BAKHUISTERHOOGof Hoogebergen, gedeelte van de hoogste zandrug van Gaasterland, in de prov. Friesland, in de nabijheid van de buurt Bakhuizen.

BAKHUIZEN, b., prov. Friesland, kw. zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 1/2 u. W. van de Lemmer.

Men telt er nagenoeg 50 h. De hier wonende Herv., behooren tot de gem. Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen. De R. K. hebben hier eene kerk en statie, welke tot het aartspr. van Friesland behoort, en ruim 500 zielen telt. Vr de Kerkhervorming plagt de pastorij van Bakhuizen bekleed te worden door eenen Monnik van de St. Benedictus orde, die ook eenen Vicaris had; destijds bragt de pastorij honderd goudguldens en het Vicarisschap zestig goudguldens op, waartoe ook eenige naburige plaatsen behooren. Zij telt 520 zielen.

Met het aan zee gelegen Mirns, maakte deze buurt vroeger te zamen n stemmen dorp uit, ofschoon beide thans geene Herv. kerk bezitten. Nevens Bakhuizen begint de hoogste zandrug van Gaasterland dr het Bakhuisterhoog, de Hoogebergen enz., genoemd. Tot Bakhuizen behoort ook de schoone uitgestrekte heerlijkheid of liever het buitengoed Rijs, welke met fraaije beplantingen en bosschen omringd is. Zie op het woord Rijs.

BALCK, d. in Friesland. Zie Balk.

BALCKSTERMEER, meer in Friesland. Zie Balkstermeer.

BALK, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet Gaasterland, arr. en 3 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. N. W. van Lemmer, aan het einde van eene heuvelachtige heide, nabij het Slotermeer in een boschrijk oord gelegen.

Het is eene fraaije en neringrijke plaats, welke uit eene lange dubbele rij huizen ter wederzijde van de vaart, de Lits, bestaat, en vroeger grootendeels onder Harich behoorde. Naar men wil, zoude zij, haren naam ontleend hebben aan eenen dikken balk, welke hier over de Lits lag, alvorens men er eenen steenen brug op pijp gemetseld had. Veel heeft dit dorp bij de oude binnenlandschen twisten geleden: want Agge, Abt van Hemelum, zich bij de Schieringers tegen de Vetkoopers gevoegd, en Ygo Galama, benevens zijne broerder Douwe en Hartman, die hij voorgaf, dat zijn klooster vele landerijen en renten onthielden in het jaar 1486 in den ban gedaan hebbende, bragt zijne aanhangers in de wapenen en de Hollanders in het harnas, tot zijn verderf daar hij in het volgende jaar zijn huis te Hemelum, de Spijker genoemd, ingenomen en ten gronde toe geslecht zag; waarna Ygo Galama in het vervolgen van zijne vijanden Wykel en Balk aan kolen legde. Kort hierna werd Balk door de inlegering van de krijgsbenden, die de Abt bijeengebragt had, weder bedorven. Na welken tijd allengskens weder het hoofd heeft opgebeurd en in vrede gebloeid, tot in het jaar 1585 wanneer de Spanjaarden uit Groningen, een inval in Gaasterland doende, Balk uitplunderden en eenige inwoners medesleepten, die hun echter bij het Tjeukemeer wederom ontjaagd werden.

Men telt er ruim 1000 inw., van welken velen in den landbouw hun bestaan vinden; ook is de handel in hout uit de nabijgelegene bosschen van Gaasterland hier nog al van belang.

De Herv., wier getal 800 beloopt, hebben hier eene gem., waarin de dienst door eenen Predikant verrigt wordt. De kerk stond vroeger aan den zuidkant der Lits, maar in het jaar 1729 werd zij, wegens bouwvalligheid, afgebroken, en aan den westkant zeer fraai, met eenen schoonen spitsen toren, weder opgetrokken. De gem. behoort tot de klassis van Sneek, ring van Sloten.

De R. K., die 100 in getal zijn, hebben hier mede eene kerk. De statie, tot welke ook de R. K. der omliggende dorpen gerekend worden, telt ruim 400 zielen, behoort tot het aartspriesterdom Friesland, en wordt door nen Partoor bediend.

Ook de Doopsgez., van welke gezindte men er 100 zielen telt, hebben hier eene kerk en gem., die niet tot de Algemeene Doopsgezinde Societeit behoort, maar waarin door vier Broeders Vermaners dienst gedaan wordt. Dit is nog de eenige gemeente der Oude Vlamingen in Friesland, die zich nog bestendig door eenvoudigheid van godsdienstoefening en kleeding, alsmede door ingetogenheid van zeden en levenswijze, onderscheidt.

Na het herroepen van het edict van Nantes, in het jaar 1685, moeten zich onderscheidene aanzienlijke Fransche familin in Gaasterland en vooral te Balk hebben nedergezet, ter welker laatstgemelde plaatse ook vroeger eene Waalsche gemeente bestaan heeft. Nog zijn er onder de landbouwers, wier toenamen, hoezeer verbasterd, eenen Franschen oorsprong verraden.

In dit dorp staat het Raad- of Grietenijhuis, dat met een torentje en klokslag voorzien is; voorts heeft men er eene school en vroeger had men hier ook vele fraaije huizen.

De jaarmarkt te Balk wordt gehouden des Woensdags na Palmzondag; de beestenmarkt den eersten Woensdag in November. Des Woensdags houdt men er ook eene weekmarkt. Een uur ten Z. van dit dorp is een stuk lands, alwaar elk jaar, in de maand Augustus eene kermis of weekmarkt gehouden wordt, die onder den naam van Wildemarkt zeer bekend is.

BALKSTERMEERof Balckstermeer, meer in Friesland, kw. Zevenwouden, in het N. van de griet. Gaasterland, eigenlijk een gedeelte van het Slotermeer uitmakende. Zie voorts Slotermeer.

COEHOORNSPOLDERof Majoor-Generaal-Coehoornspolder, gelegen benoorden het Friesche d. Wijckel, griet. Gaasterland, aan het Slotermeer, achter het vroeger slot en plantaadje Meerestein, weleer door den grooten Nederlandschen Vesting-bouwkundige Menno Baron van Coehoorn bezeten en bewoond, die ook de aanlegger is geweest van dezen polder, welke vroeger uit laag oeverland bestond.

EA, vaart, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Ee.

ELFBERGEN, geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 3 u. W. ten N. van de Lemmer, 1/2 u. N. van Oldemirdum, waartoe het behoort, te midden van het boschrijkste gedeelte van Gaasterland.

FRIESCHE-LUSTOORD, naam, dien men weleens geeft aan de griet. Gaasterland, prov. Friesland. Zie Gaasterland.

GAASTERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. Sneek, kant. Lemmer ( 3 k. d., 12 m. k., 7 s. d.); palende N. aan Wymbritseradeel, Slooten en het Slootermeer, N. O. aan Doniawarstal, O. aan Lemsterland, Z. aan de Zuiderzee, W. en N. W. aan Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.

Deze griet. werd, volgens het Saksische landregt, onder Westergoo gerekend en met Hemelumer-Oldephaert vereenigd, doch reeds, voor dat de Hertog van Saksen in het land kwam, werd er eenig onderscheid gemaakt tusschen de Gaasterlanders, toen Geestmannen genaamd, en de Woldluiden, zoo als uit de geschiedenis der Schieringers en Verkoopers bekend is.

Zij bevat de volgende 9 d.: Bakhuizen, Balk, Harich, Mirns, Nyemirdum, Oudemirdum, Ruigahuizen, Sondel en Wykel. Men telt er 508 h., bewoond door 662 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 3200 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt, alsmede in graan-, hout- en boterhandel; terwijl men er ook 3 bierbrouwerijen en 1 jeneverstokerij heeft.

De Herv., die hier ruim 2400 in getal zijn, maken de volgende 4 gem. uit: Balk, Harich, Oudemirdum-Nyemirdum-en-Sondel en Wykel, terwijl die van de d. Bakhuizen en Mirns, tot de gem. Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen behooren. Deze gem. worden door 5 Predikanten bediend, en hebben in de griet. Gaasterland 5 kerken.

De Doopsgez. tellen er bijna 100 zielen, die de gem. der Oude-Friezen te Balk uitmaken. een tiental Evang. Luth., die in deze griet. woont, behoort tot de gem. Workum.

De R. K. van welke men er 760 telt, onder welken 325 Communicanten, behooren tot de stat. van Slooten-en-Bakhuizen.

Er zijn in deze griet. 6 scholen, welke door een gemiddeld getal van 410 leerlingen bezocht worden.

Ten tijde der verderfelijke verdeeldheid der Schieringers en Vetkoopers was Gaasterland de woonplaats van een menigte Edelen, die hier hunne sterkten en stinzen hadden, waarvan te Harich nog de stins Minnema overig is. Ook blijkt zulks overigens thans nog uit de groote menigte wieren, die men als overblijfsels daarvan heeft aan te merken; kunnende ook uit de grootheid der kerken, welke hier voormaals alom op de dorpen gevonden werden, worden opgemaakt, dat deze griet. toen veel volkrijker geweest moet zijn dan heden; waarvan de reden ook zeer natuurlijk is, terwijl in oude tijden, toen Friesland nog niet door bekwame zeedijken beveiligd was, deze griet. echter door hare hoogte vrij was van het zeewater.

De voornaamste vaarwateren in deze griet. zijn: de Ee, de Rijnvloed, de Schwartenbergs-sloot, de Bakhuister-sloot, de Pol-sloot en de Lits, Behalve een gedeelte van het Slootermeer, bevatten de lagere streken dezer griet. eenige verspreide meertjes en poelen, van welke de voornaamsten zijn: de Sondeler-Leijen, de Zandpoelen, de Holle-Brek, het Witwater en het Bakhuister-wad.

Men treft in deze griet. onderscheidene gaasten of zandheuvels aan, die doorgaans met bosschaadjes bezet zijn, waarin zich overvloed van hazen, patrijzen en ander wild gevogelte ophouden. Aangezien deze gaasten of zandheuvels hier meer dan elders gevonden worden, heeft de griet. Gaasterland daarvan haren naam ontleend, en bestaat dus, voor het meerendeel, uit eenen hoogen zandrug, die hier heuvelachtigen graanvelden en digte bosschen vertoont, welke elders door lagere vlakke weilanden afgebroken worden. Deze laatste vindt men echter alleen aan de grenzen van Hemelumer-Oldephaert, in het Westen, en aan het Slotermeer en nabij Lemsterland, in het Oosten. Zij zijn zeer geschikt tot hooiwinning, terwijl de hooge zandgronden, die niet met geboomte voorzien zijn, tot de graanteelt dienen, en vooral tot het aankweken van rogge, welke hier in groote menigte wordt gewonnen, en doorgaans veertien dagen eerder tot rijpheid komt, dan in Westergoo en Oostergoo. In het Zuiden van Wykel en in het Zuid-oosten van Sondel vindt men goede weilanden omtrent Takozijl, die in het jaar 1495, benevens Workum, nog de eenige goede haven van Westergoo was, doch thans minder geschikt is voor zware schepen. Bij deze zeesluis werd in het gemelde jaar een blokhuis opgeworpen, door de Vetkoopers tegen de bezetting van Fox, te Slooten, die zich van deze haven zocht meester te maken; doch in het volgende jaar werd de Groninger bezetting, die zich daarop bevond, na reeds vergeefs door de Sneekers, die het huis van Harinxma en Slooten ingenomen hadden, belegerd te zijn geweest, door eenen zwaren storm, genoodzaakt het ondermijnde gebouw te verlaten. De gunstige ligging, schoone natuurtafereelen en menigvuldige boschrijke oorden, doen deze griet. met regt den naam van het Friesche Lustoord geven, en lokt dan ook jaarlijks menigeen derwaarts, die de schoonheden der naruur wenscht te bewonderen.

Niettegenstaande de hooge ligging van Gaasterland, werd het door den watervloed van 1825 hevig geteisterd. Omstreeks den middag van den 4 liep het zeewater met geweld door en over de zeedijken, achter Oudemirdum en Nieuwemirdum, en zette de daaraan grenzende landen en gehuchten, als: Huiteburen en de Hooibergen, al spoedig zoo diep onder, dat de runderen tot den buik in het water stonden. Men was genoodzaakt naar de zolders te vlugten en daar den nacht door te brengen. Doch des middags van den volgenden dag was de vloed door de verspreiding aanmerkelijk gezakt en daarentegen tot Sondel en Wykel doorgedrongen, waar zij, vooral ter laatstgemelde plaats, mede in de huizen stond. De landen bij Rys, hoe hoog ook gelegen, werden evenzeer door het zeewater overstroomd, ten gevolge eener doorbraak, 's namiddags van den 4 Februarij, in den zoogenaamde Zuidvensterdijk, welke, van Oudemirdum af, tot achter en voorbij Mirns en Bakhuizen zeer gehavend was, hetwelk in het algemeen met den zeedijk, waarachter deze grietenij ligt, het geval was. Van zeer nadeelige gevolgen zoude deze doorbraak geweest zijn, zoo niet de boeren daaromstreeks alles in het werk gesteld hadden, om zulks te voorkomen. Gedurende een geheel etmaal hebben sommigen tot aan den middel in het water gestaan, en niet opgehouden stroo en zakken, met steenen gevuld, in het gat te werpen, totdat zij hunne standvastige pogingen met den gewenschten uitslag bekroond zagen. Harich was de algemeene verzamelplaats van menschen en vee. Den 5 Februarij was vooral de dag, waarop vele ongelukken met pramen en schuitjes uit de lager liggende streken aankwamen, en deels bij hunne vrienden en bekenden, deels in de kerk en school gehuisvest en van het noodige voorzien werden. Onder de hulp- en schuil- behoevenden merkte men eene vrouw op, die kort te voren bevallen was en in natte kleederen werd aangevoerd. Ongelukkig heeft zij het moeten besterven! Te Balk ontdekte men des morgens van den genoemden 4 Februarij den aanwas van het water. Het kwam met eenen ontzaggelijken spoed, van de Lemmer over Slooten aandringen. Wegens de hooge ligging zijn slechts, aan het westeinde, de menschen genoodzaakt geweest, hunne huizen te verlaten of naar de zolders de wijk te nemen tot zoolang dat het water, hetwelk in den nacht tusschen den 4 en 5 Februarij op het hoogste was, weder begon te vallen. Ook hier is veel vee, gelijk mede vele menschen, die hunnen lager liggende woningen hebben moeten verlaten, uit de Wouddorpen en Ypecolsga in het aangrenzend Wymbritseradeel gelegen, herbergzaam opgenomen geworden. Er zijn bij dezen watervloed aldaar, behalve de hier bovengemelde vrouw, geene menschen, ook geene hoornbeesten, maar alleen 50 schapen, en wel te Oudemirdum, Nijemirdum, Sondel en Wykel, omgekomen.

