FRESIA, naam, onder welken de prov. Friesland, bij sommige schrijvers voorkomt. Zie Friesland.

FRIESLAND of Vriesland, prov., bestaande uit de heerl. Friesland, zoo als tijdens het bestaan van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, eene prov. uitmaakte. Die heerl. grensde N. aan de Noordzee, O. aan de heerl. Groningen en het landschap Drenthe, Z. O. aan Drenthe en aan het Oversticht of het landschap Overijsel, Z. en W. aan de Zuiderzee.

Friesland, hetwelk zich, volgens sommigen, oorspronkelijk bepaalde tot de kustlanden, gelegen tusschen het riviertje de Kinhem, nu de Zaan (welke vroeger de grensscheiding uitmaakte tusschen West-Friesland en het Oude Kennermerland), en de Eems, strekte zich, tijdens de onderwerping aan de Franken, verder uit, en werd in twee groote, maar uit onderscheidenen vrije landschappen bestaande, staten verdeeld, van welke de kustbewoners van de monden der Maas tot aan het Vlie (nu de Zuiderzee) de West-Friezen genaamd werden, en de kustbewoners van het Vlie tot aan de Wezer de Oost-Friezen, welke laatsten zich in drieŽn verdeelden; de eene staat, van het Vlie tot aan de Lauwers (het tegenwoordige Friesland); de andere staat, van de Lauwers tot de Eems (de tegenwoordige provincie Groningen); en de derde staat van de Eems tot den Wezer (het tegenwoordige Oost-Friesland); zoodat Friesland, in zijne toenmalige uitgestrektheid, bijna alle de Vereenigde Nederlanden, benevens Oost-Friesland, Kniphausen, Varel, en het noordelijke deel van Oldenburg en Butjadingerland omvatte (1). Sommigen willen dat Friesland reeds bij Oostende (het oostelijkste gedeelte van Vlaanderen) eenen aanvang nam, en zoo komt het op de kaart van Smallegange, anno 861, voor. In den tijd, toen de naam der volkstammen aan de door hen bewoonde landen gegeven werden, werden de bewoners van Holland, Zeeland enz., allen met den naam van Friezen bestempeld. Deze volkstammen, ten minste sommige hunner, schijnen vroeger eenen bijzonderen Koning te hebben gehad, die door het volk verkoren werd, en, zonder krenking van 's volks vrijheden, niet dan eene bepaalde magt uitoefende. Daarna is die Koninklijke regering afgeschaft, doordien de Friezen, in de achtste eeuw, door Karel den Groote verwonnen en te gelijk genoodzaakt werden, om de Christelijke godsdienst te omhelzen. daardoor kwam Friesland aan het Duitsche keizerrijk, en onderscheidene deelen werden door Potestaten geregeerd, welke of door den Keizer over hen aangesteld of door het volk gekozen werden, en die de onderdanen, als vrije lieden, naar hunne eigene wetten, regeeren moesten, terwijl deze slechts eene geringe schatting behoefden op te brengen. Op deze wijze zijn de Friezen, zoowel die west- als die oostwaarts van den Vliestroom woonden, onderscheidene jaren na de verdeeling der heerschappij van Karel den Groote, als onder de bescherming der Duitsche Keizers, gedeeltelijk door Potestaten bestuurd geworden.

(1). Zie Wiarda, Ostfrisische Geschichte, Th., I. s. 93.

Dan de eerstgenoemde stam, die later onder den naam van West-Friezen is bekend geworden, had altijd de Graven van Holland tot gevaarlijke geburen. Reeds te vooren door Dagobert, Koning der Franken, verdreven uit de nabuurschap van Utrecht en al het land langs den middelmond des Rijns, welke langen tijd de scheiding tusschen de Friezen en Batavieren had uitgemaakt, waren zij tot het Noorderkwartier van Holland beperkt, hetwelk daarom, voor een gedeelte, met den naam van West-Friesland tot heden is bekend gebleven. Dan, de Graven van Holland rustten niet, voor en aleer zij dat gedeelte van Friesland aan zich onderworpen hadden, hetgeen hun in 1207 gelukte. Bijna drie honderd jaren hebben deze oorlogen tusschen de West-Friezen en Hollanders geduurd, na welken tijd ook de Friezen, ten O. van den Vliestroom, in Oostergoo en Westergoo, weinig rust genoten; terwijl de genoemde Friesche landschappen eindelijk, in de veertiende eeuw, zich mede tijdelijk aan de Graven van Holland onderworpen hebben: hoewel deze Graven zelden geruste bezitters der gemelde landstreek waren, uithoofde van de gedurige opstanden dier Friezen tegen deze vreemde heerschappij; gelijk zij ook dit bewind over Friesland veelal moesten deelen met de Bisschoppen van Utrecht, waarover tusschen hen gedurig zware oneenigheden ontstonden.

