ALMENUM, zeer oud en beroemd d. in Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. W. van Franeker. Het is zuid- en noordwaarts langs den zeedijk gelegen, en was vroeger van grooter omvang, doch door de herhaalde uitleggingen van de stad Harlingen, grootendeels daarbij ingelijfd, zoo dat deze stad thans geheel door de landen van Almenum ingesloten is en dit dorp ten O. tot voorstad heeft. Sedert de vergrootingen van Harlingen schijnen er tusschen de regering van die stad, en die van de griet. Barradeel twisten te hebben bestaan over de grensscheiding, totdat geeindigd zijn, door een arbitrale uitspraak van den Stadhouder van Friesland van 30 April 1684, volgens welke onder anderen de Stad Harlingen verpligt is tot onderhoud der armen van Almenum Hier werd, zoo men wil, in 777 de eerste Christenkerk van Friesland, door het toen bloeijend, doch reeds sedert de 11de eeuw uitgestorven geslacht der Fortemans, gesticht en aan den aartsengel Michaël; later werd zij meermalen herbouwd en eindelijk, ingevolge octrooi van den koning van Spanje, van 6 September 1565, in 1580 binnen de nieuwe wallen van Harlingen getrokken. In deze kerk werden, naar men wil, de oude privilegiën van Karel den Groote bewaard. De Dorpsingezetenen behooren thans kerkelijk onder Harlingen, en het grietenijbestuur moet ook regt hebben op eene zitplaats in de groote kerk te Harlingen, althans tot het houden der stemmingen van Almenum, in die kerk.

Men telt hier 111h., en 550 inw., onder welk 480 Herv., 50 R.K. en 15 Doopsgez., die hun bestaan grootendeels vinden in veeteelt, alsmede in den arbeid in de aldaar gevestigde fabrijken, waarvan de eigenaars in Harlingen wonen, zijnde 1 kalkbranderij, 1 oliemolen, 2 pelmolens, 7 houtzaagmolens, 1 dakpan- en estrikfabrijk, en 1 linnenbleekerij. Van de 2 lijnbanen is er nog maar ééne in werking. Ook is hier nog eene in 1828 geheel nieuw gebouwde school met onderwijzerswoning, die doorgaans door 100 leerlingen, onder welke vele uit de stad Harlingen, bezocht wordt.

Weleer lagen onder Almenum, de sloten Bolta, Harliga, Harns en Gratinga, van welke laatste de tegenwoordig onder het dorp behoorende Gratingabuurt of Grettingabuurt haren naam ontleent. Op den zeedijk alhier, bij de grensscheiding der contributien van den vijf deelen zeedijkbuitendijks en binnendijks, staat het monument van steen, ter eere van Caspar Robles, een Spaansch landvoogd, die de verbetering van de zoo nuttige zeedijken, ten spijt van aanmatigingen en vooroordeelen, met kracht heeft doorgezet.

Door dit dorp loopen de trekvaarten van Harlingen naar Franeker en van Harlingen naar Bolsward.

In 1064 beging Ruurd Harlinga, op het kerkhof te Almenum, in eenen twist over het voorgaan ten offer, eenen manslag aan Sakser van Harns. In 1516 stak Frits van Gombach, Drost van Harlingen om redenen van defensie, de kerk en buurt van Almenum in brand.

ANDELEN, voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, onder Sexbierum, van welk d. het 5 min. N. gelegen was. Zij zoude, naar men wil, in 840 gesticht zijn, maar is thans alleen kenbaar aan de wier (hoogte), waarop zij gestaan heeft. Het Adellijk geslacht Andelen stamde af van Adgillus II, koning van Friesland, die, bij zijn overlijden, in 759, twee zonen en twee dochters naliet; eene dezer dochters, Conovella, huwde aan Adelbrigus, edelman te Sexbierum, en uit dit huwelijk kwam de stamvader der Adelens voort. Een andere zoon van Adelbricus en Conovella, Frederik van Adelen geheeten, was de achtste Bisschop van Utrecht en is door de Roomsche Kerk heilig verklaard. Een neef van dezen Frederik, Adelbricus van Adelen, wordt door Winsemius als de derde Potestaat van Friesland opgegeven. Het geslacht van Adelen is eerst tusschen 1718 en 1728, in den persoon van Claas van Adelen, uitgestorven. Zie de belangrijke geslachtlijst in Ferwerda, wapenboek. D. III.

