ANNABUREN (St.), d., prov. Friesland. Zie Anna-Parochie (St.).

ANNA-PAROCHIE (ST.), bij de landlieden veelal St. Annaburen of enkel St. Anna genoemd, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Het Bildt, arr. en 2 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. W. van Hallum. het is het middelste en fraaiste der drie Bildtdorpen, en bestaat uit dubbele rijen huizen, die elkander bij de kerk regthoekig snijden, en alzoo een kruis vormen.

Dit d. telt ruim 1900 inw., allen behoorende tot de Herv. hem., welke onder de klass. van Leeuwarden, ring van Stiens, gerekend wordt. De kerk, een fraai achthoekig gebouw, prijkt met eenen schoonen koepeltoren, een goed orgel, een net gesneden predikstoel, en eene deftige kapel, waarin de grafkelder van het adellijk geslacht van Haren, welks beroemde leden bijna anderhalve eeuw aan het hoofd van deze grietenij stonden. Dit geslacht bezat hier vele goederen, benevens een fraai heerenhuis, met welaangelegde tuinen. Dit huis werd den 11 december 1732, toen het door den beroemden Dichter en Grietman Jonker Willem van Haren bewoond werd, een prooi der vlammen, waarbij men vooral het verlies van zijne voorvaderlijke, kostbare boekerij te betreuren had. Kort na 1793 is dat gebouw afgebroken en op de plaats, waar het gestaan had, het voormalige regthuis opgetrokken, thans door den Grietman bewoond, hetwelk in 1853 door een nieuw grietenijhuis daar tegen over, is vervangen. Ook is hier eene groote en nette school met onderwijzerswoning.

De omtrek van dit dorp bestaat uit zeer vruchtbare kleilanden, welke vlijtig, zindelijk onderhouden worden, en uitmuntende oliezaden, granen en aardvruchten opleveren, tusschen welke, van het eene dorp der grietenij naar het andere, regte, niet zeer breede, maar wel onderhoudene, vaste schulpwegen loopen, meerendeels ter wederzijden met boomen beplant.

Er plagt benoorden dit dorp eene visscherij van kabeljaauw, schelpen en haring te zijn. Er wordt eene Jaarmarkt gehouden, die op den tweeden Dinsdag na den 12 mei invalt.

Dit dorp is de geboorteplaats van den geleerden Griffier bij de regtbank van eersten aanleg te Leeuwarden en Sekretaris der Commissie van landbouw in Friesland, Mr. Daniel Hermannus Beucker Andreae, geb. 1772, † 18 Maart 1828, en van zijnen vriend, den opvoedkundige Hans Willem Cornelis Anne Visser, geb. 1773, † 20 Sept. 1826, als Predikant te Ysbrechtum.

BILDT (HET NIEUWE-), bedijking, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum, palende N. W. aan de Wadden, N. aan de Bildt-Pollen, O. aan het Nieuwe-Monnike-Bildt, Z. aan het Oude-Bildt. Het is een aanwas van de Oude-Bildt, welke in het jaar 1600 bedijkt en in het jaar 1640 verkocht werd. Het bestaat uit 51 kavels, die te zamen eene oppervlakte van ongeveer 1756 morgen (ruim 1608 bund.) beslaan. Deze kavels zijn bezwaard met een floreen, op iedere drie pondematen; zijnde een pondemaat twee vijfde deelen van een morgen. Daarenboven zijn de eigenaars ven het Nieuwe Bildt verpligt, hunnen eigen zeedijk te onderhouden, waartoe ieder morgen 's jaarlijks doorgaans vijf gulden moet opbrengen,.

De grond dezer bedijking, zeer vet en eenigzins zaverig, is best geschikt voor den akkerbouw.

BILDT (HET OUDE), bedijking, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt , arr. Leeuwarden, kant. Berlikum; palende N. W. en N. aan het Nieuwe Bildt, O. aan het Oud-Monnike-Bildt en Leeuwarderadeel, Z. aan Menaldumadeel en aan Barradeel. De bedijking heeft in de jaren 1505-1508 plaats gehad en ligt geheel besloten tusschen den Ouden-Zeedijk van de toenmalige Middelzee en den Ouden Bildtdijk. Het land is ten grooten deele hoog en zonder water, uitgezonderd de noodwendige vaarten.

De grond van het Oude-Bildt bestaat over het algemeen uit zeer wreede klei, die op sommige plaatsen, zooals in het zuidwestelijke best tot weiland geschikt is; verder noord- en oostwaarts heeft men het meestal aangelegd tot bouwlanden. het Oude-Bildt beslaat eene oppervlakte van 5619 morgen (ruim 5161 bund.).

BILDT (HET OUD-MONNIKE), bedijking, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum; palende N. aan het Nieuwe-Bildt, O. aan Leeuwarderadeel, W. en Z. aan het Oude-Bildt, waartoe het onmiddelijk behoort, en hetwelk deze noordoostelijke hoek, welken den bijnaam van kapershoek draagt, te gelijk in de jaren 1505-1508 binnen denzelfden Oude- of Eersten-Bildt-dijk (zie volgend art.) werd gebragt. Het word van het Oude-Bildt afgescheiden door de vaart van de Leije naar Oude-Bildtzijl, en sommige huizen van deze beide buurten staan op den grond van het Oude-Monnike-Bildt. Het Oude Monnike-Bildt is groot ongeveer 395 morgen (363 bund.).

BILDT (HET) of het Bilt, griet., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum (2 k. d., 5 m. k., 1 s. d.); palende W. en N. aan de Wadden, O. aan de griet. Ferwerderadeel en Leeuwarderadeel, Z. aan Menaldumadeel en Barradeel.

