FRESIONES, FRESIONICI, FRESIENSES, FRESICENSESen FRESINGENSIS, namen, onder welke men bij vroegere schrijvers de Friezen wel eens vermeld vindt. Zie Friezen.

FRIESEN (OOST-), oude bewoners van ons Vaderland. Zie Friezen (Oost-).

FRIESEN (WEST-), oude bewoners van ons Vaderland. Zie Friezen (West-).

FRIEZEN (DE), Friezen, Vriezen of Vriezen, was een zeer oud en bekend volk, waarvan de Romeinsche geschiedschrijver Tacitus, die kort na de geboorte van Christus heeft geleefd, op onderscheidene plaatsen van zijne jaarboeken reeds gewag maakt: want toe de Romeinen ons Vaderland bij gedeelten veroverd hadden, was dit volk reeds bekend onder den naam van Frisii; maar deze is naderhand door eenigen, die basterd Latijn schreven, in dien van Fresiones, Frisiones, Phrisones, Phresii, Frigiones, Fresconicu, Fresienses, Fresicenses, Fresingenses, en in meerander namen veranderd. Ook heeft men hun land weleens Fresia genoemd, met eene uitdrukking, bij de ouden niet gebruikelijk. Zij woonden destijds in Noord-Holland, Friesland en Groningerland; maar nadat de landverhuizers, die uit het Overrijnsch Frankenland (Francia) getrokken waren, en bij welke zich niet lang daarna een gedeelte Batavers en Taxanders vervoegd had, een afzonderlijk gemeenebest hadden opgerigt, is de naam van Fresiones, dat is: Friezen, gemeen geworden aan alle de volkeren, die zich tusschen de Schelde en den Wezer langs de Noordzee uitstrekten, zoodat het land, hetwelk een tijdlang den naam van Frankenland (Francia) gehad had, naderhand mede Friesland (Fresia) is genoemd. In welke eeuw men begonnen is den naam van Friezen aan de kustbewoners, ten Z. van Alkmaar tot de Sincfal toe, te geven, is niet met juistheid te bepalen. Oorspronkelijk werd Friesland ten O. bepaald door de Eems, ten O. van welke rivier, tijdens der Romeinen kortstondig verblijf in deze streken, de Cauchen woonden, benevens andere volkstammen, welke naderhand tot aan den Wezer toe, onder de Friezen zijn opgenomen. Dat de eerste Franken onder de Over-Rijnsche volkeren zijn geweest, blijkt uit onderscheidene Romeinsche gedenkschriften, voornamelijk uit de reiskaart van Peutinger, en uit Vopiscus, waar deze verhaalt, dat de Keizer Phobus de Franken uit hunne woonplaatzen over den Rijn en de Elve heeft verdreven, dat zij naderhand vermeerderd zijn door de Batavers en Taxanders, die zich bij hen gevoegd hebben, waarschijnlijk vrijwillig, omdat zij mede gerekend werden onder de Frankische inboorlingen, en niet als landverhuizers of een volk, dat zij overheerd hadden, waarvan Sidonius, Bisschop van Clermont, in een zeker vers aan Consentius, geen duister bewijs geeft, stellende de uiterste grens der Franken, naar het westen tusschen de Turger of de Schelde en de Waal; aan het oosten, tusschen de Wezer en de Elve; het binnenste tusschen de Waal en de Wezer. Doch de kustlanden bleven bewoond door de Friezen en niet door de Franken, hebben dezen en de Friezen, hunne naburen, verscheidene eeuwen, dan eens tegen elkander geoorloogd, dan eens, en dat niet zelden, in naauwe vriendschap geleefd, zoodat zij, vereenigd, zelfs ver van hunne landpalen strooptogten tegen andere volken ondernamen, waardoor de bewoners van deze landstreken onverschillig, dan een Friezen (Fresiones), dan eens Saksen (Saxones), genaamd werden, gelijk zulks genoegzaam blijkt uit de sporen van Saksische regten, welke nog in oude herkomsten en gewoonte-regten van vele gedeelten van het vroegere Friesland gevonden worden, alsmede uit het overtrekken van beide die natiŽn naar BrittaniŽ.