De laatste der inlandsche Potestaten van het tegenwoordige Friesland was Juw (Julius) Dekama, na wiens regering het vrije Friesland, tusschen het Vlie en de Lauwers, zijne vrijheid geheel kwijt geraakte, en onder de heerschappij der Saksers kwam. De binnenlandsche oneenigheden, welke reeds, sedert het jaar 1300, in het tegenwoordige Friesland tusschen de aanzienlijken en het gemeen, onder den naam van Vetkoopers en Schieringers, ware uitgebarsten, gaven de eerste aanleiding tot die nadeelige staatsverwisseling: want de Schieringers, beducht, dat de Vetkoopers hun te magtig zouden worden, namen in het jaar 1498, het besluit, om Albrecht, Hertog van Saksen, die destijds zich te Medemblik, in Noord-Holland, bevond, tot hunnen Erfpotestaat te verkiezen. Die Hertog, een zeer ervaren krijgsheld, was, in het jaar 1488, door Maximiliaan, Aartshertog van Oostenrijk, die in 1495, onder den naam van Maximiliaan I, Keizer werd, tot Gouverneur aangesteld over alle gewesten, welke, door zijn huwelijk met Maria van BourgondiŽ, aan zijnen zoon Filips den Schoone, Koning van Spanje, waren ten deel gevallen. Deze keuze der Schieringers viel des te eerder op dezen hertog, omdat hij reeds voor lang hunne zaken scheen te zijn toegedaan. Zij zonden derhalven eenigen hunner voorname Opperhoofden tot hem. Deze riepen niet slechts zijne bescherming in, maar verklaarden zelfs gemagtigd te zijn, om hem als hunne Landheer te erkennen, en hem de heerschappij over de Westerlauwersche landen der vrije Friezen, zoo vele eeuwen door andere Heeren te vergeefs gezocht, aan te bieden. De Hertog nam dit aanbod terstond aan, en werd den 29 Junij van dat zelfde jaar, te Franeker, met alle plegtigheden gehuldigd. Terzelfder tijd werd Friesland, tusschen het Vlie en de Lauwers, door Keizer Maximiliaan I, van alle leenroerigheid aan het Duitsche rijk ontslagen, en, als een geheel onafhankelijk landschap, in handen der Saksers gesteld. In later dagen vermoedde men echter, dat het aanvaarden der heerschappij over dat gedeelte van Friesland, door Hertog Albrecht, rustte op een overleg, tusschen hem en Maximiliaan I listiglijk beraamd, om daarna, onder een of ander voorwendsel, deze provincie aan het Huis van Oostenrijk te kunnen brengen, hetwelk toen reeds, door het huwelijk van Maximiliaan met Maria, de enige dochter van Karel den Stoute, Hertog van BourgondiŽ, in het bezit was van de meeste andere Nederlandsche gewesten. De Saksische heerschappij in Friesland, welke niet meer dan zeventien jaren geduurd heeft, is intusschen vol onrust en verwarring geweest, uit hoofde van den tegenstand, dien Hertog Albrecht, bij de aanvaarding zijner regering, overal ontmoette. De Schieringers namelijk waren de enigen, die hem deze heerschappij hadden opgedragen, en deze vermogten geen verdere opdragt te doen, dan ten opzigte van het kwartier Westergoo, waarin zij tot dus ver verre de overhand hadden. De inwoners der twee andere kwartieren, Oostergoo en Zevenwouden, waren echter tot niets minder gezind, dan om hunne vrijheid aan eene willekeurige magt op te offeren. Bij 's Hertogs overkomst was alzoo zijn eerste werk, de beide andere kwartieren, door geweld van wapenen, tot onderwerping te dwingen, en zulks te meer, daar hij, in het volgende jaar 1499, door Keizer Maximiliaan I, op de rijksvergadering te Friburg, niet alleen in het Erfpotestaat over Friesland werd bevestigd, maar hem ook, door dienzelfden Keizer, deze waardigheid over de naburige provinciŽn Groningerland en Drenthe scheen te zijn opgedragen, in welke laatstgenoemden gewesten hem veel sterker tegenstand, dan in Friesland zelf, geboden werd, omdat de Keizer tot zulk eene beschikking over die landen geen het minste regt had; weshalve Albrecht, ten einde de Groningers en Drenthen te verwinnen, een verdrag aanging met Edsard, Graaf van Oost-Friesland, die zijn krijgsvolk terstond bij dat des Hertogs voegde, om gezamenlijk hun oogmerk te bereiken. Hertog Albrecht, middelerwijl, te midden dezer onlusten, in 1500, te Emden overleden zijnde, werd door zijnen zoon Hendrik opgevolgd, welke jonge Vorst, door kwade raadslieden daartoe aangespoord, de Friezen met te groote gestrengheid behandelde, en daardoor het geheele volk tegen zich in opstand bragt, hetwelk hem bewoog, om het gebied over Friesland, in 1504, over te geven aan zijnen ouderen broeder Hertog George. Deze vorst zag echter weinig of geen hoop, om deze provinciŽn onder zijne magt te brengen, voornamelijk sedert de vriendschap met Grave Edsard te eenemale verbroken was, doordien de Groningers, in 1506, dezen laatste tot hunnen schutsheer hadden gekozen, en vooral sedert Karel, hertog van Gelder, zich, ten voordeele der Groningers, met die zaak bemoeide. Daarbij begrijpende, dat zijne Saksische erflanden door dezen oorlog werden uitgeput, nam hij eindelijk, in 1515, het besluit, om zijn vermeend regt op de heerschappij over deze landen aan Karel, Aartshertog van Oostenrijk, zoon van Filips den Schoone, af te staan. Hertog George genoot, ingevolge het verdrag, voor dezen afstand 100,000 Rijnsche guld. (150,000 guld.), welke som echter in geen vergelijking kwam bij de zware onkosten, welke alleen het zeventienjarig bezit van het Westerlauwersche Friesland hem veroorzaakt had; weshalve men bij het vertrek der Saksen plagt te zeggen:

 

Friesland mag wel Friesland heeten:

Het heeft Saksen en Miessen opgegeten.