Sommigen beweren, dat deze griet. haren naam zoude verschuldigd zijn aan de Deenen, die daar voorheen meermalen geland zijn, en bij wie Bildt hetzelfde is als bij ons eene ondiepe zee of wad; meer waarschijnlijk komt ons het gevoelen van hen voor, die willen, dat men dit oord dien naam gegeven heeft, omdat het uit de zee is opgerezen en opgebild.

Het Bildt, voorheen door de Noormannen en Friezen met zware schepen bevaren, wier, nadat de Middelzee opgeslijkt en afgedamd was, zoo sterk aan, dat men reeds in het jaar 1398 melding daarvan vindt. Doch het schijnt, dat de onstendigheid der regering en de inwendige verdeeldheid des lands niet hebben toegelaten, dat deze aangespoelde landen bedijkt en behoorlijk tot land geschikt gemaakt werden, zoodat zij tot dus verre alleen bij de naaste dorpen en kloosters in gebruik waren als buitenlanden, die bij alle getijen voor de zee bloot lagen.

Met de komst van Hertog Albert van Saxen, die door Keizer Maximiliaan I, uit naam des Roomschen Rijks, tot Erf-Gouverneur en Potestaat van den lande van Friesland was aangesteld, werd de indijking van het Bildt in ernstige overweging genomen. Allereerst liet de Hertog zich onderrigten, wegens den aanwas aan de Noordwestzijde der provincie, Het Bildt genaamd, en, daarmede niet voldaan, ging hij zelf dien opgeslijkten oord gezigtigen. Hierop nam hij voor, deze landen te bedijken, doch, door hen hevigen krijg met de Gelderschen uitgeput, was hij niet in staat, zijn oogmerk te volvoeren, zoodat de zaak slepende bleef tot in het jaar 1504, wanneer Hertog George, zoon van Hertog Albert, die in het jaar 1500 overleden was, het werk wederom aanzette, de nieuw verrezene landen door bekwame Wiskundigen deed meten, welke Het Bildt bevonden 5400 morgen, naar de toenmalige landmaat, groot te zijn. Dat gedeelte, hetwelk de Hertog voornam te bedijken. trok hij, als aangewonnen land, aan zich, zonder daarin de gemagtigden van Oostergoo en Westergoo te kennen. Hij stelde de naastbij gelegene belanghebbenden tevreden, deels door hun eene geldsom in eens te betalen, deels door hun eene jaarlijksche toelage uit te reiken. Eenigen evenwel wilden hunne regten of aandeelen behouden.

De bedijking van Het Bildt werd nu dadelijk aangevangen. In de maand Junij 1504 ging Hertog George een verdrag van verpachting aan met vier Hollandsche Edelen, de drie gebroeders Heer Jakob Oem van Wijngaarden, Ridder van Wijngaarden en Ruysbroek, Ambachtsheer van Grijsoorde, Oude- en Nieuwe-Tonge, Floris van Wijngaarden, Ridder, Ambachtsleer van IJselmonde, Dirk Oem van Wijngaarden en Thomas Beukelaar, den schoonzoon van gezegden Floris van Wijngaarden, waarbij deze vier Heeren zich verbonden, om, gedurende elf jaren, de landen te bedijken, te ontginnen, en met de noodige sluizen, wegen en waterleidingen te voorzien; mits daarvoor, van iedere vier morgen lands, eene jaarlijkschen pacht of huur van vijf goudgulden aan den hertog of zijne erven betalende, waarvan zij echter het eerste jaar bevrijd zoude zijn. Deze verpachting geschiedde onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat, bijaldien, zij, na verloop van die elf jaren, niet weder wilden pachten, alsdan aan hen, of hunne erven, door den Hertog, of zijne erven, zouden worden vergoed alle kosten, welke zij, zoo tot verbetering en gebruik der landen, als aan hunne timmeringen, hadden moeten besteden, ter begrooting van vier onpartijdige mannen, wederzijds twee, uit Friesland te verkiezen. Inmiddels waren de voorschreven pachters niet in staat, om zelfs den tijd van elf jaren uit te houden, terwijl de grond, nog te koud en te straf van aard, weinig vruchten gaf, en hunne dijken niet voldoende waren, om het zeewater steeds buiten te houden. Zij vonden zich dus, aanmerkelijk bezwaard en verarmd, in de noodzakelijkheid, om nog twee Edelen d'Avila (welligt eigenlijk Davelaar) en Bontemantel, in hun genootschap op te nemen; met wier hulp zij hunne onderneming met moed en eenen gunstigen uitslag voortzetten, waartoe zij zich beter in staat zagen, doordien Hertog George hun de aanzienlijke som van 16,000 goudgulden voorschoot. De namen der beide laatstgenoemde Edelen zijn nog heden op het Bildt bewaard; want de eerste heeft in de kerkbuurt van Anna-Parochie een zwaar huis gebouwd, hetwelk, vóór dat het in het jaar 1833 werd afgebroken, nog bij de Bildtlieden het Davelaarhuis heette, terwijl er eenige kavels land zijn, die den naam van Bontemantel dragen. Ondertusschen vervielen de zaken van hertog George van Saksen hier te lande zoodanig, dat hij, niet in staat zijnde om den Gelderschen en den met hun verbonden Schieringers het hoofd te bieden, in het jaar 1515, genoodzaakt werd, de landen van Friesland, met goedkeuring van den Keizer, aan eenen magtiger Vorst, namelijk aan den later, onder den naam van keizer Karel V, in de geschiedenis beroemd geworden, Graaf van Holland en Zeeland, over te dragen. Deze deed daarop, bij het aanvaarden van de regering dezer landen, door zijnen Stadhouder Floris van IJsselstein, beloven, alle vrijheden en voorregten, door den hertog aan steden, genootschappen en bijzondere personen verleend, te zullen onderhouden en niet te verminderen, maar veeleer te vermeerderen.