Omtrent het jaar 450 toch, werden de Friezen, benevens de Anglen, over welke een Friesch Vorst mede het gebied voerde, van de BrittaniŽrs, nu Engelschen, te hulp geroepen tegen de Schotten en Picten, die den Brittannischen Koning overvielen en hem te magtig werden. Zij kwamen, aangevoerd door Hengist en Horsa, zonen van den Frieschen Koning Udolf Haron, en gedroegen zich zoo dapper tegen de Schotten, dat Koning Vortiger van BrittaniŽ, aan Hengist een gedeelte van het land van Kent overgaf.

Dit gewest stond den Friezen zoo wel aan, dat zij meer van hunne volksgenooten ontboden en Vortiger van den troon stieten. Toen noemden zij BrittaniŽ Engistland, naar zijnen naam, of Angelland, naar de Angelen, die met hen opgetrokken waren, als onderdanen der Friesche Vorsten. Volgens onzen oudsten kronijkschrijver, werden destijds de grenzen van Friesland bepaald, ten W. en N. door de Noordzee, ten O. door de Elve en ten Z. door de Schelde. Het is niet wel te bepalen, tot wat tijd toe de Friesche naam zich binnen die palen staande gehouden hebbe. Ondertusschen schijnt het wel, dat deze naam zich te eenigen tijd over de Schelde tot in het land der Morinen, dat is Vlaanderen, heeft uitgestrekt, zoo als zulks blijkt uit AudoÔnus, eenen schrijver van de zevende eeuw, die de Friezen tegen over Antwerpen plaatst, en ook uit eene oude aanteekening bij Meijerus, waarin Ostende een stadje van Friesland genoemd wordt. behalve dat is het blijkbaar, dat het strand langs de Vlaamsche kusten ook onder den naam van het Saksische strand begrepen wordt. Doch dit is voortgekomen van de heerschzucht der Koningen, welke hun ten verderf is geweest, en moet gerekend worden onder de oorzaken, dat de heerschappij in die streken is verminderd. Men gelooft, dat Karel de Groote, naderhand een derde gedeelte van de binnenste overwonnen Saksen aan gemelde kusten heeft overgebragt; ten minste wordt zulks door Adelmus (1) verhaald. Niet minder schijnen de Friezen zich ook oostwaarts, over de Elve, te hebben uitgebreid; echter niet door de wapenen; maar om zich neder te zetten in de ledige woonplaatsen der Angel-Saksen, die hen in den togt naar BrittaniŽ vergezeld hadden en misschien wel allen derwaarts overgestoken. Immers bij den Eiderstroom (Egidore) is de naam van Strand-Friezen nog tot den huidigen dag overig.

Nadat de Friezen eeuwen tegen de aanvallen van de Franken hadden moeten worstelen, en zich sterk tegen de invoering van het Christendom verzet hadden, werden zij, in het laatst der achtste eeuw, overwonnen door Keizer Karel den Groote. Naderhand riep hij hen te hulp tegen de Heidensche Saksen, die tegen hem en het Keizerrijk waren opgestaan, en die hij bedwong door hunnen heldhaftigen bijstand. Gemelde Keizer bediende zich van hunne wapenen, toen hij in het jaar 800 naar ItaliŽ trok, om Paus Leo III te beschermen, wanneer hij een dapper regiment Friezen bij zich had, dat vervolgens in ItaliŽ werd achtergelaten, tot hulp van Pepin, die in eenen zwaren oorlog tegen Grimoaldus, Hertog van Benevente, was gewikkeld. Dit regiment Friezen heeft aldaar, door kloeke heldendaden, eenen grooten naam voor zich zelf en voor hunne landgenooten behaald, en dus aan de Italianen getoond, hoe dapper hunne natie was. Karel begiftigde hen, tot belooning van deze hunne diensten, met veele vrijheden en voorregten, hen magtigende, om hunne eigene regeerders uit hun midden te kiezen, en een Potestaat aan te stellen; welke regten en vrijheden der Friezen, volgens Ubbo Emmius (2), door de volgende wetten zij vastgesteld, namelijk: ĄDat het volk ten eeuwigen dage zoude vrij zijn, en naar zijne eigene wetten leven. Dat zij alle hunne oude wetten en gebruiken zouden genieten, zoo als het hun behaagde. Dat zij alleenlijk aan het Keizerrijk, onder welks bescherming zij stonden, eene kleine schatting moesten betalen. Dat zij aan niemand anders onderworpen waren. Dat zij zich van wederzijdsche beleediging zouden onthouden. Dat zij hetgeen hun toebehoorde in vrede volgens de wetten mogten bezitten, en het verlorene wederom eischen. Dat zij tot het beslechten van hunne geschillen regters zouden hebben, die door eene vrije verkiezing van het volk verkoren zoude worden, aan den keizer door eeden verbonden moesten zijn, en die volgens de regten des vaderlands over de twistgedingen uitspraak zouden doen. Dat de Priesters en alle kerkelijke bedienaren heilig waren. Dat de eer der vrouwen en maagden bewaard werd. Dat er op alle misdaden eene boete gesteld werd, die in geld, in vee of in andere goederen betaald zou worden. Dat niemand met de dood kon worden gestraft, dan de vadermoorders, verraders, struikroovers, brandstichters, schenders van 's Heeren wegen en bloedschenders. Dat men zich van de aangestichte misdaden mogt zuiveren door lijfgevecht, of door gloeijend ijzer, of door ziedend water, of door eenen heiligen eed. Dat het iedereen vrij zou staan, zijne zaak zelf voor den Regter te bepleiten enz." Bij velen wordt echter aan de waarheid van dit voorregt getwijfeld.

