BOKKELAAN of Boklaan, weg, prov. Friesland, tusschen de griet. Gaasterland en Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, van onder Harich tot aan den Rijn, onder Oudega, loopende.

BOKLAAN, weg, prov. Friesland. Zie Bokkelaan.

CATSE of Catze, voorm. plaats in de prov. Friesland, waar, den 12 Mei 1420, de Schieringers door de Vetkopers geslagen werden, zoodat zij wel 309 dooden en 200 gevangenen verloren.

Volgens het algemeen gevoelen moet deze plaats in de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, nabij het d. Koudum, gezocht worden.

CHEMELUM, vroeger naam van het d. Hemelum, prov. Friesland. Zie Hemelum.

CHIMELUM, naam, onder welken het Friesche d. Hemelum, in de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, vroeger wel eens voorkomt. Zie Hemelum.

CHINNELOSARE of Chinnelofare, bij andere Chimelosare of Chimelofare, voorm.  water, vermeld in eenen giftbrief van het jaar 985, waarbij Dirk II, Graaf van Holland, van Keizer Otto II, het volle bezit van eenige landen bekwam.

Men meent dat dit water moet gezocht worden in Friesland, nabij Staveren, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, daar, waar men thans de Fluessen of Hemelumervaart vindt.

DYKSHERNE, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1/2 u. O. van Hindeloopen, gem. en 3/4 u. Z. van Workum, waartoe het behoort.

ELAHUIZEN of Eelahuizen, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 3 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 u. O. van Hindeloopen, bij de Fljuessen en het Heegermeer.

Men telt er onder het behoor van dit d., waartoe ook het geh. Trophorne gerekend wordt, 65 inw., die meest hun bestaan vinden in de veeteelt. De landen van dit d. loopen oostwaarts tot aan de Fokkesloot.

De inw., die hier allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Nyega-en-Elahuizen, die hier geen kerk, maar enkel een kerkhof met klokkestoel heeft. Vroeger stond de kerk digt bij de Fljuessen; doch uit vrees, dat zij door het water mogt verslonden worden, is er later eene andere kerk, daar verder af, gebouwd, doch deze is in de vorige eeuw afgebroken. Ook het oude kerkhof is nog in wezen.

Er is hier geene school, maar een gemiddeld getal van 25 leerlingen uit dit d. geniet te Nyega onderwijs.

Weleer vond men hier een sterk huis van Hans Perkesz, doch dit huis werd door de Schieringers en Sneekers veroverd en verwoest en hij zelf gevangen genomen.

Het dorp Elahuizen had met de nabijgelegen wouddorpen Nyega, Oudega en Kolderwolde, bij den watervloed van Februarij 1825, veel te lijden, ten gevolge van eene doorbraak in den Zuid-Vensterdijk, in Gaasterland. Spoedig steeg het water van 9 tot 19 palmen op het land en in de zwakke woningen, terwijl deze, aan de sterke persing geen weerstand kunnende bieden, de eene na de andere bezweken. vele der bewoners echter hadden nog gelegenheid om have en vee in veiligheid te brengen en in het hoog gelegene Gaasterland zich te bergen, alwaar ieder menschlievend werd ontvangen. Voor anderen, ten getale van negen-en-tachtig zielen, grootendeels van hunne sobere bezittingen beroofd en der behoefte ten prooi, was de kerk en pastorij te Oudega een oord van toevlugt, alwaar zij in deze dagen van rampspoed uit den algemeenen onderstand van het hoogst noodige werden voorzien. het lot dezer menschen was in den aanvang alle denkbeeld akelig en ellendig. Ofschoon velen in deze oorden tot de geringste volksklasse behoorden, was hun ongeluk niet minder treffend: want in deze vier wouddorpen was een vijftigtal huisgezinnen geheel noodruftig, waarvan aan eenige, in de kerk te zamen geschoold, niets dan enkele uit den vloed opgevischte en daarna gedroogde haringen, tot voedsel overbleef.

EPEMA, Epama of Ebema-state, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, ten N. van Hemelum, waartoe zij behoorde.

EPEMA, Epama of Epemastate, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, Z. W. van Koudum, waartoe zij behoorde.

FLAAKMEER, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Flait (het).

FLAIT (HET), het Fleit, ook wel het Flaakmeer genoemd, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, ten O. van Stavoren, dat door de Arnsesloot met de Gronsen, door Emedam met de Geeuw, en verder door de Munnekehollendam, eene zeer vervallen vaart, met de Groote Gersloot in verbinding staat.

FLEIT (HET), meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Flait (Het).

FLEUSSEN (DE), meer in de prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Fljuessen (De-).

FLIEUSEN, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Fljuessen (De-).

FLJUESSEN (DE), De Fleussen, De Fljussen of de Fluissen, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.

Ter plaatse, waar men thans dit meer vindt, zou, volgens het verhaal der oude kronijken, een bosch van denzelfden naam gestaan hebben, daar de Friesche Koningen hunnen lusthof plagten te hebben, hetwelk, ten jare 1209 of 1210, bij eenen buitengewoon heeten zomer bijna geheel afbrandde, terwijl de grond, die ten deele veenachtig was, zoodanig uitbrandde, dat hierdoor een klein meer ontstond, hetwelk van tijd tot tijd, door afkabbeling van de naast gelegene landen, zijne tegenwoordige grootte verkregen heeft, en, zich van Galamadammen in de Zuiderzee, tot aan het Heegermeer in het Noordoosten uitstrekt, in een lengte van 2 uren.

Den 12 Julij van het jaar 1305 zou het houtgewas van het bosch de Fljuessen, voor zoo verre dat nog overig was, door eenen sterken wind, van regen vergezeld, omver geworpen zijn. Velen komt het echter onwaarschijnlijk voor, dat dit meer door afbranding van gemeld bosch zoude ontstaan zijn, maar wel door eene overstrooming der zee, niet zeldzaam in vroegere eeuwen, en dat het water, hetwelk in den beginne, naar zijnen oorsprong, ziltig was, door lengte van tijd, in zoet veranderd id.

Dit meer, hetwelk in het Heegermeer uitloopt, is tevens verbonden met de meertjes de Oorden, Oud-Karre, de Kuilaart, de Morrha, de Geeuw, het Flait, de Groote-Gersloot, de Gronsen, het Haanmeer enz.

FLJUSSEN, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie het vorige artikel.

FLUESSEN (DE-), meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Fljuessen (De-).

FRIESCHE-DOOLHOF, naam, welke men weleens, om zijne zonderlinge en verwarde bouworde, heeft gegevens aan het vlek Molkwerum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Molkwerum.

GALAMA (OLD-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, digt bij het d. Oudega, waartoe zij behoorde.

Zij werd in der tijd bewoond door Igo Galama, naar wien de dorpen Oudega, Nyega, Elahuizen en Kolderwolde, de Iglawouden genoemd worden. Ter plaatse, waar de state Old-Galama gestaan heeft, ziet men thans eene boerenhofstede.

Een der voormelde staten moet het stambuis van het Friesche geslacht der Galama's geweest zijn. Deze waren voorheen in groot aanzien. In of omstreeks het jaar 1100 bloeide dit geslacht zoo zeer, dat ze niet slechts gewone Edelen, maar zelfs de Graven van Holland durfden tegenstaan. Hun gebied grensde ook aan dat van Holland: want Gale Iges Galama geraakte daardoor in onmin met Graaf Floris de Vette. Omtrent dezen tijd had men tusschen Stavoren, Enkhuizen en Texel nog zeer vruchtbare beemden en lustige bosschaadjen, die in later tijd, door sterke inwateringen, in den zeeboezem veranderd zijn, welke hedendaags de Zuiderzee genaamd wordt. Het bosch Kreil wordt gezegd een der voornaamste van dien verdronken oord te zijn geweest, en toebehoord te hebben aan het adelijk geslacht van Galama, waarvan meergemelde Gale Iges Galama, toen ter tijd het voornaamste hoofd was. Galama, dit bosch als het zijne aanmerkende, vermaakte zich daar menigmaal met de jagt; doch dit mishaagde den Hollandschen Graaf, misschien wanende, dat  deze landstreek tot West-Friesland, en alzoo tot zijn regtsgebied behoorde. De Graaf maakte althans geene zwarigheid, om op zekeren tijd den dienaren van Galama, daar jagende, drie jagthonden met al wat ze gevangen hadden, af te nemen. Dan Galama had dit naauwelijks vernomen, of hij zwoer die daad aan 's Graven goed en bloed te zullen wreken, al ware 't ook ten koste van zijn eigen leven. De Graaf ging niet te min voort men jagen in het gemelde bosch, en alzoo geviel het kort daarna, dat zij elkander ontmoetten. Galama verzuimde bij deze gelegenheid niet, den Graaf met bitse woorden om vergoeding van schade aan te spreken, dreigende, zoo hem die geweigerd werd, zich zelven regt te zullen doen door de wapenen, welke God en de natuur hem geschonken hadden. Graaf Floris niet weinig gebelgd over zulk eene bedreiging, gaf Galama te verstaan, dat hij meer eerbied en vooral geene bedreigingen van hem verwacht had; doch deze daardoor niet in het minste vervaard, duwde hem toe: "Zoo waarlijk ik een edele Vrije Fries (Ela Fria Friesena) geboren ben, zal ik het mijne tegen uwe overweldiging beschermen, of het zal mij aan magt, maar niet aan wil, ontbreken," en met één zijn zwaard ter schede uittrekkende, bragt hij daarmede den Graaf eene wond in den regterarm toe. 's Graven edellieden trokken, dit ziende, mede hunne zwaarden, en beschermden hunnen heer; doch zoo, dat twee van hen, die zoo forsch eene daad van den Fries niet verwacht hadden, er het leven bij inschoten; terwijl Galama zelf mede van het leven beroofd werd. Dit zoude in het jaar 1112, of eenige jaren later gebeurd zijn. - Onder de latere leden van dit geslacht hetwelk, in het jaar 1737, in de mannelijke oir, met den persoon van Sixtus Antonius van Galama, is uitgestorven, telt men drie onderteekenaars van het verbond der edelen als Hartman Galama, die den eersten Junij 1568 te Brussel onthalsd werd; zijnen broeder Seerp Galama, en Tako Galama (1).

