hooilanden, weder eenen slag voor, met bijna gelijken uitslag: want ook hier sneuvelden of verdronken er meer dan tweehonderd en werden er ruim zoo veel krijgsgevangen gemaakt. In beide deze veldslagen was de stad mede gewikkeld. Men zegt, dat de zoogenaamde Galge-polle in de oude stad, die in het jaar 1638 vergroot is, daaraan herinnert.

Hindeloopen huldigde, gelijk Harlingen, in het jaar 1421, Hertog Jan van Beijeren, Graaf van Holland, tot haren Heer.

In de vijftiende eeuw trachtte zij mede het hare toe te brengen tot wering van de menigvuldige onlusten, partijschappen en verdeeldheden, die de prov. Friesland destijds in onrust hielden, en had deze stad in vele gevallen eenen aanmerkelijken invloed.

Hindeloopen leed, in het laatst van het jaar 1491, veel door eenen zwaren brand; doch meer nog in 1514, toen zij bijna geheel afbrandde, en de stadskist, bevattende hare oude brieven en handschriften, verloor. Deze brand werd door de buitengewone droogte zeer vernielend: want de hitte was zoo groot, dat nabij Giethoorn, Bakkeveen en Haule vele venen in brand geraakten, waardoor aan de veldgewassen en bijgelegen bosschen groote schade geleden werd.

In het begin der zestiende eeuw hield deze stad eerst de zijde der Saksers, doch werd door Janke Douwama, die de Geldersche partij had gekozen, ook voor deze laatste gewonnen en in de Geldersche magt gebragt, ten gevolge waarvan de knechten, die van des Hertogen van Saksens volk waren overgebleven, met den Zwarten Hoop, in Mei 1515, herwaarts kwamen, en onderscheidene boerenhuizen en dorpen in den Zuidhoek in brand staken, welk lot de stad Hindeloopen, den 23 dier maand, mede moest ondergaan. Kort hierna, bij de overdragt van Friesland aan Karel V, werd Hindeloopen met Bourgondisch krijgsvolk bezet, die het begonnen te versterken; doch nauwelijks hadden zij hiermee aan de eene zijde eenen aanvang gemaakt, of Groote Pier, die zich, onder meer andere titels, welke hij aannam, ook Heer van Hindeloopen noemde, kwam hier in het jaar 1517 met een aantal kleine vaartuigen aan, en nam, niet zonder tegenstand, de plaats in, alwaar hij 107 van de Bourgondischen doodsloeg en 77 gevangen nam, terwijl zij, die vlugtten, meest verdronken. Groote Pier versterkte de stad toen tegen verderen aanval.

Bij de Allerheiligenvloed, van het jaar 1570, zoo ten hoogsten schadelijk voor Friesland, leed ook Hindeloopen niet weinig, zijnde hierdoor, onder andere, wel dertig vrouwen verdronken, die uitgegaan zijnde om de beesten uit het veld te halen, met het verdronken veen tegen den hoogen dijk kwamen aandrijven.

Wanneer drie jaren daarna het platte land, door rooven en plunderen, verwoest, en niet zelden zoo schielijk overvallen werd, dat noch Wereldlijken noch Geestelijken bij dag of nacht in hunne huizen veilig waren, moesten er groote sommen gelds opgebragt worden. Om daarin te voorzien, rustte men eene vloot uit van zeven grootte schepen;doch de Stadhouder Robles, ziende dat die schepen, wegens de droogte op de kusten, van geene dienst konden zijn, sloeg voor, om in de plaats daarvan galeijen te laten maken. De steden Hindeloopen en Workum beloofden er ieder eene met drie riemen, op hare eigene kosten, te leveren, zijnde de bestekken daartoe uit Amsterdam gekomen, en ieder galei op drie honderd dukaten geschat, zonder dat men met zekerheid vermeld vindt, of dit plan, ten aanzien van Hindeloopen, voortgang hebbe gehad.