Ook wil men, dat Paus Leo, gedenkende de diensten, die de Friezen hem ten bewezen hebben, hun welvaren, door het geven van onderscheidene wetten en geregtigheden, heeft willen verzekeren.

Tot landpalen heeft Karel den Groote gesteld, naar het Westen, de Sincfala of Schelde, die door de Sine in de Noordzee viel, en naar het Oosten, de Wezer, zoodat hij het onderscheid tusschen Friezen en Saksen weder schijnt bevestigd te hebben, daar hij het land der Cauchen onder hen beide verdeeld heeft. Toen de Friezen gescheiden geworden in twee hoofddeelen, in West-Friesland, het Cis-Fli, dat is: aan dezen kant van het Vlie, zoo als het in oude Friesche wetten genoemd wordt, of, gelijk Beda het noemt, het Naastgelegen, en in het Friesland, beoosten het Vlie tot aan den Wezer, dat, in zeven zeelanden of kleine staten verdeeld, zich eeuwen lang als een eigen gemeenebest tegen buitenlandsche heerschappij heeft staande gehouden.

In deze aloude wetten worden West-Friezen (Frisiones occidentales) genoemd, die tusschen het Flehi en de Sincfala liggen, dat is, tusschen de twee gaten, welke bij Plinius et Scaldis, en bij ons het Vlie en het Swin genoemd worden; bij gevolg waren toen Oost-Friezen allen, die zich van het Vlie uitstrekten tot aan den Wezer, die dan wederom in drie deelen verdeeld werden, als: in het tegenwoordige Friesland, door de Lauwers (Laubach of Laubeke, Laubachusn of Laubacus, ook wel Laveke) welke zich, te gelijk met de Hunse of Unsingis, in de Noordzee ontlastte; in het tegenwoordige Groningerland door de Eems, en in het tegenwoordige Oost-Friesland door de Wezer, aan de oostelijke zijde begrensd.

