ACHLUM, ook wel Achtelum geheeten. d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. Z. W. ten W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. W. van Franeker, 1 u. Z. O. ten O. van Harlingen en 2 u. N. W. van Bolsward, aan eenen binnendijk, die de Slachtedijk en dr in het bijzonder de Achlumer-Slachtedijk genoemd wordt. Het is, wat de landerijen en boerenplaatsen betreft, zeer uitgestrekt, hoewel de kerkbuurt niet zeer groot is, en daar door de onregelmatige plaatsing der huizen weinig aanzien heeft; ook zijn de landerijen, die tot dit dorp behoren, om hare vlakte en haren somtijds onbruikbaaren aard bekend. Om dit dorp liggen de gehuchten Eselumaburen, Gelterp, Luedum en Sopsum. Voorheen had men hier ook de staten Offingahuizen en Benysten, benevens een klooster, het Achlumer konvent genoemd. De kerk, waarin geen orgel gevonden wordt, staat op eenen vrij hoogen terp, is tevens van eenen spitsen toren voorzien, die op het laatst der vorigen eeuw gebouwd is, en waarin de beide klokken uit den ouden stompen toren overgebragt zijn. Men heeft hier eene goede school, en 500 inw., van welke de Herv. Sedert de Reformatie met die van Hitsum gecombineerd zijn. Toen de parochiekerk van Achlum nog aan de R.K. behoorde, stond zij onder de dek. Van Franeker, en moest aan de St. Jans kerk te Utrecht jaarlijks 12 schilden (27 guld.) betalen. Thans behooren de hier wonenden van de gezindte tot de statie van Franeker.

ACHLUM-EN-HITSUM, kerk. Gem., prov. Friesl., klass. van Harlingen, ring van Franeker, Zij heeft twee kerken en eenen Predikant, die, even als zulks, op weinige uitzonderingen na, overal in Friesland het geval is, door de floreenpligtigen beroepen wordt, en telt 500 zielen. Reeds van de Kerkhervorming af heeft deze combinatie bestaan, en is, door eenen Predikant bediend geworden, die om den derden zondag s voormiddags te Hitzum moet preken, en er tweemaal in het jaar het H. Avondmaal bedienen. De eerste Predikant, dien men hier vermeld vindt, was Henricus Ortelanus , die er in 1595 nog in dienst was. Onder de later hier gestaan hebbende leeraren verdient melding de door zijne gedrukte leerredenen beroemd geworden Dominicus Coltzius.

ACHLUMER KONVENT, voormalig klooster van reguliere kanoniken. Prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, bewesten de kerk van Achlum. Het was door de kanoniken van Ludingakerk gesticht, hoewel het niet altijd aan dit klooster schijnt onderworpen te zijn gebleven, maar het is vermoedelijk na de vernedering van Ludingakerk, een gesticht op zich zelf of wel daarmede aan een ander klooster onderworpen geworden. Het werd tijdens den Spaanschen oorlog verwoest.

ANDLA, oude stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, onder Ried, aan den grooten weg van Leeuwarden naar Franeker en Harlingen. Zij is in vernieuwden vorm nog aanwezig, en wordt sedert lang door het aanzienlijk geslacht Fontein bewoond.

ANDRINGA of van der Waeijden, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, bij het d. Sweins.

ANEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, onder Ried.

ARKENS, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. van Harlingen, 1/4 u. N. O. van Franeker, waartoe het behoort, 1/4 u. Z. W. van Schalsum, 1/2 u. van Dongjum.

BARSUM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. ten Z. van Harlingen, 1/4 u. Z. van Tjum, waartoe het behoort.

BOER, Bour, Buir of liever Buur, oudtijds Buurstra, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. ten N. van Harlingen, nabij de Ried en aan den rijweg van Franeker naar Leeuwarden.

Het is het kleinste dorp der grietenij Franekeradeel, tellende slechts 15 h. en nog geen 100 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw.

De Herv., die ruim 80 in getal zijn hebben hier een kerk, die tot de gem. van Ried-en-Boer behoort. Vr de Hervorming had dit dorp een eigen Pastoor, die een inkomen van honderd goudgulden had, terwijl de Proost van St. Janskerk te Utrecht er zes schilden van trok. Na de Hervorming werd Boer te gelijk met Dongjum en met Schalsum gecombineerd, zoodat de Predikanten van die beide plaatsen hier beurtelings om de veertien dagen prediken moesten. In het jaar 1725 ging echter de halve bediening van deze plaats, voor zoo veel Dongjum betrof, op Ried over, en in 1758 werd Boer geheel met Ried gecombineerd; sedert dien tijd wordt aldaar om den derden Zondag gepredikt. De kerk, die in het jaar 1664 aanmerkelijk verbouwd is, heeft geen orgel, doch prijkt met eenen toren, die te voren stomp was, maar in het jaar 1802 van eene kleine spits voorzien is, wanneer men tevens de kleine klok heeft gekocht. De groote klok, die er nu nog in hangt, is in het jaar 1561 gegoten.

De R. K., die er 8 in getal zijn, behooren tot de gem. van Franeker. Er is op dit dorp geen school, zoodat de kinderen zich naar Ried moeten begeven, om onderwijs te genieten.

Voorheen was hier de state Elgersma, thans heeft men er nog de zathe Bogerda. Bij dit dorp vindt men aan den rijweg uitmuntende landerijen, die meest tot bouwland dienen. Ten Z. heeft men veel laag land, dat door de inpoldering, die van tijd tot tijd plaats had, veel verbeterd is. In het N. W. bij de zoogenaamde Driemolens is mede veel laag land, dat vroeger een meer was, en het Catharinameer genaamd werd. Zie voorts dat woord.

Voor eenige jaren vond men een inwoner van Boer, niet verre van zijne woonplaats, bij het uitgraven van eene sloot aan den rijweg naar Ried, een aantal zilveren muntstukjes ter grootte van een dubbeltje, waarvan vele bijna vergaan waren. Daar zij echter tot geen bekende munt behoorden, heeft men niet kunnen navorschen, hoe zij daar waren gekomen.

BOGERDA, voorm. state, thans zathe, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, 10 min. van het dorp Boer, waartoe het behoort

BRIL (DE), buurtje, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. O. ten Z. van Harlingen, 1/2 u. Z. W. van Hitzum, waartoe het behoort.

CAMPEN (DE), streek lands, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. ten Z. van Harlingen, 1/4 u. Z. O. van Tjum, waartoe zij behoort. Er staat slechts n huis.

CATHARINAMEER, voorm. meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, N. W. van het d. Boer.

Dit meer hetwelk zeer vischrijk was en waar zich zeer veel wild en watergevogelte ophield, had door de Ried gemeenschap met de tegenwoordig ook reeds drooge Munnike- en Dongjumermeren. Hoewel sedert een paar eeuwen reeds droog, is het land zeer laag en kan alleen door watermolens drooggehouden worden. In de nabijheid staat een huis, dat nog onder den naam van Eijerhuis bekend is, welken naam het vermoedelijk ontleent, van de menigte eijeren, die in den omtrek gevonden werd.

COUM of Couum, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. O. van Harlingen, 1/4 u. Z. van Tjum, waartoe het behoort; met 3 h. en 20 inw.

DEKAMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, onder Tjum. Ter plaatse waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenhuizing.

DODINGHEM, d., prov. Friesland. Zie Dongjum.

DOENGJUM, d., prov. Friesland. Zie Dongjum.

DOENGJUMERMEER, meer, prov. Friesland. Zie Dongjumermeer.

DOENJUM, d., prov. Friesland. Zie Dongjum.

DOENJUMERMEER, meer, prov. Friesland. Zie Dongjumermeer.

DOIJEM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Doijum.

DOIJUM of Doijem, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. van Harlingen, 1/2 u. Z. van Franeker, waartoe het behoort.

DONGJUM, of Dongium, Doengjum, Doenjum, Dongum of Donjum, ook wel Dodinghem of Donghum gespeld, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. ten N. van Harlingen, 1/2 u. N. van Franeker, zeer aangenaam aan den kleirijweg van Leeuwarden naar Franeker gelegen. men telt er 30 h. en 200 inw., die meest in den landbouw en veeteelt hun bestaan vinden. Men heeft er vele uitmuntende landerijen, vooral langs den rijdweg, maar in het W., waar vroeger de Ried vloeide, en Z. O. is veel laag land, hetgeen alleen door inpoldering bruikbaar is. Onder dit d. vindt men onderscheidene, terpen of vliedbergen, welke aldaar, uit hoofde van de lage ligging van vele landen, opgeworpen zijn, waaronder men nog al vrij hoogen aantreft. Ook ligt het thans ingepolderde Dongjumer-meer onder het behoor van dit dorp.

De Herv., die hier 190 in getal zijn, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Harlingen, ring Franeker, behoort. De eerste, die hier het leeraarambt in deze gem. heeft waargenoomen, is geweest Pieter Wiegers, die hier in 1580 Predikant was, zonder dat men vindt aangeteekend hoe lang hij hier gestaan heeft. Tot in het jaar 1725 moest de Predikant van Dongjum, om den vierden Zondag, ook te Boer prediken, doch na dat jaar heeft dit opgehouden. De kerk bragt vr de Reformatie 100 goudgulden (150 guld.) op, zij had eene prebende die 80 goudgulden (120 guld.) waardig was, en aan den Proost van St. jan te Utrecht werden 12 schilden (27 guld.) betaald. Deze kerk, dat een oud groot gebouw met eenen stompen toren was, is in 1776 afgebroken en in de plaats daarvan de tegenwoordige nette en wel ingerigte kerk gebouwd, die den 4 October 1778 ingewijd is, en met een spits torentje en klein orgel prijkt. In deze kerk is een uitmuntend kunststuk van Xaveri, zijnde eene graftombe van den Staatsman Sicco van Goslinga, die vr en in den successie-oorlog Gedeputeerde te velde en Ambassadeur aan het Hof te Frankrijk geweest is, en in 1731 op zijne state, welke vroeger onder dit d. lag, overleed.