BARRADEEL, griet., prov. Friesland, kw. Westergoo, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen (2 k. d., 4 m., 2 s. d.); palende N. O. aan het Bildt, waarvan zij door den ouden Zeedijk gescheiden is, O. aan Menaldumadeel, Z. O. aan Franekeradeel, Z. aan Wonseradeel, W. en N. W. aan de Wadden of den mond der Zuiderzee. Het is een lange streek gronds, ongeveer N. O. en Z. W. loopende, ter lengte van 3 1/2 u., maar slechts ter breedte van 1 u.

Zij bevat 9 dorpen: Minnertsga, Firdgum, Tjummarum, Oosterbierum, Sexbierum, Pietersbierum, Wynaldum en Almenum, alsmede het gehucht Klooster-Lidlum, dat mede dorpsgeregtigheid heeft. De namen der dorpen Oosterbierum, Sexbierum en Pietersbierum zouden, naar men wil, vroeger Aesterbarra, Sixtibarra en Pieterbarra geweest, en van den uitgang dier namen, de naam Barradeel ontleend zijn. De Slagtedijk snijdt deze grietenij in twee delen, van welke het eene ten O. en het andere ten W. ligt. In het oostelijke gedeelte liggen de dorpen: Minnertsga, Firdgum, Tjummarum, Oosterbierum en het Klooster-Lidlum; in het westelijke: Sexbierum, Pietersbierum, Wynaldum en Almenum, met de stad Harlingen.

Men telt in Barradeel 769 h., bewoond door ruim 4800 inw., die meest hun bestaan vinden in de landbouw en veeteelt, en gedeeltelijk ook in fabrijken arbeiden; zijnde er in deze grietenij: 1 kalkbranderij, 2 steenbakkerijen, 2 dakpan- en estrikfabrijken, 1 tras- en loodertsmolen, 1 plateelbakkerij, 7 houtzaagmolens, 1 touwslagerij, 1 linnenbleekerij, 1 oliemolen, 1 cichoreifabrijk en cichoreidroogerij en 2 pelmolens. De visscherij leverde vroeger mede eenen aanmerkelijken tak van bestaan voor vele ingezetenen van Tjummarum, Oosterbierum en Pietersbierum op; deze voordeelen zijn echter zeer verminderd, sedert Noordzeevisschers de kustharingvisscherij mede ter hand genomen hebben, hoewel zommige inwoners dier dorpen zich nog op de visscherij blijven toeleggen. De aardappelteelt heeft op verschillende tijden aan de bewoners dezer grietenij goede winsten opgeleverd, vooral bij duurte van de granen, zoo als in het jaar 1817, wanneer deze aardvrucht tot eenen buitengewoon hoogen prijs verkocht werd. De vlasteelt is hier sedert ruim twintig jaren mede ter hand genomen, en wordt met goed gevolg beoefend, onder anderen heeft het jaar 1834 voordeelige uitkomsten voor den vlasbouw opgeleverd.

De Herv., die ruim 4600 in getal zijn, maken 6 gem. uit, zijnde die van Minnertsga, Tjummarum-en-Firdgum (Firdgum), Oosterbierum, Sexbierum, Pietersbierum en Wynaldum, die elk ééne kerk hebben, en door even zoo vele Predikanten bediend worden. De Doopsgez. tellen er 100 zielen en worden tot de gemeenten van Harlingen en Franeker gerekend. De R. K., van welke godsdienst er mede ruim 100 belijders gevonden worden, behoren tot de statie van Harlingen.

