DOCCOMIUM, Lat. naam van de st. Dockum, prov. Friesland, Oostergoo. Zie Dockum.

DOCCUM, st. prov. Friesland, kw. Oostergoo. Zie Dockum.

DOCCUMIUM, Lat. naam van de st. Dockum, prov. Friesland, Oostergoo. Zie Dockum.

DOCKUM, gem., prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr. Leeuwarden, kant. Dockum (6 m. k., 3 s. d.); palende N. W. en N. aan Aalsum, in de griet. Oost-Dongeradeel, O. aan Oostrum, in die zelfde griet. en aan Driezum, in Dantumadeel, Z. aan Wouterswoude, Murmerwoude en Akkerwoude, Z. W. aan Rinsumageest en Sibrandahuis, allen in Dantumadeel.

Deze gem. bevat niets dan de st. Dockum, die echter in de zestiende en zeventiende eeuw een veel grooter regtsgebied moet gehad hebben.

De stad Dockum, Doccum of Dokkum, volgens sommigen afkomstig van Dockenheim of Dokko'sheim, in het Lat. Doccumium of Doccomium, ligt 4 u. N. O. van Leeuwarden, 4 u. N. W. van Stroobos en 9 3/4 u. N. W. van Groningen, op 53o 9' 39'' N. B., 23o 39' 47 O. L., door weilanden omgeven, aan de Ee, die de stad in twee elkander zeer ongelijke deelen splitst, waarvan dat ten N. met regt de Groote en dat ten Z. de Kleine zijde mag genoemd worden. De Ee dient tusschen Leeuwarden en Dockum tot eene trekvaart, en vereenigt zich in deze laatste stad met het Dockumerdiep; zijnde een kanaal met uitmuntende sluizen, waardoor de stad gemeenschap met de zee heeft, en waardoor, bij hoog water, geladen schepen tot aan de stad kunnen naderen, hetwelk den koophandel groot gerijf bijbrengt. Bovendien heeft Dockum ook over Stroobos gemeenschap met Groningen door eene trekvaart, welke in het jaar 1634 gegraven is. Binnen de stad is mede eene breede haven, in welke zeeschepen, zoowel als andere kunnen geborgen worden. Aan den ingang dezer haven is eene lange brug, de Kettingbrug genoemd, door welke de schepen worden in- en uitgelaten. De sluis, door welke, het water van het Dockumerdiep, hetwelk gemeenschap met de zee had, bij hoogen vloeitijd moest bedwongen worden, lag eertijds ten W. buiten de stad. Dat, in het jaar 1582, toen de stad door de Algemeene Staten met een nieuwen wal omringd werd, is deze sluis naar binnen de stad verlegd, onder eene breede brug bij het raadhuis, welke om die reden den naam van zijl ontvangen heeft. Doch na het afdammen der Ee en het aanleggen der Nieuwe of Engwierumer sluizen is deze binnensluis onnut geworden; om die reden is eerst de noordelijke en daarna in het jaar 1774 ook de zuidelijke steenen beer of muur in de stadsgracht weggebroken, dewijl zij den vrijen toevloed naar de Nieuwe-zijlen niet weinig verhinderden. Voor het overige vindt men in Dockum maar twee kleine grachten, van welke de eene uit de Ee, aan de westzijde binnen de stad, ontspruit, en door het geheele noordelijke der stad vloeit, door de langepijp of steenen brug naar de Anjumerpijp of waterpoort. De andere is de zoogenaamde Woudvaart die, door de Woudpijp binnenloopende, met eenen tak bij de Woudpoort stuit, en zich door eenen anderen tak, even voorbij de nieuwe, of thans zoogenaamde Bontebrug, met de Ee vereenigt. Voorts wordt de stadswal omringd door eene ruime en diepe gracht.

