BODELSWAERT, Budelswert, Bodelswert, Bodelsvart en Bodelswaart, oude namen van de stad Bolsward, prov. Friesland. Zie Bolsward.

BOELSVERT, oude naam van de st. Bolsward, prov. Friesland. Zie Bolsward.

BOLSVARDIA, Lat. naam van de stad Bolsward, prov. Friesland. Zie Bolsward.

BOLSWARD, gem., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Sneek, kant. Bolsward (14 m. k., 2 s. d.); palende N. aan de dorpen Hichtum en Burgwerd, in de griet. Wonseradeel, O. aan Hartwerd, in dezelfde griet. Z. O. aan Nieuwland en Wolsum, in Wymbritseradeel, Z. aan Tjerkwerd, W. aan Exmorra en Longerhouw en N. W. aan Schettens, allen in Wonseradeel.

Deze gem. bevat de stad Bolsward, en de zoogenaamde klokslag van Bolsward, waarin de gehuchten Saad en Knossen, alsmede eenige verstrooid liggende huizen. Zij beslaat eene oppervlakte van 922 bund. 52 v. r. 84 v. ell., telt 750 h., bewoond door ruim 4200 inw., die sterken handel drijven in boter, kaas en vee, terwijl vele zich generen met het spinnen der zoogenaamde Friesche saaijet, die van hier in menigte naar andere provincien wordt verzonden. Voorts zijn er te Bolsward nog twee scheepstimmerwerven, twee leerlooijerijen, twee pottenbakkerijen, ééne suikerpottenbakkerij, twee pannen- en estrikbakkerijen, waar ook goede oven-steenen gebakken worden, eene steenbakkerij (tigchelwerk), en eene lintweverij; van de vele wolkammerijen, die hier vroeger bestaan hebben, zijn er nog slechts twee in werking, zijnde de overige, even als de bombazijnfabrijken, vervallen.

De Herv., die hier 2600 in getal zijn, maken een gem. uit, welke tot de klass. van Harlingen, ring van Bolsward, behoort, en twee kerken hebben, waarin door twee Predikanten dienst wordt gedaan. Het beroep van den Predikant geschiedt door den kerkenraad.

De R. K., wier getal ongeveer 1300 beloopt, maken, met die van de dorpen Schettens, Hichtum, Burgwerd, Hartwerd, Wommels, Kubaard, Edens, Witmarsum, Pingjum, Arum, Lollum en Waaxens, twee statiën uit, die tot het aartspr. van Friesland behooren, 1400 zielen tellen, en twee kerken hebben, beide te Bolsward. De dienst wordt door twee Pastoors waargenomen.

De Doopsgez., die hier ruim 200 in getal zijn, maken eene gem. uit, die uit Vlamingen en Waterlanders vereenigd is, en hier eene kerk heeft, welke door éénen Leeraar bediend wordt. Voorheen waren hier vier gemeenten, elk met éénen Predikant. Sedert 1713 slechts ééne. De eerste die men als Leeraar bij de Doopsgez. te Bolsward vermeld vindt, is Huite Renix, in het jaar 1566, in dien tijd Oudste genaamd. Het beroep van den Predikant geschiedt door de mans- en vrouwenledematen.

De Israeliten, die er 110 in getal zijn, hebben in dit jaar (1840) eene Synagoge gebouwd. men heeft in deze gem. drie lagere scholen, die gemiddeld een getal van 500 leerlingen tellen.

De stad Bolsward, in het Latijn Bolsvardia, ligt 5 u. Z. W. van Leeuwarden, 2 u. W. ten N. van Sneek, 2 u. Z. van Franeker en 3 u. Z. O. van Harlingen, aan de vereeniging van onderscheidene trekvaarten, die de reisgelegenheid, alsmede het verzenden en ontvangen van goederen zeer gemakkelijk maken.

Zij is ten N., N. O. en O. door voortreffelijke hooge wei- en bouwlanden omgeven, waardoor zij voor den veehandel en vetweiderij zeer geschikt is; ten W. en inzonderheid ten Z. heeft zij onderscheidene meren, die den inwoners veel visch opleveren.