Nadat dit verdrag van afstand door Karels grootvader, Keizer Maximiliaan I, bekrachtigd was, zou het Huis van Oostenrijk reeds terstond in het volle bezit dezer landen gekomen zijn, indien de Groningers, die in deze beschikking in geenen deele wilden berusten, niet eerst tot hunnen Schutsheer hadden aangenomen Edsard, Graaf van Oost-Friesland, namelijk van 1505 tot 1515, en daarna Karel van Egmond, Graaf van Gelder, te weten van 1518 tot 1550, welke laatste Vorst, een bitter vijand en benijder van de dagelijks meer aanwassende magt van het Oostenrijksche Huis, den oorlog tegen den Aartshertog Karel met alle magt bleef voortzetten; niettegenstaande zelfs zijn bondgenoot Edsard, Graaf van Oost-Friesland, door wien hij eerst tegen de Saksen te hulpe was geroepen, zich reeds, in 1517, met Karel, aartshertog van Oostenrijk, die intusschen Koning van Spanje geworden was, verzoend had. Deze oorlog bleef alzoo voortduren, tot in het jaar 1536, toen Karel, Hertog van Gelder, oud van dagen en wars van alle de tegenspoeden, welke zijne wapenen overal vergezelden, zich eindelijk met Karel van Oostenrijk, die inmiddels, onder den naam van Karel V, Keizer was geworden, bevredigde; nadat hij reeds in 1524 verpligt was geweest, zijne krijgstroepen uit Friesland, Groningerland en Drenthe terug te roepen. Van toen af heeft hij gemelde landschappen aan Karel V overgelaten, die toen Erfheer van Friesland en Overijsel werd, en door de provincie Groningen, in 1536, ook tot erfheer gekozen werd, maar speciaal als Hertog van Braband, Graaf van Holland en erfheer van Friesland en Overijsel. Bij den afstand van de regering door Karel V aan zijnen zoon Filips II, zijn deze provinciŽn, even als de andere Nederlandsche gewesten, onder de Spaansche heerschappij gekomen. De Stadhouder die destijds, in naam des Keizers, over Friesland tusschen het Vlie en de Eems, of liever over Friesland, Groningerland en Drenthe, welke drie landschappen toenmaals aan den zelfden Stadhouder onderhoorig waren, het bewind kreeg, was George Schenck van Toutenburg; die, in 1540 overleden zijnde, daarin door Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren, schoonvader van Prins Willem I, werd opgevolgd. Na het overlijden van dezen laatste, in het jaar 1548, volgde Jan de Ligne, Graaf van Aremberg, die, den 23 Mei 1568, in den slag bij Heiligerlee gesneuveld is. In 1569 werd Karel de Brimeu, Graaf van Megen, in zijne plaats aangesteld; op dezen volgde Gillis van Barlaimont, Heer van Hierges, in 1572, en in 1574 de Spaansche Overste Caspar de Robles, Heer van Billy. Inmiddels hadden de Friezen geen minder reden dan de inwoners der andere gewesten, om zich over de Spaansche heerschappij te beklagen, als wordende in alle hunne vrijheden, zoowel in hunne burgelijke als godsdienstige voorregten, steeds hoe langer hoe meer gekrenkt. Karel V en alle andere Vorsten van het Oostenrijksche huis, toen het magtigste van geheel Europa, waren niet tevreden met den titel van Heer of Erfpotestaat, zoo als de Saksische Prinsen zich in het tegenwoordige Friesland genoemd hadden, en welke niet meer wilde zeggen dan Erfstadhouder, maar begeerden Souvereinen te worden; terwijl zij, wat Friesland betreft, hun regt op die provincie daarop te grondden, dat de Graven van Holland, in vroegeren tijd de provincie Friesland, zoo als hier voorgezegd is, weleens overheerd hadden. het groote oogmerk was alleen om, onder dit voorwendsel, eene volstrekt willekeurige heerschappij, zoowel hier als in Spanje en in hunne andere erflanden, uit te oefenen, waaraan de vrije Friezen zich echter nimmer gewennen konden. Daardoor namen de onlusten dagelijks toe. Ofschoon de Hervorming in de godsdienst bereids zoo ver was doorgebroken, heeft geheel Friesland zich niet gelijktijdig met de zes andere provinciŽn, den 1 Februarij 1579, bij de Utrechtsche Unie gevoegd. De vertraging daarvan had men voornamelijk te wijten aan George van Lalaing, Graaf van Rennenberg, die, alhoewel na de geslotenen Pacificatie van Gent, in 1576, krachtens welke alle de Spaansche soldaten, met hunne bevelhebberen, dit land moesten verlaten, in 1577, in naam der Algemeene Staten, tot Stadhouder over deze provincie benoemd, echter de Spaansche heerschappij, eerst heimelijk, en daarna in het openbaar, begunstigde. Dit verwekte destijds groote oneenigheden, zoowel tusschen de steden, als de gevolmagtigden van het platte land, welke toch niet beletten konden, dat ook Friesland, nog in dat zelfde jaar, voor een gedeelte, den 25 Maart, en voor het ander gedeelte, den 2 Junij, de Unie mede onderteekende, waarna zij in 1580, ook Prins Willem I van Oranje, in Rennenberg's plaats, tot hunnen Stadhouder benoemden; te gelijk aan dien Prins het regt overlatende, om, in zijn afwezen, dien post door iemand anders, als zijnen Luitenant (plaatsvervanger) te doen bekleeden, gelijk hij ook, als den eersten daartoe, verkoos Bernard van Merode, Heer van Rummen. Voornoemde Prins kwam, in het volgende jaar 1581, persoonlijk in Friesland, ten einde de verregaande verschillen, zoo over de zaken van de godsdienst, als die de politie en justitie betroffen, te beslissen; welke verschillen des te gevaarlijker voor den staat dezer provincie geacht werden, omdat de oorlog tegen de Spanjaarden nog werkelijk bleef voortduren. Zeer ongelukkig had deze Prins aldra alles op eenen vasten voet gebragt, en den grondslag gelegd tot dien regeringsvorm, welke daarna, als voegzaamst met den aard des lands en der ingezetenen, aldaar is in stand gebleven. Prins Willem I had in 1583, weinige maanden vůůr zijnen dood, zijnen Luitenant of Onder-Gouverneur van Friesland, Bernard van Merode, die zich bij de Friezen zeer gehaat gemaakt had, teruggeroepen, en zijns broeders zoon, Graaf Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg, eenen jongen, doch beproefden held, tot zijnen Luitenant, in diens plaats, benoemd; die daarna, als Prins Willem's dood, den 10 Julij 1584, volgde, op uitdrukkelijke begeerte der Friezen, in de maand November van datzelfde jaar, tot werkelijken Stadhouder dezer provincie werd aangesteld, zoo als hij in 1594, onmiddelijk na de reductie van Groningen, mede tot Stadhouder van Groningen en Ommelanden, en in 1596 van het landschap Drenthe benoemd werd, zoodat hij alle drie de noordelijke landschappen, tot zijnen dood, welke in het jaar 1620 voorviel, bestuurd heeft. Deze stadhouder Willem Lodewijk heeft onder de Friezen eenen bijzonderen roem verworven, als hebbende, door zijn kloekmoedig beleid, de geheele provincie van vijanden gezuiverd en de laatste hand gelegd aan de herstelling hunner vrijheid. De stadhouder waardigheid werd, na hem, opgedragen aan zijnen broeder Ernst Casimir, Graaf van Nassau-Dietz, in wiens nageslacht deze daarna erfelijk gebleven is. Uit dat beloop van zaken ziet men, hoedanig Friesland eene der zeven vrije Nederlandsche ProvinciŽn geworden is, nadat het bijna 100 jaren, eerst door Saksers, en daarna door de BourgondiŽrs, of eigenlijk de Oostenrijkers, en wel bijzonder door dien tak van het Oostenrijksche Huis, welke de Spaansche monarchie bekwam, was overheerd geweest. Tijdens het bestaan der republiek was deze prov. verdeeld in drie kwartieren, zijnde: Oostergoo, Westergoo en Zevenwouden, die te zamen elf steden en dertig grietenijen bevatten. Deze verdeeling van Friesland in drie kwartieren, heeft haar begin genomen onder de regering der Potestaten; toen zijn ook die kwartieren, voortijds graafschappen genoemd, in grietenijen verdeeld, over welke de Hoofden van Friesland Regters of Grietmannen stelden, om het regt naar de wetten te bedienen.