Ten jare van 1574 lagen binnen deze stad Spaanschen soldaten, doch die bezetting werd klein, doordien de Spanjaarden ze verminderd hadden, om andere steden te beveiligen. Van deze omstandigheid maakte Kapitein Walter Hageman, die zich destijds op Texel bevond, gebruik, en veroverde de stad, bij de duisternis van den nacht, et behulp van zijns broeders kompagnie. Zoodra de Enkhuizers dit vernamen, zouden zij hem twee oorloggaleijen, buskruid en wat hun verder mogt ontbreken, met den welgemeenden raad, om de stad zoo veel doenlijk te versterken. Inmiddels was de Kolonel Robles met zijne Walen reeds uit Stavoren in aantogt. Hageman tegen die magt te zwak zijnde, verliet de stad, na alvorens de Spaansche wachten te hebben opgehangen. Om voor dergelijke bezoeken in het toekomende gedekt te zijn, werd Hindeloopen met eene schans en andere verdedigingswerken bevestigd.

Alzoo de imposten, waarin de stad ten zelfden jare had toegestemd, niet toereikend waren om het krijgsvolk te onderhouden, werd, op den Landdag des volgende jaars, door haar op nieuw bewilligd in den voorslag van President en raden, om een familiegeld te heffen.

Den 4 April 1577 gaf Hindeloopen, door haren volmagt, Reintje Nannes, nevens andere steden, last aan Doctor Christoffel Aernsma, om mede uit haren naam aan de Algemeene Staten te Brussel te verklaren, dat de steden zich vereenigden met de geslotene Unie en het Eeuwig Ediet.

In Junij des jaars 1598 ontstond er zulks een hevige storm, dat er wel honderd schepen voor de kust bleven, waarbij de Hindeloopers groote schade leden, terwijl er vele van hunne stadgenooten bij omkwamen.

Bij den zoogenaamden Pontiaansvloed, in het jaar 1610, hadden de dijken tusschen Hindeloopen en Stavoren zoo veel te lijden, dat er meer dan eene doorbraak ontstond.

In het jaar 1643 had er een zoo zware doorbraak plaats, dat het land rondom de stad geheel blank stond, zoodat men van Molkwerum over land naar Hindeloopen konde varen. Het Nieuwland liep geheel onder, doordien het Juffersgat inbrak en de sluis weggeslagen werd. Door deze ramp werden twaalf of dertien huizen weggespoeld.

Ook was het jaar 1666 zeer noodlottig voor Hindeloopen, alzoo de Engelschen, den 8 Augustus, des morgens ten acht ure, met negen oorlogschepen, vijf branders en zeven kisten, het Vlie kwamen inzeilen, waar zij eene vloot van 470 koopvaardijschepen in brand staken, waaronder dertig Hindelooper fluiten, van welke er maar ťťn ontkwam, terwijl zij het eiland Terschelling te gelijk door het vuur verwoestten.

Drie jaren later had men in den herfst wederom eenen zwaren storm, wardoor de sluis van Hindeloopen andermaal wegspoelde, welke daarom in het jaar 1670 vernieuwd en van steen opgemetseld werd.