(1) Zie over deze drie J. W. te Water, Historie van het verbond der Edelen, St. II, bl. 403-419, en over Seerp Galama in het bijzonder, Mr. J. Scheltema, Staatkundig Nederland. D. I. bl. 316-367?

GALAMA-DAMMEN, geh. prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 1/2 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindeloopen, 15 min. Z. O. van Koudum, op de scheiding van de meertjes de Morrha en de Oorden, en aan den rijweg, die hier door eene dwars loopende vaart wordt afgesneden, waarom hier vroeger een schouw was, om rijtuigen, menschen en vee over te brengen, welke, sedert de vernieuwing der Galama-Dammen-sluis (zie dat art.), in het jaar 1836, door eene fraaije draaibrug vervangen is. De menigvuldige doortogt, zoo wel van schepen als langs den weg en over de schouw, maken het hier zeer levendig.

Het geh. bestaat uit 3 of 4 huizen; vroeger bestond hier ook een lusthuis, insgelijks Galama-Dammen geheeten (zie het volgende art.) en eene herberg, welke, om hare vermakelijke ligging, niet zelden tot het houden van vischpartijen, bijeenkomsten enz., gekozen wordt; doch het lusthuis is weggebroken, en de herberg, vergroot en verbeterd verplaatst op den Slaperdijk, nevens de sluis. Deze herberg levert een allerfraaist uitzigt op over de geheele grietenij, de steden Stavoren en Hindeloopen, de Morrha, de Kuilaart en andere groote wateren, tusschen welke de Galama-dammen-sluis de scheiding is. De levendigheid van dit overschoone panorama wordt vermeerderd door de veelvuldige doorvaart van schepen, die van en naar Stavoren komen. Ook worden aldaar de vergaderingen gehouden van het departement Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen.

In het jaar 1600 werd hier een Staten-wachthuis gesticht, dat nog gedeeltelijk in wezen is, en thans tot eene Landbouwerswoning dient.

GALAMA-DAMMEN, voorm. lusth., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemeler-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 1/2 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindeloopen, 15 min Z. O. van Koudum, in het geb. Galama-dammen.

Dit voorm. lusth., hetwelk voor eenige jaren is afgebroken, besloeg, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 7 bund., welke thans in eigendom bezeten worden door den Heer Mr. Gerardus Assuarus Avenhorn van Nauta, Grietman van Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, woonachtig te Koudum.

GALAMA-DAMMEN-SLUIS, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, in den Koudumer-Slaperdijk, 1/2 u. Z. O. van en onder Koudum.

Deze sluis, welke 25 voet wijdte heeft, is volgens het plan van den waterbouwkundige Willem Loré, in het najaar van het jaar 1732, aangelegd. In 1836 is zij verwijd, met eene kapitale draaibrug overdekt en met twee kokers vermeerderd, waardoor de afstrooming van het boezemwater uit de Fljoessen en het Heegermeer naar de sluizen van Stavoren, en de Hindelooper-en Molkwerumerzijlen, veel verbeterd is. In plaats van de oude, is er bij die gelegenheid eene groote nieuwe herberg of logement gebouwd boven op den Slaperdijk, welke wegens hare ligging veel bezocht wordt. De eigenaar, de Heer Mr. Gerardus Assuerus Avenhoorn van Nauta, Grietman van Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, heeft hierbij eenig plantsoen en eenen netten koepel. De opkomsten van deze sluis behooren aan den genoemden Grietman (1)

(1) Men zie over den aanleg van dezen dijk het werkje, getiteld: Willem Loré en zijne dijken en sluizen door Mr. J. W. de Chane? en W. Eekhof.

GALGEFENNE of Galgevenne, voorm. stuk lands, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, buitendijks beoosten het Roode Klif, tusschen Stavoren en Scharl gelegen, doch nu sinds ongeveer twee eeuwen in diepe zee veranderd.

GALGEVENNE, voorm. stuk lands., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Galgefenne.

GEEUW of Geuw, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, N. O. van Warns. Het staat door Houtendam en de Rienster-graft met de Morra, door Emedam met het Flait, en door de Seinsloot met de Kleine-Sein in verbinding.

GERSLOOT (DE GROOTE-), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, W. van Koudum, hetwelk door de Kruisvaart met de Gronzen en het Haanmeer, door de Diepsloot met de Morrha, en door de Balvaart met de Kleine-Gersloot in verbinding staat.

GERSLOOT (KLEINE-), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, W. van Koudum, hetwelk door de Kruisvaart met de Gronzen en het Haanmeer, door de Balvaart met de Groote-Gersloot, en door de Koldersloot, met het Zwartewater in verbinding staat

GRINZENPOLLE, een der zeven pollen, waaruit het d. Molkwerum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, bestaat.

GRONS (DE MODDERIGE-), voorm. meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, Z. O. van Workum.

Het is thans slechts eene poel, zijnde de sloten, waarmede het vroeger met de Lits, de Zandige Grons, het Bongmeer en de St. Urselspoel in verbinding stond, toegegroeid.

GRONS (DE WORKUMER-), of Anne-Brouwerspoel, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, hetwelk door de Naauwesloot met de Vard en door de Haeneringsloot met de Heytepoel in verbinding staat.

GRONSEN (DE) of de Gronzen, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, hetwelk door de Arnstersloot met het Flait en door de Kruisvaart met het Haanmeer en de Kleine-Gersloot in verbinding staat.

GRONZEN (DE-), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Gronsen (De-).

GROVESTINS, Groustins of Grouwstins, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindeloopen, 1/2 u. N. O. van Koudum, waartoe zij behoorde.

Deze state is in de vorige eeuw aanmerkelijk verbeterd door den Grietman van der Waeijen, die niet alleen het huis fraai verbouwd, maar ook onderscheidene schoone tuinen en beplantingen daarbij gevoegd heeft, waarom zij ook wel de State van der Waeijen, andere schrijven van der Waijens, genoemd wordt. Thans is het een klein buitengoed, bekend onder den naam van Bovenburen. Zie dat woord.

HAANMEER, ook Heenmeer genoemd, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, ten Z. O. van Hindeloopen.

Het staat door den Indijk en de Haven van Hindeloopen met de Zuiderzee, door de Kruisvaart met de Gronzen, de Groote-Gersloot en de Kleine-Gersloot, en door de Koldersloot en de Vard met de Fljuessen in verbinding.

HANCKEMASTATE, voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Hankemastate.

HANKEMA-STATE of Hanckema-State, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. van Hindelopen, onder Scharl, waarvan men thans zelfs de juiste standplaats niet meer weer op te geven.

HAUKEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 10 min. van Scharl, waartoe het behoorde.

Het was vroeger een sterk huis, met wijde grachten en zwaren ijzeren deuren, thans ziet men er bouwland, zonder eenig spoor van bouwvallen.

HEENMEER, meer, prov. Friesland, kw. Wonseradeel, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Haanmeer.

HEMELUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Hindelopen, in een heuvelachtig oord, en dus zeer geschikt tot de jagt niet alleen, maar ook tot de visscherij, in de Morrha, een weinig ten N. van dit dorp.

Het is een wel bestraat en aangenaam d., dat 51 h. en 200 inw., en met de daartoe behoorende oostwaarts gelegene b. de Nijeburen, 240 inw. telt., die meest hun bestaan vinden in den landbouw en veeteelt.

De Herv., die hier 180 in getal zijn, behooren tot de gem. Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen.

De kerk was vóór de Hervorming aan den H. Odulpus toegewijd. De pastorie, die door eenen Benediktijner Monnik plagt bekleed te worden, bragt honderd goudgulden (150 guld.) op. In de parochiekerk was eene vikarij, die insgelijks honderd goudgulden (150 guld.) opbragt. Ook waren er nog twee kapellanijen, waarvan de eene honderd (150 guld.), de andere tachtig goudgulden (120 guld.) waardig was. Deze kerk is een net gebouw, met eenen spitsen toren, en waarin, sedert het jaar 1842, een orgel geplaatst is.

De Doopsgez., welke er 12 in getal zijn, behooren tot de gem. van Warns. - De R. K., van welke men er 50 aantreft, worden tot de stat. van Bakhuizen gerekend. - De dorpschool wordt door een gemiddeld getal van 15 leerlingen bezocht.

Voorheen stonden hier onderscheidene adell. state, als: Hoppers, Epema en Galama. Het eerste was het stamhuis van het oude eerwaardig geslacht van Hoppers, dat ten tijde van Tydeman Hoppers ook te Stavoren hoog geacht werd. Daaruit was afkomstig Joachim Hopperus, beroemd om zijne geleerdheid, Hoogleeraar in de Regten te Leuven, daarna Lid van den grooten Raad te Mechelen, vervolgens van den geheimen Staatsraad, in welken hij met Cranvelle en Viglkius het bewind voerde, en eindelijk Opperste Raad en Grootzegelbewaarder des Konings van Spanje, te Madrid, waar hij in 1576 overleed.