De R. K., van welke men er ongeveer 10 aantreft, behooren tot de stat. van Franeker.

De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 30 leerlingen bezocht.

Voorheen stonden hier onderscheidene adellijke staten, als: Aylufsisma, Frittema, Goslinga, Heringa, Lionaudstra en Rodmersma of Roedersma.

De Riedstroom of de vaart van Franeker naar Ried, Tjummarum, enz. loopt een eind wegs over den grond van dit dorp voort, en door deze vaart was oudtijds een wad of doorreed, ter plaatse, waar nu de Dongjumer-tille gevonden wordt.

Toen de Friesche Edelen Sjoerd Aylva, Tjerk Walta, Douwe Hiddema en Dooitze Bonga, in het jaar 1500, zich verbonden hadden om Friesland zoo mogelijk van overheersching der Saksers te bevrijden, en te dien einde Franeker belegerd hadden, was het hoofdkwartier van eene der vier hoofdivisin, waarin het leger was afgedeeld, te Dongjum gevestigd.

Op den 27 Junij 1504 riep Georg, hertog van Saksen, al de huislieden van de griet. Menaldumadeel, Franekeradeel, Barradeel, Baarderadeel en Hennaarderadeel te Dongjum bijeen, en nam hen onder den eed, om hem, als hunnen wettigen Heer, alle eer en gehoorzaamheid te bewijzen, terwijl de Hertog beloofde hen als een goed Heer te zullen dienen.

Dongjum is de geboorteplaats van den Natuur-, Sterre- en Werktuigkundige Wytze Foppes, naar de plaats zijner geboorte Dongjuma genoemd, geb. 16 September 1706, 8 Februarij 1778, den uitvinder van den magnetimeter, een werktuig, om de helling van den magneetnaald te vinden, welke uitvinding de Schot Scoresby zich, in het jaar 1821, de eer toeigende.

DONGJUMMER-MEER of Dongjumer-meer, op sommige kaarten Dongiemeer gespeld, voormalig meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. Leeuwarden, W. van Dongjum. Het strekte zich vroeger uit van het d. Dongjum tot aan den Slagtedijk, maar is in het jaar 1776 meerendeels ingepolderd en beslaat thans een oppervlakte van 180 bund.

DONGUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Dongjum.

DONJUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Dongjum.

DONJUMER-MEER, voorm. meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Franekeradeel. Zie Dongjumer-meer.

DOYEM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Doijem.

DOYEMERVAART of Doyumervaart, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, dat uit de Tjummervaart zuidwestwaarts naar Doyem en de Vlaren loopt.

DOYUM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Doijem.

DOYUMERVAART, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Doyemervaart.

ECHTELEN, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie het volgende art.

ELGERSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen, 5 min. Z. O. van Ten-Boer, waartoe zij behoorde.

Deze state besloeg eene oppervlakte van 51 bund. 70 v. r. 70 v. ell., waarvan de boomgaard, tuin, singels en grachten, binnen welke de adellijke huizinge stond, 2 bund. 13 v. r. 70 v. ell. innamen. Zij behoorde in het jaar 1702 aan Jonkheer Frans Julius Heringa van Eysinga, Grietman van Rauwerderhem, en Raad ter Admiraliteit te Rotterdam, doch toen was het huis reeds geheel afgebroken. Thans worden de daartoe behoord hebbende gronden in eigendom bezeten door den Heer Mr. Johannes Stinstra, woonachtig te Franeker.

ERKENS, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Arkens.

ESELEMABUREN, in het Oud-Friesch Yslumburen, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen, 20 min. N. W. van Achlum, waartoe het behoort; met 6 h. en 40 inw.

FAATUM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Fatum.

FALDUM, geh. in Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Fatum.

FATUM, Faatum of Faldum, geh. in Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. Z. O. van Harlingen, 1/2 u. Z. O. van Tjum, waartoe het behoort.

FEITSMA, Feitzma of Feytsma, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. Leeuwraden, kant. Harlingen, te Dongjum.

FRANEKERADEEL, griet., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen (2k. d., 3 m. k., 9 s. d.); palende W. en N. aan Barradeel, O. aan Menaldumadeel, Z. O. aan Hennaarderadeel, Z. aan Wonseradeel.

De stad Franeker, die in het midden ligt, deelt haren naam aan deze grietenij mede.

Voor het grootste gedeelte is deze grietenij in den Slagtedijk besloten; doch Midlum en Herbaijum liggen daar geheel buiten. Zij heeft eene lengte van 3 u. gaans op eene breedte van 2 1/2 u. gaans.

Men telt in deze griet. elf dorpen, als: Tjum, Hitsum, Achlum, Midlum, Herbaijum, Dongjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalzum. Voorheen had men er vele staten en stinzen, als: Groot-Herama, Klein-Herama, Hottinga, Hermana en Dekema te Tjum; Epema, Fritsema en Roordama te Hitzum; Heringa, Netsens, Offingahuis en Eseluma te Achlum; Frittema, Holkema, en Gratinga te Midlum; Heemstra, Sikkema en Fingia te Herbaijum; Rodmersma en Goslinga te Dongjum; Elgersma en Bogerda te Boer; Anema, Oud-Andla en Nieuw-Andla te Ried; Doedema, Offinga en Kampema te Peins; Rinnerda, Groot-Herema en Kingma te Sweins, en Groldama te Schalsum; waarvan thans nog slechts bestaan: Nieuw-Andla te Ried en Kingma te Sweins.

Ook hebben in deze griet. twee klooster bestaan, te weten: Miedum, te Tjum, en Ludingakerk, onder Midlum.

Oudtijds behoorde het grootste deel der tegenwoordige jurisdictie van Franeker mede tot deze grietenij.

De griet. Franekeradeel bevat 470 h., bewoond door 643 huisgez., uitmakende eene bevolking van 3300 inw.; ook heeft men er de volgende fabrijken: 7 steenfabrijken, van welke 6 te Midlum en 1 te Sweins, 2 kalkbranderijen en 2 houtzaagmolens te Midlum, en 1 pan- en 1 estrikfabrijk, 1 cementmolen en 1 looijerij te Achlum.

De landerijen zijn hier over het geheel goed, doch aanmerkelijk onderscheiden: zoo heeft men in de nabuurschap van Midlum buitengewoon schoone vruchtbare terp-akkers, hoedanige men mede, hoewel van minder aanzien, bij Tjum, Dongjum, Hitsum en Achlum vindt; ook treft men hier alomme goed bouwland aan, doch de klei is over het algemeen ven eenen zeer stijven aard en beter geschikt tot uitnemend weiland. Ondertusschen ligt in deze grietenij ook laag land, dat des winters onderloopt, en niet dan door inpoldering kan verbeterd worden, gelijk voor eenige jaren met eenen zeer goeden uitslag is gedaan bij Dongjum, zijnde aldaar de poel, gemeenlijk het Dongjumermeer genoemd, uitgemalen, en benevens veel ander naburig laag land binnen goede molendijken besloten.

De voornaamste wateren in deze grietenij zijn: De Ried, welke oudtijds bij Berlikum in zee liep, en de Trekvaart die, van Leeuwarden naar Harlingen loopende, een aanmerkelijk eind wegs langs den bodem van deze grietenij, onder Sweins, Herbaijum en Midlum, voortloopt. Andere wateren en vaarten hebben alle met deze twee genoemde hoofdvaarten gemeenschap, als: de vaarten naar Tjum, Arum, Schalzum, Tjummarum en meer andere.

Midden door deze griet. loopt de nieuwe straatweg van Leeuwarden naar Harlingen.

De Herv., welke in Franekeradeel ongeveer 3060 in getal zijn, maken de volgende acht gemeenten uit: Achlum-en-Hitsum, Dongjum, Herbaijum, Midlum, Peins-en-Sweins, Ried-en-Boer, Schalsum en Tjum.

De Doopsgez., van welke men er 60 telt, behoren tot de gem. van Franeker en Harlingen.

Er zijn in deze griet. 15 Evang. Luth. en 5 Herst. Evang. Luth. die tot hunne respectieve gem. te Harlingen behoren.

De R. K., van welke men er 200 aantreft, worden tot de stat. van Harlingen en Franeker gerekend. - men telt in deze griet. 10 scholen, gezamelijk door een getal van 400 leerlingen bezocht wordende.

Het wapen dezer griet. is van azuur (blaauw), beladen met een gouden dwarsbalk van den regter boven, naar den linker benedenhoek des schilds nederdalende, voorst drie rozen van keel (rood), loopende van den linker bovenhoek naar den regter binnenhoek des schilds, zoodanig, dat de middelste roos op de gulden dwarsbalk komt, het schild gedekt met eenen gouden kroon.

FRANEKER-UITBUREN, voorheen gerekend tot het eerste d. van de griet. Franekeradeel, prov. Friesland, kw. Westergoo, thans bestaande uit de b.: Arkens, Salwerd, Lutje-Lollum, Miedum, Doyum, Kie, Lankum en War. de staten, in de b. gelegen waren ook geregtigd tot het grietmanschap, gelijk zulks blijkbaar is van de oude state te Salverd, die op Lutje-Lollum, Lankum en Gedserda, alle welke staten, in 1406 tot 1438, op hunne beurt, het regt in de griet. hebben uitgeoefend. Deze buurten hebben zich in het vervolg der rijd onder de stad Franeker begeven, denkelijk kort na 1500, ten einde mede te deelen in de privilegin en voorregten, welke de Hertog van Saksen, aan die stad en hare burgers had geschonken, wegens hunne getrouwheid aan hem betoond.