Bij de omwenteling van het jaar 1795 gaf men aan de provincie Friesland den titel van departement, hoewel zij hare vorige grootte, grenzen en naam behouden bleef. Door de staatsomwenteling van 1798 werd zij grootendeels met de provincie Groningen tot een departement vereenigd, hetwelk den naam van Departement van de Eems aannam, terwijl het zuidelijke gedeelte, of het grootste deel van het kwartier Zevenwouden, aan het departement van den Ouden IJsel werd toegevoegd. Bij de staatsregeling van het jaar 1801 werd het departement Friesland echter, met zijne vorige grenzen en grootte, hersteld, en bleef alzoo ook bestaan toen het gemeenebest der Vereenigde Nederlanden of, zoo als het destijds heette, de Bataafsche Republiek, den naam van Koningrijk Holland aannam; alsmede bij de instelling van ons Vaderland in het Fransche keizerrijk.

Sedert dat Nederland zich, in het jaar 1815, het Fransche juk van de schouders heeft geworpen, maakt Friesland ook eene provincie van het koningrijk der Nederlanden uit. -

Deze prov. grenst N. aan de Noordzee, O. aan de Lauwerzee en de prov. Groningen en Drenthe, Z. O. aan de prov. Drenthe en Overijsel, Z. en W. aan de Zuiderzee. Zij heeft van het N. naar het Z. eene lengte van 14 u., van het W. naar het O. eene breedte van 13 u., en wordt verdeeld in 11 steden en 32 grietenijen of liever 30 grietenijen e 2 eilanden, welke ook ieder door eenen Grietman worden bestuurd. De geheele provincie beslaat eene oppervlakte van bijna 60 v. m. of, volgens het kadaster, 327,334 bund., verdeeld als volgt:

1o. Bebouwde gronden264,708 bund.

2 o. Groote en kleine wegen, straten, pleinen wllem, wandelingen, enz.2,812 ,,

3 o. Wateren, rivieren, meren, beken, grachten, vijvers, slooten, moerassen, enz.23,067 ,,

4 o. Heiden, zee- en rivierstranden, duinen, rietgeest- en boslanden, turfgrond, enz.`36,747 ,,

-------------------

327,334 bund.

Men heeft er 43,894 perceelen bebouwde en 276,969 perceelen onbebouwde eigendommen. Totaal 320,863 perceelen.

De steden zijn: Leeuwarden, Bolsward, Franeker, Sneek, Dockum, Harlingen, Stavoren, Slooten, Workum, Ylst en Hindeloopen.

Men had er, den 1 januarij 1840, eene bevolking van 227,859 zielen. Bij die bevolking, bestaande uit 47,308 huisgezinnen, bewonende 38,660 huizen, waren, van het mannelijk geslacht: 71,140 ongehuwden, 36,025 gehuwden en 4286 weduwnaars; van het vrouwelijk geslacht: 70,251 ongehuwden, 35,920 gehuwden en 10,237 weduwen; terwijl die bevolking, wat de godsdienstige gezindheden aangaat, waartoe zij behooren, verdeeld werd in 205,607 Protestanten; 20,017 R. K., 1945 IsraŽliten en 227 tot geen der genoemde gezindheden behorende (1)

(1). Op den 1 Januarij 1841 telde Friesland 229,168 inw., van welken 111,544 van de mannelijke en 117,624 van het vrouwelijke geslacht; terwijl die bevolking, naar de godsdienstige gezindheden, bevatte 207,181 Protestanten, onder dezen ongeveer 4000 Afgescheidenen, 12,870 Doopsgez., van welke 4941 leden; 730 Evang. Luth., onder welke 380 leden; 150 Herst. Luth., onder welke 78 leden, 300 tot de Vereenigde Christelijke gemeente te Dockum behoorende; 19,819 R. K.; 1979 Irs., en 191 tot de niet genoemde gezindheden. De bevolking in de steden bedroeg 58,016, in de grietenijen: 171,152, de militairen en gevangenen te Leeuwarden niet medegerekend. Op den 1 Januarij 1842 bestond de bevolking uit 232,712 zielen.