De eerste elf jaren verloopen zijnde, troffen de pachters met den toenmaligen Landsheer eene nieuwe overeenkomst, voor den tijd van tien jaren; doch gedurende dien tijd werden de bewoners van Het Bildt, tot tweemalen toe, door de Gelderschen verjaagd, en hunne goederen geplunderd en verbrand. daar echter inmiddels de magt van Karel V hier te lande dagelijks aanwies, moesten de Gelderschen eindelijk wijken, en met de herstelling van de algemeene rust keerden ook de Bildtpachters naar hunne verlaten landen terug, waarin zij alles herstelden, en ook allengskens begonnen in welvaart toe te nemen. Eenige Edelen, met name Julius van Botnia Ridder, Aart Booth en Marten Coebel, zagen dit niet onverschillig aan, en schroomden niet, ten einde daaraan deel te krijgen, de Bildtlanden, na het eindigen der tien jaren, van Zijner Majesteits Raad te Brussel te onderpachten, en daarna de landerijen, op de door hen ontworpen voorwaarden, wederom aan de oude pachters in huur aan te bieden. De oude pachters wezen niet alleen de hun voorgestelde voorwaarden van de hand, maar betrokken daarenboven, nopens de preferentie der pachting aan den eenen, en nopens de onbetaalde verbeteringen aan den anderen kant, de gemelde Edelen, voor het Hof van Friesland, in regte, met dat gevolg, dat deze Edelen in het ongelijk werden gesteld, en verpligt waren den vorigen pachters ongemoeid, naar ouder gewoonte, Het Bildt in pacht te laten. De oude pachting, in het gebruiken en verbeteren der Bildtlanden voortgaande, hadden geluk, door hunnen nijverheid en spaarzaamheid het zoo ver te brengen, dat zij niet alleen jaarlijks hunne beloofde pacht konden voldoen, maar ook nog daarenboven, in tijd van nood, groote sommen gelds aan den Lande opschieten, en eindelijk zoo talrijk en vermogend werden, dat zij, die tot nog toe, maar alleen als kolonisten op de landen gewoond hadden, ten jare 1579, in het ligchaam der provincie Friesland, werden ingelijfd, terwijl hun door den regerenden Stadhouder, den Graaf van Rennenberg, en den provincialen Raad, gelijk de andere grietenijen, stem in staat werd aangeboden, benevens den eigendom van 1756 morgen Nieuw-Bildtland en nog 116 morgen lands, het Monnike-Bildt genaamd, welke het klooster Mariëngaarde van Koning Karel bekomen had, ter vergoeding van de zesdehalf honderd morgen lands, die zij vroeger op den Grooten-Bildt hadden bezeten, en hun door den Hertog van Saksen ontnomen waren. Dit aanbod werd den Bildtlieden gedaan op voorwaarde, dat zij zouden dragen het 25ste gedeelte van alle provinciale, zoo oorlogs- als andere lasten. De pachters namen de aangeboden stem in staat, op den voet der andere Grietenijen, aan: doch zij wezen den aangeboden eigendom der overige Bildtlanden van de hand: waarschijnlijk uit vrees voor den Koning van Spanje en de nog steeds magtige geestelijkheid, die, niet gewoon de haar aangedane beleeningen te vergeven of te vergeten, het aannemen van den eigendom harer landen, bij omkeering van zaken, zekerlijk op de Bildtlieden zouden gewroken hebben. Zij namen dus de braamde quotisatie aan, doch bedankten beleefdelijk voor het overige, zich vergenoegende met eene stem in staat als de overige Grietenijen verkregen te hebben. Doch zoodanig eene quotisatie onder de kort daarop gevolgde Staatsregering vele ongemakken veroorzakende, besloot men die af te schaffen, en de landen wederom voor eenen behoorlijke jaarlijkschen kanon aan de oude pachters te verpachten, mits in de algemeene kassen der provincie, zoo veel als andere ingezetenen, betalende. Vervolgens werd, aan het jaar 1600, de bedijking van den Bildtaanwas bewerkstelligd, en het Nieuwe-Bildt genoemd. De zaken der Bildtpachters namen inmiddels met eenen onafgebroken voorspoed toe, tot in het jaar 1622, wanneer de Staten der provincie besloten, om, na het eindigen der loopende pachtjaren, den jaarlijkschen kanon zoodanig te verhoogen, dat de pachters die verre te hoog gesteld rekenden, en weigerden aan te nemen, waarop hun werd aangezegd, dat zij hunne landen moesten ontruimen en verlaten, aangezien de Staten beweerden, dat zij alleen meijers waren en dus geen meer regt op de landen hadden, dan de overige huurders der provinciale landen. De pachters daarentegen eischten vergoeding van de provincie, voor de door hun daargestelde verbeteringen, als het graven van vaarten, het bouwen van kerken, scholen, huizen enz. Dit geschil werd toenmaals wel ter zijde gesteld, doch ruim honderd jaren later vernieuwd, maar in het jaar 1751, door tusschenkomst van den Stadhouder, ten voordeele der pachters beslist, ten gevolge waarvan deze Het Bildt voor eene som van 749,615 gulden 10 stuivers van de Staten van Friesland in koop overnamen. De Bildtlieden, van toen af de landen als hun eigendom beschouwende, hebben den landbouw aanmerkelijk verbeterd, en vele hunner zijn, zoo door meerder ijver als door voorspoedige tijden, van geringe gegoede lieden geworden, en bezitten landhoeven van groote waarde. Intusschen waren er naauwelijks eenige jaren na de laatste bedijking verloopen, of de aanwas was weder zoo aanmerkelijk, dat reeds in het jaar 1682 vergunning en aanmoedigende vrijheden ter inpoldering werden verleend, ofschoon dit gedeelte de Oude- of Westelijke-Bildtpollen genaamd, eerst in het jaar 1715 ingedijkt werd. later, en wel te jaren 1754, werd de bedijking van den Nieuwen- of Oostelijken-Bildtpolder tot stand gebragt; door alle welke bedijking deze grietenij thans eene oppervlakte beslaat van 7641 bund. 84 v. r. 17 v. ell. (1)