De oorsprong dezer stad is zeer oud, zijnde zij na Stavoren de oudste van Friesland. Zij heeft vermoedelijk haar ontstaan te danken aan het kasteel Dockenburg aldaar, zoo als wij hierboven (op het art. Dockenburg) gezien hebben, ten jare 240, door Prins Ubbo gesticht, waarbij vervolgens huizen zijn aangebouwd, die in het jaar 739 door Gondebald, Koning der Friezen, met eenen ringmuur omgeven zijn. Men vond er eertijds eenige oude bronnen, van welke onderscheidene sagen bestaan. Zoo ontstond de put bij den trek- of puinweg, 5 min. ten Z. O. van de Woudpoort, doordien Bonifacius, die gebrek aan water had, hier met zijnen herderstaf op den grond stiet. Een ander meende men verschuldigd te zijn aan het stampen der hoeven van het paard van eenen der Edellieden van de Landvoogd Abbo. Nog ouder is de Fetseput, aan het kerkhof, als zijnde afkomstig van Fosta, de vrouw van Stavo. - De stad is omtrent zeshoekig van gedaante en met eenen netten wal en zes dwingers of bolwerken omgeven, van welke een thans tot begraafplaats dient. In het midden ligt zij zeer hoog; men acht het waarschijnlijk, dat de plaats op eenen natuurlijken terp dus gebouwd zij, dan dat men weleer den grond ter noordzijde der Ee dus heeft opgehoogd; zeker gaat het, dat op dien terp vroeger een dorp lag, Dockinga geheeten (zie dat art.). Dockum heeft onderscheidene goede en geregelde straten en vele nette huizen. het is echter niet digt betimmerd, hebbende vele hoven en andere opene plaatsen. Zij had vroeger vier poorten; als: de Aalsumerpoort ten N., de Oosterpoort ten O., de Woudpoort ten Z. en de Hanspoort ten W., doch deze zijn thans geheel weggebroken. Ook had de stad drie waterpoorten, door welke men met schepen de stad in- en uitvoer. Deze waren eigenlijk verwelfde bogen in den stadswal, welke de Friezen pijpen noemen, als: de Drie pijpen (welke drie zoodanige openingen naast elkander had) ten W.; de Woudpijp en Z. en de Anjumerpijp ten N. O., doch deze zijn door nette bruggen vervangen; terwijl aan het oostelijk einde over de Ee eene dubbele valbrug ligt. De stad beslaat eene oppervlakte van ongeveer 30 bund., telt 679 h., bewoond door 831 huisg., uitmakende eene bevolking van 3900 inw., die veel handel in vlas, als ook in rundvee, wol en cichorei drijven; vroeger was hier ook een aanzienlijke handel in zoetemelksche kaas, doch deze is thans te niet. Voorts heeft men er 2 scheepstimmerwerven, 1 zoutkeet, 3 bierbrouwerijen, 3 jeneverstokerijen, 2 pottenbakkerijen, 5 wolkammerijen, 1 vellebloterij, 1 oliemolen en 2 korenmolens.

Dockum heeft drie jaarmarkten, als eene invallende den 2 Mei, zijnde eene beestenmarkt, eene den 6 Junij, zijnde eene paardenmarkt en eene den 14 November, zijnde eene beestenmarkt.

Het gebouw, dat voorheen tot Stadhuis diende en in de Hoogstraat staat, is in het jaar 1608 door het tegenwoordige vervangen, terwijl het oude Stadhuis thans eene particuliere woning is. Het tegenwoordige stadhuis, aan de Zijl, is een deftig en gedeeltelijk nog nieuw gebouw, met een halfrond bordes en hoogen koepeltoren, waarin een uurwerk gevonden wordt. De fraaije raadzaal is versierd met zinnebeeldige tafereelen, ontworpen door den beroemden Burgemeester, Jonkheer Epo Sjuck van Burmania, en in 1765 geschilderd door D. Reynes.

De Waag, aan de Breedstraat, is een sierlijk gebouw, dat in 1752 vernieuwd is en toen voorzien werd van een torentje met slagwerk. Thans wordt daarboven de Latijnsche school gehouden.

Er is te Dockum mede eene Beurs voor de kooplieden. Ook heeft men er een Postkantoor. Voor het stadshuis is de Vischmarkt, die in 1638 tot voordeel van de stad opgerigt is. Vooral verdient opmerking de vangst en handel in garnalen, welke buiten het Dockumerdiep gevangen, te Dockum bereid, en verder wijd en zijd verzonden worden.