Vroeger was hier een beroemd Benediktijner klooster, hetwelk, nadat het St. Odulphusklooster te Stavoren door de zee verzwolgen was, herwaarts werd overgebragt. Om die reden schreven zich de Abten: door Gods barmhartigheid Abt van Stavoren te Hemelum. Dit klooster wordt door Ubbo Emmius onder die kloosters van Friesland gerekend, welke de grootste rijkdommen bezaten. De goederen en inkomsten zijn, sedert de verandering in de godsdienst, voor een gedeelte gebruikt tot het oprigten van de hogeschool te Franeker.

Het Blokhuis, de Spijker genoemd, werd in het jaar 1442 door de Vetkoopers ingenomen, nadat zij het geheele dorp vernield en verbrand hadden. De Schieringers hernamen daarop den Spijker en verdreven of versloegen de Vetkoopers, terwijl meer dan twee honderd van hen gevangen genomen werden. Agge, Abt te Hemelum, en tevens, in het jaar 1480, Abt van het Klooster te Stavoren, had een zwaar geschil met Ige en zijne broeders Douwe en Hartman. De grond van dezen twist was, dat Ige, als voorstander van de Schieringers, het convent van Hemelum vele landen en renten had ontweldigd, en die onderscheidene jaren onder zich gehouden. De Abt Agge, wetende, met de wereldlijke magt niet tegen hem bestand te zijn, nam de toevlugt tot de geestelijke. Ige en de zijnen, weinig acht op den ban gevende, bedienden zich van het zwaard. Aan het klooster stond een sterk huis of spijker, hetwelk de Monniken, met behulp van eenige Schieringers, tegen Galama en zijnen aanhang hadden doen opbouwen. Ige, echter, verbitterd op den ban, verzocht Jan van Egmond, Stadhouder in Holland, om eenig volk, dat hem terstond werd toegestaan. Vergezeld van Juw Jongema en andere Vetkoopers, die met de Kabeljaauwschen in Holland eene lijn trokken, sloeg hij terstond het beleg om dit huis of spijker. De Abt in het naauw zijnde, zocht hulp bij Pieter Harinxma die zoo spoedig mogelijk eenige Schieringers bijeenbragt en naar Hemelum deed trekken; hier komende, verstonden zij, dat zij vruchtelooze moeite deden: vol van toorn moesten zij terug trekken. Zoodra Ige de spijker had bemagtigd, deed hij die aanstonds tot den grond slechten. Agge dus harde partijen te bestrijden hebbende, en wel zulke, die zich aan zijn banvonnis niet bekreunden, nam, tot verdediging van zijne zaak, eenige Geldersche krijgsknechten aan. Doch deze waren naauwelijks tot hem overgekomen, of de partijschap werd nog grooter. De Vetkoopers wilden van geen verdrag hooren of de Abt moest eerst zijne hulpbenden doen vertrekken.

HEMELUMER-NIJEBUREN, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Hindeloopen, 10 min. van Hemelum, waartoe het behoort; met 6 h. en 40 inw.

HEMELUMER-OLDEPHAERT, eertijds Hemelumer-Oenfert, het westelijkste gedeelte van de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, prov. Friesland, kw. Westergoo; palende N. aan den Klokslag van Workum, O. aan de Fljuessen, de Oorden, de Kuilart, Noordwolde en Gaasterland, Z. aan de Zuiderzee, W. aan den Klokslag van Stavoren, de Zuiderzee en den Klokslag van Hindeloopen.

Het bevat de d. Hemelum, Koudum, Molkwerum, Scharl en Warns. De inw. vinden meest hun bestaan in landbouw en veeteelt.

De Herv., die hier wonen, maken gedeeltelijk de gem. van Koudum, Molkwerum, Warns-en-Scharl uit, en behooren gedeeltelijk tot die van Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen. - De R. K., welke men er aantreft, behooren tot de stat. van Bakhuizen. - Men telt er vijf scholen, als ééne te Hemelum, ééne te Koudum, ééne te Molkwerum, ééne te Warns en ééne te Scharl.

HEMELUMER-OLDEPHAERT-EN-NOORDWOLDE, griet., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Hindeloopen (2 k. d., 13 m. k., 7 s. d.); palende N. aan den Klokslag van Workum, O. aan Wymbritseradeel, Z. O. en Z. aan Gaasterland, Z. W. aan de Zuiderzee, W. aan den klokslag van Stavoren en Hindeloopen en de Zuiderzee.

Zij bevat de volgende 9 dorpen, als: Hemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwerum, Oudega, Nijega, Elahuizen en Kolderwolde. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 8368 bund. 24 v. r. 51 v. ell., waaronder 8203 bund. 45 v. r. 20 v. ell. belastbaar land; telt 365 h., bewoond door 582 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 2800 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw en veeteelt, terwijl er te Oudega, te Nijega en te Kolderwolde veenderijen zijn, volgens een bestaand octrooi, waarbij alle de uitgeveende landen tot cultuur teruggebragt worden, hetgeen mede een middel van bestaan geeft; ook is er een korenmolen te Koudum. vroeger bestonden de dorpen Koudum, Molkwerum, Scharl en Warns van de visscherij en groote scheepvaart op de Oostzee.

De Herv., die hier ruim in getal zijn, maken de volgende vijf gem. uit: Koudum, Molkwerum, Nijega-en-Elahuizen, Oudega-en-Kolderwolde en Warns-en-Scharl, terwijl een gedeelte ook tot de gem. Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen behoort. Men heeft er zes kerken, bediend wordende door vijf Predikanten.

De R. K., van welke men er ongeveer 300 aantreft, worden tot de stat. van Bakhuizen gerekend, voor zoo ver Koudum, Molkwerum, Warns en Scharl betreft; terwijl de d. Kolderwolde, Oudega, Nijega en Elahuizen tot de stat. van Balk behooren.

De Doopsgez., van welke men er ruim 300 heeft, maken gedeeltelijk de gem. Molkwerum en Warns uit, en behooren gedeeltelijk tot de gem. Stavoren. Er zijn evenwel sommigen, die te Balk, te Hindeloopen of te Workum ter kerke gaan.

Er zijn in deze griet. 20 Evang. Luth., die tot de gem. Workum behooren, en bij wie eenmaal 's jaars huisbezoek wordt gedaan, door den dienstdoende Proponent te Workum en den Buiten-Ouderling.

Men telt in deze griet. zes scholen, als ééne te Hemelum, ééne te Koudum, ééne te Molkwerum, ééne te Nijega, ééne te Oudega en ééne te Warns, welke gezamelijk door een gemiddeld getal van 320 leerlingen bezocht worden.

In deze griet. vindt men vele belangrijke wateren, waarom deze griet. ook wel het Friesche-waterland genaamd wordt, wordende voor een derde gedeelte door water ingenomen. Het grootste van alle deze wateren is de Fljuessen, hetwelk zeer gevoegelijk als eene verlenging van het Heegermeer kan worden aangemerkt. Men kan daaruit, noordwestwaarts varende, door het watertje de Zwarte-woude, de Bloksloot, enz. naar Workum komen; gelijk ook door de Inthiemasloot en den stroom, genaamd het lange-Vliet, welke uitkomt in de trekvaart van Workum op Bolsward. Uit het reeds gemelde water, de Zwarte-woude, schiet zuidwestwaarts eene vaart naar en voorbij Koudum, en van daar weder noordwestwaarts naar Hindeloopen, gelijk ook zuidwestwaarts naar Stavoren, door de Gronzen; werwaarts men anders, zonder Koudum aan te doen, uit de Fljuessen ook zuidwestwaarts kan varen, langs het Kuilaartsgat, de Kuilaart, door Galama-dammen, en voorts langs de Geeuw, de Morrha enz., tot dat eindelijk de beide vaarwaters in elkander loopen in de ringslooten der Stavorensche meren, uit welke men wederom langs twee verschillende vaarten naar Stavoren vaart, terwijl uit de Morrha ook nog eene vaart naar Hemelum gaat. Behalve de Fljuessen heeft men hier dus niet alleen de Kuilaart, de Morrha en de Geeuw, maar ook de Groote-Gersloot, de Kleine-Gersloot, het Haanmer of Heenmeer, de Gronzen, het Flait, enz. Het Stavorensche-meer is van overlang bedijkt en drooggemaakt. Zie dat woord.

Wegens de veelheid der meren en stroomen is deze grietenij bij uitnemendheid vischrijk. De landerijen bestaan in Hemelumer-Oldephaert ten grooten dele uit lage wei- en hooilanden; terwijl in Noordwolde vele klijn- of veengronden gevonden worden, waaruit turf gegraven wordt.

De rijwegen, door deze grietenij loopende, zijn weinigen in getal; de voornaamste is de Zeedijk, langs welken men van Hindeloopen naar Stavoren rijdt, en van daar door Scharl, Warns en Hemelum naar Gaasterland, doch deze weg loopt ook nog voor een klein gedeelte langs den Zeedijk, namelijk van Stavoren tot het Roode-Klif, en voorts binnen door. Van den Ouden Zeedijk, van het Workumer-Nieuwland, die bij de Workumerzijl begint en ten oosten van Hindeloopen eindigt, rijdt men ook langs eenen binnendijk, genaamd de Koudumer- of Kolderdam, naar Koudum, en van daar naar Galama-dammen, over de Nieuwe draaibrug, om te rijden naar Hemelum, Kolderwolde enz.; doch deze weg over Galama-dammen is van eenen nieuwen aanleg, en wordt dus op de oude Friesche kaarten niet gevonden.