Er zijn in deze grietenij 7 nieuwe scholen, met een gemiddeld getal van 550 leerlingen. het getal der bedeelden staat doorgaans tot de bevolking als 1 tot 10.

Vroeger had men in Barradeel vele adellijke sloten, die thans bijna allen verdwenen zijn; als daar waren: Groot Hermana, Klein Hermana, Tjessinga, Andla, Groot Folta of Folopta, Farnia en Haitsma, te Minnertsga; Klein Folta, Camstra en Jelgersma, te Firdgum; Roordama, Sixta en Sytzama, te Tjummarum; Haarda, te Oosterbierum; Liauckema, Andelen, Eelsma, Hiddema en Latsma, te Sexbierum; Cronenburg en Hottinga, te Pietersbierum; Oldehuis, Nijehuis, Swingsma, Bolta en Tjitsma, te Wynaldum; en Gratinga, te Almenum.

De voornaamste vaart in deze grietenij is het westelijke gedeelte van de Ried, welke verschillende zijtakken als zoovele dorpsvaarten afgeeft; terwijl de trekvaart van Leeuwarden op Harlingen, te Almenum, voor een klein gedeelte er doorloopt.

In deze grietenij is eene zeesluis, alleen ter afstroming van het boezemwater dienende. Zij wordt genoemd Roptazijl, en ligt onder Pietersbierum.

De voornaamste rijwegen zijn: de Zeedijk, van Dijkshoek, of de scheiding van het Bildt, door Harlingen, tot aan het begin van Wonseradeel, die tot eenen algemeenen rijweg dient, vooral in den winter, om uit Barradeel of uit Wonseradeel en het Bildt te Harlingen te komen, hetwelk anders zeer moeijelijk zijn zoude; voorts de Oude Zeedijk of Honnestreek, liever Hornestreek, die zich digt bij Harlingen met den algemeenen Zeedijk vereenigt, en met welken bijna alle andere wegen in deze grietenij gemeenschap hebben. Ook loopt er door de rij dorpen een weg, welke nog jaarlijks verlegd en verbeterd wordt, en vooral van de terpen van Sexbierum en Pietersbierum fraaije gezigten oplevert.

Men treft in Barradeel onderscheidene terpen aan, waaronder er van eene aanmerkelijke hoogte gevonden worden, inzonderheid te Wynaldum, Pietersbierum, Sexbierum en Minnertsga. Er zijn mede eenige wierden, van welke echter, sedert de laatste dertig jaren, onderscheidene geslecht zijn.

De landerijen in deze grietenij behooren, op zeer weinige na, nog alle aan personen elders wonende. Die, welke om en bij de dorpen liggen, zijn zeer geschikt voor den landbouw, alzoo men hier eenen zoogenaamden sabelachtigen kleigrond heeft. De zuidelijke landen liggen lager, worden veelal tot weiland gebruikt en zijn meestal van geringe hoedanigheid. In latere jaren heeft men, zoo als dit van tijd tot tijd nog plaats heeft, door bepoldering vele dezer landen aanmerkelijk verbeterd. De bepolderingen vooral ten O. van de Slagtedijk zijn noodiger geworden, en meestal daargesteld, sedert de lozing van het boezemwater naar zee, door de grietenij het Bildt, heeft opgehouden, worden de afwatering naar Harlingen en vooral naar Roptazijl door den Slagtedijk opgehouden.

Vroeger had deze grietenij eene veel grootere uitgestrektheid dan tegenwoordig: want destijds behoorden daartoe ook de sedert eeuwen in zee bedolven dorpen Westerbierum en Dijkshorne. De indringende Noordzee verzwolg in vele stormen en hooge vloeden, die in de 13e en 14e eeuw plaats vonden, eene aanzienlijke hoeveelheid der lage landen, ten N. en N. W. van de kusten gelegen.

In tijden zeeoorlog, waarin ons land meermalen gewikkeld was, moest Barradeel veelal den last des oorlogs, door inlegering van krijgsvolk, dragen, zooals, in de jaren 1781 en 1799 het geval was. Gedurende de overheersching der Franschen was Barradeel, even als andere aan de zee gelegen streken, meestal de verblijfplaats van Fransche tolbeambten.