Voorheen had men te Dockum ook het Admiraliteits-collegie van Friesland, hetwelk aldaar in 1596 gevestigd was; doch dit is reeds in het jaar 1645 naar Harlingen overgebragt. Het huis bij de Haven, waarin de Heeren Afgevaardigden ter Admiraliteit der provincie Friesland hunne bijeenkomsten hielden, en daarom nog heden het Collegie genoemd wordt, dient thans tot localen voor de lagere scholen.

De Herv. gem., die hier ongeveer 3300 zielen telt, wordt tot de klass. en ring van Dockum gerekend, en heeft eene kerk die door 2 Predikanten bediend wordt. De eerste, die in deze gem. het leraarambt heeft waargenomen, is geweest Andreas Stangerus, die in het jaar 1580 herwaarts kwam en vr het jaar 1589 welligt naar Oudewater vertrok. Het beroep geschiedt door den kerkeraad. De kerk, welke altijd de eenige stads parochiekerk geweest is, was vr de Reformatie aan St. Maarten toegewijd, en werd destijds door den Abt van het te dezer stede gevestigde Norbetijner-klooster, benevens twee Vikarissen bediend. De kerk staat op het hoogste gedeelte van de stad aan de Hoogstraat, en is van eene eenvoudige en tevens zeldzame bouworde. Zij is met roode pannen gedekt en heeft aan de westzijde op den voorgevel een torentje, waarin eene luiklok hangt, beneden de kerk in haren tegenwoordigen staat gebragt is, te zelfder tijde, toen de Grootekerk, aan den H. Bonifacius toegewijd, welke aan de Abdij behoorde, maar, die te bouwvallig werd, afgebroken is. In deze kerk werden, tot aan de Hervorming toe, bewaard de overblijfselen van het lijk van Bonifacius, den tweeden Aartsbisschop van Utrecht, een door hem geschreven Grieksch testament, vijf brooden, die door hem in steenen zouden veranderd zijn, zijn zilveren drinkbeker, zijne bisschoppelijke kleding, de teekenen zijner kerkelijke waardigheid en meer andere dingen. vermits men, na het afbreken van de Bonifaciuskerk, zich eeniglijk met de St. Maartenskerk zoude moeten behelpen, is deze, om die reden, aanmerkelijk uitgezet en vergroot, aan de westzijde met eenen nieuwen voorgevel en den gezegden klokketoren voorzien. De glazen zijn met onderscheidene wapens beschilderd geweest, van welke het laatste van 1765 dagteekende. De predikstoel is geplaatst aan den zuidkant, en het orgel, dat in het jaar 1688 vervaardigd is, aan het westeinde. Aan de noordwestzijde vindt men, op het thans beplante kerkhof, nog het graf van den beroemden, hier overledenen, Nederduitschen dichter Dirk Rafaelsz. Kamphuisen, een verlicht en braaf mensch, doch door zijne tijdgenooten gesmaad en gehoond, omdat hij de Remonstrantsche broederschap toegedaan was. De miskende zanger overleed te Dockum in het jaar 1627, in den ouderdom van 41 jaren. Van de Abdijkerk is lang nog in wezen gebleven een ruim 62 ell. hooge, spitse toren, staande ten noordwesten van de St. Maartenskerk, aan het zelfde kerkhof, alsmede een gedeelte van het kloostergebouw; doch dit een en ander is voor weinige jaren, en wel de toren in het jaar 1830, afgebroken.

Vroeger had men te dezer stede plaatse de eenige Remonstrantsche gemeente van geheel Friesland, aan welke men, niet lang na de kerkelijke onlusten, in het begin der zeventiende eeuw, had toegestaan eene kerk te bouwen, doch de beroepen leeraar mogt niet openlijk bevestigd worden. Weleer was deze gem. vrij talrijk, doch, nadat men zich allengs over die geschillen beter heeft leeren verdragen, is zij zeer verminderd, zoodat zij, op het einde der vorige eeuw, slechts 20 leden telde.