In het jaar 1732, toen men met reden grootelijks bekommerd was over de schade, welke door de paalwormen aan de zeeweringen werd toegebragt, werd door deze griet. een zware Slaperdijk, welke vooreerst Noordwest en Zuidoost loopt, an den ouden zeedijk, van het Workumer-Nieuwland naar Koudum, alwaar hij versmelt in den hoogen rug, waarop dit d. ligt, doch ten Zuiden van Koudum loopt hij naar Galama-dammen, alwaar eene zware schutsluis in het vaarwater is gelegd, en voorts aan den Oostkant der sluis tot in het hooge land van Hemelum, daar alleen vroeger een duikersluis gevonden werd, dienende tot eene uitwatering, waardoor zich de Oorden en Oud-Karre in de Morrha ontlasten; thans is echter, ten gevolge van het bouwen der sluizen te Galama-dammen in 1836, deze duikersluis geamoveerd. Zie Galama-dammen. het gevolg hiervan is, dat alle dijkbreuken, die tusschen Workum en Gaasterland voorvallen, maar een klein gedeelte der provincie kunnen onder water zetten, en dat dit werk bijgevolg van zeer veel nut is.

Bij den watervloed van Februarij 1825 is deze grietenij, door het bezwijken der zeedijken, bijna geheel ondergeloopen. In den zeedijk, tusschen Hindeloopen en Stavoren en bijzonder tusschen de sluis dezer stad en die van Molkwerum, waren vele gaten geslagen, en aldaar was veel paalwerk vernield en verbrijseld, zoodat zij soms bij twintigtallen te gelijk, nog met touwen en ringen aan elkander gehecht, over den dijk in de binnenvaart werden gesmeten; terwijl zware steenen, uit de kistvullingen en van de steenglooijing, ellen ver in den benedendijk nedervielen. Tusschen Hindeloopen en den Workumertoren was een aanmerkelijk gat in den dijk geslagen, waarvan de herstelling verscheidene duizend gulden gekost heeft. De voornaamste overstrooming was veroorzaakt door het doorbreken van den nieuwen en den ouden zeedijk in het Workumer-Nieuwland.

Het wapen van deze grietenij bestaat in een schild, in twee gelijke deelen doorsneden, het bovenste gedeelte van goud, en het onderste van keel (rood). het schild gedekt met eene gouden kroon.

HEMELUMER-VEENEN, veengronden, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 25 min. Z. O. van Hemelum, eene oppervlakte beslaande van 20 bund.

HEMELUM-MIRNS-EN-BAKHUIZEN, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Sneek, ring van Slooten.

Deze gem. telt 420 zielen, onder welke 120 Ledematen. Men heeft er eene kerk, te Hemelum. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Hermanus Poppius, die, na hier eenige jaren gediend te hebben, in het jaar 1602 overleed.

HIENMEER, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Haanmeer.

HOFMEER, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, N. W. van de Fljuessen, waarmede het ten Z., even als ten W., met het Lichtemeer, door eene sloot, in verbinding staat.

HONDEPOLLE, eene der zeven eilandjes, waaruit het d. Molkwerum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, bestaat.

HOPPERS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. O. van Hindeloopen, in het d. Hemelum.

Deze state was het stamhuis van het oude eerwaardige geslacht van Hoppers, waaromtrent men verder zie het art. Hemelum.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenplaats. De daartoe behoord hebben gronden zijn thans het eigendom van onderscheidenen personen

HORSE (DE) of Hoase, ook wel Hassa genoemd, water of vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, Z. O. van de stad Workum, loopende uit de Workumertrekvaart, Z. W. naar den dijk van Workumer-Nieuwland.

HOUSLOOT (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat in de Koldersloot uitloopt.

IGEWOLDEN (DE), naam welken men geeft aan de dorpen Oudega, Nijega, Elahuizen en Kolderwolde, alle in de prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. Sneek, kant. Hindeloopen gelegen.

Zij worden dus genoemd naar Ige-Galama, en tellen gezamenlijk eene bevolking van 500 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veenderijen.

IPEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Epema.

JARIGSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 u. Z. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. O. van Hindeloopen, 5 min. Z. van Oudega, waartoe het behoorde.

KARRE (OUD-), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, hetwelk met de Fljuessen in verbinding staat.

KERKPOLLE, een der zeven eilandjes, waaruit het d. Molkwerum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, bestaat.

KOEFIRDE, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Koevoeter-meer.

KOLDEHORN, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Koudehorne.

KOLDERDAM, dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, welke van den zuidelijken dijk van het Workumer-Nieuwland, in eene zuidoostelijke strekking, naar de Kolderbrug loopt.

KOLDERSLOOT, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, die, uit de Kleine-Gersloot voortkomende, met eene noord-oostelijke rigting naar de Kolderbrug loopt, waar zij in de Vard uitloopt.

KOLDERWISKE, naam, welken men doorgaans geeft aan de buurs. Terwisga, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Terwisga.

KOLDERWOLDE, Kolderwoude, Kouderwolde of Kouderwoude, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. Z. O. van Hindeloopen, in den Noordwolder-Veenpolder gelegen. De inw. vinden meest hun bestaan in den landbouw en veehandel. Ook heeft men er veenderijen.

De inw., die er op 7 na alle Herv. zijn, behooren tot de gem. Oudega-en-Kolderwolde, die hier vroeger eene kerk had. Zij was vóór de Reformatie eene parochiekerk, waarin ook een vikarij bestond. Het pastoorambt plagt 100 goudguldens (150 guld.), het vikarisschap vijf en tachtig goudguldens (127 guld. 50 cent) op te brengen. Thans heeft dit d. geen kerk meer: wanneer zij is afgebroken, is onbekend; lang heeft er nog eene klokketoren gestaan, doch deze is ook niet meer aanwezig. De begraving der dooden op het kerkhof heeft in 1828 opgehouden, en toen is op eene, vele, smartelijke wijze met het kerkhof gehandeld.

De 7 R. K., die men er aantreft, worden tot de stat. van Balk gerekend. - Men heeft er een dorpschool.

KOLDERWOUDE, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Kolderwolde.

KOLDUM, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Koudum.

KOLINGS (DE) of de Kons, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat van de Ringsloot van het Workumer-Nieuwland afkomende, met eene zuidelijke rigting in het Haanmeer uitloopt.

KOPPENBURG, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. Z. O. van Hindeloopen, 3/4 u. Z. W. van Hemelum, waartoe zij behoorde.

KORTSLOOT, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, een gedeelte der grensscheiding tusschen de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde en Wijmbritseradeel uitmakende; terwijl het uit de Grons voortkomt, en in eene Zuidoostelijke strekking in het Zandmeer uitloopt.

KOUDE-HORNE of Koldehorn, geh., prov. Friesland, arr. en 4 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 1/4 u. O. van Hindeloopen, 1 u. N. O. van Koudum, waartoe het behoort.

KOUDERWOUDE, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Kolderwoude.

KOUDERWOUDE, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Kolderwolde.

KOUDUM of Koldum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindeloopen, op eenen hoogen zandrug, te midden van laag land.

Het d. is groot, loopende ongeveer Zuid en Noord, en bestaande uit eene drie dubbele lange rijweg, alom met huizen bezet, die in het jaar 1620 reeds meer dan honderd beliepen. Ook liggen deze huizen zeer vermakelijk in eene zaverige, vruchtbare en lommerijke landouwe. Men telt er, met de daartoe behoorende b. Terwisscha en het geh. Galamadammen, 970 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veehandel, hebbende men er vele vruchtbare gronden; ook is er een koren- en pelmolen. Vroeger legde men zich hier veel op de zeevaart en visscherij toe.

De Herv., van welke men er ruim 830 aantreft, onder welke 210 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum, behoort. De eerste, die alhier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Rudolpus Fabricius, die in het jaar 1580 herwaarts kwam en weinige jaren later weder vertrok. Onder de Predikanten, die te Koudum gestaan hebben, verdient vermelding Franciscus Burman, die er van 1695 tot 1698 stond, in het jaar 1715 Hoogleeraar te Utrecht werd en aldaar den 22 September 1719 overleed.

De kerk, die vóór de Hervorming aan den H. Martinus was toegewijd, plagt honderd goudg. (150 guld.) op te brengen. Ook had men er eene vikarij en twee prebenden; de vikarij, gelijk ook de eene prebende, leverde honderd goudg. (150 guld.); van e andere prebende trok de bezitter 70 goudg. (105 guld). Deze kerk was een groot gebouw, dat van buiten een schoon aanzien had; de predikstoel rustte op zeven marmeren pilaren. De kerk was voorzien van eenen zeer hoogen en spitsen toren, van vijf en negentig voet (ongeveer 30 ell.) muurwerk en een leijen spits van honderd negen voet. (ruim 34 ell.). Deze toren werd gebouwd door den Grietman Douwe Epema, die, dit werk in 1614 begonnen hebbende, het in 1617, en dus in drie jaren tijds, ten einde bragt. Tot het fundament had men honderd tachtigduizend steenen noodig, dewijl het muurwerk zeven voeten (ruim 2 ell.) dik is. Ook diende hij tot baken, niet alleen in de Zuiderzee, maar zelfs, zoo men verzekert, bij het inkomen van Texel of het Vlie. Tegen den avond van den 13 Augustus 1830 werd de bovenste spits zestien ellen hoog geheellijk van het voetstuk afgerukt; in haren val heeft zij een huis, dat op zestien tot twintig ellen afstand stond, midden doorgebroken, terwijl de haan door het dak van een verder staand huis op den zolder werd nedergeworpen. Daar de kerk ook bouwvallig werd, is zij voor eenige jaren vervangen door een nieuwe achtkantige kerk, waarin men het orgel uit de vorige kerk overgebragt heeft; ook heeft zij eenen koepeltoren. Met behulp van eenen middelmatigen verrekijker kan men van dezen toren de reede van Texel en de schepen, die daar liggen, onderscheidenlijk zien.