Het wapen van Gaasterland bestaat in eenige regtop staande koornhalmen en eenen loopenden haas.

GALAMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. Sneek, kant. de Lemmer, 1/4 u. N. O. van Mirns, waartoe zij behoorde.

In het jaar 1486 voerde de Vetkooper, Ige Galama, met deze state oorlog tegen den Abt te Hemelum en Minne Hilles Hellema, Schieringer Heerschap te Harich, Pieter Harinxma en Epe Tietesz. Hellinga, met de Sneekers en die van Wijmbritseradeel, togen over het ijs, op St. Thomasdag, voor het huis, om, ware het mogelijk, het te veroveren. Zij schoten in den nacht, op zijne stem, wel een der wachters door, maar konden, bij gebrek aan zwaar geschut, het huis niet vermeesteren; waarom zij, nadat een hunner hoofden, Epe Hettinga, in een huis, dat door eigen vuur was in brand geraakt, was omgekomen, onverrigter zake moesten vertrekken. Na hunnen aftogt brande Galama, Wyckel en Balk ten grootendeele af, en rigtte groote verwoestingen aan.

Weleer werden hier, onder het ploegen in een stuk land, onderscheidene potten met zilveren stukken geld van eene oude dagteekening gevonden, welke daar waarschijnlijk gedurende de tweespalt der vetkoopers en Schieringers begraven waren.

GEESTERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Zevenwouden. Zie Gaasterland.

GOLLEN (DE), geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 3 1/2 u. Z. van Sneek, kant. en 2 u. N. W. van Lemmer, 1/4 u. Z. van Wijkel, waartoe het behoort.

HARICH, ook wel eens Harig gespeld, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 u. N. W. van de Lemmer.

De naam van dit d. is waarschijnlijk afgeleid van Heaegh-Raeg of Haeghe-Raeg, dat is hoogrug of hooge rug, omdat het dorp zich uit de Flieussen voordoet als op eenen bergrug gelegen. Ook ligt het zeer schoon en hoog, en levert daardoor een heerlijk gezigt op de bosschen naar het Oosten en op de vlakke weiden en meeren naar het Westen.

Dit d., bestaat uit vier buurs., als: Vrisbuurt, Kerkburen, Lorreburen en Westeinde. men telt er 47 h. en 320 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt.

De Herv., die hier 240 in getal zijn, onder welke 80 Ledematen maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Slooten, behoort. Volgens staatsbesluit van 7 September 1816, is het oude dorp Ruigahuizen met Harich kerkelijk vereenigd. De eerste, die alhier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Hendrik Wellink, die in het eerste jaar 1583 hier in dienst was. Destijds was Harich eene combinatie met Balk, doch in het begin der zeventiende eeuw daarvan afgescheiden zijnde, verkreeg het tot eersten afzonderlijken Predikant Hendrik Jochems, die na het jaar 1610 derwaarts kwam, en in 1618 naar Hindeloopen vertrok. De kerk, ten O. van den weg, welke niet bestraat is, had eene rijke pastorij, met eene vikarij en twee prebenden. De pastorij was jaarlijks 130 goudgulden (195 guld.) waardig en de vikarij 100 goudgulden (150 guld.). De eene prebende plagt 90 goudgulden (135 guld.) en de andere 55 goudgulden (82 guld. 50 cents) op te brengen. De goede en ruime kerk, welke in het jaar 1663 vernieuwd is, prijkt met eenen schoonen antieken, zeer hoogen spitsen toren, geheel van steen opgetrokken,en bevat eene fraaije marmeren grafnaald van het geslacht Rengers. Op eenen grooten steen boven de kerkdeur leest men:

 

Dit huis was eerst geveld,

Door storrenwind ter neer:

Maar nu is 't dus hersteld,

Tot Gods eer en leer

Zijns volks, door Scheltinga,

Den Grietman van deez' kust,

Hoort! volgt Godswoord nu na,

Op dat uw ziele rust.

1663

De torenklok, die 1158 oude ponden weegt, draagt tot opschrift:

, pold., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. Sneek, kant. de Lemmer; palende N. aan het Wykeler-hof, onder het d. Wykel.

Deze pold., welke een langwerpig vierkant vormt, was vroeger laag land van het Slootermeer, dat, omstreeks het jaar 1700, bedijkt en drooggemalen is, blijkens den naam, door den Generaal Menno Baron van Coehoorn, achter wiens kasteel Meerzigt deze polder was gelegen.

LEIJE, geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 6 u. Z. W. van Sneek, kant. en 4 u. W. van de Lemmer, benoorden het landg. Rijs, onder Mirns, waartoe het behoort.

LEIJEN (DE SONDELER-), meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 1/4 u. W. van Takozyl, dat door de Hooybergsterwijk met de Sandvoorde en door de Jollingsloot met de Oude-Ee in verbinding staat.

LORREBUREN, b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 3 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 2 3/4 u. N. W., van de Lemmer, 10 min. O. van Harich, waartoe zij behoort; met 4 h. en ruim 20 inw.

MARDUM (NYE-) en OLDE MARDUM, twee dorpen, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Mirden (Nye-) en Mirden (Olde) .

MAREN (DE), lands., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 5 1/2 u. Z. van Sneek, kant. en 3 1/2 u. W. van de Lemmer, N. W. van Oudemirdum, waartoe het behoort.