(1) Zij, die meer omstandig met de bedijking van deze grietenij willen bekend zijn, kunnen wij verwijzen naar de belangrijke Nasporingen betrekkelijk de Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door wijlen den Predikant P. Brouwer P. Zoon en onzen volijverige medearbeider W. Eekhoff, Leeuw. 1834, bl. 83-102.

Het Bildt wordt thans verdeeld in het Oude-Bildt, het Nieuwe-Bildt, het Oude-Monniken-Bildt, en de pollen in de Oude-Bildtpollen, en den Nieuwen-Bildtpolder; deze grietenij bevat slechts drie dorpen, allen op het Oude-Bildt gelegen, namelijk St. Jacobi-Parochie, St. Anna-Parochie en Lieve-Vrouwe-Parochie: maar behalve deze dorpen behooren er ook toe de buurt Oude-Bildt-zijl, benevens het gehucht Oude-Bildtdijk en een gedeelte van de Nieuwe-Bildtzijl en van de Leije, alsmede de Hoeven ten Z. W. van St. Jacobi-Parochie.

Men telt er 862 h., bewoond door ruim 6300 inw., die, ten grooten deele Hollanders van oorsprong zijnde, zich, zoo door hunne kleeding en tongval, die meer naar de Hollandsche zweemt dan de spraak der Friesche stedelingen zelve, als door eenen groveren en zwaarderen ligchaamsbouw van den meer ranken Fries, als eene bij zondere volkplanting, onderscheiden. Zij vinden hun bestaan in landbouw, vlas- en veeteelt, zijnde Het Bildt eene zeer vruchtbare en korenrijke landouw. Voorts zijn nog in deze grietenij 2 (vroeger 5) bierbrouwerijen, 1 grutterij, en 3 of 4 cichoreiëesten, terwijl er vroeger ook eene jeneverstokerij bestaan heeft.

De Herv., die ruim 5800 in getal zijn, maken 3 gem. uit, namelijk: St. Anna-Parochie, St. Jacobi-Parochie en Lieve-Vrouwe-Parochie, die elk eene kerk hebben, en door even zoo veel Predikanten bediend worden.

De Doopsgez. tellen er ruim 200 zielen, en behooren tot de gem. van Oude-Bildtzijl-en-Hallum.

De R. K., die hier slechts 15 in getal zijn, parochiëren te Harlingen.

De Evang. Luth., van welke gezindte men er 6 telt, worden tot de gem. van Harlingen gerekend.

Er zijn in deze grietenij zes scholen, als: ééne te St. Anna-Parochie, ééne te St. Jacobi-Parochie, ééne te Lieve-Vrouwe-Parochie, ééne te Oude-Bildtzijl en twee aan den Ouden-Bildtdijk.

Vroeger bestonden hier twee zeesluizen, de Oude-Bildtzijl en de Nieuwe-Bildtzijl geheeten, maar deze zijn, door den aanwas van land, geheel verlamd. Zoodat de laatste afgedamd is terwijl de eerste alleen nog als binnensluis van den ouden dijk bestaat.

De voornaamste vaart van Het Bildt komt door de Wierzijl uit de Ried, loopt eerst noord- en daarna noordwestwaarts naar St. Jacobi-Parochie, en, met eenen anderen tak, onder den naam van Blikvaart, eerst oost- en daarna noordoostwaarts naar de Leije en naar Oude-Bildtzijl, en verder naar de thans verstopte, Nieuwe-Bildtzijl. Almede loopt er nog eene vaart langs den binnenkant van den Ouden-Bildtdijk, benevens verschillende zijtakken van de Blikvaart langs de wegen naar de dorpen en boerderijen.

Behalve den regten Middel- of Zandweg, waaraan de drie Bildtdorpen liggen, en die oost- en westwaarts, bijna evenwijdig aan den Oudendijk, door geheel het Oude-Bildt loopt, zijnde beide oude zeedijken de oorspronkelijke wegen der Bildtlieden, en op deze loopen alle de binnewegen uit. De zandweg wordt regthoekig gesneden door vier rijwegen, van den zuidelijken Oude Zeedijk tot den Ouden-Bildtdijk doorloopende, als: één door Lieve-Vrouwen-Parochie, één door St. Anna-Parochie, één op de helft tusschen St. Anna-Parochie en St. Jacobi-Parochie en één ter helft tusschen St. Anna-Parochie en Lieve-Vrouwe-Parochie. Van St. Jacobi-Parochie loopen weder drie wegen, op verschillende afstanden, naar den Ouden-Bildtdijk en twee zuidwaarts naar den Ouden Zeedijk. Eindelijk loopt er nog een dwarsweg van Berlikum, ten Z. van St. Anna-Parochie en Lieve-Vrouwe-Parochie naar het Stienzer-Nieuwland, van welke men ook, door de gemelde kruiswegen, naar de dorpen kan komen.