Vóór de invoering der Fransche wetten hier ten lande, hield het Grietenij-, na 1795 het Distriktsbestuur (tevens het geregt) van Barradeel, zijne zittingen in daartoe bestemde localen op het raadhuis der stad Harlingen. In 1811 werd deze grietenij verdeeld in de gemeenten (communes) van Minnertsga, Sexbierum en Almenum, de laatste met toevoeging van dorpen uit Franekeradeel. Bij, en eenige jaren na, de wederindeeling der provincie in grietenijën, hield het bestuur dezer grietenij, de zittingen weder in de grietenijlocalen op het gemelde raadhuis. Later zijn die zittingen verplaatst naar Minnertsga en aldaar gehouden tot in het jaar 1832 wanneer een huis te Sexbierum, tot een grietenijhuis in gebruik gesteld, en in 1837 daartoe meer geschikt gemaakt is. Dit huis, hoewel gelijk staande met goede burgerhuizen in de grietenij, is slechts van ééne verdieping, en heeft voor een publiek gebouw, zeer weinig uiterlijk aanzien. het wordt als merkwaardig opgegeven, omdat het gezegd wordt de woning van den Vice-Admiraal Tjerk Hiddes de Vries, te zijn geweest. Men meent echter dat deze te Harlingen heeft gewoond, en dat het dus meer waarschijnlijk is, dat het jongste kind des Admiraals, zijnde een zoon, die, daags na de tijding van het sneuvelen des vaders geboren, en van wege de Staten van Vriesland ter doop gehouden, daarbij, even als zijn vader genaamd is, en den 26 December 1785, te Sexbierum met Mejuffrouw Anna van Idsinga gehuwd was, gedurende zijn korten leeftijd in dit huis heeft gewoond. De steen met een daarop uitgehouwen oorlogschip, die in den gevel heeft gestaan, voert het jaartal 1685.

Bij den watervloed van Februarij 1825 heeft de zeedijk in deze grietenij veel te lijden gehad: want beoosten en nevens Koehool, van daar tot Roptazijl, waaronder vijf inbraken, alwaar het paalwerk geheel en de dijk tot meer dan halverwege het rijspoor was weggeslagen.

In deze grietenij hebben vroeger gebloeid de geslachten der Hermana’s, van hetwelk een de leden, met name Hessel Hermana, die in het jaar 876 overleden is, de vierde Potestaat van Friesland en eenige anderen Bevelhebbers bij de kruistogten zijn geweest; der Roorda’s of Roordama’s, vooral bekend door hunne twisten met de Abten van het klooster Lidlum, onder welke ook onderscheidene uit aanzienlijke geslachten, als van Liauckama, Roorda enz. geweest zijn; der van Adelen, afstammende van Adgillus II, Koning van Friesland, en in het laatst der 8e eeuw reeds bestaande; der Liauckama’s, der Hottinga’s, der Harliga’s, der Harns en vele andere, die reeds land uitgestorven zijn. Ook werden in deze grietenij geboren St. Frederik, de achtste Bisschop van Utrecht, die uit het geslacht der van Adelen afstamde, en de beroemde zeeheld Tjerk Hiddes de Vries, die, blijkens het doopboek van Sexbierum, op den 25 Augustus 1622 aldaar gedoopt is. Hij sneuvelde den 4 Augustus 1666, als Vice-Admiraal van het Friesche eskader.

Het wapen van Barradeel bestaat in een schild, dwars doorsneden, met eenen dijk van paalwerk, op welken rustende in eene koornschoof van goud. Het bovenste gedeelte des schilds verbeeldende een hemelsblaauwe lucht en het benedenste gedeelte eene stille zee. Het schild gedekt met eenen gouden kroon.

BIERUMEN (DE) , algemeene naam, waaronder men veelal de dorpen Oosterbierum, Sexbierum en Pietersbierum, prov. Friesland, griet. Barradeel, verstaat. Zie de woorden.