MERDUM (NYE-EN-OLDE-), naam, onder welken de d. Nije-Mirdum en Oude-Mirdum, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, op sommige kaarten verkeerdelijk voorkomt. Zie Mirdum (Nye-) en Mirdum (Oude-).

MINNEMA, stins, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 u. N. ten W. van de Lemmer, in Harich.

Deze stins bestaat nog in haren alouden vorm en is thans het achterhuis der pastorie, en wel het studeervertrek van den Predikant.

MIRDEN (NIJE- en OUDE-), twee d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Nijemirdum en Oudemirdum.

MIRNS, b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 1/2 u. W. van de Lemmer, nabij de kust aan de Zuiderzee.

De Herv., die hier zijn, behooren tot de gem. van Hemelumer-Mirns-en-Bakhuizen.

De kerk, welke vr de Reformatie 100 goudgulden (150 guld.) opbragt, terwijl het vicarisschap 70 goudgulden (105 guld.) gaf, is reeds in het midden der vorige eeuw weggebroken, liggende het nog in wezen zijnde kerkhof aan zee, op eene aanzienlijke hoogte, het Mirnserklif genaamd, waarop ook nog een klokkestoel staat.

De R. K., welke men er aantreft, worden tot de stat. van Bakhuizen gerekend.

Men heeft in deze b. geene school, maar de kinderen genieten onderwijs te Bakhuizen.

In het jaar 1620 heeft zeker huisman Mirk Taijes, onder het ploegen, eenige potten goed en zilver geld, van drierlei munt, gevonden. Op het grootste stuk stonden twee regels, met zeer oude letters geschreven. In het binnenste stonden deze letters: Philips Rex, met en kruis in het midden. Op de andere zijde stond, in eene regel, geschreven: Civis Turonus. Het was omtrent zoo groot als eene halve Engelsche schelling, maar wel zoo zwaar. Op het ander stuk, dat wat kleiner was, stond een ruiter te paard, hebbende een zwaard in de hand, met eenige letters om den rand, aan de andere zijde stonden twee regels, met zeer oude letters geschreven, en een kruis in het midden. Een derde was een klein zilveren penning, met een mans gelaat, en gelijkende naar de munt van een Romeinsch Keizer. Op de eene zijde stonden wederom eenige letters, op de andere zijde een kruis met roosjes, en eenige letters, en dit had omtrent het gewigt van een stuiver. Van iedere soort was er eene goede partij, zoodat alles op eenige honderden guldens geschat werd. Men gist, dat dit geld is begraven geworden, tijdens de Schieringer- en vetkoopers-twisten, die geheel de provincie onveilig maakten, maar waardoor vooral in Gaasterland veel onheil gesticgt is.

MIRNS-EN-BAKHUIZEN, twee b., welke te zamen een d. uitmaken, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 1/2 u. W. van de Lemmer.

Men telt er 84 h. en 550 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.

De Herv., die er 240 in getal zijn, behooren tot de gem. van Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen.

De Doopsgez., van welke men er 12 telt, worden tot de gem. van Balk gerekend.

De R. K., die er 300 in getal zijn, maken, met die uit eenige naburige d., eene stat. te Bakhuizen uit, welke tot het aartsp. van Friesland gerekend en door eenen pastoor bediend wordt.

De school, welke te Bakhuizen staat, wordt door 80 leerlingen bezocht.

MIRNSTERKLIF, hoogte, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, bij Mirns, waarop vroeger de kerk van Mirns gestaan heeft.

NIJEMIRDUMof Nijemardum, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 5 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. W. van de Lemmer, aan den rijweg van Slooten door Gaasterland.

Dit d. had vroeger eene goede b., die echter nu meest is weggebroken. Het telt, met de daartoe behoorende buurtjes Hooibergen en Elfbergen 19 h. en 120 inw., die meest in de landbouw en hout- en veeteelt hun bestaan vinden.

De inw., die op 14 na, allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Oudemirdum-Nijemirdum-en-Sondel. De kerk, welke hier vroeger stond, had vr de reformatie eene pastorie van 100 goudguld. (150 guld.) en eene vikarij van 85 goudguld. (127 guld. 50 cents). Deze kerk was een fraai ruim gebouw, met eenen weleer zeer hoogen, doch later aanmerkelijk verlaagden toren, welke thans nog alleen op het hooge kerkhof aanwezig is. - De 14 R. K., die hier wonen, behooren tot de stat. van Bakhuizen. - Men heeft in dit d. geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Oudemirdum.

Men had hier vroeger eene menigte stinzen, waarvan de wieren nog overig zijn. Thans heeft men er nog het huis van Roekenest, genaamd, en het Heerkebosch, gelijk ook het aanmerkelijk grootere en fraaije landhuis Lyklamabosch, waarbij oudtijds een klooster is geweest. In 1529 deden de West-Friezen op deze kust, die wegens hare hoogte geene zeedijken heeft, eene landing, en roofden grooten buit uit de toen aanzienlijke dorpen Nijemirdum en Oudemirdum; doch de Oostvlielingen deden het zelfde in Wester-Vlie, en zulks met zoo veel bitterheid, dat de partijen, waar zij elkander ook op zee ontmoetten, terstond handgemeen werden, en de overwonnenen dadelijk over boord wierpen. Dan, kort darna werd dit geschil bijgelegd, door de tusschenkomst van den Abt van St. Odulfus-klooster te Stavoren en eenige aanzienlijke burgers dier stad.

OUDE-MIRDUM, Olde-Mardum, Olde-Mirdum of Olde-Mirdum, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 5 u. Z. van Sneek, kant. en 3 u. W. van de Lemmer, aan den rijweg van Slooten naar Stavoren. Ook loopen door dit d. wegen naar het strand, Rys, Balk, enz. De buurt van dit dorp is van kleine uitgestrektheid, tellende slechts 20 h. en 140 inw., doch hieronder behooren onderscheidene buitenbuurtjes en huizen, als: Elfbergen, Vierhuizen, Spitsbergen, de Marderhoek en Hoiteburen, welke gezamelijk 50 h. en 324 inw. tellen, die meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt.

Een stuk lands, in het zuidoosten van hier naar zee, bij de Modder-poel en Attje-Vliet, wordt gehouden voor het beste weiland in dit oord. het Joldrenbosch is zeer hoog, bevat veel bouwland, doch meest geboomte. Van eene rijweg, welke er door loopt en het Huningspad genaamd wordt, heeft men eene der schoonste gezigten van Gaasterland.

De rijweg van hier naar Rys is zeer aangenaam, als zijnde overschaduwd door het geboomte, hetwelk hier in overvloed, nevens de hooge bouwlanden, wordt gevonden.