Bolsward, de eerste en grootste stad van het kwartier Westergoo, is een kantonshoofdplaats en als zoodanig de zetel van een kantongeregt; vroeger was zij de tweede der stemhebbende steden van Friesland. Ook was zij met onderscheidene handvesten en privilegiën begiftigd: vooral had zij van Keizer Karel V, den 3 Februarij 1324 aanzienlijke voorregten verkregen. het is ontwijfelbaar eene der oudste plaatsen der provincie, als zijnde in het jaar 725 bekend. Zij begon reeds te bloeijen in het jaar 1300. En dat zij destijds geenszins onder de minste steden van Friesland gerekend werd, blijkt daaruit, dat zij het regt der munt had, waarvan ten getuigenis kunnen strekken, de tot die munt gebruikte stempels met het jaartal 1370, welke nog heden in de stadskist bewaard worden. Zij werd in het jaar 1422 in het verbond der Hanzesteden opgenomen. Alhoewel de stad thans 1 1/2 u. van de zee verwijderd ligt, begunstigde hare vroegere ligging aan de Middelzee den handel. Na het verlanden of opslijken van dien zeeboezem, maakten de Bolswarders gebruik van de haven van Makkum, westwaarts van daar aan de zee gelegen, tusschen beide welke plaatsen ten dien einde een kanaal gegraven is; behalve dat zij zich ook van de haven van Workum, ter berging van hunne koopvaardijschepen, bedienden. Zelfs nog in de vorige eeuw woonde er te Bolsward vele rijke scheepsreeders, die belangrijken zeehandel dreven, of de ondernemingen van Makkumers of Workumers ondersteunden. De Bolswarder kan was vroeger voor de natte waren de algemene maat der provincie Friesland.

Over den oorsprong van den naam der stad is vroeger veel verschil onder de geschiedschrijvers geweest: want eenigen beweerden dat zij door zekere Bolswina, dochter van Radboud I, Koning van Friesland, gebouwd was, en van haar den naam ontleende. Anderen wilden dat het woord Bodel, oudtijds bodem zoude hebben beteekend en dat men den grond, waarop Bolsward gebouwd is, den naam van Bodelswaert had gegeven, als zijnde een uit den bodem der zee aangewonnen waard. Weder anderen, zijn van meening, en waarschijnlijk niet ten onregte, dat de stad haren naam draagt naar zekere Bodelo, bij verkorting Boele genaamd, die vermoedelijk op het hoogste gedeelte der stad een huis, stins of slot gebouwd heeft, rondom hetwelk de leden van zijn geslacht, benevens zijne onderhoorigen en andere lieden hunne woningen zullen hebben opgeslagen, die allengs tot een dorp aangroeiden, hetwelk men den naam gaf van Bodelswert of Boelswert, zoo als men den naam oudtijds schreef.

 Misschien ook zou men den naam kunnen afleiden van het oude woord Bodel en Bodelen, d. i. koophandel drijven. Wat hiervan zij, zeker is het, dat de oudste gebouwen, veelal op de hoogste plaatsen der stad gevonden worden, en dat de naam der Plaats voorheen Bodelswaert of Bodelsweert was. Zoo las men op het zegel der stad, aan oude brieven gevonden: Sigillum Burgensium Bodelswaert; terwijl het groote stadszegel ten opschrift had: Sigullum civium de Bodelsvart.

De stad, die ovaal rond van gedaante is en zich van het O. naar het W. uitstrekt, wordt door eenen hoogen aarden wal omgeven, die met eene fraaije dubbele rij boomen beplant, en door eene breede gracht omringd is. Deze wal wordt goed onderhouden en levert een fraai gezigt over het veld en tevens, met het daarbij gevoegde plantsoen, eene aangename wandeling op. Bolsward beslaat binnen den wal eene oppervlakte van 22 bund. 46 v. r. 88 v. ell. Zij telt 670 h. en 3650 inw., heeft drie poorten; als ten W. de Blaauwepoort, ten N. O. de St. Janspoort, en ten Z. O. de Sneekerpoort, van welke de beide eerste tevens waterpoorten zijn, terwijl er tusschen de Sneekerpoort en de Blaauwe poort nog eene vierde, namelijk de zandsterpoort, zijnde eene waterpoort, gevonden wordt, door welke men met schuiten de stad in- en uitvaart. De stad is van binnen overal met grachten doorsneden, welke genoegzame diepte hebben voor allerlei schepen; en door eene menigte steenen en houten bruggen (hier posten genoemd) zijn onderscheidene wijken, die anders, als kleine eilanden, van elkander afgezonderd liggen, aaneenverbonden. De stad is zindelijk, en tevens luchtig gebouwd, hebbende doorgaans breede straten, en ruime tuinen, vooral achter de huizen, die naast bij den wal staan.