Men telt in de prov. Friesland 199 gem. der Herv., welke vijf klassen uitmaken, als die van Leeuwarden, Harlingen, Sneek, Dockum en Herenveen, en 365 kerken hebben, bediend wordende door 214 Predikanten.

De Afgescheidenen hebben er eenige gem., wier getal niet juist kan worden opgegeven.

Van de Remonstranten heeft men er geen afzonderlijke gem., zijnde de eenige, welke in die prov., te Dockum, bestond, onder den naam van Vereenigde Christelijke gemeente, met de Doopsgezinde gem. vereenigd; deze heeft eene kerk, welke door eenen Predikant bediend wordt.

De Doopsg. zijn er in vier klassen verdeeld, welke, behalve de Vereenigde Christelijke gem. te Dockum, 38 gem. uitmaken, door 36 Leeraars, door twee Oudsten en vijf Liefdepredikers bediend wordende; terwijl er op het eil. Ameland nog twee gem. dier gezindte bestaan, welke tot geen der bovengenoemde klassen behooren, en waarin de dienst door eenen Leeraar, eenen Oudste en zes Liefdepredikers wordt waargenomen.

Er zij 2 gem. en 1 bijgem. der Evang. Luth., welke tot den ring van Groningen behooren. Zij hebben er 2 kerken, welke door twee Predikanten en eenen Proponent bediend worden.

De Herstelde Evang. Luth. hebben in deze prov. 1 gem., met 1 kerk en 1 Predikant, te Harlingen.

R. K. statiŽn zijn er 51, die het aartspr. van Friesland uitmaken. Zij hebben 32 kerken en bijkerken, die door 31 Pastoors en 3 Kapellaans bediend worden.

Men heeft er geen gem. van de R. K. van de Oude Clerezij, gemeenlijk Jansenisten geheeten.

De IsraŽliten in deze provincie maken het synagogaal ressort van Leeuwarden uit, bevattende 1 hoofdsynagoge, 3 ringsynagogen en 4 bijkerken. -

Voor de Regterlijke magt is Friesland verdeeld in 3 arrondissementen, als: Leeuwarden, Heerenveen en Sneek, gezamenlijk 14 kant. uitmakende.

Men heeft er 3 kiesdistrikten, welke de volgende hoofdplaatsen hebben:

Het 1e kiesdistrikt, hoofdplaats Bergum,

2e Dronrijp,

3e Heerenveen

Voor de Nationale Militie heeft men in Friesland 16 kant., welke tot de volgende hoofdplaatsen behooren:

Het 1e en 2e militiekanton, tot de hoofdplaats Leeuwarden.

3e Franeker.

4e Harlingen.

5e Hallum.

6e Dockum.

7e Rinsumageest.

8e Buitenpost.

9e Beetsterzwaag.

10e Oldeberkoop.

11e Heerenveen.

12e Slooten.

13e Hindeloopen.

14e Bolsward.

15e Rauwerd.

16e Sneek

Ten opzigte van het Onderwijs wordt Friesland verdeeld in negen schooldistrikten:

Het 1e schooldistrikt, telt 34 scholen.

2e41, 3e41, 4e32, 5e34, 6e35, 7e31, 8e37, 9e48

Men telt in deze prov. in het geheel 333 lagere scholen.

Latijnsche scholen, van welke er 11 zijn, worden gevonden te Leeuwarden, Bolsward, Franeker, Sneek, Dockum, Harlingen, Kollum, Workum, Stavoren, Hindeloopen, Ylst en Joure, welke gezamenlijk door 75 leerlingen bezocht worden.

De voornaamste Rivieren in de provincie Friesland zijn: de Lauwers, de Boorn of Boorne, de Kuinder, in het Friesch de Tjonger, en de Linde.

Ook vindt men in deze waterrijke provincie een aantal Meren, onder welke men als de aanmerkelijkste tellen mag: Het Slootermeer, het Sneekermeer, het Bergumermeer, het Tjeukemeer, de Fljuessen, het Heegermeer enz.

Veelvuldig zijn de vaarten in dit gewest, zoodat er maar weinig plaatsen zijn, waar men met grootere of kleinere schepen niet aan of af kan leveren; de voornaamste zijn: de Vaart van Harlingen over Franeker, Dronrijp, Leeuwarden en Birdaard naar Dockum en Stroobos op de Groninger grenzen; voorts van Dockum langs het Dockumerdiep, tot aan de groote uitwatering, de Dockumer Nieuwe Zijlen; de Vaart van Leeuwarden naar Takozijl en de Lemmer, en de vaart van Stroobos naar Stavoren.