De Doopsgezinden hadden hier vroeger twee kerken, een van de Oude Vlamingen, aan de Leegeweg, en eene van de Jan-Jacobsgezinden, aan de Oudermansbrug, doch nadat de gem. dezer laatste gezindte uitgestorven is, dient de kerk tot eene armschool, vergaderplaats der armvoogden en tot lokaal voor de warme-spijsuitdeeling in den winter; terwijl die der eerste, in het jaar 1798, zich met de Remonstrantsche gem. vereenigd heeft, onder den naam van Vereenigde Christelijke gemeente, welke 300 zielen telt, door eenen Predikant bediend wordt en hare godsdienst oefent in de voorm. Doopsgezinde kerk, welk gebouw in 1840 op eene nette wijze vernieuwd en vergroot, en met eenen fraaijen gevel versierd is. De voormalige Remonstrantsche kerk dienst thans tot weverij en de predikantswoning tot eene woning van particulieren.

De R. K., die hier 350 in getal zijn, maken, met die van de dorpen der omgelegen grietenijen, een statie uit, welke tot het aartspr. van Friesland behoort, door enen pastoor bediend wordt en ongeveer 500 zielen telt. De kerk in de Hoogstraat, aan den H. Martinus toegewijd, heeft van buiten de gedaante van een deftig huis, doch is van binnen op den zolder tot Godsdienst-oefening geschikt.

Men heeft hier een Weeshuis, waarin de burgerweezen worden opgenomen. Voorts is er een Latijnsche-school, waarin door eenen Rector onderwijs wordt gegeven en die gemiddeld door een getal van 10 leerlingen bezocht wordt. Ook heeft men er een bloeijend departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 1 Julij 1797 opgerigt is.

Te Dockum zijn vijf middelbare en lagere scholen, die gezamelijk gemiddeld door een getal van 360 leerlingen bezocht worden; als: eene Kostschool voor Jongeheeren, waartoe in het jaar 1838 door de stad een geschikt lokaal is aangekocht, met 40 leerlingen; eene Kostschool voor Jongejufvrouwen, met 15 leerlingen; twee Nederduitsche scholen, met 200 leerlingen, en eene Armenschool, met 100 leerlingen.

Dockum heeft onderscheidene vermaarde mannen binnen zijne muren zien geboren worden; als daar zijn: de Godgeleerden: Hermannus van Dockum, die omstreeks het jaar 1514 Pastoor te Leeuwarden was en onderscheidene werken moet hebben nagelaten; Freerk Hoekstra, geb. in 1760, 31 Maart 1831 als rustend leeraar bij de Doopsgez. gem. te Harlingen. De Regtsgeleerden: Joannes en Reinier van Dockum, die in de zestiende eeuw bloeiden; Jacob Bouricius, geb 1542 3 December 1622; Ulrich Huber, geb. den 13 Maart 1636 8 November 1694, als Hoogleeraar in de regtsgeleerdheid te Franeker; Julius van Byema, geb. in 1539 in 1599; Adrianus Bergsma, geb. in 1702 in 1780 en Petrus Brandsma, geb. 10 October 1751, 15 December 1788. De Geneeskundigen: Henricus a Bra, geb. 20 September 1555 na 1608, en Folkert Snip geb. 7 Febr. 1733 25 Junij 1771 als Hoogleeraar te Amsterdam. De Wis-, en Aardrijks- en Sterrekundige Reinier Gemma, meer bekend onder den naam van Gemma Frisius, geb. omtrent 1508, in 1559, als Hoogleeraar te Leuven, na den graadboog, waarvan de zeevarenden zich tot in de laatste helft der vorige eeuw bedienden, verbeterd te hebben, door er meer dan n kruis aan te voegen. De Geschiedschrijvers: Cornelius Kempius (Cornelis Kemp), geb. omstreeks het jaar 1516, omtrent 1587, na zich bekend te hebben gemaakt als schrijver van het werkje: de origine, situ, qualitate en quamtitate Frisi et de Rubus a Frissiis olim prclare gestis (Over den oorsprong, de gelegenheid, de hoedanigheid en de grootte van Friesland en de roemruchtige daden, vroeger door de Friezen bedreven); Lieuwe van Aitzema, geb. 19 November 1600, 23 Februarij 1669 als Raad van de Hanzesteden en Resident te 's Gravenhage. De Nederduitsche en Latijnsche Dichter Ernst Willem Higt, geb. 18 April 1723, 22 Junij 1762: de Schilders: van der Elst en Allert van der Poort, geb. in 1771, in 1807.