Het oude Stadshuis, dat even als het tegenwoordige aan de Marktstraat stond, werd in het jaar 1474 aangelegd. Dit gebouw werd in het jaar 1614 afgebroken, en den 11 April van dat jaar, door den President Burgemeester Reynier Harings, de eerste steen aan het nieuwe gelegd, hetgeen binnen vier jaren volbouwd was, en in het jaar 1765 aanmerkelijk verbeterd werd. het heeft eenen fraaijen voorgevel met lijsten, beelden en allerlei lofwerk versierd, en prijkt ,et eenen sierlijk gebouwden toren, die van buiten op het dak rust, maar van binnen door eenen pilaar ondersteund wordt. Het inwendige van dit gebouw, voldoet echter geenzins aan de groote verwachting die het sierlijke uitwendige doet ontstaan. Onder het Stadhuis, tot hetwelk men langs eene fraaije hooge stoep toegang heeft, is de Stadswaag, die in het jaar 1784, wegens den aangroeijende toevloed van boter en kaas, vergroot is. In het jaar 1839, werden hier 546,780 pond boter en 479,400 pond kaas ter markt gebragt.

Tegenover het Stadhuis staat ook het Grietenij-huis van Wonseradeel, een niet onaanzienlijk gebouw, waarin het grietenijbestuur zijnen zetel heeft, en het kantongeregt zijne zittingen houdt.

Het heeft Bolsward niet ontbroken aan oude adellijke huizen, als het hooge Jongemahuis, dat in 1839 werd afgebroken, twee Heeremahuizen en Hiddemahuis, het tegenwoordige grietenijhuis. Dit waren allen voormalige stinzen die bij het aanleggen der stad binnen den ringmuur getrokken zijn. Onder de merkwaardige gebouwen verdient ook melding het huis, waar de keizerlijke Resident zijn verblijf plagt te houden, staande aan de Groote Dijlakker, bij de zogenoemde Drieposten, en hebbende weleer zijne kapel aan het Bolwerk.