De voornaamste Zeedijk- en Zeepolderbesturen in de provincie Friesland zijn:

1o, het dijkbestuur van Visvliet en Gerkesklooster te Visvliet, uit vijf Leden, drie voor Visvliet en twee voor Gerkesklooster, zamengesteld;

2o, het dijkbestuur van Kollumerland-en-Nieuw-Kruisland te Kollum, uit eenen Dijkgraaf, drie gewone en drie buitengewone Dijksgedeputeerden, benevens eene Dijkschrijver en ontvanger bestaande;

3o, het dijk- en polderbestuur van den Engwierummerpolder, uit drie Gedeputeerden en eenen Boekhouder bestaande;

4o, het dijkbestuur van Oost-Dongeradeel en Metslawier, uit eenen Dijkgraaf, drie gewone en drie buitengewone Dijksgedeputeerden, benevens eene Dijkschrijver en Ontvanger bestaande;

5o, het dijkbestuur van den Anjumer-en-Lioessenserpolder te Metslawier;

6o, de provisionele directie over de West-Dongeradeelsche Zeedijken te Ternaard, uit eenen Dijkgraaf, zes leden, benevens eenen Dijkschrijver en Ontvanger bestaande;

7o, het dijkbestuur van Ternaarderpolder te Ternaard;

8o, het dijkbestuur van den Holwerder-Oostpolder te Holwerd;

9o, het dijkbestuur van den Holwerder--Westpolder te Holwerd;

10o, het zeedijkbestuur van Ferwerderadeel te Marrum, uit vier gewone Dijksgedeputeerden, eenen Secretaris, Dijkschrijver en Ontvanger bestaande;

11o, het dijkbestuur van het Noorderleeg te Leeuwarden;

12o, het dijkbestuur van de Bildtpollen te St. Anna-parochie, uit twee volmagten en eenen Ontvanger bestaande;

13o, het dijkbestuur van het Nieuwe Bildt, bestaande uit twee Volmagten en eenen Ontvanger;

14o, het dijkbestuur van het Oud-Bildt, uit twee Volmagten en eenen Ontvanger bestaande;

15o, het dijkbestuur der Vijfdeelen Zeedijken binnendijks te Harlingen, uit twee Gedeputeerde Volmagten, met eenen Ontvanger-Generaal en eenen Secretaris bestaande;

16o, het dijkbestuur der Vijfdeelen Zeedijken buitendijks te Harlingen, uit twee Gedeputeerde Volmagten, met eenen Ontvanger-Generaal, en eenen Secretaris, benevens drie Volmagten van het Nieuwe Bildt, met hunnen Ontvanger en Dijkschrijver bestaande;

17o, het dijkbestuur van Wonseradeels Zuider-Zeedijken te Bolsward, uit eenen Dijkgraaf, eenen Gedeputeerde en twee Gecommiteerden binnendijks, met hunnen Rekenmeester, eenen Gedeputeerde en twee Gecommiteerden buitendijks, met hunnen Rekenmeester, benevens nog eenen rekenmeester van de stad Bolsward, met eenen Secretaris en eenen Ontvanger-Generaal, benevens vier Arrondissements-Ontvangers bestaande;

18o, het polderbestuur van Workumer-Nieuwland te Workum.

19o, het dijkbestuur van Wymbritseradeel, met de onderhoorige contributie zeedijken te Sneek, uit eenen Dijkgraaf, twee Dijksgedeputeerden, eenen Dijksecretaris en eenen Ontvanger-Generaal bestaande;

20o, het dijkbestuur van Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde cum annexis, uit vier Leden, eenen Secretaris en eene Ontvanger bestaande;

21o, het dijkbestuur van de Zeven Grietenijen en stad Slooten contributie Zeedijken te Lemmer, uit eenen Dijkgraaf, eenen Secretaris, eenen Ontvanger, twee Volmagten uit Doniawerstal, twee uit Gaasterland, twee uit Haskerland, twee uit Schoterland, twee uit Opsterland, twee uit Aengwirden, en twee uit Slooten bestaande, en

22o, het dijkbestuur van den Ouden-Lindedijk te Wolvega.