De Afgescheidenen, welke hier ongeveer 100 in getal zijn, maken, met die der overigen uit de grietenij, eene gem. uit, welke nog geen vasten Leraar heeft. De kerk is een klein en net gebouw, doch zonder orgel.

De 7 Doopsgez., welke men er aantreft, behooren tot de gem. van Molkwerum. - De enkele Evang. Luth., welke er woont, behoort tot de gem. van Workum. - De R. K., van welke men er ruim 60 aantreft, worden tot de stat. van Bakhuizen gerekend. - Men heeft er eene dorpschool.

Voortijds lagen hier ook de staten: Galama, Epema en Keimpe-Donia-huis, Old-Galama, Grovestins enz., van welke thans alleen de state Galama over is. Ook heeft men er nog de landhuizen Bovenburen en de kamp.

In het Zuidoosten van het dorp ligt Galamadammen-sluis en in het Zuiden heeft men het droog gemalen meertje Ottopoel. Zie beide die woorden.

Koudum is de geboorteplaats van Feie van Inthiema, een der Watergeuzen, die tevens Regtsgeleerde en Dichter was, en van Jacob Binkes of Binckes, die zich in de jaren 1676 en 1677, als Kommandeur over een eskader, heeft beroemd gemaakt, en den 12 December 1677 op het fort Tabaga met het geheele garnizoen in de lucht vloog, door eenen bom, die door den Franschen Admiraal d'Estrées op het kruidmagazijn geworpen werd.

Op Pinksteravond des jaars 1515 werden Koudum, Molkwerum, Hindeloopen en meer andere plaatsen door den Zwarten hoop verbrand, en in het jaar 1586 de inwoners alhier door de Spanjaarden zeer mishandeld. Men vindt in het kerkgebouw te Koudum van deze laatste gebeurtenis nog een gedenkschrift, dus luidende:

Anno 1586, in Januario op Pontiaan den 14 dag,

In Koudum groote jammer men zag,

Aan man, Wijf en Kind, groot in 't getal,

Met hangen en vrouwenschenden overal,

Aan Paardenstaarten gebonden voorwaar,

Als honden zij naliten, dat is zeker en klaar,

Al van de Malcontenten zeer boos en wreed

Leiden de jonge Dochters meenig verdriet.

KOUDUMER-SLAPERDIJK (DE), dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo.

In het jaar 1752, toen men met reden grootelijks bekommerd was over de schade, welke door de paalwormen aan de zeeweringen werd toegebragt, werd deze zware Slaperdijk gelegd, welke vooreerst Noordwest en Zuidoost loopt, van eenen ouden zeedijk van het Workumer-Nieuwland naar Koudum, alwaar hij met den hoogen rug, waarop dit dorp ligt, ineenloopt; doch ten Zuiden van Koudum loopt hij naar Galama-dammen, alwaar eene zware schutsluis in het vaarwater is gelegd, en voorts aan den Oostkant der sluis tot in het hooge land van Hemelum, waar allen vroeger eene duikersluis gevonden werd, dienende tot eene uitwatering, waardoor zich de Oorden en Oud-Karre in de Morrha ontlastten; thans is echter, ten gevolge van het bouwen der sluizen te Galama-dammen in 1836, deze duikersluis weggebroken. Het gevolg hiervan is, dat alle dijkbreuken, die tusschen Workum en Gaasterland voorvallen, maar een klein gedeelte der provincie kunnen onder water zetten, zoodat dit werk van zeer veel nut is. Doch zoo ras het I orde was, openbaarde zich een onvoorzien gebrek in de lozing des waters van Wymbritseradeel enz., waarvan men zelfs niet, dan na veel zoeken, den waren oorsprong vond. Vóór het leggen, namelijk, van den Slaperdijk, in het jaar 1732, was er bij de Galama-dammen, eene opening van ongeveer negentig voeten (ruim 28 ell.), door welke de Noordelijke grietenijen hare uitwatering naar de Zuidersluizen hadden. Deze opening nu werd door het leggen van dezen dijk aanmerkelijk verminderd: want de sluis, die men hier maakte, kreeg maar vijf en twintig voeten en drie duimen (ongeveer 8 ell.) wijdte, en de duiker was maar acht voeten ( 2 1/2 ell.) wijd; zoodat de geheele uitstroomende wijdte nu, in plaats van negentig (ruim 28 ell.), slechts drie en dertig voeten (ruim 10 ell.) beliep, waaruit noodzakelijk, bij hoog binnenwater, eene groote belemmering in de uitstroming moest ontstaan. Om deze reden heeft men, in 1775, nog eene nieuwe sluis, ter wijdte van achttien voeten (ruim 5 1/2 ell.), in den Slaperdijk gelegd, ter plaatse, waar deze zich met den ouden zeedijk van het Workumer-Nieuwland vereenigt, en dus de uitwatering naar de zuidelijke sluizen aanmerkelijk bevordert. In het jaar 1836 zijn bij deze sluis nog twee sluiskokers van de zelfde wijdte gemaakt. Zie het art. Galamadammen.

Deze dijk heeft eene breedte van 180 voeten (56 1/2 ell.), een kruis van 12 voeten (ruim 3 1/2 ell.), en ter wederzijden eene bermte of voorvlakte van vier voeten ( 1 1/4 ell.), en het overige voor de docéring. Van den binnendijk van het Workumer-Nieuwland af, sterkt hij zich, ter lengte van 700 roeden (ruim 107 ell.) en eene hoogte van 6 voeten (ongeveer 2 ell.), langs Kolderdam over de vaart de Gorzen uit, waarin men eene schutsluis heeft gelegd, tot aan Koudum. Van de zuidoost-zijde van dit dorp, tot Galamadammen, is de lengte 300 roeden (45 ell.), en de hoogte, als meer blootgesteld, 7 of 8 voeten (ruim 2 of 2 1/2 ell.). Ter laatstgenoemde plaatse ligt eene ruime en sterke sluis; terwijl de dijk van daar tot Hemelumer-Nijeburen, voor een groot gedeelte over den Ouden weg, eene lengte van 500 roeden (ongeveer 75 ell.) en eene breedte van 8 voeten ( 2 1/2 ell.) heeft. Volgens het ontworpen plan van den Waterbouwkundige Willem Loré, werd deze dijk den 22 Augustus 1732 aanbesteed; daaraan werd met zoo veel spoed, onder het toezigt van dien verdienstelijken, man gearbeid, voornamelijk door het krijgsvolk, ter repartitie van de prov. Friesland staande, dat de dijk den 14 October op het bezoden na als voltooid beschouwd werd.

KRUISVAART, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, tusschen Molkwerum en Koudum.

Het zijn eigenlijk twee slooten, waarvan de eene, in eene noordelijke strekking, van de Groote-Gersloot naar het Haanmeer, de andere is een westelijke strekking van de Kleine-Gersloot naar de Gronzen loopt.

KUILAART (DE) of de Kuylaart, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde,  hetwelk aan de westzijde door de sluis van Galama-dammen met de Morra, en aan de oostzijde door het Kuilaartsgat met de Oorden en zoo verder met de Fljuessen in verbinding staat.

KUILAARTSGAT (HET), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, hetwelk de Kuilaart met de Oorden vereenigt.

LAAKSUM, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Laaxum.

LAAXUM of Laaksum, in het oud Friesch Laxnum of Laegenen, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. van Hindeloopen, 1 u. Z. O. van Stavoren, 1/2 u. Z. van Warns, waartoe het behoort, aan de Zuiderzee; met 20 inw., die zich bezig houden met de vischvangst, voornamelijk van zeebot, zijnde de Laaxumerbot in Friesland zeer bekend

LICHTEMEER, meertje, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, in het Workumer-Heidenschap, dat met het Bongmeer, en door het Hofmeer met de Fljuessen in verbinding staat.

LITS (DE) of de Lits, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.

MELKWERUM, oude naam van het d. Molkwerum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Molkwerum.

MOLKWERUM, Molquerum of Molkeren, volgens sommigen eigenlijk Munnikenwierum en van ouds ook Moqueëren geheeten, vl., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 1 u. Z. O. van Hindelopen.

Naar men wil, zoude de naam eigenlijk zijn: Molkwerren, dat zooveel gezegd is, als Melkweren, of waterachtige streken lands, geschikt om melkvee op te weiden. Het was voorheen het grootste d. der geheele griet., doch in de laatste jaren zijn er vele huizen afgebroken. Thans telt men er nog ongeveer 300 inw.

Wat dit vlek zonderling maakt, is de wonderlijke plaatsing der huizen, die niet in regt doorgaande rijen naast elkander staan, maar zeer verward, het een achter het ander, zoodat de tusschen loopende straten of stegen veel overeenkomst met eenen doolhof hebben, gelijk het ook, om die reden, de Friesche doolhof genoemd wordt.

Deze verwarring wordt aanmerkelijk vermeerderd, ter oorzake der doorloopende wateren, wardoor dit vlek in zeven kleine eilanden afgedeeld is.

Deze eilandjes zijn bekend bij de zonderlinge namen van Kerkpolle, Aestrik, Westrik, Hindepolle, Kattepolle, Achthuizer-polle en Grinzerpolle.