De Hoofdkerk, die de oude en eenige parochiekerk der stad geweest is, en vóór de hervorming aan den H. Martinus, Bisschop van Tours, was toegewijd, staat in het Noordoostelijke gedeelte der stad en werd voorheen Oldehoof genaamd. Vroeger heeft hier eene andere kerk gestaan, maar toen deze in verval geraakt was, is men in het jaar 1446, begonnen de tegenwoordige te bouwen, die twintig jaren daarna voltooid was. In deze kerk was eene vikarij gesticht en nog vijf prebenden, die men vrije leenen plagt te nomen. Zij waren bestemd om daaruit jonge lieden uit zekere geslachten bevordelijk te zijn in hunne studiën. Van deze leenen bestaan er nog vier: als het Hettema-en-Heerema-leen, het Aldger-Douwes-Houckema-leen, het Hendrik-Nannes-en-Catrijn-Epes-leen en het Wybenga-leen. eertijds werd de kerk bediend door twee wereldlijke Priesters, van welke de eene Parochiepriester en Vicarus was; beide moesten altoos uit het klooster van St. Jan te Sneek verkozen worden. Thans wordt deze kerk meestal de Groote- of St. Martini-kerk genoemd. Zij heeft den roem van de schoonste en grootste der kerken van geheel Friesland te zijn, is naar de Gotische bouwtrant prachtig opgetrokken, en praalt inzonderheid met eenen fraai gebeeldhouwden, in het jaar 1662 vervaardigden, met allerlei lofwerk van bloemen, vruchten en dergelijke kunstig versierden predikstoel, de vier jaargetijden voorstellende, en gedragen door twee arenden (het wapen der stad), in wier midden zich een genius voordoet, waarvan met niet ligt de wederga elders zinden zal. Ook ziet men in deze kerk fraaije en zeer oude gestoelten, prijkende met schoon beeldwerk, hetwelk echter nog de blijken draagt van de onzinnige woede der beeldenstormers, als hebbende deze daarop geen enkel beeldtje ongeschonden gelaten. In deze kerk heeft men ook, in het jaar 1776, een zeer fraai orgel geplaatst, ter vervanging van het oude, dat in het jaar 1539 was gemaakt en in 1634 vernieuwd. Het tegenwoordige, dat in het jaar 1781 voltooid was, heeft twee handklavieren en vier en dertig sprekende registers, is vervaardigd door A. Hinz, orgelmaker te Groningen, en strekt, zoo voor het inwendige des werks door zijne zuivere toonen, als voor het uitwendige door het keurig beeld- en snijwerk, waarmede het versierd is, den maker tot eer. Onder het orgel leest men het volgende opschrift: Franciscus Elgersma, Notarius Publicus, et hujus urbis quondam Consul, ejusque conjux, Pietje Algra, hoc organum templo Martini ex Testamento donaverunt. A. C. MDCCLXXV; d. i.: Franciscus Elgersma, Openbaar Notaris en Oud-Burgemeester dezer stad, en zijne huisvrouw, Pietje Algra, hebben bij uitersten wil dit orgel aan de Martini-kerk gegeven; in het jaar 1775. Bij gezegden uitersten wil was namelijk eene som van 12,000 tot dat einde aangewezen, en het bestuur van het werk aan der schenkeren Neef, den Oud-Burgemeester Nicolaas Elgersma, opgedragen. Voor het overige vindt men in dit gebouw eene menigte graven van oude Friesche geslachten, als: van Ockinga, Siccama, Heerema, Cammingha enz., terwijl, in het jaar 1823, aldaar een gedenkteeken geplaatst is, ter eere van den Frieschen Dichter Gijsbert Jacobs, die in de zeventiende eeuw hier schoolonderwijzer en voorzanger was. Dit gedenkstuk bestaande uit 's mans kolossaal uit wit marmer door den Beeldhouwer Gabriël vervaardigd borstbeeld, met zijne zinspreuk sljuecht is rjuecht (slecht en regt), staat op een voetstuk, en is, den 7 Julij des genoemden jaars, door geleerde beoefenaars der Friesche taal, met eene redevoering en dichtstukken, plegtig ingewijd. Het heeft tot opschrift:

Gijsbert Japiks,

Loyster nim it for lieaf,

it iz sliuecht in riuecht,

az dij fen Boalsert.

opgerigt in het jaar MDCCCXXIII.

d. i., Lezer, neem het voor lief, het is slecht en regt als die van Bolsward. tegen de kerk staat een zeer dikke en hooge vierkante toren met aan beide zijden nedergaand dak en twee opgaande gevels.