Sommige dier volkstammen hadden vroeger hunnen bijzonderen Koning, die door het volk verkozen werd, en die zonder krenking van 's volks vrijheden, niet dan eene bepaalde magt uitoefende. Door Karel den Groote is die koninklijke regering afgeschaft. Nadat Friesland toen onder het Duitsche keizerrijk gekomen was, werden onderscheidene deelen door Potestaten geregeerd; welke of de Keizer hen aanstelde, of door het volk gekozen werden, maar die in allen gevalle de onderdanen als vrije lieden naar hunne eigene wetten regeren moesten, terwijl deze slechts eene geringe schatting behoefden op te brengen. Op deze wijze zijn de Friezen, zoowel die west- als die oostwaarts van den Vliestroom woonden, onderscheidene jaren na de verdeeling der heerschappij van Karel den Groote, als onder de bescherming der Duitsche Keizers, meestal door hunne Postestaten bestuurd geworden. Nadat de regtspleging door geheel Friesland was geregeld, en bepaald, hoe en in welke gevallen men hooger beroep kon instellen, en welke zaken voor den Keizer moesten behandeld worden, heeft zich allenskens eene magt beginnen te verheffen, die de vrijheid nadeelig was. In het begin zouden de Keizers uit hun gevolg of van hun hof Regters naar de Friesche landschappen, zoo ter zake van de boeten of breuken, welke den Keizer toekwamen, als om er het hoogste geregt te houden, welke Regters Graven en Missi geheeten werden. In de loop der rijden hebben zulke Graven in Holland of het westelijk gelegen Friesland, eene magt voor al hun leven weten te verkrijgen, die op hunne erfgenamen overging, met zeer aanzienlijke goederen, welke zij als Vasallen of Leenmannen des Keizers bezaten. Nadat zij onderscheidene landen bijeen gekregen hadden, hebben zij zich het regt van Landsheer of Vorst aangematigd en de vrijheid van het volk jammerlijk gefnuikt. Op deze wijze is van de Friezen het westelijk gedeelte afgescheurd, hetwelk ligt tusschen de Schelde en de Kinhem bij Alkmaar; terwijl de overigen hunne aloude vrijheid, hoewel menigmaal gekrenkt en verkort door de Noormannen, de Bisschoppen van Utrecht, de Vorsten van Beijeren, van Saksen, ook van Holland en anderen, niet zonder veel bloedstorting, zoovan hen zelven, als van hunne vijanden, treffelijk verdedigden. Intusschen is daardoor een nieuwe verdeeling ontstaan, namelijk in Erfelijk Friesland en Vrij Friesland, waarvan het eerste, door de twee gebroeders, Keizer Lodewijk Germanicus of den Duitschers en Karel den Kale, volgens het getuigenis van Aumoinus, weder in drie stukken verdeeld is, en, na de tiende eeuw, den naam van Friesland, waartoe het ook eigenlijk meer in naam dan oorspronkelijk behoorde, met dien van Holland en Zeeland heeft verwisseld; doch het tweede, dat alleen den ouden naam behield, door even zoo vele stroomen of monden van stromen van den anderen gescheiden, die men in het algemeen de zeven zeelanden, als of men zeide: landen aan de zee gelegen, genoemd heeft, zijnde de verdeeling van Karel den Groote toen reeds verdwenen. Deze zeven landschappen waren meerendeels weder in goŽn of gauŽn, welke ieder op zich zelf vrij en onafhankelijk waren en hare eigene wetten en belangen hadden, verdeeld, maar allen door ťťnen broederband naauw vereenigd. Volgens sommigen strekte zich het eerste zeeland uit, van den stroom Kinhem of het Gat van Petten, tot aan het Vlie, zijnde de noordelijke mond van den Rijn, hetwelk naar zijne gelegenheid en omdat het een gedeelte van het oude westelijke Friesland is, nog hedendaags den naam van West-Friesland, zijnde die van het Lauwers (Lavica), hetwelk vůůr dezen veeltijds Oost-Friesland, en hedendaags bij voorkeur Friesland genoemd wordt, dat verdeeld is in drie kwartieren of landstreken. Het derde is tusschen de Lauwers en de Eems, hetwelk van daar het Ooster-Lauwersche Friesland, ook Friesland tusschen de Eems en de Lauwers, en nu, naar de stad Groningen, alleen Groningerland wordt genaamd. Menco noemde het, om aan te duiden de landen, die rondom de stad liggen, Frisia Circaria, in de landtaal de Friesche Ommelanden. Adamus Bremensis noemde het, zeer verkeerdelijk, naar een beroemd deel daarvan, het graafschap van Fivelgo. Van die, welke aan den oostkant der Lauwers wonen, wordt het Klein-Friesland geheeten. Onder die benaming komt het o. a. voor in de smeekschriften. Keizer Frederik III aangeboden, om het burgemeesterlijk gebied der Groningers tot over de Lauwers uit te breiden. Deze drie deele behooren thans tot ons Vaderland, de overigen tot het koningrijk Hannover en het hertogdom Oldenburg. Het vierde zeeland lag tusschen de Eems en de Jade, en wordt, door Adamus Bremensis, naar het voornaamste gedeelte Eemserlandt (Amisiana) of Emisgo, doch hedendaags in het gemeen Oost-Friesland genaamd. Het vijfde zeeland lag tusschen de jade en de Wezer, hetgeen het Overjadensche wordt genaamd. Het zesde is tusschen de Wezer en de Elve. Het zevende tusschen de Elve en de Eider (Egidora) en een weinig verder, waar de naam van Strand-Friezen nog in gebruik is. Over deze aldus gemaakte zeven afdeelingen of zeelanden denken echter vele geleerden anders, en bepalen dezelve tusschen het Vlie en de Wezer, 1 in Westergoo, 2 Oostergoo, 3 Humsterland enz. en Hunsinga, 4 Fivelgo enz., 5 Emisgo, 6 Ostringen met Norder-, Harlinger- en Wangerland, 7 en Rustinge, van welke het eerste en tweede zeeland onder den bisschoppelijken stoel van Utrecht, de drie volgende onder die van Munster, en de beide laatsten onder die van Bremen behoorden. Voor dit gevoelen zijn de gronden te vinden in een werkje, te Berlijn in 1836 uitgekomen (3).