FRANEKER-VIJFGA, dus noemde men weleer de vijf dorpen: Boer, Schalsum, Ried, Peins en Sweins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel.

FRITTEMA of Fritemahof, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen, 10 min. N. W. van Dongjum, waartoe zij behoorde. Ter plaatse waar zij gestaan heeft zietmen thans eene boerenhuizing.

FRITTEMA of Frytama, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen, 5 min. Z. van Midlum, waartoe zij behoorde.

FRITTEMA-WEERSTAL, voorm. plein, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, in het d. Midlum, Z. van het kerkhof en even hoog als dit.

Op dit plein werd in overoude tijden, onder den blooten hemel, openbaar regt gehouden. Thans is het gedeeltelijk de publieke weg, gedeeltelijk bouwland.

FROENAKKER, voorm. b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Fraanakker.

FROONAKKER, voorm. b., prov. Friesland, kw. Westergoo, friet. Franekeradeel. Zie Fraanakker.

GELTERP, op de kaarten meestal enkel onder den naam van terp voorkomende, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. Z. W. ten W. van Leeuwarden, kant. en 1/2 u. Z. O. van Harlingen, onder Achlum en 1/2 u. ten N. van daar.

GOSLINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/.2 u. W. van leeuwarden, kant. en 2 u. O. N. O. van Harlingen, 1/4 u. Z. Z. W. van Dongjum, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenhuizinge, wier omtrek nog kenbare blijken van de vroegere state draagt. De daartoe behoorende gronden, beslaande eene oppervlakte van 7 bund. 9 v. r. 20 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door den Heer Ane Jans Terpstra, woonachtig te Tjummarum.

GRATINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 1/2 u. O. ten Z. van Harlingen, 10 min. N. van Hitsum, waartoe het behoorde. Er is thans niets meer van te zien of te onderkennen. Doch Mr. Jacob Hanekuik te Harlingen heeft, ten O. van Midlum, eene zathe, Gratinga-state geheeten.

GRATINGA-STATE, zathe, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Gratinga.

HATTINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Hottinga.

HEEMSTRA (HOOG-), naam, welken men meestal geeft aan de voorm. state Heemstra, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Heemstra.

HEEMSTRA of Hiemstra, meestal Hoog-Heemstra genaamd, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Harlingen, 5 min. N. W. van Herbaijum, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenhuizinge. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 1 bund. 54 v. r. 10 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door den Heer Kornelis Rinzes Brunia, woonachtig te Midlum.

HEERMA (NIEUW-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Herema (Ny-) .

HERAMA (GROOT-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Herema (Groot-) .

HERAMA (NY-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Herema (Ny-).

HERBADEGUM, oude namen van het d. Herbajum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie het volgende art.

HERBAJUM of Herbayum, oudtijds Herbadegum genoemd, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Harlingen, ten westen van de Slachtedijk, en dus buitendijks, aan de grindweg van Harlingen naar Leeuwarden, waardoor de ligging niet onaangenaam is. Men telt er 55 h. en 230 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt. het bevat, langs den grindweg, vele goede landerijen, doch ten Z. is veel laag en vergraven land, ook ten N., waar het aan Barradeel grenst.

Herbajum is misschien zoo veel als Heerebaijum, en werd mogelijk zoo genoemd wegens de adellijke staten, die oudtijds door Heeren werden bewoond en dus in onderscheiding van Bajum bij Welsrijp, waar vroeger een klooster was en Monniken of Nonnen waren.

De herv., die hier 200 in getal zijn, onder welke 90 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Harlingen, ring van Franeker, behoort. De eerste, die hier het leraarambt heeft waargenomen, is geweest Hermanus Herbajum, die men niet weet wanner hij hier gekomen is, doch in 1588 als Predikant te Herbajum op de synode verscheen; even min weet men wanneer hij vertrokken is, doch in het jaar 1613 was hier Petrus Sybrandi Vomelius in dienst en toen lid der Synode te Harlingen. De pastorij had vr de Hervorming een inkomen van 120 goudgulden (180 guld.). Het vikarisschap bragt 73 goudgulden (105 guld.) op. De Proost van de St. Janskerk te Utrecht had er acht schilden (18 guld.) te trekken. Deze kerk werd in het jaar 1824 aanmerkelijk ingekort. De oude stompe toren werd toen wegens ouderdom afgebroken, en daarvoor een spitsje gesteld, waarin eene luidklok zonder jaartal hangt, die denkelijk zeer oud is.

De R. K., van welke men er 30 aantreft, worden tot de stat. van Franeker gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 30 leerlingen bezocht.

Oudtijds waren te Herbajum ook eenige adellijke staten; meest bekende en die het langst in stand zijn gebleven, waren Heemstra, of Hoog-Heemstra en Walta of Sickema, van welke laatste de grachten en eene poort nog aanwezig zijn. Ook had men er de staten Fingia en Esa.

Herbajum is de geboorteplaats van den vermaarden Regtsgeleerde Thomas Herbajus; terwijl op Sickemastate in 1664 geboren werd Sicko van Goslinga, zoon van Johan van Goslinga, die omstreeks dezen tijd de state Goslinga te Dongjum stichtte. Ook ligt hier begraven de beroemde Plantenkenner Meese.

Toen de Friesche Edelen Sjoerd Aylva, Tjerk Walta, Douwe Hiddema en Dooitse Bonga in het jaar 1500 zich verbonden hadden, om Friesland, zoo moogelijk, van de overheersching der Saksers te bevrijden, en te dien einde Franeker belegerd hielden, was het hoofdkwartier van een der vier hoofddivisin, waarin hun leger was afgedeeld, te Herbajum gevestigd.

HEREMA (GROOT-), Groot-Heerema of Groot-Herama, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. O. van Harlingen, Z. O. van Sweins.

Deze state, welke eerst voor eenige jaren is afgebroken, is bezongen door den Dichter Daniel Willink, in zijn werkje: de Lustplaats Groot-Herema. Bij Franeker. Amst. 1734.

Een dezer bovengenoemde staten moet het stamhuis geweest zijn van het adell. geslacht van Herema of Herama, van hetwelk wij een der leden, Otto Herama, onder de Teekenaars van het verbond der Edelen vermeld (1).

(1) Zie over dezen laatste J. W. te water, Historie van het Verbond der Edelen, ST. II, bl. 354 en 55, en St. III, bl. 540.

HEREMA (NY-), Nieuw-Herema, Ny-Heerema of Ny-Heerma, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. O. Z. O. van Harlingen, 5 min. Z. ten W. van Tjum, waartoe het behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerderij, met een overblijfsel van de oude poort.

HERMANA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. O. Z. O. van Harlingen, 10 min. N. W. van Tjum, waartoe zij behoorde.

In het jaar 1496 werd zij door Jarich Hottinga, geholpen van eenige Franeker burgers, in brand gestoken.

HIECHTUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Hitsum.

HITSUM (WESTER-), b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Wester-Hitsum.

HITSUM of Hitzum, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. ten Z. van Harlingen, onder Tjum, waartoe zij behoorde.

HITSUM, Hitzym of Hytzum, ook wel Hichtum of Hitzuma gespeld, d. prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. van Harlingen, 1/2 u. Z. W. van Franeker. Men telt er, met de geh. Wester-Hitsum, 430 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt, hebbende men hier rondom de kerk veel hoog en vruchtbaar bouwland, door hetwelk ten W. des dorps de vaart van Franeker naar Arum loopt; terwijl de lagere landen meerendeels door inpoldering in latere jaren aanmerkelijk verbeterd zijn, en sommige tot kleinen voor steenbakkerijen gebezigd worden.

Hitsum is van ouds vermaard wegens de veelvuldige hoven en boomgaarden, die men er aantrof.

De Herv., die men hier aantreft, behooren tot de gem. van Achlum-en-Hitsum, die hier eene kerk heeft. De Pastoor dezer kerk had voor de Reformatie 100 goudg. (120 guld.). aan de Proost van de St. Janskerk moesten jaarlijks 6 schilden (12 guld. 50 cent) betaald worden. reeds van de tijden der kerkhervorming af, was Hitzum met Achlum gecombineerd en door de Predikanten van dat dorp bediend geworden, moetende de Predikant van Achlum om den derden Zondag des voormiddags te Hitzum prediken en er tweemaal in het jaar het Avondmaal bedienen. De kerk, op eenen hoogen terp gelegen, van waar men naar het Z. een heerlijk veldgezigt heeft, is een klein langwerpig gebouw, zonder orgel, bevattende ongeveer 100 zitplaatsen. In plaats van den ouden bouwvalligen toren, is in 1819 eenen nieuwen toren, met eene fraaije spits er op, gebouwd, gelijk toen de klok ook aanmerkelijk verbeterd is. In den tegenwoordigen toren hangen de beide klokken, die in den vorigen hingen, waarvan de grootste in het jaar 1671 en de kleinste in 1647 te Leeuwarden gegoten is. Uit een opschrift op eenen steen, vroeger in den Noordermuur der kerk aanwezig, heeft men kunnen opmaken, dat de kerk in het jaar 1591 gebouwd of aanzienlijk verbeterd is.

De R. K., die er wonen, worden tot de stat. van Franeker gerekend. - Men heeft er een doelmatige ingerigte dorpschool.

Men ziet er nog de heining en grachten van de oude sterke state Roordama of Roorda. Ook lagen hier de staten Epema en Tritsema, wier bezitters tot het ambt van Grietman over Franekeradeel geregtigd waren, en 1/2 u. O. van dit d. het voorm. klooster Miedum.

HITZUM, d. en voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Hitsum.