BOLKEZIJL, voorm. sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, 1/2 u. N. O. van Minnertsga. Zij diende, om het water van eenen zijtak der Ried, de Wierster-Oude-Meer geheeten, in de Middelzee te ontlasten, en is bij het bedijken van het Bildt vervallen, ofschoon de vaart naar St. Jacobi-Parochie hier nog door loopt.

BOLTA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, onder Almenum, 1/2 u. N. van Harlingen, aan den ouden zeedijk. Zij is reeds lang in eene boerenplaats veranderd.

BOSCH (HET-), boerenwoning, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, te Oosterbierum, aan de Hornestreek. Voorheen lag hier het fraaije buitengoed van de aanzienlijke familie van Beyma.

CAMSTRA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, Z. O. van Firdgum, waartoe het behoorde.

CRONENBURG of Croonenburg, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. N. O. van Harlingen, 20 min. Z. W. van Pietersbierum, waartoe het behoort.

CROONENBURG, voorm. adell. state, prov. Friesland. Zie Cronenburg.

DONIA of Donya, voorm,. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Barradeel, 7 min. N. O. van Sexbierum, waartoe zij behoorde. het is thans eene boerenplaats, behoorende aan den Heer Grietenij-Assessor M. S. Donia en kinderen.

DOUMA, Douwma of Douwema, voorm., denkelijk eigenerfde en geen adellijke state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, 25 min. van Sexbierum.

Het is thans eene fraaije boerenplaats, met een buitenverblijf toebehoorende aan Mevr. de weduwe en erven Hannema van Harlingen.

DYCKSHORNE, voorm. d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, dat in het jaar 140 door Asconius, eersten Hertog van Friesland, gesticht zoude zijn, maar door de invloeijende Noordzee is weggespoeld. Het lag tusschen Almenum en Terschelling.

Er stond een stins of slot, dat omstreeks het jaar 1130 aan den rijken, hoogmoedigen Douwe van Harns toebehoorde, doch toen, ten gevolge van een twist tusschen hem en Sicke van Gratinga, door dezen, na het ombrengen van Harns en de zijnen, vernield en geslegt is.

DYKSHOEK, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. ten N. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. N. ten O. van Harlingen, 1/2 u. N. W. van Firdgum, waartoe het behoort.

Men heeft er eene kleine, doch, om hare hooge en fraaije ligging aan zee, veel bezochte herberg, ten W. waarvan eene groote uitgestrektheid aangeslibt land lag.

Bij den watervloed van Februarij 1825, heeft de zeedijk in den omtrek van Dykshoek zeer veel geleden: want beoosten en nevens Koehool van daar tot Roptazijl en nevens Bolta waren een aantal groote en kleine gaten, waaronder vijf inbraken, alwaar het paalwerk geheel, en de dijk tot meer dan halverwege het rijspoor was weggeslagen. Met moed en krachten voorkwam men echter eene geheele doorbraak.

DYKSHORNE, voorm. d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Dyckhorne.

EELSMA of Eelsema, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, 1/4 u. N. van Sexbierum, waartoe het behoort.

Deze state is het stamhuis geweest van het Friesche geslacht Eelsma, van hetwelk twee leden, Jelte en Wieger, als teekenaars van het verbond der Edelen voorkomen (1).

De laatste eigenaar van dien naam is geweest, Wieger Eelsma, gehuwd met Doed van Douma, van welke twee dochters in het laatst der zestiende eeuw deze state nog bezaten, en onder de voogdij stonden van hunnen oom van vaderszijde. Eene dezer dochters, met name Trijn, is gehuwd geweest met Johan van Hottinga, die in 1600 Grietman van Barradeel was, en met zijne vrouw op Eelsma woonde, terwijl hij, op daartoe bekomen last in 1605 de Roomsche beelden uit de kerk van Sexbierum moest doen wegnemen.