Ook is het van buiten met een gracht omgeven, over welke onderscheidene bruggen liggen, die den toegang daartoe open stellen. Aangezien, uit hoofd van deze verwarde plaatsing, iemand, die te Molkwerum gelogeerd is, wanneer hij buiten het vlek gaat, het huis, waarin hij zijn intrek heeft, bezwaarlijk weder vinden kan, noch het hem, door benoeming van eenige straat, kan worden aangewezen, zoo zag men vroeger, aan de ingangen doorgaans jongens, die zig aanboden, om zich voor wegwijzers te laten gebruiken. Van daar heeft dit Molkwerum gelegenheid gegeven, om van zekere zaken, die verward gesteld zijn of verward en zonder orde worden uitgevoerd, te zeggen: dit is of dat gaat op zijn Molkwerums; gelijk ook eene manier van dammen, waarin de schijven, niet alleen in eene schuinsche rigting, maar ook regts en links, alsmede naar boven en naar beneden slaan, hetgeen het aanzien van een verward dammen geeft, Molkwerums-dammen genoemd wordt.

Had dit vlek vroeger veel bijzonders in de schikking zijner huizen, de bewoners verschillen ruim zoo zeer van de overige Friezen in kleeding en taal, beide nog zoodanig naar de oude Friesche zweemen, dat zij door hunne kleeding aanstonds kenbaar, en door hunne taal onverstaanbaar zijn voor allen, die zich niet bijzonder op de kennis daarvan hebben toegelegd. met die van Hindeloopen komen zij in beide opzigten wel het meest overeen, ofschoon er ook nog al merkbaar onderscheid tusschen beide plaats heeft.

Toen de scheepvaart hier nog bloeide, kon men somtijds huis aan huis gaan, zonder manne, ten zij grijsaards, aan te treffen. Thans is Molkwerum eene zeer vervallene armoedige buurtschap, waarvan de smalle stegen tusschen heggen en onbehuisde heemsteden groen, met gras en ruigte zijn begroeid, waar tusschen scherphoekige en onregelmatige steenbrokken en puin opschieten. De inwoners bestaan meerendeels uit daglooners, en vinden hun bestaan voornamelijk in de koemelkerij.

Het vlek ligt binnendijks en als op een schiereiland, dat door de Zuiderzee, een bedijkt en twee onbedijkte meren gevormd wordt. Van den zeedijk loopt, over gevaarlijke bruggetjes, zonder leuningen, een slecht onderhouden weg door het weiland.

De Hervormden, die er 220 in getal zijn, onder welke 50 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Workum, behoort. Molkwerum is tot in 1600 bediend door Gerhard Vocking, Predikant te Hindelopen. In 1601 is het gevoegd bij Warns-en-Scharl, waarvan het afgescheiden is in 1610, en heeft daarom voor het eerst een eigen Predikant bekomen in Julius Atzonis. Men had hier vroeger kerk en toren, doch daarover is naderhand groot verschil gerezen, en de kerk wegens schulden verkocht geworden, zoodat thans alleen de kleine stompe toren op het kerkhof staat, waarom de Hervormden alhier hunne godsdienstoefeningen houden in een daartoe ingerigt gebouw, aan de gemeente afgestaan door zeker voornaam inwoner, met name Albert Heijes, en den 1 September 1799 plegtig ingewijd door den Predikant Hans Willem Cornelis Anne Visser, toen te Warns, daarna te Ysbrechtum.

De Doopsgezinden, van welke men er ongeveer 70 telt, maken met die van eenige d. uit den omtrek eene gem. uit, welke 150 zielen, telt. Deze gem. heeft eene kleine, doch nette kerk, zonder toren of orgel, doch geen eigen Predikant, wordende de dienst daarin waargenomen door den Predikant van Hindeloopen.

De 2 Evangelisch-Lutherschen, welke er wonen, behooren tot de gem. van Workum. - De 11 Roomsch-Katholijken, welke men er aantreft, worden tot de stat van Bakhuizen gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 30 leerlingen bezocht.

De kermis valt in op Paasch-Dinsdag.

Toen Stavoren, in het jaar 1400, in de magt der Hollanders was, hadden de Friezen hier eene schans, welke van eene sterke bezetting voorzien was, Walraven van Brederode, die in Stavoren bevel voerde, maakte eenen aanslag om die versterking te verrassen. Hij bestormde de werken met groote dapperheid, waartegen de Friezen zich met geene mindere kloekmoedigheid verweerden. De aanvallers verloren veel volk. Brederode, zwaar gewond, werd door de Friezen gevangen genomen, maar ontsnapte eerlang zijne wachters, en kwam weder binnen Stavoren.

MOLKWERUMER-VAART of Molquerumer-Vaart, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat te Molkwerum een begin neemt, en met eene kronkelende, noordwestelijke rigting, naar Stavoren loopt

MOLKWERUMER-ZIJL (DE) of de Molquerumer-Zijl, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 1/4 u. N. van Molkwerum.

Deze sluis kan niet door groote schepen gebruikt worden, maar heeft veel toevloed van binnenwater uit de menigvuldige meren en waterplassen van de grietenij Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Het vlek Molkwerum heeft echter den last van de zijl voor zich in het bijzonder, waarover de ingezetenen, niet zonder reden, meermalen hebben geklaagd, van meening zijnde, dat de belasting zich even ver behoorde uit te strekken, als de uitwatering, welke door deze zijl in het bijzonder geschiedt. In het begin der vorige eeuw was de zijl toegedamd; maar Gedeputeerde Staten der provincie Friesland, beseffende het nadeel, hetwelk hierdoor veroorzaakt werd, gaven bevel aan de zijlpligtigen van deze plaats, om dien weder open en gangbaar te maken. Die van Molkwerum gaven daarop een verzoekschrift over aan de Staten des Lands, begeerende van dien last bevrijd te wezen, doch daarop volgde niets anders, dan dat de Heeren van het mindergetal, door de Staten gelast werden, om met die van het collegie nader aangaande dit stuk in overweging te treden, wordende den verzoekers inmiddels bevolen, waarop zij hun verzoek grondden. De zijl is sedert op kosten van de ingezetenen geopend, en zij zijn naderhand verpligt geworden, eene som van 2200 guld., door het land daartoe verschoten, terug te geven, doch konden volstaan met de betaling in drie jaarlijksche termijnen in 1718, 1719 en 1720, en, in plaats van geld, met Landschaps obligatien volgens staatsbesluit van 30 April 1718. Wordende vervolgens het onderhoud van de zijl, bij besluit van 31 Mei 1721, als van ouds, ten laste van de gezamenlijke ingezetenen van Molkwerum gelaten.

MORRA (DE), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Hindeloopen, 10 min. N. van Hemelum; waartoe het behoort.

MORRAMEER (HET) of de Morrha, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, hetwelk door de Dammenpoel met de Kuilart, door de Diepesloot met de Groote-Gersloot, en door den Houtendam met de Geeuw in verbinding staat.

MUNNEKENDAMMERSLOOT, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat in eene oostnoordoostelijke strekking uit de Ringsloot van het Staversche noorder bedijkte meer, naar het Felait loopt.

NIJEBUREN-(HEMELUMER), b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Hindeloopen, 10 min. Z. O. van Hemelum, waartoe zij behoort; met 12 h. en 50 inw.

NIJEGA, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-en-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. O. ten Z. van Hindeloopen.

Men telt er 28 h. en 240 inw., die in den landbouw hun bestaan vinden. Men heeft er meest laag moerassig land, doch waarvan een groot deel, door den Grietman van der Waeijum, is ingepolderd en daardoor aanmerkelijk verbeterd. De landerijen grenzen ten W. aan de Flieussen.

De Herv., die hier ruim 200 in getal zijn, behooren tot de gem. Nijega-en-Elahuizen, die hier eene kerk heeft, waarvan de pastorij, vóór de Reformatie, 100 goudgulden (150 guld.) en het vikarisschap 78 goudgulden (117 guld) opbragten. Deze kerk is een langwerpig vierkant gebouw, met een houten torentje op het westeinde, doch zonder orgel.

De 5 Doopsgez., die men er aantreft, behooren tot de gem. van Warns. - De R. K., van welke men er 40 aantreft, worden tot de stat. van Balk gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 40 leerlingen bezocht.

NIJEGA-EN-ELAHUIZEN, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Sneek, ring van Slooten.

Men heeft er slechts eene kerk te Nijega en telt er 220 zielen, onder welke 50 Ledematen. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Johannes Vomelius, die er in het jaar 1631 kwam, en in 1636 naar Leeuwarden vertrok.

NOORDER-MEER, voorm. meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, gedeeltelijk gem. Stavoren, gedeeltelijk griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, onder het behoor van het d. Molkwerum. Dit meer, bedijkt zijnde, maakt thans eenen pold. Uit; palende N. en O. aan de landen onder Molkwerum. Z. O. aan het behoor van Warns, Z. aan het Zuider-meer, W. aan Stavoren, N. W. aan de Klokslag-van-Stavoren.

Deze pold. Beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 124 bund. 53 v. r. 6 v. ell.; telt 6 h., waaronder 5 boerderijen, onder Molkwerum, 1 h., zijnde eene boerderij en tevens de woning des molenaars, onder Stavoren. Hij wordt door eenen poldermolen, staande onder Stavoren, van het overtollige water ontlast. Het land ligt 1 ell. 4 palm. Boven zomerpeil. Het polderbestuur bestaat uit twee Heemraden en eenen Penningmeester.