De Herv., die hier 240 in getal zijn, behooren tot de gem. Oude-Mirdum-Nije-Mirdum-en-Sondel. De kerk was vr de reformatie aan de H. Maria toegewijd, ten minste op de torenklok staat deze inscriptie:

De pastorie kon destijds honderd goudgulden (150 guld.); het vikarisschap zeventig goudgulden (105 guld.) en eene andere vikarij veertig goudgulden (60 guld.) opbrengen. Deze kerk was een langwerpig gebouw met eene zwaren toren, welke, oud en vervallen geworden zijnde, in 179o vervangen is door een net kerkje, hetwelk geheel gebouwd is uit den opbrengst van den ouden duifsteen, waaruit de voormalige kerk en toren bestonden.

De enkele Doopsgez., welke hier woont, wordt tot de gem. Balk gerekend. - De 80 R. K., welke men er aantreft, behooren gedeeltelijk tot de gem. van Balk gedeeltelijk tot die van Bakhuizen. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 60 leerlingen bezocht.

Oude-Mirdum is de geboorteplaats van den Wis- en Natuurkundige Henricus Aeneae, gedoopt den 25 Augustus 1743, 1 November 1810.

In 1329 deden de West-Friezen eene landing op deze kust, die wegens hare hoogte geene zeedijken heeft, en roofden grooten buit uit de toen aanzienlijke dorpen van Oude-Mirdum en Nije-Mirdum; doch de Oostvlielingen deden het zelfde in Wester-Vlie, en zulks met zoo veel bitterheid, dat de partijen, waar zij ook elkander op zee ontmoetten, terstond handgemeen werden en de overwonnenen over boord wierpen. Dan, kort daarna werd dit verschil bijgelegd, door de tusschenkomst van den Abt van het St. Odulfus-klooster te Stavoren en eenige aanzienlijke burgers dier stad.

OUDE-MIRDUM-NIJE-MIRDUM-EN-SONDEL, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Sneek, ring van Slooten.

Men heeft er twee kerken, als ne te Oude-Mirdum en ne te Sondel. De kerk te Nijemirdum schijnt in het begin van 1700 te zijn afgebroken, althans in het jaar 1702 is er voor het laatst in gedoopt. De kerk te Sondel is eene der oudste uit den omtrek. men telt er ruim 600 zielen onder welke 210 Ledematen. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Quirinus Palm, die in het jaar 1566 herwarts kwam, en in het jaar 1567 naar Emden vlugte, wegens de vervolging, die Frieslands Stadhouder, Aremberg, in Januarij van dat jaar, tegen de reeds begonnen Reformatie, op last van de Gouvernante, begon aan te rigten. Hij is in 1574, bij het innemen van leerdam, door de Spanjaarden aldaar opgehangen. De eerste, die na hen aldaar stond was Sibli Harings, die in het jaar 1599 hier stond en in het jaar 1610 naar Gaastmeer vertrok. Destijds was Sondel nog niet met Oude-Mirdum en Nieuwer-Mirdum gecombineerd, dit geschiedde eerst in het jaar 1640. Sondel heeft van het jaar 1590 af vijf predikanten gehad, waarvan de eerste was Johannes Sijlvius.

ROEKENEST (HET), voorm. hoeve, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 u. Z. van Sneek, kant. en 2 u. N. W. van de Lemmer, 1/2 u. N. van Oudemirdum.

RUGAHUISTER-ZEE, poeltje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 1/4 u. Z. W. van Rugahuizen.

RUGAHUIZEN, Rugehuizen, Ruigahuizen of Ruigehuizen, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 5 u. Z. Z. W. van Sneek, kant. en 2 1/2 u. W. N. W. van de Lemmer.

Het bestaat uit zes verspreid liggende huizen, ter wederzijde van eenen aangenamen, met boomen beplanten rijweg. In het Zuidwesten ligt een poeltje, Rugahuisterzee genaamd, terwijl in het Noordoosten de kerk en toren plagten te staan, doch die beide reeds voor vele jaren zijn vervallen.

De kerk bragt vr de Reformatie 115 goudguld. (172 guld. 50 cents) op, daarbij was een vicarischap met een inkomen van 75 goudguld. (112 guld. 50 cents).

Men telt er ruim 30 inw., die meest in landbouw en veeteelt hun bestaan vinden.

De Herv., die er 15 in getal zijn, behooren tot de gem. van Oude-Mirdum-Nijemirdum-en-Sondel. - De Doopsgez., die er 7 wonen, worden tot de gem. Balk gerekend. - De R. K., van welke men er 9 aantreft, behooren tot de stat. van Balk. - Men heeft in dit d. geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Oude-Mirdum.

Dit d. is merkwaardig, dewijl hier door de Staten van Friesland in 1685, aan de herwaarts gevlugte Franschen Hervormde Refugs, landerijen en woningen werden aangewezen, en er van dit tijdelijk verblijf hier nog vele sporen aanwezig zijn.

RUIGAHUIZEN, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Rugahuizen.

RYS, b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 3 1/2 u. W. van de Lemmer, 1/2 u. Z. O. van Bakhuizen, waartoe zij kerkelijk behoort.

RYS, landg., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet Gaasterland, arr. en 4 1/2 u. Z. ten W. van Sneek, kant. en 5 1/2 u. W. van de Lemmer, 1/2 u. Z. O. van Bakhuizen, waartoe het behoort.

Dit uitgestrekte landg. wordt thans bewoond door den Grietman Jonkheer Gerard Regnier Gerlacius van Swinderen, die in de laatste jaren zoo groote verbeteringen in den toestand van dit oord heeft aangebragt. Eertijds stond niet ver van hier eene stins van het geslacht van Galama, bij een buurtje Rys genoemd, geheel door uitgestrekte heidevelden omringd. Sedert dat gebouw, met de daartoe behoorende landen, door het geslacht Thoe Schwartenberg tot een jagthuis gebruikt werd, ontving het wel eenige verbeteringen, maar eerst in het laatst der zeventiende eeuw, toen de Heer de Wildt, Secretaris van de Admiraliteit te Amsterdam en Geheimraad van Koning Willem, daarvan eigenaar werd, onderging dit oord aanzienlijke veranderingen. Met grooten ijver, moeite en kosten begon deze de nog ongerepte natuur te vervormen, de woeste gaasten of hoogten te effenen, te ontginnen en tot bosschen, wei- en bouwlanden aan te leggen, welke, te zamen met breede wegen en lanen doorsneden en omwegen, een nagenoeg regelmatig vierkant landgoed vormden, van ongeveer drie of vier uren gaans in den omtrek. Bovendien liet hij daar binnen onderscheidene vee-, koren- en tabakschuren bouwen, en eindelijk, aan de noordzijde, dat landhuis stichten, hetwelk men ter regterzijde aan den weg Oldemirdum ontmoet, terwijl eene later gebouwde herberg daarnevens het verblijf in dit aangename oord bevordelijk is (1). Dit landhuis zal vermoedelijk in 1847 worden afgebroken, en daarvoor in de plaats een grootere gebouw gesticht worden.