Friesland is op onderscheidene tijden door veelvuldige Watervloeden geteisterd. Behalve den allerverschrikkelijkste watervloed over al de zeekusten van Duitschland, omtrent 350 jaren voor Christus geboorte gewoed hebbende, vindt men voor het jaar 500 geene aanmerkelijke vloeden, met uitdrukking van tijd. Occo Scarlensis heeft aangeteekend, dat in het jaar 516 Friesland geheel van de Noordzee is onder geloopen, waarbij meer dan 600 menschen omkwamen. In 584 trof Friesland andermaal een geduchte watervloed; doch nog erger was die ban 586, waarom Koning Adgillus, in 590, terpen, later vliedbergen genoemd, liet opwerpen, om in tijd zich op deze aardhoogten te kunnen bergen. Zeer zwaar zijn ook de overvloeijingen in de jaren 755 en 792 geweest. Onder de inwoners, die toen het meest geleden hebben, worden inzonderheid geteld die van Kollum, Almenum, Midlum, Herbaijum, Tjum, Dronrijp en Tuitkom. In December 806 viel de St. Thomasvloed in dit gewest voor, bedekte het geheele land, vernielde vele huizen en woningen, en deed 400 menschen omkomen. Door het plotseling opstijgen van den zeevloed, onder zwaren donder, bliksem en hagel, werd er veel vee verslonden, en daar het water vier maanden lang op het land bleef staan, stierf al het wintergraan. Gedurende deze winter werd de kerk te Minnertsga door de persing des vloeds zoodanig verzwakt, dat zij eindelijk instortte. hetzelfde lot onderging het adellijke huis Hermana, waarin onderscheidene menschen waren gevlugt, die met dit gebouw in den stroom werden geworpen. Door dezen watervloed leed de Ezonstad, eene vesting aan de Lauwerzee gelegen, vele schade. Door den vloed van 830, waardoor de Rijnstroom bij Katlijk verstopt geraakte, en het Huis te Britten omstortte, werd ook Friesland deerlijk geteisterd, alsmede door die van 1003, 1014, 1016, 1017, 1020, 1041, 1042, 1086 en 1100. De vloed van 16 Februarij 1164 was allergeduchst, alzoo het water genoegzaam over de dijken van Friesland stroomde. De eerste Allerheiligenvloed (1 November 1170) wierp in het gewest huizen en kastelen omver. In het jaar 1222 en ook in het jaar 1230 heeft dit gewest weder veel geleden, zoodat Ezonstad aan de Lauwerzee werd weggespoeld en Wartena grootendeels verdronk. In het jaar 1237 liep een groot deel van Friesland onder. Sommigen meenen, dat toen het eiland Vlieland dien naam zou gekregen hebben. In het jaar 1248 volgde op eenen zwaren watervloed, een zeer dure tijd, en zoo daardoor, als door den stank van ontelbare doode beesten, overal als gezaaid op de velden liggende, een vernielende pest, waardoor allen die er aangegrepen werden, stierven, totdat er een hulpmiddel tegen uitgevonden was, om de pestkool met een branden ijzer toe te schroeijen. Destijds kon men nog langs eene plank, of met eenen springstok, van Stavoren naar Enkhuizen haan; zoo naauw was toen het Vlie, hoewel vroeger breeder geweest, echter waren de lage landen naar de zee toe reeds gescheurd. Kort daarna moeten zij afgespoeld zijn. In tegendeel begon het Borndiep of de Middelzee door aanslibbing te verminderen: want in den tijd van Hoyte, zevende Abt van Lidlum, die het bestuur aldaar van het jaar 1256 tot 1279 had, was tusschen Leeuwarden en Marssum alleen een naauw water, zoodat de dijk, welke van Boxum naar Goutum loopt, de Boxumerdam genaamd omtrent deze jaren schijnt opgeworpen te zijn, om de zuiderlanden te bewaren. In het jaar 1279 was de watersnood, welke den Dollart opende, die in het jaar 1287 eerst regt begon door te breken, zoodat er 43 zeer schoone dorpen te gelijkertijd door verslonden werden. Zoo verderfelijk waren ook de Friesche watervloeden van de jaren 1312, 1337, toen het rijke dorp Westeet, bij Norden, eensklaps verzwolgen werd, als ook in de jaren 1380, 1387, 1399, 1421, 1428, 1429, 1430, 1474, 1477 en 1480 geweest. De watervloed van 4 November 1516 dreef het water een el hoog over de dijken van Friesland. De zoogenaamde Allerheiligenvloed in het jaar 1572 heeft Friesland ook zeer zwaar getroffen; het getal der drenkelingen werd op meer dan 20,000 menschen gerekend, alleen in Friesland tusschen het Vlie en de Lauwers. Te Makkum werd een schip van 70 last over den dijk gezet; het dreef in het d. Abbingawier aan een boerenhuis, dar de matrozen uit het schip op het dak en van het dak weder in het schip traden. Ofschoon de Hertog van Alva, in de Nederlanden, ook in Friesland, gruwelijk te werk heeft gegaan, hebben de Friezen zijnen Stadhouder voor eene zaak dank te wijten, namelijk het verbeteren van de zeedijken door den Krijgsoverste Caspar de Robles, sedert welke bedijkingen dit gewest zoo dikwijls zulke zware zeerampen niet ondervonden heeft. Doch hoe vast en sterk Friesland dus rondom tegen het geweld en de verheffingen der zee is bedijkt geworden, heeft het echter somtijds nog de droevige uitwerkselen van inbreuken en overvloeijingen van het zeewater moeten ondervinden, waarvan die, op Kersnacht van jaar 1717 voorgevallen, heel zwaar en schadelijk, vooral in Oostergoo, is geweest; terwijl Westergoo ook in een uiterst gevaar stond, hoewel dit gevaar nog gelukkig afgewend werd. Wonderlijk was toen de opzwelling der zee, die dezen jammerlijken vloed uitwerkte: want het water der Spaansche zee, door het kanaal herwaarts aangeperst, ruischte in de Noordzee als eene ziedende pot. en schuimde alle slijk en modder op; waarna het water binnen kort zoo hoog steeg, dat het op vele plaatsen wel eene mans lengte boven den dijk stond, waartegen niets bestand was: want met eenen zoo algemeenen stroom daarover heen bruisende, viel het aan den anderen kant der dijken met zulk eene vreeselijke storting neder, dat zij aan den binnen kant kabbelden, waarvoor dan de kruinen naar binnen overvielen en de meeste breuken of scheuren in de dijken gemaakt werden. Ook bij den watervloed van et jaar 1825 heeft Friesland zeer veel geleden (1). Men rekent van het jaar 333 tot 1825, 88 overstromingen en vloeden, die Friesland geteisterd hebben, en achtereenvolgens de steden Uitgong (nu Berlikum), Grebbe, Gonfeind, Esonstad, West-Workum, Wartena (nu een dorp), Grind (nu eene droogte), en de dorpen: Lammoer, Linnem, Groot-Keins, Schuphorn, Terdorp, Leeuwenhorn, Westerbierum, Dijkshorn, Waldrichem (nu Workum), Oosthuizen en Sier, beide laatste op Ameland, verslonden hebben.

(1) Men zie omtrent dezen Watervloed van de prov. Friesland: J. van Leeuwen, Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en Overstroomingen in Friesland, voorgevallen in Sprokkelmaand 1825.

De luchtgesteldheid van Friesland is over het geheel gezond, maar, aangezien de provincie bijna aan alle zijden door de zee omgeven is, verspreiden zich dampen, welke uit de zee opstijgen, over het land, waardoor het aan de kusten koud en veranderlijk, en in de lage streken vochtig is; ook werkt de sterke afwisseling van koude en warme dagen dikwijls nadeelig op de gezondheid en veroorzaken vele verkoudheden. In de hoogere zand- en woudstreken is zij veel zachter.