Na vele veranderingen in den bouw ondergaan te hebben, is Eelsma thans eene prachtige boerderij, behoorende aan, en als buitenverblijf gebruikt wordende door den Heer J. F. Hoekstra van Harlingen.

(1). Zie over hen J. W. te Water. Historie van het verbond der Edelen, st. II. bl. 264-357.

ELINGA, naam, onder welken de voorm. state Eelsma, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, wel eens, hoewel verkeerdelijk, voorkomt. Zie Eelsma.

FARICA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Farnia.

FARNIA of Fernia, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, W. van en onmiddelijk grenzende aan de b. van het d. Minnertsga, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse waar zij gestaan heeft ziet men thans eene woning voor den Koolboer, die de gronden binnen de grachten in gebruik heeft.

FERNIA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Farnia.

FEYERDIGUM, oud-Friesche naam van het Friesche d. Firdgum, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Firdgum.

FIRDGUM, oudtijds Feirdighem of Feyrdigum, klein, doch oud d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 3 u. N. ten O. van Harlingen, tusschen twee oude meren of afwateringen besloten. men telt er, met de daartoe behoorende b. Dykshoek, 15 h. en 110 inw., en sommigen willen, dat het vroeger grooter geweest is; zelfs wil de overlevering, dat er voorheen eene geheele rij huizen ten W. van het kerkhof zou gestaan hebben, hetwelk niet onwaarschijnlijk is, aangezien er, ruim eene eeuw geleden aldaar nog eenige overig waren.

De inw. generen zich meest met den landbouw; de landerijen zijn er alle zeer goed, vooral heeft men in het midden uitmuntende bouw- en weilanden, welke echter allen elders wonende eigenaars toebehooren.

De inw. zijn allen Hervormd. Na de Reformatie maakte Firdgum eene afzonderlijke gem. uit, welke tot eersten Leeraar had Suffridus Bonttius, die er van 1609 tot 1624 stond: van 1629 tot 1641 werd Firdgum bediend door den Leeraar van Tjummarum, Arnoldus Hachtingius; doch na het verroepen van gemelden naar Dockum, in het laatst van 1641, werd de dienst hier waargenomen door haren vroegeren Leeraar J. Vomelius, Predikant te Minnertsga, na wiens overlijden, J. Stonebrink, Predikant te Tjummarum, deze gem. tevens met die van Tjummarum bediend heeft, van 1654 tot October 1677, toen hij van zijne dienst ontzet werd. Van toen af is Firdgum soms, maar op welke grond of met welk regt blijkt niet, als eene combinatie met Tjummarum beschouwd, terwijl men er telkens om den anderen Zondag des voormiddags predikte. In het jaar 1785 werd de dienst aldaar waargenomen door eenen Proponent, hetwelk echter in het jaar 1794 heeft opgehouden, doordien de kerk als toen werd afgebroken. Thans bestaat in dit d. geen gem. meer. De ingezetenen zijn leden bij die van naburige d. De Pastoor van de kerk te Firdgum, had vóór de Hervorming, honderd goudgulden (150 guld.) inkomen; terwijl de Proost van de St. Janskerk te Utrecht, zeven postulaatgulden (4 guld. 20 cent) trok. In den stompen, die op het zeer hooge kerkhof, thans zonder kerk (foto), staat, hangt eene klok, die reeds vóór de vijftiende eeuw moet gegoten zijn, doch waarvan het op schrift niet goed leesbaar is.

Er staat in dit d. geen school: de leerlingen genieten onderwijs te Minnertsga of te Tjummarum.

Vroeger stonden hier de, sedert lang vernietigde, adellijke huizen: Camstra, Jelgersma, Klein-Folta en Klein-Farnia.

Men wil, dat hier voorheen een veer over de Middelzee, naar Stiens, zoude bestaan, en dat dit veer het d. zijnen naam zoude ontleend hebben.

FOLLOPTA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Folta (Groot-).

FOLLOPTA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Folta (Groot-).

FOLTA (GROOT-) of Folopta, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, onder Firdgum.

FOLTA (KLEIN-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, onder Firdum.