Behalve deze kerk hebben de Herv. hier nog eene, de Kleine kerk of Broerkerk geheeten, als zijnde vroeger de kerk geweest van het klooster der Minderbroeders of Franciskanen, dat hier in het jaar 1270, door eenige Edelen en vrome lieden uit het kwartier Westergoo, gesticht was. Het stond nabij de Sneekerpoort en de Paardemarkt, in het zuidoostelijk gedeelte der stad, en zoude, naar men wil, van hout uit het Kreilerbosch (zie dat woord) opgetimmerd wijn. Den 4 April 1473 deden Douwe Sjaardama en Godschalk Jongama, twee voorname Edellieden, de toenmalige bewoners, die men Gaudenten noemde, uit dit klooster vertrekken; terwijl zij er, in hunne plaats, Observanten, dat is dezulken, welke eene strengere tucht naleefden, inbragten. Dit klooster is, den 31 Augustus 1503, geheel afgebrand, zoodat er niet dan de kerk staan bleef. Het schijnt echter na dien tijd weder te zijn opgebouwd, aangezien men geboekt vindt dat het, in het jaar 1580, geheel verwoest werd, terwijl de kerk ten behoeve van de godsdienstoefening der Hervormden, in het jaar 1623, op stedelijke lasten, verbeterd en vernieuwd is. Volgens een opschrift in den muur van het koor geplaatst, blijkt, dat het jaar van de stichting der kloosterkerk niet bekend, maar dat zij in het jaar 1625 hersteld en vernieuwd is. In deze kerk is, in het jaar 1572, de eerste Hervormde kerkrede gehouden, door zekeren Johannes Janszoon, anders Johannes Hansii, een Bolswarder van geboorte. Den 30 Junij 1579 waren de Hervormden hier plegtig vergaderd, om eene vasten Leeraar te kiezen, in welke vergadering Ruardus Acronius van Alkmaar beroepen werd, die zich echter deze keuze niet liet welgevallen; terwijl ook het eerste Avondmaal bij de Hervormden, waarschijnlijk omtrent dezen tijd, in deze kerk gehouden is. De Broerekerk, door ouderdom bouwvallig zijnde geworden, werd, omtrent het midden der vorige eeuw, aanmerkelijk verbeterd, het dak geheel vernieuwd, het binnenwerk hersteld en het torentje, dat weleer midden op het dak stond, afgebroken en aan het westeinde weder opgetrokken, gelijk toen ook het oude orgel, dat in 1635 door Antony Verbeek vervaardigd en in de jaren 1645 en 1731 vernieuwd en vergroot was, door den gezegden Orgelmaker Hinz verbeterd is geworden. Ter plaatse, waar bij deze kerk weleer het Franciskaner klooster stond, ziet men thans eene herberg met tuin, welke door Kerkvoogden tot onderhoud der kerk verhuurd wordt.

Vroeger hadden de Herv. hier nog eene kerk, de Beggijnenkerk, behoorende weleer tot het klooster van dien naam, thans het Kleine-klooster, vroeger het Heilige-Geestklooster geheeten (zie dat woord). Deze kerk wordt thans gebruikt tot een Stadswerkhuis voor behoeftigen.

De Kerk der Doopsgezinden, over de Koemarkt, is in het jaar 1784 aanmerkelijk vernieuwd. In vorige tijden had die gezindte hier, buiten dit, nog twee huizen van vermaning, als: één op de Groote Kampen, dat thans tot pottenbakkerij is ingerigt, en één op de Kleine Dijlakker, dat zijnen ingang had in de Kerkstraat, en nu tot woonhuis dient.

De R. K. kerken staan beide op de Groote Dijlakker. De eene, die aan den H. Martinus toegeheiligd is, plagt eertijds eene statie der Jezuiten te zijn; doch wordt nu door éénen wereldlijken Priester bediend. In de andere, die onder aanroeping van den H. Franciscus Nereus is ingewijd, wordt de dienst nog, even als voorheen, door eenen geordenden Geestelijke waargenomen. Vóór de Hervorming had men binnen Bolsward twee Mannekloosters en een Vrouwenklooster. Van het eene Manneklooster, namelijk dat der Franciskanen, is hierboven reeds gesproken. Het tweede was eene proostdij van Reguliere Kanunniken van St. Jan, en het Vrouwenklooster werd bezeten door Nonnen, die naar den regel van den H. Augustus leefden, en werd het heilige-Geest-klooster genoemd. Deze beide laatste zullen op de woorden Johanniterklooster en Heiligen-Geest-klooster beschreven worden.

Ook had men te Bolsward, in het midden van de stad, op de Kerkstraat aan de Broerestraat, weleer de kapel der mirakelen van Onze Lieve Vrouw van Zevenwouden, anders de Kapel van den Heiligen Geest geheeten. Dit was een zeer oud gebouw, waarvan het jaar der stichting onbekend is. Oudtijds stond daarin een Mariabeeld, dat, met grooten toeloop, uit vele plaatsen, ook om de bijzondere aflaat, die daaraan verleend was, als wonderdoende geëerd werd. In het jaar 1580 werd dit beeld door de soldaten van Bronkhorst verbrand; en de kapel dient thans gedeeltelijk tot Latijnsche school, terwijl er tevens eene Stads Nederduitsche school en eene Fransche- en Nederduitsche-school in geplaatst zijn. Zij heeft boven den ingang dit opschrift:

Haec Sophiae Sedes, hic alma Minerva tenellis,

Castalias propinat aquas Heliconis alumnis,

d. i. Hier is de zetel der wijsheid, hier dient de gunstige Minerva haren teederen voedsterlingen de castalische wateren van den Helicon toe.