In de twisten tusschen de Schieringers en verkoopers heeft Dockum niet weinig te lijden gehad. Om zich hier tegen te vrijwaren, gingen de ingezetenen van deze stad met die van Groningen, in Mei 1318, een verdrag aan, waarbij vastgesteld werd: dat niemand eenig mensch of eenig, uit hoofde van schuld, zonder zeer billijke redenen, zou mogen aanhouden, en verder, dat men niemand, dan alleen den eigenlijken schuldenaar, voor den regter zou mogen dagen of eenige moeite aandoen.

In het jaar 1399, ten tijde dat Albrecht van Beijeren, Graaf van Holland, Dockum had ingenomen, werd de stad door de Friezen weder aangetast en bestormd; doch toen de Graaf versterking uit Holland ontving, sloegen zij op de vlugt.

In het jaar 1414 of daaromtrent werd Dockum door Vetkoopers verwoest, die de stad niet alleen uitplunderden en verbrandden, maar ook met de afgebrokene muren en torens de grachten vulden, waardoor zij aan een open vlek gelijk werd. In 1419 werd de stad weder herbouwd door de Schieringers, die haar, te hunnen behoeve, versterkten en er eene bezetting van vreemde soldaten in legden.

Hertog Jan van Beijeren haar vervolgens in bezit gekregen hebbende, deed haar in het jaar 1421 versterken tegen de Friezen, die, hoewel onderling in twee partijen verdeeld, vereenigd tegen de Hollanders, de stad bestormden en veroverden, waarop de burgers, die de Hollanders begunstigd hadden, naar Hamburg en Lubeck werden gezonden, en verboden om ooit weder in het land te komen; doch zij kochten de ballingschap naderhand voor eene groote somme gelds af, en kwamen toen weder in hun vaderland.

Naderhand, in de Geldersche en Bourgondische oorlogen in Friesland, hebben de eerstgenoemden de stad Dockum, in het jaar 1515, zonder slag of stoot ingenomen, omdat de bezetting, zich van alle middelen om wederstand te bieden ontbloot ziende, en daarenboven met de burgers overhoop liggende, overgaven; maar in het volgende jaar nam Floris van Egmond, destijds Bourgondische Gouverneur van Friesland, aangezien de Gelderschen weggeloopen waren, de stad op dezelfde wijze, zonder verlies, in; waarop hij haar versterkte en in het zuidelijke deel der stad, bij de brug, tegen over de Hoogstraat, een blokhuis bouwde. De Gelderschen, met eenige Friezen gesterkt, in het jaar 1517 terug gekomen zijnde, belegerden en bemagtigden Dockum, na een beleg van omtrent zes weken, dewijl de Bourgondiers, door hongersnood afgemat, gedwongen waren zich over te geven. De Gelderschen behielden deze plaats tot het jaar 1525, wanneer de Gouverneur Jan van Golstein, geen vijand vreezende, een goed gedeelte der bezetting, als naar gewoonte, ter zee op vrijbuit uitgezonden, en de stad daardoor van volk verzwakt had. Dit ter oore gekomen zijnde van Jan van Wassenaar, die vroeger door de Gelderschen gevangen, in eene kooi opgesloten en in het midden van eenen dikken toren opgehangen was geweest, waaruit hij had weten te ontkomen, en nu door Keizer Karel tot Veldheer in Friesland was aangesteld, rukte deze onverwacht op Dockum aan, stopte den stroom door het leggen van eenen dwarsdijk en liet alle toegangen opgraven, waardoor het den Gelderschen belet werd, onderstand in de stad te brengen. Ook riep hij Tjaardt van Burmania, met zijne gewapende huislieden in Mariengaard gelegen, mitsgaders de zeesteden te hulp, welke laatsten eene menigte grof geschut medebragten; zoodat de muren en wallen in het kort, door het onophoudelijke schieten, verbrijzeld en nedergeworpen, en vele menschen gedood werden; terwijl bovendien de belegeraars dagelijks meer naderden, de buitenste gracht aftapten, en aan de binnenste een dijk opwierpen. Toen men de landlieden met wagens en paarden tot den algemeenen storm ontboden had, en de stedelingen van Groningen nu en dan te vergeefsch onderstand poogden te verschaffen, kwam Maarten van Rossem op dit gerucht eindelijk zelf, met driehonderd ruiters en voetknechten, om den storm te beletten, oprukken, doch dit mogt mede niet baten. Waarop de belegerden, om verder gevaar te ontduiken, na een beleg van drie weken te hebben doorgestaan, in onderhandeling traden, die den 27 van Oogstmaand geteekend werd, en waarbij de Gouverneur Golstein den vrijen aftogt, met zijn krijgsvolk, en medeneming van alle hunne goederen, uitgenomen het geschut met zijn toebehoren, bedong. De vestingwerken, gedurende het beleg door het geschut omver geworpen, werden weder door de Bourgondirs hersteld en verbeterd, doch naderhand door hen zelve weder afgebroken. Sedert deze verovering zijn zij onafgebroken van deze stad meester gebleven, tot op de Nederlandsche beroerten, wanneer Dockum zich, gelijk andere steden van Friesland, aan de zijde der Vereenigde staten en den prins begaf, wordende in het jaar 1580 door den Graaf van Hohenlo ingenomen of bezet, nadat zij, den 28 Augustus 1572, door den Spaanschen Gouverneur Caspar de Robles uitgeplunderd, en voor een groot gedeelte verbrand en half uitgemoord was. Hierop werd Dockum, dat vooral om zijne geschikte ligging tot de zeevaart van de uiterste aangelegenheid geoordeeld werd, in het jaar 1582, door 's Lands Staten, met meer sterkten omringd dan er voorheen omgelegen hadden en in dien staat gebragt, waarin men het in de vorige eeuw nog zag.