HOLCKAMA of Holkema, voorm. stat, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1/2 u. O. van Harlingen, 5 min N. W. van Midlum.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans een heerenhuizinge. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 1 bund. 13 v. r. 80 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door Mejufvrouw de Wed. B. van Loon, woonachtig te Harlingen.

HOLKEMA, voorm. sate, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Holckama.

HOTTINGA of Hattinga, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. ten Z. van Harlingen, 1/4 u. N. W. van Tjum, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenhuizing. De daartoe behoord hebbend gronden, beslaande eene oppervlakte van 1 bund. 50 v. r. 38 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door den Heer Jan Sikkes IJzenbeek, woonachtig te Harlingen.

KEE, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Kie.

KEESTER-VAART (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Kiester-Vaart (De).

KEESTER-ZIJL (DE), sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Kiester-Zijl (De).

KEIMPE-TILLE, brug over de Harlinger-trekvaart, te Sweins, met buurt en tigchelwerk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Kingma-Tille.

KIE, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Harlingen. Gem. en 1/2 u. W. van Franeker, in den klokslag of het stedelijk regtsgebied; met 7 h. en 50 inw.

KIEL, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Kijl.

KIESTERVAART (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zij ontstaat bij Achlum, loopt, met eene noordelijke rigting, langs de Bril, Westerhitsum en Kie, naar de Harlinger-trekvaart, waarin zij zich ontlast. Zij is, voor zooverre zij in de griet. Franekeradeel loopt, genaamd de Loop, tot dat zij onder de jurisdictie van de stad Franeker komt, wanneer zij de Kiester-vaart, heet, naar het geh. Kie, waar zij langs loopt.

KIESTERZIJL (DE), Kiestrazijl of de Keesterzijl, zijl of sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, gem. Franeker, 10 min. Z. O. van Herbayum, in den Slagtedijk, kunnende bij nood tot waterkeering dienen. - Deze sluis is in het jaar 1837 aanmerkelijk verwijd en met eene fraaije nieuwe draaibrug voorzien.

KINGEMA-TILLE, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Kingma-Tille.

KINGMA, oudtijds Kinjum, state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. O. van Harlingen, 5 min. Z. W. van Sweins, waartoe zij behoort.

Deze state, welke voor dezen galg en rad voerde, maakt thans het grootste sieraad van het d. Sweins uit. Zij heeft een zeer schoon gebouw en fraaije hovingen, welke eene oppervlakte van 7 bund. 34 v. r. 87 v. ell. beslaan, en thans in eigendom bezeten en bewoond worden door Jonkheer Julius Matthijs van Beyma thoe Kingma, Grietman van Franekeradeel.

KINGMA-TILLE, Kingema-Tille of Keimpe-Tille, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. O. van Harlingen, 5 min. Z. O. van Zweins; m,et 18 h. en 110 inw. Ook heeft men er eene tigchelwerk.

Zij ontleent haren naam aan de ophaalbrug, welke hier over de Harlinger-trekvaart ligt.

KOETILLE, brug, prov. Friesland, over de trekvaart van Harlingen naar Leeuwarden, onder het d. Midlum.

KONINGSBUREN of de Koningsbuurt, geh. of liever voorstad van Harlingen, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 5u. W. van Leeuwarden, kant. en 1/4 u. O van Harlingen, 1/4 u. Z. W. van Midlum, waartoe het behoort; met 30 h. en 150 inw. Men heeft er 2 kalkovens, 6 steenbakkerijen en 2 houtzaagmolens.

LAAGWERT, b., prov. Friesland, kw. Westergoo. Zie Laakwert.

LAAKWERT, ook Laagwert genaamd, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. ten Z. van Harlingen, 1/2 u. Z. W. van Tjum; met 4 h. en 35 h.

LUDINGAKERK, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 5 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1/2 u. O. N. O. van Harlingen, 10 min. W. van Midlum, waartoe het behoort; met 4 h. en ruim 30 inw.

Vroeger stond hier een klooster van de orde van der Reguliere Kanunniken, dat in het jaar 1157 gesticht was. Eerst was het slechts eene kapel, doch naderhand werd er een prachtig klooster met eene kerk gesticht. Die van het geslacht Ludinga, vroeger in Friesland bekend en beroemd, waren er de stichters van; onder hen wordt voornamelijk genoemd een Eilwerd Ludinga. Godefridus van Renen, de acht en twintigste Bisschop van Utrecht, bezorgde het nieuwe klooster Ludingakerk eenen Overste, te weten zekeren Wigbolt, een Fries, beroemd wegens zijne heiligheid en deugd, als ook wegens het doen van wonderen. De Bisschop gaf aan het klooster tevens de helft van de inkomsten der kerk van Minnertsga. Wigbold was alzoo de eerste Abt van Ludingakerk, welk klooster zeer spoedig in magt en rijkdom, alsmede in weelde en dartelheid toenam, zoodat de zedelijkheid des kloosters niet zeer kan geroemd worden. De konventen Anjum, Achlum, Schilwerd en Oegeklooster waren hun bestaan aan Ludingakerk verschuldigd. Dit klooster bekwam vele landerijen op Texel, en Willem II, Roomsch Koning, begiftigde het met geheel Vlieland, waardoor het weldra een der vermogendste in Friesland werd.

De Abt Gerbrand bevestigde ook Lambertus als eersten Proost van Lidlum. men wil, dat tijdens de gift van Vlieland aan Ludingakerk, dit eiland nog aan Terschelling verbonden was. Zeker is het, dat de Wadden en een groot deel der Zuiderzee toen nog land waren, hier en daar met slinken, laagten en moerassen doorsneden. Ook waren de dorpen Wester-Bierum en Dijkshorne (sints eeuwen in de zee bedolven) nog aanwezig. Het is evenwel geloofbaar, dat de vreeselijke watervloeden in 1170, 1172, 1174, 1176, 1177, 1200, 1212, de oude Vlietstroom aanmerkelijk verwijd hebben; inzonderheid heeft de zware vloed, die op den 1 November 1170 plaats had, een groot deel der lage landen tusschen Stavoren, Medemblik en Texel, in eene ondiepe zee veranderd; blijvende echter nog de noord- en noordwestkant van Friesland meer of min onbeschadigd. Op Texel hadden de Abten van Ludingakerk een uithof en, zoo als gezegd, vele landerijen; zoo om deze landen te bewerken, als tot andere einden, trokken de konversen van het klooster dikwijls naar de kusten der Noordzee, waarvan de afstand nog al aanmerkelijk was. Dit deed de Abt besluiten, om eene gracht of vaart te graven van Almenum naar Texel en Vlieland, waartoe de Monniken van Ludingakerk, geholpen door de inwoners van het dorp Dijkshorne, gebruikt werden. Door deze gracht had Ludingakerk eene meer geregelde gemeenschap met de onderhoorige landen op Vlieland en Texel; ook diende deze gracht, zoo men wil, ter afleiding van het zeewater van de kloosterlanden, op die eilanden gelegen. Deze gracht of vaart heeft aanleiding gegeven, dat de Noordzee eenen grooten invloed bekwam op de aldaar gelegene en mest lage landen, die nu den bodem der Wadden uitmaken. De verschillende en zware vloeden, die ons land en vooral Friesland in de dertiende en veertiende eeuw teisterden, hebben aan de Zuiderzee en de Wadden die gedaante gegeven, die zij nu vele eeuwen gehad hebben. Ook heeft de zware vloed van 1267 daartoe veel bijgedragen. Ten minste is het zeker, dat de zee tusschen Stavoren en Enkhuizen tusschen de jaren 1250 en 1400 aanmerkelijk verwijd is. De zelfde vloeden, die de west- en noordkusten van Friesland zoo zeer deden afnemen, gaven weder een nieuw land aan de oevers der Middelzee, welke langzamerhand begon aan te slijken, en dus binnen in Friesland aanwinst van land gaf. Evenwel was die zee in de twaalfde eeuw nog dikwijls zoo onstuimig, dat er menige dijkbreuk en overstrooming plaats had, en dat het maken en herstellen der zeedijken, om de Middelzee binnen hare oevers te beperken, vele landeigenaren te moeijelijk viel, weshalve zij liever hunne landerijen wegschonken, dan met het onderhoud dier dijken belast te blijven. daar het werk evenwel noodzakelijk was, wendde men zich in dien tijd dikwijls tot de kloosters, wier vermogen en bevolking veeltijds in staat waren, om de herstelling der dijken te bekostigen en te volvoeren. Men droeg dan dikwijls aanzienlijke landerijen op aan de kloosters alleen of althans grootendeels, om van het zware onderhoud der zeedijken bevrijd te worden. Zoo droegen die van Mantgum, vele landerijen over aan Olde-Klooster, waar de kloosterlingen in 1203 eene kerk stichtten. Boyum begaf zich grootendeels onder Lidlum, en te Weidum gaven vele landeigenaars, wien het dijksonderhoud te moeijeijk viel, aanzienlijke landerijen aan Ludingakerk, alwaar de kloosterlingen, na de verzorging der zeedijken en het bouwen van eene stins of slot, ook nog, met behulp van eenen Edelman, met name Viglius Hania of Haniama, die aldaar woonde, eene kerk stichtten. DE stins te Weidum werd een uithof of buitenplaats van Ludingakerk, alwaar ook een aantal Monniken en Konversen hun verblijf hielden, om de aangewonnen landen, onder opzigt en in naam van den Abt, te bezaaijen en te beweiden; doch een twist met den Edelman Dekama, Heer van Jellum, deed Ludingakerk alle goederen te Weidum en ook de stins verliezen. De Abt van Ludingakerk, met name Alardus of Alhardt, heeft met de Gratinga's de stins van Tako Harliga, staande tusschen Almenum en Dijkshorn, ingenomen en ten gronde toe geslecht, waarbij Harliga, die getrouwd was met eene dochter van Sakser van Harns, sneuvelde.