De Latijnsche school wordt nu alleen door éénen Rector bediend; eertijds was er ook eenen Conrector. Zij telt doorgaans 6-10 leerlingen. De Nederduitsche school telt gemiddeld een getal van 200 leerlingen. De Fransche en Nederduitsche school wordt doorgaans door 100 leerlingen bezocht. Bovendien is er te Bolsward nog eene stads-armen school, met 300 leerlingen. Men heeft hier ook een werkzaam departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 6 December 1799 is opgerigt en 55 leden telt; alsmede een distributie-kantoor voor de brieven.

Onder de liefdadige gestichten verdient vooral melding het Burgerweeshuis, zijnde een groot en fraai gebouw, in het jaar 1542, zoor zekeren Burgemeester Nanne Reyns, en diens huisvrouw Hidda Herema, gesticht, en rijkelijk met inkomsten begiftigd. Dit huis stond van de stichting af onder het bestuur van Vijf voogden, van welke, na de reformatie, drie Herv., één Doopsgez. en één R. K. waren, vermits er ook weezen, wier ouders R. K. of Doopsgez. waren, in moeten worden opgenomen worden. Dit is echter door de R. K. verzuimd doch sedert eenige jaren weder hersteld, zoodat er kinderen van alle Christen-gezindten in zijn. Ook heeft men hier een Armenhuis, staande in het midden der stad, naast de Lieve-Vrouwe-kapel, waarin bejaarde mans- en vrouwspersonen worden aangenomen en onderhouden, die hier in eenige kamers bij elkander wonen, en eene zekere toelaag benevens wat ruimer onderhoud genieten, dan diegenen, welke buiten dat huis, in woningen aan het Armenhuis behoorende, onderhouden worden. vroeger werden hier ook vreemdelingen, doch thans alleen inboorlingen aangenomen. Ook kon men er voorheen, tegen eene geringe som gelds, den kost koopen. Thans echter neemt men er onder het huisselijk opzigt eener moeder, omniet armen in op, doch alleen die, welke geene leden zijn van eenige Christelijke gemeente. Ook worden daarbuiten dezulken, die men stadsarmen noemt, uit de zeer aanzienlijke goederen van dit huis van levensonderhoud bedeeld. Het stond vroeger onder zes, doch sedert eenigen tijd onder het opzigt van Vijf Voogden, die door het stedelijk Bestuur gekozen worden.

In het gereformeerd Armenhuis, op de Groote Kampen, worden alleen Hervormde ledematen opgenomen. Dit huis is gesticht in het jaar 1618, door Maria Oupkes, weduwe Oupkes, den Edelen Gerrolt van Cammingha en de Edele Jonkvrouw Catharina van Ockinga, weduwe voor voorzeiden van Cammingha. Thans wordt daarin door de Diakenen der Hervormde kerk aan oude ledematen eene woning, met eene ruime bedeeling, gegeven. Dit huis is nog bekend onder den naam van het Konvent, zonder dat men echter de reden dezer benaming weet op te geven.

Het St. Anthonij-Gasthuis of Proveniershuis, staande op de Koe- of Nieuwemarkt, in het Noordwestelijke gedeelte der stad, is in het jaar 1464 gebouwd, ten minste in dat jaar werd de kapel ingewijd, door eenen Kardinaal, die door Paus Paulus II, herwaarts gezonden was. Het huis is in het jaar 1778, behalve de vleugel of streek kamers, ten O. van het huis, uit den grond sierlijk herbouwd, zoodat het een der regelmatigste en fraaiste gebouwen van de geheele stad is; terwijl aan de verfraaijing darvan bestendig alles wordt te koste gelegd. Het staat onder het bestuur van vijf Voogden, die aan eenige bedaagde lieden van die genen, aan welke zij voor hunne op den lijve gelegde penningen, lijfrenten betalen, hier eene schoone woning met eenige voordeelen geven. Aan de loffelijke administratie van dit gesticht zijn alle armbesturen, het onderwijs en al wat in deze stad nuttige inrigting heeten mag, grooten dank schuldig.