In het jaar 1672 verzochten de Regering en Vroedschap uit het midden der ingezetenen eenige der voornaamste en vermogendste personen, om hun in dien gevaarlijken toestand des Lands, met raad endaad, te ondersteunen. Nadat hiertoe twaalf personen benoemd waren, werd op den 28 Julij met gemeen overleg van Regering en Gecommiteerden, een besluit genomen, om de fortificatiŽn door den Luitenant Ingenieur Lauwerman te doen voltooijen, waarna zij op den 20 November van de Raden der Admiraliteit in Friesland zestien stukken ijzeren kanon met hun toebehooren ter leen ontvingen. Ook beslootmen op den 5 December, aanstonds eene hoogte van aardewerk tot verdediging der stad op te werpen, hetwelk alles met den vereischten spoed werd in het werk gesteld. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen, sloegen in deze algemeenen nood met allen ijver de handen aan het werk; de gegoede ingezetenen schoten daartoe geld, waarvan de renten zouden beginnen te loopen drie jaren nadat de vrede zou getroffen zijn. Dus was alles in het volgende jaar in gereedheid; het bolwerk strekte zich van den oostkant der stad, daar nu de oprid is, over de Oostergeuzensloot en Indijk, en voorts over de Westergeuzensloot tot aan de zee uit. In den Indijk werd eene sluis gelegd, en in de Geuzenslooten vossegaten, om de stad voor het water te bewaren, zoo de provincie onder water gezet mogt worden. De Oosterpoort stond toen, waar nu het Set in de gracht loopt, en dus liep de weg door de Meenscharssteeg: de Westerpoort stond in de Weide, met eene brug over de Westergracht, zijnde de weg door de Weidesteeg. De burgermilitie bestond uit 3 kompagniŽn, iedervan 50 man, welke om de 14 dagen verwisselden en te velde trokken, genietende ieder soldaat van de provincie 3 gulden 's weeks, en de Officieren 6 gulden, doch waarbij de stad ook gelijke som gaf. Hiertoe betaalden de Waterlandsche Doopsgezinden 2500 gulden, en de Vlaamschen 1250 gulden, mits vrij zijnde van dienst te doen en wapenen te dragen. Eene der kompagniŽn op marsch zijnde naar Slijkenburg, werd door een vijandelijk kommando aangetast, doch door een kommando geregelde troepen ontzet, zoo dat maar ťťn burger in zijn been gekwetst werd. Na het eindigen van den veldtogt, werden de vaandels geschonken aan de drie vaandrigs Wiebe Yntjes, Dirk Jans en Pieter Siemon, doch van de versterking is niets anders overgebleven dan Prins Hendrik Casimirs Bolwerk.

De zware storm, elke men hier in het begin van 1676 had, scheurde groote gaten in den Floreendijk, aan den westkant der stad. na die gaten vooreerst gestopt te hebben, werd vervolgens de dijk verhoogd, van de schans af tot voorbij de Oude Weide, en de aarde daartoe gehaald van de Oude Schans, die nu als nutteloos niet meer onderhouden werd. Om deze reden besloot men, op den 19 Januarij 1682, de pijp en sluis in den Indijk af te breken, en de steenen elders ten voordeele der stad te gebruiken. Op den 8 December 1703 had men weder eenen zwaren storm, die voor de stad en hare ingezetenen zeer nadeelig was, dewijl daardoor drie en twintig groote Hindelooper schepen van hunne ankers sloegen, en aan de kust van Wonseradeel, van Surigeroord af tot Ferwoude toe, op stand dreven, waarbij nog kwam, dat de Heer Tjaard van Aylva, substituut Grietman van Wonseradeel, voorwendde, dat hem een tiende der schepen wegens strandregt toekwam; doch deze drie en twintig schippers zich over dien eisch aan den Hove van Friesland vervoegd hebbende, liep dit geschil aldaar ten einde, dewijl gemelde Heer geen zin had, om drie en twintig bijzondere pleitgedingen tegen de schippers en hunnen reeders voor den Hove te voeren. Veertien van deze schepen kwamen, na hunne ladingen gelost te hebben, er ook weder af, doch de stad leerd er zeer groot nadeel bij. De schippers, namelijk, waren gewoon alle voorjaren met hunne schepen van Amsterdam op de reede van Hindeloopen te komen, ten einde zich in de stad van alles te voorzien; daartoe voeren zij dan met hunnen booten naar den wal, om den voorraad af te halen, terwijl zij jaarlijks voor iedere boot aan den Sluiswachter een zilveren dukaton voor sluisgeld betaalden, en daar er nu meer dan honderd schepen waren, zoo bedroeg dit jaarlijks voor de stad meer dan 100 dukatons. Na dien storm echter durfden de schippers zich niet zoo veel op de reede wagen, en dit gaf waarschijnlijk aanleiding tot het aanschaffen van de zoogenaamde Meebrengers (kleinere vaartuigen) om de victualie aan boord te brengen. eerlang hield zulks geheel op, tot zeer groot nadeel voor den bloei der stad.