In 1237 vernielde een geweldige storm en watervloed de stins van Ludingakerk, staande tusschen Dijkshorne en Texel, terwijl er mede eene groote hoeveelheid landerijen, aan het klooster toebehoorende, in zee veranderd werd.

In 1246 schonk Sicco Sjaardema, achtste Potestaat van Friesland, dat gedeelte van Texel, hetwelk toen nog aan Friesland behoorde, aan den Abt van Ludingakerk, Alardus en zijne nakomelingen, gelijk dit klooster dat eiland bezeten heeft tot den tijd, wanneer het hun door de Graven van Holland gewelddadigerhand ontnomen is. Indien het waar is, dat de dorpen Westerbierum en Dijkshorne door den geweldigen watervloed van 1287 vergaan zijn, dan heeft ook gewis Ludingakerk toen een groot verlies aan landerijen geleden, alzoo het klooster in en om die dorpen vele eigendommen bezat. Onder alle deze omstandigheden van aanwinst en verlies, bleef Ludingakerk zijn invloed op vele zaken en personen behouden. De zedelijkheid en de godsdienst der Monniken namen evenwel zoo zeer af, dat deze meer lust in oorlogen, dan in godsdienstige werken hadden. Tot de vredesonderhandeling en -sluiting met de Groningers, in 1420, waren, behalve de Postestaat Sjaardema en andere Edelen en Geestelijken, ook gevolmagtigd de Abten van Ludingakerk en Oldeklooster. De monniken van Oldeklooster namen deze gelegenheid, van de afwezigheid dier beide Abten, waar, om Ludingakerk onverwacht te overrompelen en, zoo mogelijk, in te nemen. Buiten hun weten waren aldaar eenige Heerschappen te zamen, om over sommige gewigtige zaken te handelen, welke, met behulp der talrijke Monniken, den aanslag van dit Oldeklooster verijdelden, de aanvallers op de vlugt dreven en tot aan Arum vervolgden, wanneer er negen en dertig van de Monniken Oldehoven gesneuveld zijn. Van de zijde van Ludingakerk waren er negen Monniken, benevens Sikko Thoe Nijenhuis, Heerschap te Wynaldum, gesneuveld; terwijl de edelen Gratinga en Hania zwaar gekwetst werden. Zoo haast deze beide Edelen van hunnen wonden genezen waren, begaven zij zich gewapend en door vijftig Ludingakerkster-Konversen gesterkt, naar Oldeklooster om het te bemagtigen. Dit gelukte hun niet; zij moesten zich met het gevangen nemen van twee Monniken en het verbranden van een paar huizen vergenoegen, waarna zij naar Ludingakerk terugkeerden en de beide gevangen Monniken voor de poort dood sloegen en daarna aan eenen boom ophingen.

In de twisten tusschen de Edelen, die Friesland in de dertiende en veertiende eeuw zoo geweldig beroerden, namen de kloosterlingen van Ludingakerk, die tot de partij der Schieringers behoorden, mede een werkzaam aandeel. De godsdienstoefeningen, welke zij, volgens den regel hunnen orde, verpligt waren te verrigten, werden verzuimd en liever oorloogden zij, dan de missen te bedienen en hunne getijdeboeken te lezen. Bij de omliggende Geestelijken stonden de Konversen van Ludingakerk dan ook zeer ter kwader naam, wegens de ongebondenheid van hun leven en den moedwil, welke zij gedurig pleegden. Het gevolg hiervan was, dat de Pastoors van Franeker, Harlingen en Hitzum, hierover aan de Edellieden ernstig klaagden, en in 1443 werd Ludingakerk, dat nu den zeven en twintigsten Abt had, tot eene proosdij vernederd, voerende de volgende Oversten des kloosters, den naam van prior. DE Monniken werden beteugeld in hun ongebonden leven, en op straf verpligt, om de kloostertucht te eerbiedigen en de godsdienstige oefeningen gezet waar te nemen. Deze hervorming van dit klooster geschiedde door Kapittelbeeren van het klooster St. Agnes te Windesheim, in Overijssel gelegen, en ten overstaan van de Edelen Sikke Sjaerda, Douwe Aylva, Epe te Kee, Douwe Homminga, Douwe Oedzinga te Kimswerd, Rienck Ukkesen en Tjaerd Tjaerda.

Omstreeks dezen tijd kregen de Monniken van Ludingakerk verschil met die van Oldeklooster, over de graven in de geregtigheid van de zijl te Makkum. Dit verschil dreigde tot eenen openbaren oorlog te zullen overslaan; doch de vrome Abt van Oldeklooster, Ulbodus Tienstra en eenige Edelen legden het verschil bij.

In 1516, tijden de Geldersche en Saksische onlusten in Friesland, was Ludingakerk, even als andere kloosters en dorpen, meermalen een tooneel van onrust en verwoesting, naardien de Gelderschen er menigmaal hun garnizoen hielden, en de Monniken alsdan genoodzaakt waren zich elders, waar zij het best konden, van het noodige voorzien. Daardoor ging ook dit klooster te gronde.

Beurtelings hadden de Geldersche en Saksische soldaten het zooverre vernield, dat er slechts de kerk en nog een gebouw was blijven staan, waarna de Saksischgezinde Franekers ook dit laatste gedeelte verbrandden, en Crombach, Drost te Harlingen, liet van de bouwvallen de steenen wegvoeren om den toren te bouwen, welke bij het kasteel (thans de Westerkerk) te Harlingen heeft gestaan, op welken toren in 1566 de Edele Friezen Sjoerd van Beyma en Hartman van galama gevangen werden gezet. Ludingakerk heeft dus van 1167 tot 1556, juist 359 jaren bestaan.

LUIDUM, Luydum of Luedum, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 u. Z. W. ten W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. W. van Franeker, 1/4 u. W. Achlum, en onder dat dorp behoorende; met 2 h. en 12 inw.

LUYDYM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Luidum.

MAARTENSKLOOSTER (ST.) voorm. Kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Achlumerkonvent.

MEDUM, voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, onder Tjum.

Dit kloost., bewoond door Nonnen, en geheiligd aan Maria Magdalena werd, door den zwaren watervloed van 1289, zoodanig verarmd, dat de Zusters, haar bestaan niet langer kunnende vinden, zich genoodzaakt zagen, met verlating van den regel harer orde, met de handen haar brood te winnen. Om deze reden werden zij door den Bisschop van Utrecht tot de orde van premonstreit, onder de voogdij van Lidlum gebragt, en geheel het klooster, bestaande uit drie en vijftig kloosterlingen, met de goederen, onder Lidlum en bajum verdeeld. Naderhand diende deze plaats tot eenen uithof voor de Abten van Lidlum, van deze zocht Tetardus Schellinganus, een voorstander van de partij der Vetkoopers, hier, in het jaar 1381 eene stins te bouwen; doch dit mislukte hem, dewijl de Schieringers, en vooral Sjaerdema van Franeker, zulks niet willende dulden, den Abt, toen hij hiermede bezig was, overrompelde en onderscheidene Monniken doodsloegen, doch den gevangen Abt bij verdrag weder slaakte.

Ter plaatse, waar dit klooster gestaan heeft, ziet men thans twee boerenplaatsen, welke den naam van Medum hebben behouden.

MIDLUM, weleer ook Midlama genoemd en in een bul van Paus Innocentius II, onder den naam van Mitlinge voorkomende, d., prov Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 5 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1/2 u. O. van Harlingen. Men telt er, met de uitgebreide Koningsbuurt, 56 h. en 620 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, hebbende men er zeer voortreffelijke landerijen en zeer hooge en vruchtbare terplanden. Ook zijn er zes tigchelwerken, twee kalkovens en twee houtzaagmolens.

Door de buurt van dit dorp loopt de weg van Harlingen naar Franeker en Leeuwarden, doorgaans de Witte-Weg genoemd, nu vervangen door den straatweg en door het behoor van het dorp ook een gedeelte van de vaart tusschen die beide steden, waardoor dit dorp veel doortogt heeft.

De Herv., die er 550 in getal zijn, onder welke 100 Ledematen, maken eene gen. uit, die tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De eerste, die er in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Albertus Hesselius Reen, die er in 1573 Priester was en na de Reformatie hier de Hervormde leer gepredikt heeft. Waneer hij overleden of vertrokken is, vindt men niet opgetekend; maar in 1605 stond hier reeds Hesselius Alberti, die vermoedelijk zijn zoon was, en in 1607 ook de vakante gemeente van Pietersbierum bediende. Hij stond nog in 1611 te Midlum, doch moest in het jaar 1612 of 1615 overleden of vertrokken zijn; want in het laatstgenoemde jaar Christoforus Hardenbergius van Schingen herwaarts beroepen. Onder de later hier gestaan hebbende Leeraren verdienen melding Joannes a Mark, die hier in 1675 in dienst kwam en in het volgende jaar als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Groningen en van daar naar Leyden vertrok, alwaar hij den 30 Januarij 1731 overleed, en Johannes van der Waeijen, die hier in het jaar 1700 in dienst kwam en in Maart 1702, als buitengewoon Hoogleeraar in de godgeleerdheid, naar Franeker beroepen werd, waar hij gewoon Hoogleeraar werd in 1704 en den 9 Dec. 1716. De kerk, welke op eene hooge terp staat, en vr de Reformatie aan den H. Nicolaas was toegewijd, bragt den Pastoor jaarlijks 100 goudgulden (150 guld.) op, en aan den Proost van St. Janskerk moest men 8 schilden (18 guld.) betalen. Deze kerk, een langwerpig vierkant gebouw, heeft een netten predikstoel aan het oosteinde en de kosterij ten N., uit welke een ingang in de kerk in. Zij is van een fraai orgel voorzien, hetwelk door onderlinge bijdragen der gemeenteleden gemeenschappelijk bekostigd en den 4 Februarij 1812 is ingewijd; het orgel, dat vroeger in deze kerk was, werd later nog in de Evangelische Luthersche kerk te Harlingen gebruikt.