Voor het noordelijke gedeelte dezer grietenij (namelijk de Westelijke Pollen, het Nieuwe-Bildt en het Oude-Munnike-Bildt) waren de storm en watervloed van 3, 4 en 5 Februarij 1825 zeer noodlottig, want deze fraaije, weleer aan de haren ontwoekerde landouw, scheen nu weder op het punt te zijn, om, zoo niet in zee herschapen, dan toch door de woeste golven te worden overstroomd. In den nacht van den 3 werden, onder storm en onweder, door den geweldigen wind, de stevige dijken zoo hevig geteisterd, dat, in den morgen van den 4, omstreeks tien uren, de zeedijk van de Oude-Bildtpollen op twee plaatsen bezweek, en er eene inbraak, van meer dan vijftig ellen, ontstond. Het was even alsof de golven zich ver boven den dijk verhieven, om dien geheel en al te vernielen, en een aantal zeepalen werden daarover en door het gat geworpen en met den woedenden stroom landinwaarts ingestuwd, waardoor dan ook aan geene redmiddelen tot stuiting te denken was. Vele der inwoners moesten dus naar de nabijgelegen landlieden van het Nieuwe-Bildt vlugten, daar binnen weinige oogenblikken alles overstroomd was. Dan, hier deelde men weldra in hetzelfde lot: want bij het avondtij kon de Tweede Bildtdijk, den geweldigen aandrang des persenden vloeds niet langer wederstaan, zoodat op de eerste ramp een tweede onheil volgde. In den namiddag stak er een hevige noordwesten storm op, vergezeld van zwaren donder en bliksem. De zee joeg hare breede golven tegen den dijk, stuwde die daar over, en sloeg er de kruin af, zoodat hij, al zwakker en zwakker wordende, weldra moest bezwijken, hetgeen des avonds ten negen ure werkelijk plaats had, en daarop volgde eene geheele doorbraak, door de steenen waterlozing, door den Nieuwendijk gelegen, waardoor weldra het geheele Nieuwe-Bildt, eene openbare zee gelijk werd. In den vroegen morgen van den 5 Februarij moesten velen inwoners van het Nieuwe-Bildt hunne beschadigde woningen verlaten, daar zij nog, wegens den aanwas van het water, dat drie ellen hoog door de inbraak stortte, het gevolg niet konden berekenen. Zij begaven zich alzoo, wadende langs de diep onderstaande dijken, naar het Oude-Bildt, alwaar zij eene gereede toevlugt vonden. Een nieuw en dadelijk gevaar, vooral voor het Oude-Bildt, ontstond er op hetzelfde oogenblik, daar in de Oude-Bildt, voor welke sluis de vloed nu moest worden gekeerd, duidelijke sporen van verzakking zigtbaar werden, en deze moest dus versterkt en tegen den aandringenden stroom bestand gemaakt worden, of men had het ergste te duchten. Men bespeurde, toen de sluisdeuren reeds waren gesloten, dat de stand des buitenwaters 9 1/2 palm hooger, dan het binnenwater was, en het eerste werd nog in één tijds met zes palmen verhoogd, zoodat de vrees voor het behoud dezer waterkeering tot het hoogste toppunt klom. Men besloot tot het afbreken van het nabijstaand huis, en met het puin, steen en andere voorwerpen maakte men eenen dam, waardoor de sluis tegen den vloed was verzekerd. Deze poging gelukten dan ook volkomen en men ontkwam het verdere gevaar. Deerlijk werden de dijken dezer grietenij geteisterd, zoodat daarin, over de gansche uitgestrektheid een aanzienlijk aantal groote en kleine gaten geslagen, de binnen- en buitendoceringen ingekolkt en de kruin op vele plaatsen afgeworpen waren; doch er was geen enkel mensch en slechts weinig vee in den vloed omgekomen, en, ofschoon een twintigtal huizen en woningen beschadigd werden, was er slechts één geheel ingestort. De som ter herstelling der beide doorbraken werd op 65,000 guld. berekend, maar de dadelijke schade, vooral wat het bedorven graan en veldgewas betrof, was mede zeer beduidend, beloopende: aan het bouwland 55,000 guld., aan gebouwen, huisraad en vruchten, inzonderheid duizende korven aardappels, 40,000 guld., en de geheele schade alzoo 160,000 gulden.

Het wapen van Het Bildt bestaat in een veld van lazuur (blaauw), beladen met drie leggende zeehorens van zilver, waaruit drie korenaren van goud opschieten; ten zinnebeeld, hoe dit korenrijk oord als uit de zee is voortgekomen.

BILDTDIJK (EERSTE-), Ouden-Bildtdijk of Derde Zeedijk, dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt. Hij loopt van Dijkshoek in het W. der grietenij het Bildt, en eene noord-, noordoost- en oostelijke rigting, naar en voorbij Oude-Bildtzijl in het O. van die grietenij, en diende vroeger om het Oude-Bildt tegen zeewater te beschutten. Het gedeelte, van Dijkshoek tot de plaats, waar de Tweede Bildtdijk begint, wordt meestal Statendijk of ook wel Armdijk geheeten. Deze dijk maakt de scheiding van het Oude en Nieuwe Bildt uit, en werd van 1505-1508 bij de eerste Bildtbedijking aangelegd. Hij is nog zeer hoog en breed en sterk, en wordt aan de zuid- of binnenzijde versierd met een aantal fraaije en voortreffelijke bouwboerderijen, met nette woonhuizen daarneven. Zij behooren alle onder de algemeene benaming van Oude-Bildtdijk tot het geh. van dien naam. Zie volgende art.

BILDTDIJK (NIEUWE-) of Tweede Zeedijk, dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt; loopende van den Statendijk in het W. der grietenij naar Nieuwe-Bildtzijl in het O. van de grietenij, en verder oostwaarts in Ferwerderadeel, naar den Noorderdijk.