De meeste geleerden beweren, dat de naam van Friezen afkomstig is van vrij, om te beteekenen, dat de Friezen groote liefhebbers en voorstanders van de vrijheid zijn geweest, en deze naamreden is inderdaad zeer waarschijnlijk, dewijl die lof den Friezen waarlijk toekomt, die ook daarom, zeer lang, de vrije Friezen genaamd zijn.

Wat den oorsprong en de afkomst der Friezen betreft, zoo telt Suffrides Petrus (4) vijf gevoelens daaromtrent op, van welke hij het laatste aanneemt. Het eerste gevoelen is, dat de Friezen van Hyperborische volkeren zouden afkomstig zijn, maar dit heeft eigenlijk geen voorstander, en Hopperus, die voor dat gevoelen wordt bijgebragt, zoekt alleen waarschijnlijk te maken, dat de oude Friezen hunne leer van de Hyperborische volkeren ontvangen hebben. het tweede gevoelen is dat van eenen Karthuizer, met name Reinerus, die, op eene belagchelijke wijze, beweert, dat de Friezen de nakomelingen zijn van een deel Joden, die door Vespasianus, na het innemen van Jeruzalem, in het leven werden gelaten, en door hem herwaarts in ballingschap zouden gezonden zijn. Het derde gevoelen levert Trithemius op, schrijvende, dat Clodio, een Koning der Franken, eenen zoon had, Frisius genaamd; dat deze Frisius met de goedkeuring van alle de Franken, Koning van Friesland is geworden, onder voorwaarde, dat de Koningen van Friesland onder de Franken zou staan; dat zij jaarlijks voor eene schatting zouden leveren 260 koeijen, en dat de Franken en hunne bondgenooten in alle oorlogen zouden helpen. Het vierde gevoelen is, dat de Friezen zouden gesproten zijn uit de oude Phrygiers en Trojanen, van welken Grunus, een Trojaan, in deze gewesten al vlugtende geland, aldaar eene stad zoude hebben gebouwd en naar zijnen naam Groningen genoemd; maar aan het geheele land zoude hij den naam gegeven hebben van Phrygenn of Phrysia, zoodat de naam van Friezen gelijk zou zijn aan dien van Phrygesinz. Maar de oudste en best schrijvers weten van zulk eenen oorsprong der Friezen niet, en, alwat daarvan gezegd wordt, geschiedt zonder eenig goed bewijs. Het vijfde, hetwelk door Suffridus Petrus, Hamconius, Occo Scarlensis, Cappidus Stauriensis, Alvinus en andere Friesche Schrijvers voor eene vaste waarheid wordt aangenomen, maar even zot is, bestaat daarin, dat Friso of Freso, een Koningszoon uit IndiŽ, de stamvader der Friezen is, en dat de voorouders van dien Prins het gebied hebben gevoerd in zeker landschap, dat de naam had van Benedicta Fresia. Dit landschap, zoo als Suffridus Petrus (5) naast geloven zou, is Prasia, welks inwoners bij Strado vermeld staan, onder den naam van PrasiŲ, doch van Paulus Orosius Prasidś en van Curtius Panhasii genoemd worden. Het eenigste, dat men, als geloofwaardig kan aannemen, is, dat de Friezen van de Germanen of Duitschen afstammen en daarmede ťťn volk geweest zijn, gelijk hunne zeden en taal genoegzaam te kennen geven. De oude Friezen, die kort na Christus hebben geleefd, bekennen zelve, in zeker aanmerkelijk geval, door Tacitus opgeteekend, dat zij van Duitschen bloede zijn.