Ten Z. van het kerkhof en daaraan verbonden was vroeger een groot plein, op de zelfde hoogte als het kerkhof, waar men openbaar regt hield onder den blooten hemel, welk plein Frittema-Weerstal heette.

De R. K., die er 70 in getal zijn, behooren tot de stat. van Harlingen.

De dorpschool, welke hier in 1837 nieuw gebouwd is, wordt gemiddeld door een getal van 100 leerlingen bezocht.

Men had hier oudtijds vier staten, waaraan ook het regt tot het ambt van Grietman verbonden was, als: Riemersma, Frittema, Holkema en Laus; insgelijks waren onder het behoor van Ludingakerk drie zulke staten, met name Eseluma, Aynstra en Saltripeta, alle welke reeds voorlang vernietigd zijn.

Het oude klooster Ludingakerk, ten Z. O. van de buurt, over de Koetille gelegen, behoorde onder dit dorp, welk klooster in 1516 verwoest is.

Onder dit dorp ligt eene zware brug over de Harlinger-vaart, Koetille genaamd, en verder noordwaarts Ungaboer, welke naam ook nog aan een ander boerenhuis en tigchelwerk, op die hooge, aan de Harlinger-vaart gelegen, gegeven wordt.

De kermis valt in de Paaschweek.

Midlum is de geboorteplaats van den jeugdigen nederduitsche Dichter Sicco Godefridus Nauta, geb. 30 Januarij 1786, 10 December 1804.

In het jaar 1571 werd op den persoon Melchior, voorheen wever te Midlum, eene premie van 50 guld. gesteld, voor dengene, die hem levend of dood in handen der justitie zou leveren; zijne misdaad was de belijdenis der Hervormde godsdienst.

MIEDUM, voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, onder Tjum, tusschen dit d. en Franeker.

Dit Nonnenklooster was gesticht in de twaalfde eeuw, en toegewijd aan Maria Magdalena.

Door den vreesselijken watervloed, die in Friesland in de maand December 1287 zoo onberekenbaar veel schade aanrigtte, en aan duizenden het leven kostte, werd het klooster Miedum zoodanig verarmd, dat de kloosterlingen genoodzaakt waren, om, met verlating van hare orde, door handenarbeid haar brood te winnen, waardoor het klooster te niet liep. Johannes van Zirck, door zijnen Legaat, zekeren Heer Frederik, het klooster ontbinden; en nadat de maagden, ten getale van 53, het witte gewaad der orde van premonstreit hadden aangenomen, bij de kloosters Lidlum en Baijum indeelen, gelijk ook de goederen van het klooster sedert dien tijd aan Lidlum verbleven.

Om dezen uithof tegen de aanvallen der reeds woedende partijschappen der Schieringers en Vetkoopers te beveiligen, liet Tetardus of Tjaard, de twintigste Abt van Lidlum, aldaar, een ongemeen sterk slot of kasteel bouwen; doch Sjaerdema, een voornaam Schieringer te Franeker, nam het euvel op, dat de Abt in de nabijheid der stad zulk eene sterkte aanlegde, en liet den Abt, van Miedum naar Lidlum terug keerende, gevangen nemen, en de vier Monniken, die hem vergezelden, dood slaan. Nu verzamelde Sjaerdema een leger bijeen, waarmede hij het klooster Lidlum, benevens de uithoven van dat convent en daaronder ook Miedum uitplunderde.

Toen de Friesche Edelen Sjoerd Aylva, Tjerk Walta, Douwe Hiddema en Dooitse Bonga den jonge Hertog Hendrik van Saksen, in het jaar 1500 binnen Franeker belegerd hadden, was het hoofdkwartier van een der vier divisin, waarin het leger verdeeld was, in deze uithof.

Miedum moest ook, gelijk Lidlum en vele andere kloosters en uithoven in Friesland, in 1572, den laatsten slag der verwoesting verduren, gelijk er van Miedum, als klooster, thans niets meer dan de naam aldaar overig is, wordende er tegenwoordig twee boerenplaatsen gevonden, welke met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte beslaan van 8 bund. 21 v. r. 36 v. ell. en thans in eigendom bezeten worden door den Heer W. J. Tenckinck, woonachtig te Tjum, en medeigenaren.

MONNIKEBILDT of Munnikebildt, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. O. van Harlingen, 1/4 u. N. van Achlum, waartoe het behoort.

MUNNEKEBILDT, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Monnikebildt.

OFFINGAHUIZEN, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. Z. W. ten W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. O. van Harlingen, te Achlum.

Deze state was een stamhuis van het adell. geslacht van Offenhusen, hetwelk een der Teekenaars van het verbond der Edelen, Frederik van Offenhusen, onder zijne leden telt. Met deze stierf dit geslacht in het mannelijke oir, uit, hebbende hij slechts twee dochters nagelaten (1).

Ter plaatse, waar deze state gestaan heeft, ziet men thans eene bouwhuizing. De daartoe behoord hebbende gronden, eene oppervlakte beslaande van 38 v. r. 35 v. ell., worden in eigendom bezeten door den Heer Carel Jan Julius Storm van 's Gravesande, woonachtig te Vorden, prov. Gelderland.

OSSETILLE (DE), brug, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, onder de vaart, die van het dorp Achlum, naar het oude klooster Ludingakerk loopt.

OUDENDALE, voorm. kloost., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Lidlum.

PAYZIJL, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, 1/2 u. O. van Achlum, in den Slachtendijk.

PEINS, oudtijds Peinseraga en Peynseragae, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 2 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. van Harlingen, 1 u. N. O. van Franeker.

Men telt er in de kerkbuurt, die niet groot is, 12 h. en ongeveer 80 inw., en met de b. Tamterp, 31 h. en 180 inw., die meest in den landbouw en in de veeteelt hun bestaan vinden. Peins bevat vele goede landerijen, maar ook een aanmerkelijk deel laag land.

De inw., die hier op 14 na allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Peins-en-Sweins, die hier eene kerk heeft, zijnde een langwerpig vierkant gebouw. De predikstoel staat aan den zuidermuur en het orgel wordt aan het oosteinde gevonden. Vr de Reformatie had Peins ook alleen eenen Pastoor, die honderd goudgulden (150 guld.) trok; ook was er nog eene prebende, die tachtig goudgulden (120 guld.) opbragt. De Proost van St. Janskerk te Utrecht genoot acht schilden (18 guld.). De parochiekerk behoorde onder den dekenstoel van Franeker. Na de Hervorming is Sweins met Peins gecombineerd, en toen werd hier om den tweeden Zondag tweemaal gepredikt. De bouwvallige kerk en het oude orgel zijn voor weinige jaren aanmerkelijk hersteld, en in eenen zeer goeden staat gebragt.

De 14 R. K., welke er wonen, worden tot de stat. van Franeker gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 20 leerlingen bezocht.

Men had hier vroeger de state Doekema, Offinga en Kampema, welke bezitters tot het ambt van Grietman geregtigd waren. Doch ook lagen hier staten, die dit regt niet hadden.

PEINS-EN-SWEINS, kerk. gem, prov. Friesland, klass. van Harlingen, ring van Franeker.

Men heeft hier twee kerken, als ne te Peins en ne Sweins. Men telt er 410 zielen, onder welke ruim 100 Ledematen.

De eerste, die, zoo veel men weet, hier het leeraarambt heeft waargenomen is geweest Tarquinus Mantgum of Tarquinus Wijbrandi, overleden den 5 September 1611, volgens nog aanwezige grafsteen. Hoe lang deze Leeraar hier gestaan heeft, en of hij de eerste geweest zij, kan men niet bepalen. In 1612 werd hij opgevolgd door Hero J. Wiarda, die in 1661 overleed. Onder de Leeraars, welke hier gestaan hebben, vindt men vermeld, Haeble Potter, die in het jaar 1793 hier beroepen en in het jaar 1804 gedemitteerd werd. Hij overleed in het jaar 1824 als Hulp-prediker te Amsterdam nadat hij onderscheidene reisbeschrijvingen had in het licht gezonden.

PEINSERAGA, oude naam van het d. Peins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Peins.

PEYNS, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Peins.

PEYNSERAGA, oude naam van het d. Peins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Peins

RIED, oudtijds ook Rhede, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 2 1/2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. N. O. van Harlingen, 1 u. N. O. van Franeker, tusschen goede bouwlanden en boerenplaatsen aan de Ried, van welk water het zijnen naam ontleent.

De buurt van dit d. is niet groot, tellende slechts 34 h. en ruim 240 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. ten O. grenst dit d. aan het oude klooster Anjum, behoorende tot Menaldumadeel. Oudtijds lagen hier adellijke staten, als: Anema, ten Noordoosten van het dorp, nog aan de grachten en hoving kenbaar; Oud-Andla, ten Zuidwesten waarvan het slot in 1433 afgebroken was, en Nieuw-Andla, nog in wezen.

De inw., die hier allen Herv. zijn, behooren tot de gem. van Ried-en-Boer. Na de Hervorming maakte Ried eene afzonderlijke gem. uit, welke tot eersten Predikant had Godefridus Johannes, die hier reeds in 1601 stond, en den 26 April 1613 overleden is. In het jaar 1725 toen Egbertus Johannis Wiardi alhier Predikant was, is de halve bediening van Boer, welke vroeger op Dongjum lag, op Ried gelegd, doch in 1758 is Boer geheel met Ried gecombineerd. Onder de vroeger alhier gestaan hebbende Predikanten, verdient melding Vitus Ringers, die hier in 1682 kwam en den 23 Februarij 1723 overleed. Hij heeft zich als Nederduitsche Dichter doen kennen, door het in het licht zenden van het Stichtelijk Sang-priel.