Deze dijk is in den jare 1600 ten zoom van het Nieuwe Bildt gelegd, en is de scheiding van het Nieuwe Bildt en de Bildtpollen.

BILDTDIJK (OUDE-), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en 3 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. van Berlikum, 1/2 u. N. van de drie Bildtdorpen, waaronder het behoort.

Dit gehucht bestaat uit een aantal boerenwoningen langs den Ouden Bildtdijk staande. Men heeft er twee scholen, ééne in het jaar 1836 gebouwd, Om-Oost genaamd, en ééne in de zoogenaamde West-hoek, in 1838 gebouwd.

BILDTDORPEN (DE), benaming onder welke men verstaat de drie in de griet. het Bildt, prov. Friesland, kw. Westergoo, gelegene dorpen: St. Anna-Parochie, St. Jacobi-parochie en Lieve-Vrouwe-Parochie.

BILDTPOLDER (NIEUWE-) of Oostelijke-Bildtpolder, bedijking, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum; palende N. aan de Wadden, O. aan de Noorderleeg, Z. aan het Nieuwe Bildt, W. aan de Oude-Bildtpollen.

Deze aanwas, die eene oppervlakte beslaat van 126 morgen (ruim 101 bund.), is in het jaar 1754 ingedijkt, en bleef, tot aan het einde der vorige eeuw, van alle lands lasten bevrijd; zijnde het onderhoud van den zeedijk mede begrepen onder de zes gulden, over de eigenaars van de Oude-Bildt-pollen, als medeëigenaars van deze bedijking, op iedere morgen omgeslagen (zie volgende art.).

BILDTPOLLEN (OUDE-) of Westelijke Bildtpollen, bedijking, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. het Bildt, arr. Leeuwarden, kant. Berlikum; palende N. aan de Wadden, O. aan den Nieuwen-Bildtpolder, Z. en Z. W. aan het Nieuwe-Bildt.

Het is een aanwas van het Nieuwe-Bildt, dat, in het jaar 1715 onder het opzigt van den waterbouwkundige Willem Loré, bedijkt is, op voorwaarde, dat de eigenaars gedurende vijftig jaren van alle lands belastingen en impositiën bevrijd zouden wezen, welke vrijheid, in het jaar 1765, met eenige bepalingen, nog 20 jaar lang verleend is.

De Oude-Bildtpollen zijn bezwaard met het onderhoud van den zeedijk, waartoe doorgaans 6 gulden per morgen jaarlijks wordt omgeslagen, over welke sommen en de verdere huishoudelijke zaken het bestuur is toebetrouwd aan twee gecommiteerden, die mede het opzigt hebben over den Nieuwen-Bildtpolder.

Deze aanwas, groot 444 morgen (ongeveer 408 bund.) bestaat uit eenen zeer vetten, eenigzins zaverigen grond, die tot den akkerbouw zeer geschikt is.

BILDTPOLLEN-AANWAS, hooge buitenlanden aan de Wadden, in de prov. Friesland, kw. Westergoo en Oostergoo, welke sedert de bedijkingen, van 1715 en 1754 op nieuw buiten den zeedijk zijn aangespoeld en nog niet door eenen nieuwen dijk zijn binnengebragt. Zij beginnen reeds onder St. Anna-Parochie en nemen oostwaarts toe naar de grenzen van Ferwerderadeel, onder welke grietenij de aanslijking zeer aanzienlijk en onder den naam van Noorderleegsch Buitenveld bekend is.

BILDTZIJL (NIEUWE-), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. en 3 1/2 u. N. ten W. van Leeuwarden, gedeeltelijk griet. het Bildt, kant. en 2 u. N. N. O. van Berlikum, gedeeltelijk griet. Ferwerderadeel, kant. en 3 u. W. van Holwerd. het westelijke gedeelte behoort tot Lieve-Vrouwe-Parochie, en ligt 1 u. N. van dat dorp, terwijl de oostzijde tot het d. Hallum gerekend wordt, waarin het 1 u. verwijderd is.

Het gehucht ontleent zijnen naam van eene zijl of sluis, die hier, na het indijken van het Nieuwe-Bildt, in het jaar 1600, tot waterlozing is aangelegd, maar door de aangroeijende pollen onnut geworden zijnde, reeds voor het jaar 1664 verlamd was en later is digtgeheid.

BILDTZIJL (OUDE-), b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en ruim 2 1/2 u. N. ten W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. N. O. van Berlikum, 1/2 u. N. O. van Lieve-Vrouwe-Parochie, waartoe zij behoort.

BLIKVAART, vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt,  die uit de Wierzijl komt, eerst noordelijk gaat, vervolgens in eene oostelijke rigting doot het Oude-Bildt loopt, en zich eindelijk, benoorden Beetgum, noordwaarts naar de Lije en Oude-Bildtzijl kromt, na verschillende zijtakken naar de Bildt-parochiën tot aan en langs den Oudendijk te hebben afgegeven. Het is de hoofdvaart van het Bildt.

DAAMS of Daems, oude naam eener landhoeve, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. het Bildt, arr. en 2 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. van Berlikum, 1/4 u. Z. W. van St. Annaparochie, waartoe zij behoorde.

DAVELAARSHUIS of Davila'huis, voor. huis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, bewesten de kerk van St. Annaparochie. Naar men meent had het zijnen naam ontleend van zekeren Davelaar, een der bedijkers van het Bildt, die men als zoodanig ook wel onder den naam van d'Avila? Vindt opgegeven. Het is in Augustus 1833 afgebroken.