De eerste, die van de Romeinen de Friezen bezocht, is geweest Drusus, de stiefzoon van Octavianus Augustus en halve broeder van den Keizer Tiberius. Deze door eene gift den Rijn met den IJssel vereenigd hebbende, tastte hen met zijne vloot in het midden aan. Tot in de Noordzee voortgevaren zijnde, heeft hij met hen een verbond gemaakt en hun eene kleine schatting opgelegd, zonder eenen Landvoogd of Bestuurder over hen te stellen, uithoofde van de groote dienst, die zij hem in den oorlog, zoo te water als te land, tegen de Cauchen, bewezen hadden. nadat Drusus overleden was, kwamen van tijd tot tijd voorname Hoplieden van de Romeinen, om die schatting te innen. Aangezien echter deze laatsten de schatting op eene ondragelijke wijze verzwaarden, hebben zij den teugel van gehoorzaamheid en een vreedzaam gedrag afgeworpen, en de Romeinsche krijgsknechten, die het bewind over de schatting hadden, aan kruishouten opgehangen. Nadat zij nu een weinig waarna het leger van Opper- en Neder-GermaniŽ, dat de landvoogd Lucius Apronius, met eene vloot langs den Rijn, om de krijgslieden te ontzetten, derwaarts gevoerd had, verslagen en op de vlugt gedreven hadden, hebben zij den Romeinschen Landvoogd Olennius op zijn kasteel Flevum belegerd en verwonnen, en zich in vrijheid gesteld. Hierdoor verworven zij zich grooten roem, te meer, omdat zij, die over het Vlie woonden, en zich toen in den grootsten nood bevonden, bijna alleen, ten achtsten male, het gevecht hervat en tot den volgenden dag voortgezet hebbende, eene roemrijke overwinning, op een dubbel leger, hebben behaald. Als nu het juk, dat zij gedurende veertig jaren lang met geduld of ongeduld hadden gedragen, in het acht-en-twintigste jaar na de geboorte van Christus hadden afgeworpen, zijn zij nooit weder onder de gehoorzaamheid der Romeinsche heerschappij gekomen, maar hebben zich zelve geregeerd, en ook Bestuurders en Hoofden over zich aangesteld, die den wil des volks uitvoerden. Zoodanigen zijn geweest: Verritus en Malorix, die van de Romeinen wel Koningen genoemd worden, maar die door het volk bevolen waren, om als gezanten naar Rome te gaan. Ondertusschen hebben de Friezen niet alleen zorg gedragen voor hunne eigene vrijheid, maar ook voor die van hunne naburen, die zij altijd met hulpbenden hebben bijgestaan, als zij hunne vrijheid zochten te handhaven; ja wat meer is, zij zijn de voornaamste aanreders geweest, om een verbond te maken tot verdediging der gemeene vrijheid, hetwelk uit dien hoofde den naam gekregen heeft van Frankische-, of vrijheids-verbond, hunnen eigen naam tot zoo verre altijd behoudende, dat zij dien, als de Franken nu meester van GalliŽ waren, wijd en zijd onder de naburige volken hebben uitgebreid.