(1) Zie W. Eekhoff, Handboekje voor Reizigers door Friesland, bl. 117 en 118.

SANDMEER (HET GROOTE-), meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 1/4 u. N. N. O. van Sondel.

SANDPOEL (DE), meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 1/4 u. O. ten N. van Sondel, hetwelk met de Rykoltspoel in verbinding staat.

SANDVOORDE, meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 20 min. Z. van Sondel, dat ten O. door de Hooybergster-wijk, met de Sondeler-Leijen in verbinding staat.

SANDVOORDER-HOOFD (HET), vooruitstekende hoek van de kust der griet. Gaasterland, kw. Zevenwouden, prov. Friesland, in de Zuiderzee, 1/2 u. Z. O. van Sondel.

SCHUINJA-BUURT, b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 u. Z. W. van Sneek, kant. en 3 u. W. van de Lemmer, 1/4 u. N. W. van Mirns, waartoe zij behoort.

SLOTERVAR, meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, dat door de Ee, ten N. met het Slootermeer en ten O. met het Gaaster-Var en de Hoyte-Brekken in verbinding staat.

SONDELof Sindel, in het Oud Friesch Sindelra, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 u. Z. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. W. N. W. van de Lemmer. Hier is een net dorpje, bestaande uit eenen hoogen grond, die het tegen overstrooming beveiligt. Men telt er 48 h. en 250 inw., die meest in landbouw en veteelt hun bestaan vinden.

De Herv., die er 220 in getal zijn, behooren tot de gem. Oudemirdum-Nyemirdum-en-Sondel, welke hier eene kerk heeft. De kerk, bragt vr de reformatie 120 goudg. (180 guld.) op. Van het vikarisschap kwam 90 goudg. (135 guld.); voorts waren er twee vikarijen; de eene 80 goudg. (120 guld.) de andere 45 goudguld. (67.50 guld.) waardig. Deze kerk was een zeer groot gebouw met eenen zwaren toren; thans echter heeft men er maar een klein kerkje, met een spits torentje doch zonder orgel.

De Doopsgez., die er wonen, worden tot de gem. Balk gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 30 leerlingen bezocht.

In het noorden van dit d. ligt het geh. Sondeler-Ybert en in het Noordwesten lag weleer een buurtje, met name Wallentrog, doch waarvan thans niets meer overig is. Men heeft er nog het nette buit. Beukenswijk.

Ook ligt Z. van Sondel een hoogedijk, die zuidoostwaarts naar zee loopt, en bij het Zandvoorder hoofd in den zeedijk overgaat; dienende die dijk om, bij onverhoopt hoog water, te beletten, dat het zeewater, over het strand van Nyemirdum, niet in de lage landen loopt; waarom ook deze dijk, met eenen anderen tak, eerst Zuidwest aan loopt tot aan Nijemirdum. In het jaar 1846 zijn de vaart en de weg van Sondel naar Takozijl veel verbreed en verbeterd.

De kermis valt in den 25 Julij.

SONDELER-BERGEN (DE), hooge en zandige bouwlanden, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, tusschen Sondel en Wykel.

SONDELERLAAN (DE), weg, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, in eene zuidoostelijke rigting van Sondel naar de Zandvoorde loopende.

SONDELER-LEIJEN (DE), meertje, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 1/4 u. Z. O. van Sondel, dat ten Z. O. door de Jolling-sloot met de Oude_Ee, ten W. door de Hooibergsterwijk met de Zandvoorde in verbinding staat.

SONDELER-YBERT, geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 u. Z. Z. W. van Sneek, kant. en 2 u. W. N. W. van de Lemmer, 10 min N. van Sondel.

TACOZIJL (DE), zeesluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Gaasterland. Zie Takozijl.

TAEKEZIJL, zeesluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Gaasterland. Zie Takozijl.

TAKEZIJL, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Gaasterland. Zie Takozijl.

TAKOZIJL, ook wel Takezijl, Taekezijl of Tacozijl gespeld, sluis in den zeedijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Gaasterland, 3/4 u. Z. van Slooten, aan eenen inham der Zuiderzee, die het water uit het Slootermeer, door de Ee, in de Zuiderzee brengt.

In vroegere tijden, en nog omstreeks het jaar 1595, was deze zijl, benevens die van Workum, de eenige bekwame haven voor Westergoo. Doch sedert dien tijd is de stand van zaken grootelijks veranderd en ook deze zijl nu van minder belang dan wel voorheen. Ondertusschen dient zij nog tot eene vrije uitvaart naar zee en tot uitwatering van onderscheidene meren en stroomen, zijnde zij thans nog van veel belang, omdat men bij hoog binnenwater, wanneer de gelegenheid daartoe gunstig is, daardoor veel water loozen kan. De vaart derwaarts is bekend bij den naam van Ee of Ea, en wordt op sommige kaarten wel de Rijn genoemd. Uit het Slootermeer voortkomende, loopt zij door de stad Slooten en geeft eene zeer bekwame uitvaart naar buiten. Het peilmerk is 3.694 boven A. P.

Deze zijl, was naar het schijnt, weleer een grietenij-zijl men vindt althans aangetekend, dat aan den Heer S. van Osinga, op zijn verzoek, in het jare 1644, vrijheid verleend werd tot het heffen van eenen matigen tol op de uit- en invarende schepen, om daaruit de kosten goed te maken, die vereischt werden, om de zijl behoorlijk te verdiepen en te onderhouden; doch thans komt zij ten laste en voordeele der provincie.

Bij Takozijl, op den dijk, staat een zeer goed gebouw, bewoond door den sluiswachter, die, door het ophalen van seinvlaggen, de uit zee of van binnenlands komende schepen te kennen geeft, of er bij Takozijl genoegzame diepte van water staat, om zich van deze havensluis te bedienen, dat niet altijd het geval is.

Bij deze zijl werd, in het jaar 1435, een blokhuis opgeworpen door de Vetkoopers, tegen de bezetting van Fox te Slooten, die zich van deze haven zocht meester te maken; doch in het volgende jaar werd de Groninger bezetting, die zich daarop bevond, na reeds vergeefs door de Sneekers, die het huis Harinxma te Slooten ingenomen hadden, belegerd te zijn geweest, door eenen zwaren storm genoodzaakt het ondermijnde gebouw te verlaten.

TIETEMAof Titema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 3 1/2 u/ Z. W. van Sneek, kant. en 2 1/4 u. N. W. van de Lemmer, 5 min. Z. van Harich, waartoe zij behoorde.

Op deze state woonde in 1483 Hans Tietema, met Bauck Harinxma van Donia zijne vrouw. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans weiland.

TITEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Tietema.