In dezen pold. Werd men, bij den watervloed van Februarij 1824 in de uiterste verlegenheid gebragt, doordien aan den zeedijk, in dien omtrek, al het paalwerk reeds weggeslagen, de bekisting vernield, de dijkskruin afgespoeld en de binnendocering, door de sterke overstorting, ingekolkt en afgebrokkeld was. De inwoners van het meer, welks bodem meer dan achttien palmen beneden de gewone oppervlakte van het water ligt, vlugtten eerst met hun vee naar de buurt van het hoog gelegen Warns en ieder was tot berging en behoud in drukke beweging. Het duurde niet lang of met eene woeste onstuimigheid en een geraas in de verte, gelijk aan het gonzend geklots der golven en van vele watervallen, stortte de zee te dezer plaatse in, vloog over dijk en dam en klom tot de daken der huizen. Later is echter dit meer weder drooggemaakt.

NOORDWOLDE, het oostelijke gedeelte van de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, prov. Friesland, kw. Westergoo; palende N. aan de Fljuessen, O. aan Wymbritseradeel, Z. O. aan Gaasterland; Z. W. aan Hemelumer-Oldephaert, W. aan de Morrha, de Oudkarren en de Oorden.

Zij bevat de vier d. Oudega, Nijega, Elahuizen en Kolderwolde. men telt er 112 h., bewoond door 124 huisgez., uitmakende eene bevolking van 730 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. Ook heeft men er zeer veel klijn- of veengrond, waarom men er, voor eenige jaren, door bedijking, den Grooten-Noordwolder-Veen-polder heeft aangelegd, waaruit zeer veel turf wordt gegraven.

De Herv., die hier ruim 560 in getal zijn, onder welke 100 Ledematen, maken de gem. van Oudega-Kolderwolde-Nijega-en-Elahuizen uit. Men heeft er twee kerken, bediend wordende door éénen Predikant. - De Doopsgez., van welke men er 30 telt, behooren tot de gem. van Warns. - De R. K., van welke men er 140 aantreft, worden gedeeltelijk tot de stat. van Balk, gedeeltelijk tot die van bakhuizen gerekend. - Men heeft er twee scholen, als: ééne te Oudega, en ééne te Nijega, welke gezamelijk door een getal van 100 leerlingen bezocht worden.

Deze landstreek wordt niet aldus genoemd, omdat het noordelijker dan Hemelumer-Oldephaert gelegen is, maar wel, omdat het in het Noorden van andere deelen der wouden gevonden wordt, doch behalven dezen naam, droeg het oudtijds ook nog dien van IJgawolden, en niet onwaarschijnlijk naar IJge Galam, die eertijds groote goederen hieromtrent, en een voortreffelijk stins, te Oudega, bezat.

In deze streek hadden, bij den watervloed van Februarij 1825, ontzettende toonelen van verwoesting en ellende plaats. Op sommige plaatsen stond het land meer dan 2 ellen onder water. In eenige huizen heeft het tot op eene hoogte van 3 tot 5 voeten gestaan. Nagenoeg 50 boeren zijn met hun vee gevlugt, waarvan de grootste helft hunne woningen heeft moeten verlaten, terwijl de kleinste helft zulks meer uit voorzorg dan uit dadelijke nood gedaan had. Vele huisgezinnen van de arme volksklasse hadden hunne toevlugt genomen i de ledig staande pastorij te Oudega. In deze dorpen zijn destijds drie hoornbeesten en een varken omgekomen. Veel aanmerkelijker was echter de schade, veroorzaakt door het verlies aan turf, want men rekende dat er tusschen de 300 en 400 schouw weggedreven was.

OORDEN (DE), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Hetwelk verbonden is met de Fljuessen.

OTTOPOEL, voorm. meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. Sneek, kant. Hindeloopen, 20 min. Z. van Koudum.

Dit meer, droog gemaakt zijnde, vormt eenen polder, waarin eene boerderij staat. Het land wordt door eenen molen, in het meer de Morrha, van het overtollige water ontlast.

OUDEGA, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. Z. O. van Hindeloopen. Men telt er 50 h. en 370 inw., die in den landbouw, de veehandel en de veenderij hun bestaan vinden.

De Herv., die hier ongeveer 270 in getal zijn, behooren tot de gem. van Oudega-en-Kolderwolde, die hier een kerk heeft. De pastorij bragt vóór de Reformatie honderd goudguld. (150 guld.) op. Ook was er destijds een vikarisschap met eene jaarlijksche prebende van vijf en tachtig goudgul. (127 guld. 50 cents.). Die kerk is in het laatst der zeventiende eeuw afgebroken, en vervangen door eene nieuwe, die in 1832 aanzienlijk hersteld werd; zijnde een langwerpig vierkant gebouw, met eene kleinen, spitsen toren, doch zonder orgel.

De 12 Doopsgez., die er wonen, behooren tot de gem. van Molkwerum. - De R. K., van welke men er 90 aantreft, worden tot de stat. van Balk en Bakhuizen gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 40 leerlingen bezocht.

Men vindt hier nog sporen van de stins Old-Galama. Ook zoude hier eertijds nog eene stat. Jarigsma genaamd, gestaan hebben.

OUDEGA-EN-KOLDERWOLDE, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Sneek, ring van Slooten. Men heeft er eene kerk te Oudega en telt er 290 zielen, onder welke 60 Ledematen. De eerste, die na de scheiding van Nijega, het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Johannes Sminchius, die in het jaar 1631 herwaarts kwam, en in het jaar 1639 naar Berkhout vertrok.

OUDEGASTER-BROEK, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, N. van Oudega, dat door de dorpsvaart met de Fljuessen in verbinding staat.

OUDE-VAART (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, dat, uit de Morrha voortkomende, met eene oostelijke strekking in de Oud-Karre uitloopt.

OUKARRE, meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, Z. van de Oorden, waarmede het zamenvloeit, terwijl het door de Holkesloot met de Kuilart door de Oude-Vaart met de Morrha en door de Rijster-vaart met de Schwartzenberg-sloot in verbinding staat.

PALESLOOT (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 1 u. N. O. van Hindeloopen, dat met eene westelijke strekking van het Haan-meer, naar den zeedijk loopt.

RAARDABUREN, voorm. b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, welke later aan de stad Workum getrokken is.

ROSHUISTER-MEER, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 1 u. Z. Z. O. van Workum, dat met het Tjallingsmeer en met de Boksloot in verbinding staat.

SCHARL, voorm. d. thans geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. van Hindelopen, 1/2 u. Z. O. van Stavoren, 10 min, Z. W. van Warns, waartoe het behoort. Men telt er in de kom van het geh. 9 h. en 52 inw., en met de daartoe behoorende b. Laaxum 13 h. en 80 inw., die meest in den landbouw en veehandel hun bestaan vinden.

De Herv. die hier ruim 30 in getal zijn, behooren tot de gem. van Warns-en-Scharl. Vroeger had men hier een kerk. Er was daarin een vikarisschap van 100 goudgulden (150 guld.) en eene prebende van 70 goudg. (105 guld.) gevestigd. - DE 7 Doopsgez., die er wonen, behooren tot de gem. van Warns. - DE 7 R. K., die men er aantreft, behooren tot de stat. van Bakhuizen. _ Men heeft in dit geh. geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Warns.

SCHUILENBURG, huis, prov. Friesland, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, aan den Zeedijk, zijnde de zetel van het dijksbestuur van Wymbritseradeel enz.

SPYKER (DE), voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. Z. O. van Hindeloopen, ten Z. van Hemelum.

Zij werd, in 1422, door de Vetkoopers ingenomen, nadat zij het geheele dorp vernield en verbrand hadden. De Schieringers hernamen daarop den spijker en verdreven of versloegen de Vetkoopers, terwijl meer dan twee honderd gevangen genomen werden.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men er nog eenige sporen van.

STAVORDER-MEER (HET), voorm. meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, O. van Stavoren.

Dit meer is van over lang bedijkt en drooggemaakt. Naardien de poelen en meren, omtrent Stavoren, door de ondiepten grootelijks ter belemmering der scheepvaart strekten, vond men goed die tot land te maken, en er eene bekwame doorvaart in te graven en te onderhouden. Het octrooi, hiertoe, den 19 Mei 1613, aan de stad Stavoren verleend, bepaalde, dat de landen, door uitmaling en bedijking bekomen, door haar als eigen en lastvrij land zouden gebruikt worden; doch aldra ontstond er eene menigte verschillen, waardoor die van Stavoren bewogen werden hun regt voor de eene helft over te dragen aan de Heeren Ernst van Harinxma, Johan van der Sande, Ork van Doyem en Gellius Jongestal, alle Raden in den Hove van Friesland; terwijl de tweede helft aan de anderen werd overgedaan. Voor deze overdragt ontvingen die van Stavoren eene goede som gelds, ter goedmaking van hunne reeds bestede kosten; ook namen de nieuwe eigenaars aan, eene vaart te graven van Stavoren naar de Warnsersloot, op eene wijdte van 54 voet (16.95 ell.) en ter diepte van 4 voet (1.25 ell.), met eenen dijk aan den oever, om bij tegenwind tot een trekpad te kunnen dienen, gelijk ook eene vaart van Stavoren naar Scharl en voorts naar de Warnser-sloot, benevens nog eene andere vaart van Stavoren naar Molkwerum, wijd en diep als voren. Deze overdragt geschiedde den 30 Augustus 1620, en het Stavorder-meer werd, door het graven van de vaart naar de Warnser-sloot, in tweeën gedeeld, waardoor het eene deel van naam het Noorder-meer en het andere van Zuider-meer heeft verkregen. Zie de beide volgende artikelen.

SWIN (HET), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, op de grenzen van Gaasterland, 10 min. O. van Nijega, hetwelk ten N. met de Wybe-Poel, ten Z. met de Hichte-Poel in verbinding staat; terwijl het vroeger ook ten N. O. door de Rhijn met de Fokke-sloot gemeenschap had.