De Friezen waren van ouds een strijdbaar volk en hunne grooten of edelen zeer tot den oorlog genegen. De prins was gewoon degene, die zich binnen- of buitenlands op eene uitstekende wijze gekweten hadden, een paard en eene spies ten geschenke te geven. Om die eer deelachtig te worden, ontzagen zij zich niet, hun lijf en leven in het uiterste gevaar te wagen; in tijd van binnenlandschen vrede, trokken zij naar andere gewesten, om daar den oorlog te voeren. Hunne voornaamste afgoden waren: Zon, Maan, Wodan, Fost of Fosta en Baduhessa, aan welke zij een bosch hadden toegeheiligd, ook Baduhenn genaamd. Aan Wodan schijnen zij, op sommige plaatsen, menschen te hebben geofferd. Het was hun toegestaan, wanneer zij daartoe eenige reden meenden te hebben, zich van hunne pas geboren kinderen te ontdoen, en die om het leven te brengen, zoolang zij nog niets genuttigd hadden, doch anders niet. Als het gebeurde, dat zulk een kind naar het water of eenig vat, om het daarin te verdrinken, gedragen werd, en dat iemand daaromtrent het kind een weinig honig, melk of iets anders in den mond stak, durfden zij het niet te doden. Weinig zekers heeft men echter derweze, en hunne geschiedenis schijnt met vele fabelen te zijn opgesierd. Dit kan men nogtans voor waar aannemen, dat zij langen tijd onder het heidendom gebleven zijn, dat zij zich, dat zij zich hardnekkig tegen de invoering van het Christendom verzet hebben, en dat zij de Christenen zelfs hebben vervolgd. Eerst kort na het jaar 700 begon men in Friesland het Evangelie te prediken, doch in den aanvang en nog langen tijd daarna met weinig vrucht.

De Friezen plagten geplaagd te worden door de verwoestende invallen der Noormannen en Denen. waarschijnlijk is de naam van Friezen aan de volken of kustbewoners tusschen den Sincfal en de Kinhem gegeven, om dat die naam in een bijzonder groot aanzien was, wegens de beroemde strijdbaarheid der Friezen, hetzij omdat die naam genomen werd voor vrij of immers voor eenen zweem daarvan, en een ieder de gulde vrijheid behagelijk vond. Nadat de naam van Holland in gebruik was gekomen, hebben de schrijvers de namen van Holland en Friesland dikwijls voor ťťnen en denzelfden genomen, omdat, volgens S. van Leeuwen (6), het grootste deel van Holland het naaste bij Friesland lag, maar ook omdat het noordelijk gedeelte den naam van West-Friesland bleef voeren; waarom onderscheidene oude schrijvers de eerste Graven van Holland, Graven van Friesland hebben geheeten. De dragt en kleeding der oude Friezen was ten tijde der Romeinen, bij winter en zomer, eene beestenhuis om het lijf, maar, bij toenemende beschaving allengs eene andere kleeding aangenomen hebbende, hebben zij eeuwen lang hunne dragt niet veranderd. Zij droegen slechte hozen of rolkousen, waarop, boven de kniŽn eenige uitgetande koorden genaaid waren. Deze hozen gingen gemeenlijk opwaarts tot aan hun midden en waren zeer eng om de beenen, het wambuis was kort en werd met groote zilveren, ook wel gouden haken, aan lekander vastgemaakt. Over het wambuis en de hozen droegen zij eenen rok, welke bijna aan de kniŽn kwam, met wijde mouwen; voor de borst was een klein vierkant wollen lapje, met kleine vouwen zamengetrokken, dat sommigen met gouden, anderen met zilveren strepen deden bezetten, naar ieders vermogen. Hunne gordels waren gemeenlijk van zilver, zommigen verguld, grooter of kleiner, dikker of dunner naar den staat der personen. Eenige droegen, uitgesnedene schoenen met zijden banden, om den voet zamen gebonden, andere hooge schoenen, met scherpen of spits omgekromden tip, even als de hedendaagsche schaatsen. De hoeden, zoo van edelen, als onedelen, waren gemeenlijk laag, van de edelen of vermogenden met zilveren of vergulde haken opgedaan; het gemeene volk bedrukte zijden linten of snoeren. De vrouwen droegen overrokken net diepe vouwen, van beneden tot boven toegehecht, waarop uitgesneden bovenlijven, overal bezet met gouden, zilveren of vergulde spangen, sommigen rond, anderen vierkant. regt voor de borst hadden zij eene vierkante plaat van verguld zilver, waarop eenige beeldjes of andere fraaijigheden uitgestoken waren. Sommigen hadden verheven werk in de gedaante van eene roos; haar hoofdhulsel was zeldzaam; het ontbrak aan geene gouden of zilveren versierselen.