In het jaar 1716 werd besloten de lange brug over de haven te leggen, om de daarin liggende schepen en ook de sluis te bewaren, hetwelk van dat gelukkig gevolg was, dat in het jaar 1717 alles, behouden bleef; doch dewijl in de stadskas geen genoegzaam geld was,om dit werk ten uitvoer te brengen, schoten de Regenten en Secretarissen der stad het daartoe renteloos voor.

Bij den hoogen watervloed van het volgende jaar bleef dus de sluis wel onbeschadigd, maar niet de dijk achter de stad; doch deze werd wederom hersteld met aarde, welke men van de schans haalde. Ook werd de dijk rondom de stad, ten jare 1725, vier voeten verhoogd, insgelijks met aarde van de schans, waardoor dan het bolwerk aan den westkant geheel, en aan den oostkant voor het grootste gedeelte was weggegraven, welke laatste in het begin der tegenwoordige eeuw ook geheel is weggenomen, en daarmede de Oostergracht tot vruchtbaar land gemaakt.

Hindeloopen werd ook zeer geteisterd door den watervloed van Februarij 1825. het gevaar van eene doorbraak in de stad zelve was zeer groot, doch men voorkwam zulks echter nog door het stoppen der gaten, met puin van omvergehaalde huizen; ongelukkig echter verloor hierbij een jong mensch het leven. Van hier tot aan de plaats van de doorbraak was de zeedijk geweldig gehavend, en geheele rijen palen met het kistwerk er uitgeslagen. Moeijelijk is het zich een denkbeeld te maken van de verwoesting, welke, zoo hier als elders, aan het paal- en kistwerk en aan den dijk zelven door vloed en stroom werd aangerigt.

Het wapen van Hindeloopen bestaat in een hinde, loopende op een terras van groen, het schild gedekt met een gouden kroon.

HINDELOOPEN, kant., prov. Friesland, arr. Sneek.

Het bevat de steden Hindeloopen, Workum en Stavoren, benevens de griet, Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 12,171 bund. 49 v. r. 79 v. ell., waaronder 9715 bund. 82 v. r. 20 v. ell. belastbaar land; telt 1250 h., bewoond door 1696 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 7700 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw, veeteelt en zeevaart.

HINDELOOPER-ZIJL, sluis, prov. Friesland, te Hindeloopen.

Deze sluis, welke eerst van hout was, is in het jaar 1619, op kosten der zijlpligtige ingezetenen, grootelijks verbeterd en versterkt geworden, en nadat zij tot tweemalen toe weggespoeld was, is daarvoor de tegenwoordige sluis in het jaar 1701 gelegd. De grootste toevoer van binnenwater, die uit de menigvuldige meren en poelen vanHemelumer-Oldephaert voorkomt, zou de stad zelve in geen klein gevaar brengen, zoo er hier niet een vrije en ruime uitloop voor gevonden werd. Ondertusschen valt het onderhoud dezer sluis, voor eene zoo kleine stad als Hindeloopen en de verdere aanliggende zijlpligtigen, te zwaar, om het alleen te dragen. De Hooge Regering des lands heeft, dit inziende, haar meer dan eens aanmerkelijk ondersteund en wel inzonderheid, sedert dat de geduchte wormplaag, de zeewerken in zigtbaar gevaar begon te brengen.

HINDELOPA, Lat. naam van de stad Hindeloopen, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Hindeloopen.

HINLOOPEN, verkorte naam van de st. Hindeloopen, prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Hindeloopen.