SYTZAMA of Sytsma, voorm, state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 1/2 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. van Hindeloopen, niet ver van de kerk van Warns, tegen het Noordoosten, op het einde van de terp, waar de kerk staat.

In het begin van September 1494 hebben Douwe en Otto van Galama, met alle hunne vrienden en partijleden van de zijde der Vetkoopers, het vaste huis of de stins van Jelmer van Sytzama te Warns, belegerd, welke Jelmer van Sytzama, die zich toen te Sneek bij Bocko van Harinxma bevond, dit naauwelijks vernomen had, of hij verzocht aanstonds, uit kracht van verbintenis en bondgenootschap van den gemelden Bocko van Harinxma, benevens de stad Sneek en andere met hem verbonden Schieringer heerschappen, onder anderen Louw van Bonninga (zijn schoonvader) en Wybe Jarichs, hulp en bijstand om zijn belegerd huis te ontzetten. Zij trokken alle daarop, met hunne bijeengebragte magt en manschap, benevens Jelmer van Sytzama, naar Gaasterland, behalve Bocko van Harinxma, die op zijn nieuw gebouwd blokhuis te Hemelum bleef, om den uitslag van dezen optogt af te wachten. Jelmer van Sytzama, komende omtrent ter plaatse, daar die van Galama zich gelegerd hadden, maakte zich, met zijn volk, aanstonds slagvaardig, en zulks met te minder vrees, daar hij, met zijne hulpbenden, veel magtiger en sterker dan het volk van Galama was. De slag, die op 6 of (zoo als Schotanus schrijft) den 13 September des voorschreven jaars plaats had, viel echter, tegen alle verwachting, ongelukkig voor de Schieringers uit, naardien zij door de Vetkooperspartij van Galama niet alleen geslagen en op de vlugt gedreven werden, maar ook Louw van Bonninga, met vele andere Schieringer heerschappen in het gevecht sneuvelden. Jelmer van Sytzama, heldhaftig met zijn volk strijdende, werd zwaar gekwetst en met vele Schieringers gevangen genomen. Zijne huisvrouw, At van Bonninga, dochter van Louw van Bonninga en Hylk van Harinxma, eene vrouw van kloekmoedigen inborst, gedurende het beleg zich op het huis bevindende, verdedigde het zeer dapper, ontzag geen gevaar, en wilde zich noch door den dood van haren vader, noch door het wonden en gevangen nemen van haren man, tot eene lafhartige overgave laten bewegen. Nadat nu Bocko van Harinxma met veel leedwezen de nederlaag zijner vrienden en bondgenoten had vernomen, begaf hij zich van Hemelum naar Harich, op het huis van Minne van Hilama, een der gezworen Schieringers. Middelerwijl werd door onderhandeling van Priesters en andere goede mannen een verdrag getroffen, bestaande in de volgende artikelen: „dat men de gevangenen ter wederzijden loslaten en op vrije voeten stellen zou, en dat de stins van Jelmer van Sytzama aan die van Galama overgegeven en ingeruimd zou worden"; ten gevolge van deze artikelen, is het voorschreven huis daarop tot den grond toe afgebroken en geslecht (1).

Ter plaatse, waar het gestaan heeft, ziet men tegenwoordig nog de hooge wallen, benevens de gracht, die er om heen geloopen heeft, welke plaats nu nog bij de inwoners te Warns het Bolwerk wordt genaamd. Aan den zuidkant van de plaats, waar dit huis heeft gestaan, loopt het voetpad van Warns naar Hemelum.

Tot deze stins hebben behoord zekere landerijen, die de gemelde Jelmer van Sytzama van zijnen oudsten broeder, Pier van Sytzama, Heer toe Sytzama-state tot Arum, voor eene vaste som gelds had gekocht.

(1). De belegering van dit huis, onder deze omstandigheden, heeft den Heer Mr. A. van Halmael Jr. aanleiding gegeven tot het vervaardigen van zijn voortreffelijke Treurspel getiteld Ate Bonninga, Leeuw. 1832.

TERWISGA of Terwisscha, doorgaans Kolderwolde genoemd, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 u. W. Z. W. van Sneek, kant. en 1/2 u. O. van Hindelopen, 3/4 u. N. ten W. van Koudum, waartoe zij behoort; ter plaatse, waar de Kolderdam (Koudumerdam), zich met den ouden zeedijk van het Workumer-Nieuwland vereenigt; met 2 h. en 18 inw.

TROPHORNE, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 3 u. Z. W. van Sneek, kant. en 3 u. O. ten Z. van Hindelopen, 10 min. O. ten Z. van Elahuizen, waartoe het behoort, nabij de Fluessen.

URSEL (ST.), voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Ursela-klooster (St.)

URSEL (ST.), voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde. Zie Ursela-klooster (St.)

URSELA-KLOOSTER (ST. ), voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, gem 3/4 u. Z. O. van Workum, N. van de St. Urselpoel, tusschen deze en de Kerkvliet.

VARD (DE), water of vaart, prov. Friesland, griet. Hemelumer-Oldephaert, loopende uit de Koldersloot bij Koudum, noordoostwaarts naar eenen inham van de Fljuessen.

VLIET (DE KERK), water, prov. Friesland, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, 3/4 u. Z. O. van Workum, tusschen de Lits en de St. Urselspoel, waarmede zij gemeenschap heeft.

VLIET (DE LANGE-KLIP-), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert, in eene zuidoostelijke rigting van de trekvaart tusschen Workum en Bolsward naar de zandige grens loopende, ten Z. langs Nijhuis.

WARLESLE, naam onder welken het d. Warne, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, in de elfde eeuw voorkomt. Zie Warns.

WARNS, in de elfde eeuw reeds onder den naam Warlesie voorkomende, in het oud Friesch Wernse, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. Z. ten O. van Hindeloopen.

Het is een groot dorp, zeer verspreid op een heuvelreeks gebouwd, en verdeeld in drie buurten: Noorderburen, Kerkeburen en het Zuid. Men telde er voorheen wel 300 h. Thans zijn er slechts 100 h. en 530 inw., die meest in den landbouw en veeteelt hun bestaan vinden. Vroeger woonden hier vele vermogende schippers en zeelieden. Het moet, volgens sommigen, zijnen naam ontleend hebben van Mercurius, welke bij de oude Friezen onder den naam van Warns zoude vereerd zijn.

De Herv., die er 320 in getal zijn, behooren tot de gem. van Warns-en-Scharl, die ook hier eene kerk heeft, welke vóór de Reformatie aan den H. Johannes den Dooper was toegewijd en destijds 100 goudguld. (150 guld.) opbragt. Er was ook eene vikarij van 75 goudguld. 9112 guld.) 50 cents). Deze kerk is een oud gebouw, met eenen spitsen toren, doch zonder orgel.

De Doopsgez., van welke men er ruim 180 telt, maken, met die van omliggende plaatsen, eene gem. uit, die 300 zielen onder welke ongeveer 130 Ledematen, telt. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt voor bezoldiging heeft waargenomen, is geweest Atse Wytses, die in het jaar 1750 zijn ambt aanvaardde en het, in het jaar 1808, met den dood nederlegde. Het beroep geschiedt door de gemeente. De kerk, die, in het jaar 1664, in plaats van de oude en vervallene, gesticht is, is een ruim gebouw, zonder toren of orgel.

De 30 R. K., die er wonen, parochiëren te Bakhuizen. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 100 leerlingen bezocht.

Weleer had men hier de state Sytzama. Zie dat woord.

Men heeft hier eene jaarmarkt, welke den 24 Junij, dat is op den dag van St. Johannes den Dooper gehouden wordt. De kermis valt in den 24 Junij.

In de nabijheid van dit dorp werd in 1345 de moorddadige slag geleverd die Friesland van de Hollandsche overheersching bevrijdde en waarin Graaf Willen IV sneuvelde (1).

(1). Men zie dit omstandige vermeld op het artikel Stavoren.

WARNS-EN-SCHARL, kerk. gem. prov. Friesland, klass. van Sneek, ring van Workum.

Deze gem. heeft slechts eene kerk te Warns, en telt 300 zielen, onder welke 120 Ledematen. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Henricus Bernardi van Berkel, die in het jaar 1598 herwaarts kwam en in het jaar 1599 van zijne dienst werd ontzet.

WARNSER-VAART (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, in een westelijke strekking, van de Geeuw naar Stavoren loopende.

WARNSER-WAD (HET), meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, ten W. van de nabij Warns, door het Polfliet, dat er doorloopt ten N. met de Warnser-vaart, en ten Z. met de Zuiderzee in verbinding staande.

WESTEREND, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 5 u. Z. W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. Z. O. van Hindelopen, onder Kolderwolde.

WESTRIK, en der zeven eilandjes, waaruit het d. Molkwerum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, bestaat.

WISGA (TER-), twee voorm. staten, prov. Friesland, de eene kw. Westergoo, de andere kw. Zevenwouden. Zie Terwisga.

WISKE (DE GROOTE-), landh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, arr. en 4 1/2 u. W. Z. W. van Sneek, kant. en 20 min. O. van Hindeloopen, 1/2 u. N. van Koudum, waartoe het behoort.

WISKE (DE KLEINE-), landh., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 4 u. W. Z. W. van Sneek, kant. en 25 min. O. van Hindeloopen, gem. en 1 u. Z. van Workum.

YGAWOLDEN, oude naam van Noordwolde het oostelijke gedeelte der griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, prov. Friesland, kw. Westergoo, Zie Noordwolde.

ZWARTEWOUDE, inham in de Fljuessen, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.