TOLLINGSLOOT, water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Het loopt ten O. uit de Sondeler-Leijen naar den zeedijk, en staat in verband met de Oude-Ee.

VIERHUISTER-POEL, poel, prov. Friesland, griet. Gaasterland, 1/2 u. W. van Oudemirdum, Z. van het geh. Vierhuizen.

VIERHUIZEN, geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 5 1/2 u. Z. W. van Sneek, kant. en 3 1/2 u. W. ten N. van de Lemmer, 16 min. N. W. van Oudemirdum, waartoe het behoort.

VRISBUREN, b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 4 1/2 u. Z. Z. W. van Sneek, aknt. En 2 3/4 u. W. N. W. van de Lemmer, 1/2 u. Z. Z. W. van Harich, waartoe zij behoort.

WIJKEL, d. prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Wykel.

WILDT (DE), oude naam van het landg. Rys, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Rys.

WITWATER (HET), meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, 3/4 u. N. W. van Oudemirdum, dat ten N. W. met de Ryster-Poel en ten Z. door de Mirdersloot met de Mirder-Poel in verbinding staat. Aan de oostzijde vangt het thans de Nieuwevaart naar de Wildemarkt op.

WOUDAKKERS (DE), of de Woldakkers, geh., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 5 1/2 u. Z. Z. W. van Sneek, kant. en 3 1/4 u. W. van de Lemmer, 10 min. W. ten Z. van Oudemirdum, waartoe het behoort.

WYCKEL, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Wykel.

WYKEL, ook wel Wyckel gespeld, d., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 3 1/2 u. Z. Z. W. van Sneek, kant. en 1 1/2 u. N. W. van de Lemmer, 1/4 u. Z. W. van Slooten. Het is het oostelijke en een der oudste dorpen van Gaasterland.

De rijweg van Slooten door Gaasterland loopt door dit dorp, en voorts over Sondel, Nijmirdum, Oudemirdum, Rys en Bakhuizen, naar Stavoren; terwijl van dezen algemeenen rijweg eenige bijzondere wegen naar de overige dorpen dezer loopen, zooals onder anderen een zijtak van den hoofdweg midden in de kom van het d. Wykel naar Balk, Harich en de Wildemarkt.

Een gedeelte van het Slootermeer behoort tot dit dorp, onder den naam van het Wykeler-Hop. Voorts vindt men, ten Zuiden van het dorp, de watertjes de Zandpoel, de Rykoltspoel enz., benevens de vaart de Ee, loopende van Slooten naar Tako-zyl.

Men telt er in de kom van het d. 68 h., waaronder 24 boerderijen, en met de daartoe behoorende b. Wykeler-Ybert, 84 h., waaronder 31 boerderijen. Men telt er 520 inw., die in landbouw en veeteelt hun bestaan vinden.

De Herv., die er ruim 400 in getal zijn, onder welke ruim 120 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Sneek, ring van Slooten, behoort. De eerste, welken men vermeld vindt in de naamlijst der Predikanten hier sedert de Hervorming gestaan hebbende, is Henricus Meinardi, die hier in 1595 stond, maar in 1599 van zijne dienst werd ontzet. Onder de hier gestaan hebbende Predikanten verdient melding de met roem bekende David Flud van Giffes, die er van 1674-1678 stond. De kerk staat aan de grooten weg, in den Noordoosthoek, waar de zijtak van dien naar Balk loopt, en is daarvan, met een ruim ovaal kerkhof, door eene beukenhaag, met opgaande ijpenboomen afgescheiden. Voorheen was hier eene veel grootere kerk, welke vr de reformatie waarschijnlijk aan den H. Gregorius was toegewijd; doch door een ongelukkig toeval onstond er brand in dit gebouw, waardoor het middelste gedeelte, tusschen den toren en het koor, eenen puinhoop werd. Het koor, dat overgebleven was, nog vrij groot zijnde, diende vervolgens tot godsdienstoefening; doch dit was op den duur niet voldoende, waarom men, in het laatste der zeventiende eeuw, te rade werd eene nieuwe kerk, welke aan den toren aansloot, te bouwen, zooals men die tegenwoordig nog ziet. In deze kerk is geen orgel. Op eenen der zilveren avondmaalbekers is de toren, afgescheiden van de kerk, gesneden. Onder aan den bodem van die beker staat: poculum coenae destinatum in Pago Wickel 1648 (d.i. beker bestemd voor het Avondmaal in het dorp Wykel, 1648). Boven aan den rand des bekers staat de spreuk: 1 Kon. X, vs. 16. De toren is vrij zwaar en gedekt als een gewoon huisdak. daarin hingen vroeger twee klokken; doch in het jaar 1838 is de kleine klok, die, bij eene herstelling van den toren, door de baldadigheid der werklieden gescheurd is, door het grietenijbestuur weggenomen en verkocht. Daarop moet gestaan hebben.

Me fegit Cyprianus Crans Enchusab anno 1729. (d. i. Cyprianus Crans heeft mij gemaakt te Enkhuizen in het jaar 1729.)

Regnerus Annaeus Lycklama van Wyckel, Grietman van Gaasterland enz. enz. enz.

Dodonaeus Pierius Heemstra van Kolde, Secretrais van Gaasterland en kerkvoogd van den dorpe Wyckel.

Op de groote klok staat met oude, moeijelijk te ontcijfferen Duitsche letters in twee randschriften, boven aan, letterlijk het volgende:

Ter wederzijden een weinig beneden het midden staan twee beeldtjes, waarschijnlijk afbeeldingen van Bisschoppen. De graftombe van den dapperen en krijgskundigen Menno Baron van Coehoorn is een sieraad van deze kerk. Zij is door zijne kinderen zijner nagedachtenis gewijd, op de plaats, waar hij begraven is. In den Franschen tijd is het sierlijk en fiks bewerkt stuk deerlijk geschonden; niet alleen zijn van de opschriften op het schild eenige woorden uitgehouwen, maar ook van het wapen dat in het midden van de naald aangebragt was, is afgekapt. Bovendien is de geheele uitrusting van den held, die om de graftombe moet gehangen hebben, toen weggenomen en nimmer weer op de plaats aangebragt. Hierdoor inzonderheid heeft het stuk veel verloren, dewijl de aanleg van het fraaije monument blijkbaar niet vervaardigd is, om tegen eene kalen muur als geplakt te staan.

De 9 Doopsgez., die er wonen, behooren tot de gem. van Balk. - De R. K., welke men er ongeveer 50 telt, parochiren te Balk. - De dorpschool wordt gemiddeld door 90 leerlingen bezocht.