Oudtijds behoorde de kerk te Ried, onder den dekenstoel van Franeker, en moest aan den Proost van St. Janskerk te Utrecht, 17 schilden (36 guld.) betalen. De pastoor genoot 100 goudgulden, (150 guld.), de koster trok 40 goudgulden (60 guld.). Alhier zijn twee leenen, het eene in de dertiende, het andere, in de vijftiende eeuw gesticht, met oogmerk om godgeleerde studin te bevorderen, gelijk deze leenen nog heden toe daartoe gebruikt worden. het eene leen was met uitdrukkelijke bepaling van den donateur, om jaarlijks een zielmis voor hem na zijn overlijden te doen. Nadat de toren door ouderdom ingestort was, is de tegenwoordige in 1614 gebouwd. Hij was eerst stomp, doch werd, in het begin dezer eeuw, met een spitsje voorzien. De kerk is in 1635 gebouwd. Het oude orgel is, in het jaar 1829, door een nieuw, fraai en welluidend orgel vervangen, gemaakt door de Heeren L. en J. van Dam, Orgelmakers te Leeuwarden. Grietje Reneman, wed. van Vitus Ringers, legateerde in haar testament van den 3 Junij 1728, 200 guld., om daarvoor te koopen eenen zilveren schotel, ten gebruike bij het H. Avondmaal, waarop hare en hares mans wapenen moesten gesneden worden, welke schotel als nog tot het bedoelde einde gebruikt wordt.

Te Ried is eene zeer goede dorpschool, welke gemiddeld door een getal van 50 leerlingen bezocht wordt.

Ried is de geboorteplaats van Godefried Andla, den veertienden Abt van Lidlum, die in 1337 overleed. Den 31 October 1551, overleed aldaar een Priester met name Rein Amezoon, die in de pastorijgraven in de kerk begraven ligt; welligt was deze de laatste Priester te Ried.

RIED-EN-BOER, kerk. comb., prov. Friesland, klass. van Harlingen, ring van Franeker.

Men heeft er twee kerken, als: ne te Ried en ne te Boer, en telt er ruim 330 zielen, onder welke 100 Ledematen. De eerste, die hier in deze comb., welke sedert het jaar 1758 bestaat, het leeraarsambt heeft waargenomen, is geweest Petrus Alma, die, sedert den 22 Julij 1742, Ried bediend had en de halve bediening van Boer had waargenomen. Hij overleed aldaar den 25 Mei 1802.

ROEDERSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. ten N. van Harlingen, 10 min. O. van Dongjum, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenhuizinge. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 2 bund. 4 v. r., worden thans in eigendom bezeten door de Erven van wijlen den Heer J. Blijma, woonachtig te Weidum.

ROORDAMA of Roorda, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. van Harlingen, 1/2 u. Z. W. van Franeker, 3 min. N. van Hitsum, waartoe zij behoorde.

Deze stins is reeds in de twaalfde eeuw gebouwd en tusschen de jaren 1622 en 1662 afgebroken.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men nog de heining en de grachten. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 5 bund. 6 v. r. 86 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door den heer Pieter Tjerks Miedema, woonachtig te Hitsum.

SALWERD, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. van Harlingen, gem. en 1/2 u. O. van Franeker: met 5 h. en 30 inw., en het buit. Van den zelfden naam. Zie volgende art.

SALWERD, buit., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 2 1/2 u. O. van Franeker.

Deze state beslaat, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 3 bund. 84 v. r. 40 v. ell., en wordt thans in eigendom bezeten, door den Heer Adriaan van den Hoop, woonachtig te Amsterdam

SCHALSUM, Schalzum, ook wel Schalsem gespeld, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. ten N. van Harlingen, 1/2 u. N. O. van Franeker, aan den rijweg van Franeker op Ried.

Dit d., hetwelk eertijds met Zweins, Peins, Ried en Boer de Franeker Vijfga uitmaakte, telt 20 h., en omtrent 120 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.

De landen van dit dorp zijn meerendeels laag, vooral in het Zuidoosten, Noordwesten en Noorden, doch de twee groote poldermolens, onder dit dorp bestaande, zijn overvloedig toereikende, om niet alleen de landen van Schalsum, maar ook vele landen van Boer, Ried, Peins en Zweins droog te houden.

De inw., die er, op 14 na, allen Herv. zijn, onder welke ruim 20 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Harlingen, ring Franeker, behoort.

Na de Hervorming, tot in 1758, moest de Predikant van Schalsum de halve dienst te Boer vervullen en om den vierden Zondag aldaar prediken, doch na dien tijd is Schalsum niet meer gecombineerd geweest. De eerste, die hier het leeraarsambt heeft waargenomen, is geweest zekere Wigerus (vermoedelijk Wigerus Mellesius), die hier eerst Pastoor was, en in het jaar 1567 tot de Hervormden is overgegaan en in dat zelfde jaar naar Emden gevlugt is. Later was Egbertus Sickens Aerauius, in 1588; hier Predikant, doch werd in 1594 naar Groningen beroepen. Vr de Reformatie had Schalsum ook eenen eigen Pastoor, die 100 goudguld. (150 guld.) en eenen Vicaris, die 80 goudguld. (120 guld.) inkomen had. De kerk behoorde onder den dekenstoel van Franeker en betaalde aan den Proost van St. Janskerk te Utrecht 's jaars 8 schilden of 18 gulden. In het jaar 1555 is de kerk te Schalsum bijna geheel vernieuwd, toen Heer Ruardi Pastoor en welligt Johannes Gruda destijds vicaris was. Toen was Jarich van Botnia, te Franeker, Heerschap te Schalsum. Dit was weleer in een Latijnsch opschrift te lezen boven de deuren van het koor, doch dit geschrift is bij het verwen der kerk vernietigd. Van ouds was de toren te Schalsum geheel met eenen klimop-boom bewassen, waarin zoo vele musschen en ander schadelijk gevogelte huis hield, dat men meermalen, om de schade van het koren en andere veldvruchten te voorkomen, genoodzaakt was de vogelnesten er uit te scheuren, totdat men eindelijk den klimopboom geheel heeft weggenomen. het spreekwoord: to Schalsum ijnne klimmerbeam (te Schalsum in den klimop-boom) herinnert nog aan dezen boom. De klok, welke van een helder geluid is, is gegoten in 1705, en men leest daarop den naam van Sicko van Goslinga, toenmaals Grietman van Franekeradeel. De kerk is in 1711 van binnen betimmerd en met den tegenwoordigen fraaijen predikstoel versierd. Er is daarin geen orgel, maar men heeft er nog eene nis en eenen watersteen. De toren, welke voorheen stomp was, is in 1805 met een net spitsje voorzien. Men heeft er ook eene ouderwetsche goede pastorij.

De 3 Doopsgez., die er wonen, worden tot de gem. van Franeker, gerekend. - De 11 Christelijk Afgescheidenen, die men er aantreft, behooren tot de gem. van Minnertsga.

In dit d. is geboren Ulbe of Ulpius Cissaeus (1), ook wel Trajanus toegenaamd, een vriend van den geleerden Erasmus van Rotterdam. Hij was zeer ervaren in de Grieksche taal en Professor te Erfurt; doch zijne gehechtheid aan de Roomsche godsdienst deed hem in ongunst bij de Lutherschen vallen, te meer daar hij ook eenige boeken tegen Luther en zijne leer had geschreven.

(1) Deze Cissaeus ontleende zijnen naam van Cissus (klim).

SICKEMA, Sickama of Siccama, vroeger waarschijnlijk Walta Waltinga geheeten, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. ten N. van Harlingen, 5 min. O. van Herbaaijum, waartoe zij behoorde.

ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenplaats, vr welke nog de steenen poort der state aanwezig is.

Op dit Siccama is de voortreffelijke Staatsman Sicco van Goslinga, in 1664 geboren. Hij overleed den 18 September 1731, na Ambassadeur aan het hof van Frankrijk enz. te zijn geweest.

SITLUM, voorm. stat., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 1 3/4 u. O. Z. O. van Harlingen, 1/2 u. W. ten Z. van Tjum, waartoe zij behoorde. - De plaats, waar zij gestaan heeft, is thans niet meer te vinden.

SOPSUM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 u. Z. W. ten W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. Z. W. van Franeker, onder Achlum, waartoe het behoort; met 6 h. en 50 inw.

SUWENSERA, oude naam van het d. Sweins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Sweins.

SWEINS of Zweins, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 2 3/4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. ten N. van Harlingen, digt aan de trekvaart van Franeker op Leeuwarden, over welke hier eene brug ligt, Kingma-tille genaamd, waarbij eene tot dit d. behoorende buurt van dien naam.

Bij de kerk staan slechts 4 h., bewoond door 20 zielen, doch, met de aanzienlijke b., die naar de brug Kingma-tille of Keimpe-tille heet, telt men er 37 h. en 280 inw., die meest in denlandbouw hun bestaan vinden: ook heeft men er eene steenbakkerij.

Van 1795-1825 is de bevolking van Sweins met niet minder dan 73 zielen vermeerderd, welke aanzienlijke aanwinst het gevolg is van de edele pogingen van wijlen den Heer Edzard Marius van Beyma, die in 1825 op Kingma state overleed. Die He?? er verschafte niet slechts aan vele arbeiders werk en brood, maar deed te Sweins bovendien vele handwerken beoefenen, die men anders in kleine dorpen zelden aantreft, waardoor, met de welvaart, ook de bevolking van dit dorp aanmerkelijk aanwies.