Onder de beroemde mannen, die Bolsward heeft voorgebragt, verdienen melding: de Godgeleerde Mominus Reineri, geb. in 1561, † 29 Mei 1598, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Leuven; de Regtsgeleerde Sibrandus Siccama, geb. in 1570, † 1`622, na in 1617 te Franeker eene verzameling van Friesche wetten in het licht gegeven en onderscheidene regtsgeleerde werken te hebben geschreven; de Friesche Kronijkschrijvers Petrus Jacobus van Bolsward, meer bekend onder den naam van Petrus Jacobi Thaborita, welken naam hij droeg naar het klooster Thabor, bij Sneek, waarin hij Lekebroeder was, geb. in 1450, † in 1527, en Suefridus Rudolphus Sterkenburg; de Friesche Dichter Gysbert Jacobs geb. in 1605, † in September 1666, en de Plaatsnijder, Pieter Tanjé, geb. 15 Februarij 1706, † 28 Junij 1761. Deze laatste voer eerst als schippersknecht op Amsterdam, waardoor hij in kennis geraakte met den plaatsnijder Jacob Folkema; die hem eerst in de teekenkunst en vervolgens in het plaatsnijden onderwees, waarin hij later zulk een groot meester geworden is.

In de dertiende eeuw werd, Bolsward, door zulk een zware brand geteisterd, dat daardoor 136 huizen in de asch gelegd werden. Gedurende de onrustige tijden der Vetkoopers en Schieringers, waren die van Bolsward de partij der Vetkoopers zoo zeer toegedaan dat aldaar de zetel der regering van die partij, voor eenen tijd lang, gevestigd was. Om die reden werd deze stad, in het jaar 1420, door de Schieringers ingenomen. Den 25 April 1475, werden te Bolsward 200 huizen vernield, door eenen brand, welke op onderscheidene plaatsen te gelijk uitbrak. Ulbert Leydecker, die deze brand had aangestoken werd daarvoor te Bolsward levend verbrand, na te Enkhuizen ontdekt en in hechtenis te zijn genomen. In het jaar 1494 werd deze stad, andermaal, door verraad, van de Schieringers ingenomen; en ten derde male in het jaar 1497. De Gelderschen, die de Saxische regering hier te lande tegenstonden, veroverden Bolsward, in het jaar 1514, na een beleg van twee dagen. In het volgende jaar leed die stad van den zoogenaamden Zwartenhoop, die haar bemagtigd en uitgeplunderd hebbende, haar niet verliet, zonder ze in brand te hebben gestoken, waardoor genoegzaam al de huizen, alleen de kerken en kloosters uitgezonderd, in asch gelegd werden. In het jaar 1516 werd Bolsward door het Geldersch krijsvolk, voor 600 Emder guldens aan de Bourgondiërs overgeleverd, waardoor zij onder Karel V en het huis van Oostenrijk kwam. Aldra echter werden de Gelderschen weder meester van de stad, en hielden haar in hun bezit tot in het jaar 1523, wanneer zij, door den invloed der burgerij, weder aan Keizer Karel V overging. Tijdens de worsteling tot bekoming der vrijheid en tot afwerping van het Spaansche juk, bleef Bolsward mede niet in rust. Zij liet, den 27 Augustus 1572, de zoogenaamde Geuzen binnen, maar ging, voornamelijk door de trouweloosheid van Graaf Joost van Schouwenberg, kort daarna aan Casper de Robles en de Spanjaarden over, en nu duurde het tot in het jaar 1581 eer Bolsward in de Unie opgenomen werd.

Er werden hier vroeger twee jaarmarkten gehouden: de eerste tegen 12 Junij of St. Odulphusdag; de tweede tegen 17 September of St. Lambertusdag, thans heeft men er drie: één den vierden Donderdag in April, zijnde eene beestenmarkt: ééne den 24 Augustus en eindigende den 7 of 8 September, zijnde eene kermis, gedurende welke den 26 Augustus eene paardenmarkt gehouden wordt; en eene den laatste Donderdag in October, zijnde eene beestenmarkt.