FEUDUM, vroeger Grombach geheeten, twee voorm. hofsteden, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, onder Lieve-Vrouwe-Parochie.

HAAN (DE ZWARTE-), herberg en veer op Ameland, prov. Friesland, kw. Oostergoo, aan de noordkust van de griet. het Bildt, onder St. Jacobiparochie.

HAMEREN (DE), schoone landouw, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet 't Bildt, in den Zuidhoek, Z. O. van Vrouwen-parochie. - Men vindt er vele aanzienlijke boerenplaatsen.

HAREN, landh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en 3 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. N. van Berlikum, in de buurt van St. Annaparochie.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans onderscheidene huizen en tuinen. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 3 bund., worden thans in eigendom bezeten door onderscheidene personen.

Deze state was het stamhuis van het beroemde Friesche geslacht van Van Haren, van welke wij Adam, of, zoo hij meer bekend is, Daam van Haren, niet slechts als Teekenaar van het verbond der Edelen, maar ook als een der aanvoerders van de watergeuzen met roem vermeld vinden (1); terwijl Willem van Haren zich, ten tijde van de Witt, met onderscheidene gezantschappen vereerd zag, en een ander Willem van Haren, even als zijn broeder Onno Zwier van Haren, zich niet alleen eenen onsterfelijken naam als Nederduitsch Dichter verworven, maar zich ook als Staatsman onderscheiden heeft.

(1) Men zie over hem J. W. te Water, Historie van het verbond der Edelen. St. II, bl. 449-452.?

HOEVEN (DE), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. Leeuwarden, kant. Berlicum, 1/2 u. Z. W. van Jacobi-Parochie, uit een paar boerenplaatsen bestaande.

JACOBI-PAROCHI (ST.), ook wel St. Jacobsburen en vroeger ook, naar de eerste bedijkers, het Dorp der Wijngaarden geheeten, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr., 3 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. N. W. van Berlikum, 3/4 u. W. van St. Anna-Parochie. Men telt er, in de kom van het d. 200 h. en ruim 1600 inw., en met de daartoe behoorende b. de Hoeven en een gedeelte van den Oude-Bildtdijk, 311 h. en ruim 2300 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veeteelt; ook zijn hier twee bierbrouwerijen.

Het is een groot en welvarend dorp. Men vindt er eene dubbele buurt huizen, die O. en W. loopt, en over de kerk is nog eene andere dubbele rij huizen aan den weg, welke, 1/4 u. zuidwaarts loopende, op den Oudezee Zeedijk, nabij Minnertsga, uitkomt. In den hofsteden, welke meer naar heerenhuizen dan naar boerenwoningen gelijken.

De inw., die, op 35 na, allen Herv. zijn, onder welke 250 Ledematen, maken eene gem. uit, die tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De R. K. Priester Johannes Jans moest in 1567, wegens zijne hervormde gevoelens, met zijne vrouw en twee kinderen, vlugten. Hij ging naar Emden en schijnt daar ambteloos overleden te zijn in 1576. De eerste, die in de gem. St. Jacobi-Parochie het leeraarambt heeft waargenomen, schijnt geweest te zijn Albertus Westerman, van wien op het synode van 1584 melding werd gemaakt, doch wanneer hij er gekomen of waar hij gebleven is, is onzeker. De vorige kerk was eene kruiskerk, aan den H. Jacobus toegewijd, welke in 1570 schijnt gesticht te zijn. In 1636 werd zij met den noordervleugel en in 1649 met den zuidervleugel vergroot. Zij was van een orgel en eenen spitsen toren voorzien. Nadat er meermalen was gesproken over het afbreken van die oude, onaanzienlijke kerk en het opbouwen van eene nieuwe, is zij eindelijk vervangen geworden door een geheel nieuw en grootsch kerkgebouw, waarvan het leggen van den eersten steen op den 13 April 1843 heeft plaats gehad. Dit nieuwe bedehuis is van langwerpig vierkanten vorm, in den Dorischen stijl gebouwd en versierd met een deftig voorportaal, waarboven zich een fraaije koepeltoren verheft. Dit schoone plan is door den verdienstelijken Architect Thomas Romein, te Leeuwarden, ontworpen. Zij is den 4 Februarij 1844 ingewijd.

De Doopsgez., die hier 20 in getal zijn, behooren tot de gem. Oudebildtzijl-en-Hallum. De 5 Evang. Luth, die hier wonen, behooren tot de gem. van Leeuwarden. De 10 R. K., die men er aantreft, worden tot de stat. van Harlingen gerekend.

Men heeft in en onder dit d. drie scholen, als: ééne in de kom van het d., en twee aan den Oude-Bildtdijk, als: ééner in den Oosthoek en ééne in den Westhoek, welke gezamenlijk, gemiddeld, door een getal van 280 leerlingen bezocht worden, van welke 130 in de dorpschool gaan.

Men heeft er een departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 15 Junij 1807 opgerigt is, en 30 leden telt.

De kermis te St. Jacobi-Parochie valt in den laatsten Zondag in Julij.

Dit d. is, even als de geheele grietenij, waartoe het behoort, met fraaije schelpwegen doorsneden.

JACOBSBUREN, naam, welken weleens wordt gegeven aan het d. St. Jacobi-Parochie, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. 't Bildt. Zie Jacobi-Parochie (St.).

JACOBS-PAROCIE (ST.-), d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. ‘t Bildt. Zie Jacobs-Parochie (St.-).

KADIJK, dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, die de scheiding maakt tusschen het Nieuwe-Bildt en het Nieuwe-Monnike-Bildt.