In het jaar 1436, en zelfs nog later, gebruikte Dockum een zegel op de brieven of stedelijke akten, waarin eene groote kerk, met eenen toren, stond; boven de kerk waren de zon, maan en sterren afgebeeld, waarbij deze woorden: Sigillum Majus Civitatis Doccumensis (d.i. groot zegel de stad Dockum). Thans bestaat het wapen van Dockum uit een veld van azuur (blaauw), beladen met eene halve maan van zilver, de punten naar beneden, waaronder drie sterren van goud, geplaatst een en twee, onder het holle of de bogt der maan.

DOCKUM, kant., prov. Friesland, arr. Leeuwarden; palende N. aan de Noordzee, O. aan de Lauwerzee, en het Groninger kant. Zuidhorn, Z. en Z. W. aan het kant. Bergum, N. W. aan het kant. Holwerd.

Het bevat de st. Dockum, en de griet Oost-Dongeradeel, Kollumerland-en-Nieuw-Kruisland en Dantumadeel, benevens het eil. Schiermonnikoog, en telt daarin 4202 h., bewoond door 4938 huisgez., te zamen uitmakende eene bevolking van ongeveer 21,000 inw.

DOCKUM, kerk. ring, prov. Friesland, klass. van Dockum.

Zij bevat de volgende 13 gem: Aalsum-en-Wetsens, Akkerwoude-en-Murmerwoude, Birdaard-en-Janum, Dantumawoude-Driezum-en-Wouterswoude, Dockum, Ee, Engwierum, Foudgum-en-Raard, Metslawier-en-Niawier, Oostrum-en-Jouwswier, Reitsum-Genum-en-Lichtaard, Rinsumageest-en-Sibrandahuis en Wanswerd-en-Jelsum.

Men heeft er 23 kerken, die door 14 Predikanten bediend worden.

DOCKUM, klass., prov. Friesland, verdeeld in de volgende 3 ringen: Dockum, Kollum en Holwerd. - Zij bevat 38 gem., met 64 kerken, die bediend worden door 41 Predikanten.

DOKKUM, st., prov. Friesland. Zie Dockum.

NORBERTIJNER-ABDIJ, voorm. abdij te Dockum.

Deze abdij plagt bewoond te worden door Reguliere Kanonniken, welke, eerst in het gemeen geleefd hebbende, tot de orde van St. Norbertus zijn overgegaan. Volgens Schotanus, was dit het eerste en oudste klooster van Oost-Friesland, hetwelk naderhand eene zeer vermaarde abdij geworden, en de H. H. Augustinus en Norbertus toegewijd was. De Abt van dit klooster plagt vr de reformatie, tevens Pastoor van de stadskerk genoemd te worden. Hij liet de kerkdiensten doortwee Priesters van minderen rang verrigten.