Ten tijde van 's Lands Historieschrijver Pierius Winsemius, stond te dezer plaatse, behalve de stins van den Heer Pieke Wykel, Afgevaardigde van Friesland, nog eene state of stins, toebehoorende aan zijnen broeder Jochum Wykel, beide behoorlijk versterkt en voorzien van boomen en lusthoven. Tusschen het d. en Wykellerhop heeft gelegen de schoone buitenplaats Meerenstein, thans geheel opgeruimd, weleer bewoond door den beroemden Generaal Menno Baron van Coehoorn, een man die zijn Vaderland, Friesland, tot altoosdurenden roem zal verstrekken. Tegenwoordig heeft men er nog de buitenplaatsen: Sorgh-fliet, Meerzigt en het voor weinige jaren nieuw gebouwde Jagtlust.

Wykel is de geboorteplaats van Dr. Tjalling Wykel, in leven Raad in het Hof van Friesland.

De kermis valt in op den tweeden Pinksterdag en loopt op dien dag af, inzonderheid wordt aldan hier, gelijk ook bij kermissen op de andere dorpen in Gaasterland, door oud en jong, den vrijen teugel gevierd, om eene Deventer koek te slingeren. In dezen wedstrijd waarin kracht en behendigheid zich paren, wordt menige kist met het bij de Friezen zeer geliefkoosde Deventer product geledigd.

Tijdens de onlusten der Schieringers en Vetkoopers, heeft Wykel veel leeds moeten verduren, want de eersten aangevoerd door Wybe Minnema en Beinte Rommerts, overvielen, in het jaar 1428, onverwacht dit dorp, en sleepten den Pastoor, Heet Peter, uit de kosterij der kerk met zich, onder het toebrengen van onderscheidene doodelijke wonden, en aldus half zieltogende, naar het dorp Sondel, tot voor de stins, die zijn zoon Agge aldaar in eigendom bezat en bezet hield. Nu toonden zij dezen zijnen gevangenen vader, eischten het huis op, met bedreiging, dat, zoo hij hierin weigerachtig was, zij dezen voor zijne oogen zouden doorsteken. Deze bedreiging zou den zoon bijna bewogen hebben, om, ondanks hem en de zijnen, bij de overgave, een treurig lot beschoren scheen, daarin te bewilligen; dan de bijna stervende vader verzamelde nog eens zijne laatste krachten, zijnen zoon Agge toeroepende: dat hij de stins niet moest overgeven, dewijl de zelve toch zoo veel gelden had, dat de dood hem reeds nabij was. Deze manmoedige en roerende toespraak van eenen vader aan zijnen zoon behoorde zeker ieder menschelijk gemoed, in hetwelk nog een vonkje redelijkheid overig was, bewogen te hebben, om voor het minst hunne, reeds zoo zeer geteisterde, prooi verder ongemoeid te laten. Maar neen, deze barbaren, gramstorig, omdat hun doel niet gelukte, maakten den bijna stervenden man, in het gezigt van zijnen zoon, op staanden voet, af, staakten toen hunnen aanslag en verwijderden zich van Sondel. Agge trok vervolgens buiten 's lands, en wierf aldaar vreemde krijgsknechten aan, met welke hij, in het volgende jaar, in Friesland terugkeerde. Nu vervolgde hij op zijne beurt in het bijzonder de moordenaars van zijnen vader, waarvan velen sneuvelden, en onder dezen ook Wybe Minnema, die hij met eigene hand doodde.

Ten jare 1486, werd Wykel door de Vetkoopers, onder aanvoering van Ige Galama afgebrand, en in het volgende jaar door Agge, Abt van Stavoren, met Schieringers en Geldersche krijgslieden bezet; doch door de blooheid van dezen door de Verkoopers overvallen; die alle roofden en plunderden, wat er nog te vinden was, en vervolgens in het niet ver afgelegene vlek Balk, eveneens huis hielden.

WYKELER-HOP (HET), water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Het is een zuidelijke inham van het Slootermeer, aldus genoemd, omdat het onder het d. Wykel behoort.

WYKELER-POELEN (DE), twee meertjes, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, Z. van Wykel.

WYKELER-YBERT, b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, arr. en 3 u. Z. van Sneek, kant. en 1 1/2 u. N. W. van de Lemmer, onmiddelijk ten Z. van het d. Wykel, waartoe zij behoort; met 14 h., waaronder 9 boerderijen. Men telt er 90 inw.

Deze b. ligt op eenen heuvel, alwaar voor dezen eene state gevonden werd van het geslacht van Wyckel, dat nog hedendaags den naam van dit d. draagt. Of de naam Ybert bij verbastering zou geschreven zijn voor Ie-buurt zooveel als een buurt, omdat deze buurt aan die landen ligt, die uitwateren aan de vaart de Ee, en een paar vaarten van de buurt naar dat water loopen, dan of deze naam zoo veel wil zeggen als uitbuurt, durven wij niet beslissen.

YBERT (SONDELER-en WIJKELER-), twee b., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Sondeler-Ybert en Wykeler-Ybert.

ZUIDFENNEN (DE), landstreek aan de kust der Zuiderzee, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. W. van Oudemirdum.

ZUIDFENSTERDIJK (DE), dijk, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, zich uitstrekkende van Mirnserklif tot Hoiteburen, en dienende, om dat gedeelte van de prov. Friesland tegen het geweld van de Zuiderzee te beschutten.

Bij den watervloed van Februarij 1825 brak deze dijk door, zoodat de dorpen Nijega, Oudega en Kolderwolde, benevens het geh. Elahuizen, geheel onder water werden gezet. Spoedig steeg het water van 9 tot 19 palmen op het land en in de zwakke woningen, terwijl deze, aan de sterke persing geen wederstand kunnende bieden, de eene na de andere bezweken. Velen echter hadden nog de gelegenheid have en vee in veiligheid te brengen en in het hoog gelegen Gaasterland zich te bergen, alwaar ieder menschlievend werd ontvangen. Voor anderen, ten getale van negen en tachtig zielen, grootendeels hunne sobere bezittingen beroofd en der behoefte ten prooi, was de kerk en pastorij van Oudega tot een toevlugtsoord, alwaar zij in deze dagen van rampspoed uit den algemeenen onderstand van het hoogstnoodige werden voorzien. Het lot dezer menschen was in den aanvang boven alle denkbeeld akelig en ellendig. Ofschoon velen in deze oorden tot de geringste volksklasse behooren, was hun ongeluk niet minder treffend, want in deze vier wouddorpen was een vijftigtal huisgezinnen geheel noodruftig, waarvan aan eenige, in de kerk te zamen geschoold, niets dan enkele, uit den vloed opgevischte en daarna gedroogde, haringen, tot voedsel overbleef.

ZUIDVENSTERDIJK (DE), dijk, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland. Zie Zuid-Fensterdijk.

ZUURWENNERSLUISJE (HET), eigenlijk het Zuider-Vennersluisje, sluis in den zeedijk, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, waardoor de Merdesloot in de Zuiderzee uitloopt. Het peilmerk ligt 1,169 ell., boven A. P.