LIEVE-VROUWE-PAROCHIE of Lieve-Vrouwe-Buren, ook wel enkel Vrouw-Parochie of Vrouwen-Buurt, d., prov. Frisland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en 2 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. O. van Berlikum. Men telt er in de kom van het d. 80 h. en 490 inw., en met het daartoe behoorende geh. Oude-Bildtzijl, benevens een gedeelte van het geh. de Nieuwe-Bildtzijl en de Leye, 283 h. en 1900 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, vlas- en veeteelt, dewijl er hier uitmuntend land en fraaije boerenplaatsen zijn. Ook heeft men er vijf cichoreifabrijken en eenen korenmolen.

De Herv., die hier 1800 in getal zijn, onder welke 120 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring van Stiens, behoort. Vrouwenbuurt heeft bij de Hervorming waarschijnlijk terstond geen eigen Predikant gehad, maar werd nu door dien van St. Anna-Parochie, en dan door dien van Jacobi-Parochie bediend, doch, zoo niet vroeger, ten minste in 1614 had Vrouwen-Parochie reeds een eigen Predikant in Johannes Papma, die er in 1638 overleed. De kerk, welke hier vóór de reformatie stond, was aan de H. Moeder Maria toegewijd. De tegenwoordige kerk werd in 1670 gebouwd en in 1671 voltooid. Het is een langwerpig vierkant gebouw, met een fraai nieuw orgel. De predikstoel, aan den zuidkant, in het miden der kerk; aan de westzijde, heeft eene kraak of hangzolder, gemaakt in 1836, als wanneer de kerk grootendeels vernieuwd werd. Boven de deur, ten Oosten, leest men:

Hier straft en zegent men; hier word elk ziel genood;

In deze vierschaar moet all vrolyk zyn of beven;

Hier is het huis, waarin wy leven van de dood,

Als een herbooren zaad te treeden tot het leven.

De toren is spits en heeft in 1808 eenen geheel nieuwen orgel bekomen.

De Doopsgez., welke er 100 in getal zijn, behooren tot de gem. Oude-Bildtzijl-en-Hallum. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 90 leerlingen bezocht. - De kermis valt in het laatst van Augustus.

Lieve-Vrouwe-Parochie is de geboorteplaats van den beroemden werktuigbouwkundige Jan van der Bildt, eigenlijk Jan Pietersz, geb. 25 October 1709, † 27 April 1791.

MARIA-PAROCHIE, naam, welken men wel eens geeft aan het d. Vrouwen-Parochie, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. ‘t Bildt. Zie Vrouwen-parochie.

MONNIKEBILDT (HET NIEUWE- en HET OUDE-), twee bedijkingen, prov. Friesland, het eerste griet. Ferwerderadeel, het laatste griet. Het Bildt. Zie Bildt (Het Nieuwe- en het Oude-).

NOORDZIGT, buit., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en 3 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. N. W. van Berlikum, niet ver van St. Jacobi-Parochie, waartoe het behoort.

OUDE-POLLEN of Oude-Bildt-Pollen, aanwas of schorren groenland, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. het Bildt, ruim 551 bund. Groot, waarvan in het jaar 1715, tijdens het bestuur van den Heemraad en grietman Jr. Adam Ernst van Haren, ruim twee derde gedeelte is ingedijkt, dat thans de Oude-Bildt-polder genoemd wordt, terwijl het overige in het jaar 1754 bedijkt werd, en thans de Nieuwe-Bildt-polder heet.

POLLEN (DE), bedijking, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt. Zie Bildt-Pollen (Oude-).

TERHORNE (KLEIN-) , voorm. hofstede, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Het Bildt, arr. en 1 1/2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. O. ten Z. van Berlikum, 1 u. Z. van Lieve-Vrouwe-parochie, waartoe zij behoorde. - Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans bouwland.

TOUR (DU), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en 2 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. O. van Berlikum, 1 u. Z. Z. O. van Lieve-Vrouwe-Parochie; waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft ziet men thans eene boerderij, Tourenburg geheeten.

ZEEDIJK (DE OUDE-), dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt.

Deze dijk, die van Dijkshoek in het Westen naar Beetgum in het Oosten der griet. Barradeel loopt, maak de zuidelijke grensscheiding van het Bildt uit, en loopt verder als gedeelte van den Slachtedijk (zie dat woord) zuidwaarts, als westelijke grens der voormalige Middelzee.

ZEEDIJK (DERDE-), dijk, prov. Friesland, Zie Bildtdijk (Tweede).

ZEEDIJK (TWEEDE-), dijk, prov. Friesland. Zie Bildtdijk (Oude-).

ZUIDHOEK (DE), naam van het Zuidoostelijke gedeelte der Friesche grietenij het Bildt.

ZWARTE-HAAN (DE), in het Friesch de Zwarte-Hoânne, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. het Bildt, arr. en 4 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. W. van Hallum; 1 u. N. van St. Annaparochie; op het westelijke punt der laatste bedijking van het Bildt, waar zich deze dijk aan den ouden dijk aansluit.

Volgens sommigen zoude dit geh., hetwelk in eenen hoek ligt, aanvankelijk Zwarte-Haonne (Norne) of hoek hebben geheeten, doch door verbastering allengs, in de Zwarte-Hoanne (Zwarte-Haan) zijn verbasterd.

Hier zag Gerrit Krotje, den 15 April 1852, op den afstand van omtrent 117 el van het paalwerk, een buitengewoon grooten zeevisch en werd dien, na verloop van twee uren, met behulp van J.  P. van der Zee, volkomen magtig, waarna hij bevonden werd 5 1/2 el lang en de staart 1 1/2 el breed te zijn; terwijl het gewigt op 750 Ned. Ponden geschat werd. Het bleek naderhand een Botskop (Delphinus Orca) te zijn.