De inw., die er allen Herv. zijn, behooren tot de gem. van Peins-en-Sweins, welke hier eene kerk heeft. Daar de oude kerk en toren bouwvallig was, is, in de plaats daarvan, de tegenwoordige kerk, met een spits torentje midden erop, gebouwd, welke den 5 October 1782 werd ingewijd. In deze kerk is een fraai orgel, met een handklavier en aanhangend pedaal met 13 stemmen. Het is jammer, dat dit orgel, waarin kunst en sieraad zich oorspronkelijk vereenigden, door de vochtigheid en bedomptheid der kerk, zoodanig bedorven is, dat het eene aanmerkelijke herstelling behoeft. Allerminst zou men zulk eene vochtigheid verwachten in eene kerk, die op eenen zoo hoogen grond gebouwd is. Oudtijds behoorde de gemeente van Sweins onder den dekenstoel van Franeker, en had eenen Pastoor, die honderd goudgulden (150 guld.) trok. Aan den Proost van St. Jan te Utrecht moest Sweins jaarlijks acht schilden (18 guld.) betalen. De klok, die reeds lang vr het jaar 1500 gegoten is, heet Regina; of dit ter eere van zekere Heilige zij en of deze Heilige Vrouw of Maagd weleer voor de Patrones van Sweins gehouden werd, is niet met zekerheid te bepalen. Na de Reformatie is Sweins eene combinatie van Peins geworden, en door de Leeraars van dat naburige dorp bediend. Hier wordt om den tweeden Zondag gepredikt en ook om de andere maal het Heilig Avondmaal bediend.

TAMTERP, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 2 1/2 u. W. van Leeuwraden, kant. en 2 1/2 u. O. van Harlingen, N. van Peins; met 17 h. en 100 inw.

Deze b. had in de veertiende eeuw de geregtigheid van drie toerbeurten tot het grietmansambt in Franekeradeel, op drie staten daar gelegen, et name Doekema-state ten Noorden, Offinga-state ten westen van de stins Tamterp en die stins zelf; de overige staten hadden hier geen deel aan, behalve Kampama ten Zuiden van het stins gelegen, inlateren tijd, toen de vier genoemde staten aan vier broeders, door erfenis gekomen waren.

TEETLUM, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 3 1/2 u. O. Z. O. van Harlingen, 1/2 u. Z. Z. O. van Tjum, waartoe zij behoort; met 2 h. en 30 inw.

TERP, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Gelterp.

TJUM of Tzum, eertijds Tzumma, Tzumga of ook Tzumgum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/4 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. Z. O. van Harlingen, aan den gewonen rijweg van Franeker naar Sneek.

Dit dorp is ver het grootste van Franekeradeel, bestaande uit eene ruime dubbele streek huizen, ter wederzijde van eene wel geplaveide straat, en voorts uit drie of vier bijstraatjes. Het is op eene hooge terp gebouwd; terwijl men buitendien nog vele terpen onder dit dorp vindt. Men telt er, in de kom van het d., 71 h. en 390 inw., en met de daartoe behoorende b. Barsum, Laakwert, Tolsum, Fatum, Teetlum, Tritsum, Koum, Holpryp, Tallum, de Vlaren, de Kampen en Klooster-Miedum, 64 h. en ongeveer 830 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. De landen zijn er niet zeer hoog en van matige hoedanigheid.

De Herv., die er 790 in getal zijn, onder welke 240 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Harlingen, ring van Franeker behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, was Egbertus Wig, die in het jaar 1567 van daar moest vlugten. Zijn opvolger was Henricus Schuerman, die eerst eenige jaren later herwaarts kwam, en na wien deze gem. onafgebroken van Predikanten is voorzien geweest, onder welke bijzonder melding verdient Conradus Alutarius, die er van 1602-1626 stond en vele godgeleerde schriften heeft nagelaten. De kerk, die vr de Reformatie aan den H. Bonifacius gewijd was, behoorde destijds onder het dek. van Franeker; de Pastoor genoot jaarlijks inkomen van 100 goudgulden (150 guld.), de Vicaris had 90 goudgulden (135 guld.). Tjum moest aan den Proost van de St. Janskerk te Utrecht 8 schilden of 18 gulden betalen. De laatste R. K. Priester te Tjum was Martinus Aegidius Eliagus; hij omhelsde de Hervormde leer, en deed den 8 September 1566, des namiddags te twee ure, in de Oldehoofdster-kerk te Leeuwarden de tweede Hervormde leerrede aldaar, nadat Antonius Nicolai, gewezen Priester te Hoogebeintum, aldaar des voormiddags gepredikt had; zijnde de beelden alvorens, op last van de Regering van Leeuwarden, uit de kerk weggenomen. De kerk is eene der grootste dorpskerken. wanneer zij gebouwd is, is onbekend. Men leest op den buitenmuur 1596; maar dat jaartal zal zeker te kennen geven, dat de kerk toen in hare tegenwoordige gedaante is gebragt. Volgens overlevering moet de oude kerk verbrand zijn, en zijn de zijmuren, die eene veel oudere bouworde dan de toren vertoonen en grootendeels uit duifsteen bestaan, nog overblijfselen daarvan, terwijl het koor en de overal aangebragte contreforcen van 1596 zullen kunnen zijn. De kerk is wel ingerigt en van een uitmuntend orgel voorzien, hebbende twee handklavieren, een aangehangen pedaal en negentien stemmen, waaronder een 16 voet, en 7 acht voet stemmen, gemaakt in 1760, door Albertus Anthony Hinsch, orgelmaker te Groningen, en in 1817 aanzienlijk hersteld en verbeterd. Het vorige orgel was veel kleiner en wordt nog in de kerk te Oosthem gebruikt. De toren, die 72 ell. hoog is, als het vierkant 31 en de spits 41 ell. en de hoogste is uit geheel Friesland, is gebouwd in 1548; daarin zijn twee luiklokken en een uurwerk met eenen buitengewoon langen slinger.

Den 12 Februarij 1836 sloeg de bliksem onder in den toren door een glasraam; een half uur later ontdekte men brand in de spits, ruim 4 ell. boven den omgang, welke brand men spoedig waande meester te zijn, zoodat men reeds uiteen wilde gaan toen er andermaal vuur van boven viel, waarop men ongeveer 25 ell. boven de eerste brand, weder brand ontdekte, welke echter door de onverschrokkenheid van Johannes Ferwerda, met eigen levensgevaar, spoedig gebluscht werd.

De Doopsgez., die er 7 in getal zijn, worden tot de gem. van Franekeradeel gerekend. - De 26 R. K., welke men er aantreft, behooren tot de stat. van Franeker. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 80 leerlingen bezocht.

Tjum had oudtijds vele adellijke staten, van welke de laatste die bestaan hebben, als: Herema, Hermana, Sitlum, Hottinga en Dekama al sinds vernietigd zijn; alleen is de state Nieuw-Herema nabij de buurt, aan de poort nog het kenbaarst. Ook stond hier vroeger het klooster Miedum (zie dat woord).

In April 1516 werd bijna het geheele dorp Tjum afgebrand, door de Saksische en Duitsche krijgsbenden, bekend onder den naam van den Zwartenhoop, die in de noordelijke kwartieren van Friesland grooten moedwil pleegden, en overal moord, brand en verwoesting aanrigtten.

De kermis valt in den 24 Augustus.

Tjum is de geboorteplaats van Wibrandus II, de achttiende Abt van Lidlum, in het jaar 1385.

Op Paaschmaandag van het jaar 1535 waren te Tjum ongeveer 300 menschen van den aanhang des Herdoopers Jan van Geelen vergaderd, die, aangevallen door 200 krijgsknechten, zich niet alleen staande hielden, maar ook hunne vijanden met groot verlies deden wijken.

TOLSUM, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. O. Z. O. van Harlingen, 25 min. Z. Z. W. van Tjum, waartoe zij behoort; met 2 h. en 12 inw.

TOLSUMERZIJL, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, 25 min. Z. Z. W. ten Z. van Tjum, over de Bolswardervaart in den Slagtedijk.

TRITSEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. O. ten O. van Harlingen, 1/2 u. Z. O. van Tjum, waartoe zij behoorde. - De juiste plaats, waar zij geweest is, weet men thans niet meer aan te wijzen; waarschijnlijk heeft zij gestaan, waar nu het geh. Tritsum gevonden wordt.

TRITSUM, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/2 u. W. Z. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. Z. O. ten O. van Harlingen, 1/2 u. Z. van Tjum, waartoe zij behoort; met 6 h. en 40 inw.

 UNGABUUR, Ungaburen of Ongaboer, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. O. van Harlingen, 20 min. O. Z. O. van Midlum, waartoe het behoort, nabij de trekvaart van Leeuwarden op Harlingen; met 4 h. en 40 inw.

VLAREN (DE KLEINE-) , b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/4 u. W. ten Z. van Leeuwraden, kant. en 2 1/2 u. O. Z. O. van Harlingen, 20 min. Z. W. van Tjum, waartoe zij behoort; met 2 h. en 12 inw.

VLAREN (DE) , b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 3 1/4 u. W. ten Z. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. O. Z. O. van Harlingen, 20 min. Z. W. van Tjum, waartoe zij behoort; met 3 h. en 16 inw.

WALTINGA, vermoedelijk de voorm. naam van de state Sickema, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel. Zie Sickema.

WESTERHITSUM, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Franekeradeel, arr. en 4 1/2 W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. O. ten Z. van Harlingen, 1/2 Z. W. van Franeker, 10 min. W. van Hitsum, waartoe het behoort; met 4 h. en 30 inw.