Het wapen van Bolsward is van goud, beladen met eenen dubbelen zwarten arend, het schild gedekt met eene kroon, en ter wederzijden vastgehouden door eenen klimmenden leeuw van natuurlijke kleur.

BOLSWARD, kant., prov. Friesland, arr. Sneek; palende aan het kant. Harlingen, O. aan de kant. Rauwerd en Sneek, Z. aan het kant. Hindeloopen, W. aan de Zuiderzee.

Het bevat de stad Bolsward, benevens de grietenijen Wonseradeel en Hennaarderadeel en telt daarin nagenoeg 16,000 inw.

BOLSWARD, kerk. ring, prov. Friesland, klass. van Harlingen.

Zij bevat de volgende 10 gem. Bolsward, Burgwerd-Hichtum-en-Hartwerd, Edens-en-Spannum, Kubaard-en-Waaxens, Lollum, Oosterend-en-Hennaard(Hennaard hoort bij Itens), Oosterlittens, Winsum-en-Baard, Wommels-en-Hydaard en Ytens.

Men heeft er 13 kerken, die door 11 predikanten bediend worden, en de gezamelijke gem. tellen 2400 zielen.

DYLAKKER (GROOTE-), gracht in de st. Bolsward, prov. Friesland, loopende van den hoek der Nieuwmarkt tot de St. Jansstraat of den zoogenaamden Brouwerspost.

DYLAKKER (KLEINE-), gracht in de st. Bolsward, prov. Friesland, loopende van de Philipsteeg tot het St. Martini-kerkhof.

HEREMA, Heerema, Heerma, Harama of Herama, ook Heermahuis of Heeremahuizen genoemd, voorm. adell. h., prov. Friesland, kw. Westergoo, te Bolsward, aan het Oosteinde van het Hoog, aan den Wal.

Ter plaatse, waar het gestaan heeft, ziet men thans nog het zoogenaamde heerenhuis. Dit adell. h. besloeg, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 6 v. r. 35 v. ell., en wordt thans in eigendom bezeten en bewoond door den Heer Hendrik van der Werf.

HIDDAMA of Hiddema, voorm. adell. h., prov. Friesland, in de st. Bolsward, op den Dylakker.

Dit gebouw wordt thans in eigendom bezeten en bewoond door den Heer Klijnhuizen.

HOOG-HUIS, voorm. huis, prov. Friesland, kw. Westergoo, te Bolsward. Zie Jongema.

JONGEMA-HUIS, Jonghama-huis of Jongama-huis, oudtijds Juwinga en later het Hooghuis genaamd, voorm. adell. h., prov. Friesland, in de st. Bolsward, aan het einde van de Kerkstraat.

Het was eene bezitting van het oude geslacht Jongema, hetwelk het voorregt had van altoos eenen Olderman der stad en Gilden in de Regering te hebben, hetwelk zijn aanzien en invloed in het bestuur der zaken grootelijks vermeerderde, waarom het ook in de processie voor alle anderen ging. Het laatste mannelijk lid van dit geslacht van Godschalck Jongema, die in het jaar 1545, wegens de stad Bolsward, als Olderman in bezending gebruikt werd, tot het doen van nadrukkelijke vertoogen aan den Keizer tegen het verkrachten van ‘s Lands voorregten en het opleggen van ongewone lasten. Na die tijd schijnt het voorregt van Oldermanschap, waarschijnlijk door huwelijk, overgegaan te zijn op het geslacht Herema’s.

Jongema-Huis is, in het jaar 1839, door den toenmaligen eigenaar afgebroken, en de gronden van 19 v. r. 70 v. ell., en in eigendom toebehoorende aan den Heer Sicke Braunius Oeberius, Seceratris van de stad Bolsward.

JUVINGAHUIS, oud h., prov. Friesland, in de stad Bolsward. Zie Jongamahuis.

JUVINGAHUIS, oud h., prov. Friesland, in de stad Bolsward. Zie Jongamahuis.

JUWINGAHUIS, oud h., prov. Friesland, in de stad Bolsward. Zie Jongamahuis.

KNOSSENS, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Wonseradeel, arr. en 2 u. W. ten N. van Sneek, kant., gem. en 1/4 u. Z. O. van Bolsward.