Dat de Friesche natie een magtig volk is geweest, getuigen alle de van hen sprekende geschiedschrijvers. Zij hebben vele bloedige oorlogen gevoerd zoo onderling, als tegen hunne naburen, en zonderlinge dingen tot instandhouding hunner vrijheid gedaan, waaromtrent zij altijd zeer naijverig zijn geweest, als die boven hun leven schattende. Het is waar, dat het geluk hun niet altijd heeft begunstigd. Het tegenwoordige Friesland vooral heeft dan eens het juk der Romeinen, dan dat der Franken, dan weder dat van Beijeren, vervolgens dat der Saksen, en eindelijk dat van BourgondiŽ moeten dragen, maar steeds zijn zij grootendeels het weder ontworsteld, en hebben zich hunne vrijheid hersteld. Omrent 100 jaren vůůr Christus geboorte zouden, onder de regering van Ubbo, derde Prins van Friesland, de Cimbren, die door eenen watervloed gedwongen waren hun land te verlaten, eenen togt door Duitschland, Frankrijk en ItaliŽ gedaan hebben, waarbij ook vele Friezen zouden geweest zijn, bij welke gelegenheid zij de Romeinen zouden aangegrepen, en eerst den Veldheer Silanus uit zijn leger geslagen, daarna Minilius en ten laatsten Cśpio overwonnen hebben. Andere schrijvers stellen dien togt of watervloed vroeger; anderen maken er meer togten van.

De Oude Friesche taal, die nog op de meeste plaatsen van het hedendaagsche Friesland, onder de landlieden, gesproken wordt, is eene spraak welke, als een weinig verbasterde Oud-Germaansch taaltak, met het Angel-Saksisch, IJslands en Deensch overeenkomst heeft, en door taalkundigen als de moeder van het Nederlandsch beschouwd wordt.

 

(1) Anall. Frane ad an, 806

(2) Lib. II, pag. 71.

(3) Die fŁnf MŁnsterschen Gaus und die Sieben Seelandt Friesland's, von Leopold von Lebur.

(4) De origine Fris., lib. I. Kap. 19, 20, 21.

(5) De originibus Frisia, lib. III, Kap 6

(6) Batavia Illustrata, fol. 40.

FRIEZEN (GROOTE-), naam, welken Tacitus aan de Friezen geeft, welke beoosten den Noorder-Rijnmond of het Vlie in het tegenwoordige Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Oost-Vriesland, woonden.

FRIEZEN (KLEINE-), naam, onder welken Tacitus die Friezen verstaat, welke tusschen den middel-Rijnmond en het Vlie, in het tegenwoordige Noord- en een gedeelte van Zuid-Holland, woonden. Zij worden bij sommige naar het schijnt Frisiabonen genoemd.

FRIEZEN (OOST-), bewoners van een gedeelte van het Oude-Friesland, die zich langs de kusten van de Noordzee, van de Eems tot aan den Wezer uitstrekten en dus het tegenwoordige Oost-Friesland, Kniphausen, Varel, en het noordelijke deel van Oldenburg en Budjadingerland bewoonden. In tegenstelling van den de West-Friezen, is deze naam echter ook weleens, hoewel verkeerdelijk, aan het tegenwoordige Friesland en Groningen gegeven.

FRIEZEN (WEST-), oude bewoners van ons vaderland, die de kusten van de monden der Maas tot aan het Flie bewoonden, en alzoo de tegenwoordige prov. Zuid-Holland en Noord-Holland meer bepaaldelijk, dat gedeelte van Noord-Holland bewoonden, hetwelk ten noorden van Alkmaar, de Schermer- en Beemstermeren, Oudendijk en Schardam ligt.

FRIGIONES, naam, onder welken de Friezen, wel eens bij oude schrijvers voorkomen. Zie Friezen.

FRISIABONEN, naam, die sommigen oude Schrijvers aan de Kleine-Friezen geven. Zie Friezen (Kleine-).

FRISII, Latijnsche naam van de Friezen. Zie dat woord.

FRISIONES, naam, onder welke de Friezen, wel eens bij schrijvers der Middeleeuwen voorkomen. Zie Friezen.