Men vindt in het westelijke gedeelte dezer prov. de schoonste weilanden, welke goed hooi opleveren, dat ook veel naar Holland vervoerd wordt; zijnde inzonderheid dat uit de griet. het Bildt, als bijzonder uitmuntend, gezocht. Het westelijk, noordelijk en noordoostelijk gedeelte, vooral aan den zeekant, bestaat uit de schoonste en vruchtbaarste bouwlanden. In het oostelijk en zuidoostelijk gedeelte is de grond, ůf zwarte aarde, ůf veen, welke eene rijke afwisseling van bouw- en weilanden, heidevelden, houtgewassen en bosschen oplevert.

De voortbrengselen uit het dierenrijk zijn: paarden, de beste uit het koningrijk, zoo als zij ook, om wille grootte, sterkte en snelheid van draf, door geheel Europa bekend zijn; rundvee, dat zeer uitmuntend is, en waarvan er zich in den zomer omstreeks 170,000 op de weilanden bevinden, terwijl er jaarlijks 15 of 16,000 uitgevoerd worden; schapen in grooten getale, welke, zoo zij van het echte Friesche ras zijn, wegens grootte en deugdzaamheid van wol, voor de besten van geheel Nederland gehouden worden; varkens, wild, als: hazen enz. en eene menigte water- en andere vogels, als: eenden, zwanen, ganzen, patrijzen, snippen, hoenders enz. De menigvuldige meren leveren eenen overvloed van visch op, vooral aal of paling, welke zeer veel naar Engeland verzonden wordt; baars, snoek, karper enz. Op de kusten van de Noordzee vangt men veel zeevisch, als schelvisch, kabeljaauw, schol, tongen, spiering, bot, haring, garnalen enz.

Uit het plantenrijk geven de vette kleigronden, in de noordelijke en westelijke streken dezer provincie: koolzaad, garst, tarwe of weit van de beste soort, erwten, boonen, haver, aardappelen, klaverzaad, chichorei en vlas. De binnenste of de lagere streken leveren veel gras en hooi op; de zandgronden geven vele graansoorten, doch veelal boekweit, rogge, moes- en tuinvruchten, benevens veel hout; terwijl men op sommige plaatsen boomen onder den grond vindt.

Uit het rijk der delfstoffen leveren de hooge en lage veengronden eene groote hoeveelheid turf, terwijl andere landen klei en leem, voor de steen- en pottebakkerijen, en zand, voor de straten en wegen, verschaffen. In het kw. Zevenwouden vindt men kleisteenen.

De voornaamste middelen van bestaan in Friesland zijn: landbouw, handel, veeteelt, visscherij, houtteelt, veenderij enz. De voornaamste handel is op Engeland, waartoe eene geregelde kofscheepvaart bestaat, die meest van Harlingen uitzeilen. DE uitvoer, die steeds aangroeit, bestond in 1836, uit 7,962,881 pond. boter, 737,447 pond. grove kaas, 110,500 pond. schors en 150,000 ponden paling. Bovendien zijn er nog zeer vele fabrijken en trafijken, als: een aantal windmolens. waaronder koren-, olie-, run-, pel- en houtzaagmolens, scheepstimmerwerven, zout- en zeepsiederijen, pannen-, potten-, plateel-, en steenbakkerijen, en kalkbranderijen. Voorst leerlooijerijen, wolkammerijen, weverijen, verwerijen, spinnerijen, tabakskerverijen en Friesch-groen- of verwstof-fabrijken; alsmede een aantal cichoreifabrijken en eenige brouwerijen, branderijen, goud- en zilversmederijen, alhoewel op verre na niet meer zoo bloeijend als in vroegere eeuwen, toen er veel goud- en zilverwerk werd uitgevoerd, enz. (1).

(1). Wij hebben gemeend niet beter te kunnen doen, dan bij het overzigt van deze prov. Grootendeels de opgaven over te nemen, te vinden in het werkje van onzen bekwamen medearbeider W. Eekhoff, getiteld: Beknopte Aardrijkskundige Beschrijving van de provincie Vriesland (Leeuw. 1840)

De Provinciale Staten bestaan uit 54 Leden, van welke 18 door de Ridderschap, 18 door de Steden en 18 door het Platteland gekozen worden; waartoe Leeuwarden 4m, Bolsward, Franeker, Sneek, Dockum, Harlingen en Workum, ieder 2; Stavoren beurtelings met Hindeloopen 1, en Slooten beurtelings met Ylst insgelijks 1 Lid kiezen. Door de Provinciale Staten worden 5 Leden naar de Tweede kamer der Staten generaal afgevaardigd. De Gedeputeerde Staten bestaan uit 7 Leden.

Het wapen dezer provincie is van azuur (blaauw), met twee loopende leeuwen boven elkander, vergezeld van acht liggende blokjes, staande drie, twee en drie, alles van goud; het wapen gedekt door een markiezen kroon.

FRIESLAND, aartspr., zich over de prov. Friesland uitstrekkende.

Het bevat de volgende 31 statien: Ameland, Bakhuizen, Balk, Bolsward, Dockum, Dronrijp, Franeker, Harlingen, Heeg, Heerenveen, Joure, Irnsum, Leeuwarden, Lemmer, Makkum, Nicolaasga, Roodhuis onder Oosterend, Sensmeer, Sloten, Sneek, Steggerden, Warrega, Wolvega, Workum, Woudsend en Wytgaard. Men heeft er 32 kerken en bijkerken, welke bediend worden door 31 Pastoors en 6 Kapellaans. Men telt er 21,000 zielen.

FRISE (LA-)Fr. naam van de prov. Friesland. Zie dat woord.

FRISIA, Latijnsche naam van de prov. Friesland. Zie dat woord.