GETSERDERZIJL, Getswerderzijl of Getzerderzijl, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, in den Slagtedijk, 1/2 u. Z. O. van Sexbierum.

Deze sluis, door welke de Sixbierumervaart in de Ried loopt, werd vroeger door het slot Liauckema onderhouden, tot dat zij, in het jaar 1841, veel vergroot en van drie kokers voorzien, door de prov. Friesland in onderhoud is overgenomen.

GETZERDERZIJL, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Getserderzijl.

GRATINGA of Gratingha, voorm. adell. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, onder Almenum, 5 min. O. van Harlingen, thans, sedert lang, verdwenen. waarschijnlijk heeft zij gestaan in de nabijheid van of op de thans nog aanwezige Grettingabuurt, welke haren naam van die state schijnt te ontleenen.

Deze state moet behoord hebben aan het geslacht Gratinga, van hetwelk Sicko Gratinga, den 9 Julij 1504 door een aantal Friesche Edelen aan den Hertog van Saksen gegeven; zijnde hij waarschijnlijk dezelfde Sicko, die bij Schotanus (1) onder de Edelen in Barradeel voorkomt onder den, naastdenkelijk verkeerd gespelden, naam van Sicke Gartma. In 1571 althans moet bovengemelde state nog aanwezig zijn geweest: want op den 6 December van dat jaar heeft, hij koopbrief, mede onderteekend door Adrian van Dekema, Secretaris van Barradeel, IJdt van Gratingha, geassisteerd met „Jonckheer Marten van der Nijtzen, haar echte man," woonachtig te Minnertsga, verkocht aan Zecht Jansdochter, wonende te Witmarsum: „Acht gouden guldens en een en twintig stuivers jaarlijksche vrije rente op en uit speciaal hare zathe en landen tot Gratingha, bij Harlingen, en voerts generalycken en specialycken op alle hare andere teghenwoerdighen en toecomende goederen;" voor eene som van een honderd vijf en twintig gouden guldens, van 28 stuivers Brabands, behalve de intrekking van eene vroegere rente. Van het jaar 1661 tot 16 Julij 1696 was zekere Harmen Grettinga Mederegter of Bijzitter van Barradeel. het is zeer waarschijnlijk, dat deze een der laatste afstammelingen van het adellijk geslacht Gratinga is geweest; doch dit is niet zeker, en het blijkt ook niet, dat hij zich als Edelman kwalificeerde.

(1) Kronijk, fol. 527.

GRATINGABUREN, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie het volgende art.

GRATINGABUURT, Gratingaburen, Grettingabuurt, of, zoo als het in de volkstaal wordt uitgesproken, Grettingeburen, b. van het d. Almenum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 5 min. O. van Harlingen, aan de Leeuwarder trekvaart, met 23 huizen en 100 inwoners, die kerkelijk tot Harlingen behooren.

Vroeger stond hier de state Gratinga. In den gevel van een der oudste huizen van de buurt, van ouds genaamd het Bonthuis, vroeger eene herberg, thans een panwerk, wordt een steen gevonden, met het woord Grettingabuiert. Men vindt hier de dorpschool van Almenum, in 1828, met de onderwijzerswoning nieuw gebouwd (zie Almenum) en 2 pan- en estrikfabrijken.

GRATINGHA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Gratinga.

GRETTINGA, voorm. stat., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Barradeel. Zie Gratinga.

GRETTINGA-BUURT of Grettingaburen, b. prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Gratingabuurt.

HAARDA, Handa of Haerda, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten O. van Harlingen, 5 min. W. van Oosterbierum, waartoe zij behoorde.

Van deze state is het huis, dat in het jaar 1662 nog bestond, waarschijnlijk in 1702 of 1703 afgebroken. In 1704 werd in de plaats daarvan eene, voor dien tijd fraaije, boerenwoning gebouwd, welke, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte beslaat van 30 bund., en in eigendom wordt bezeten door de erven van den Heer P. J. van Beyma, woonachtig te Weidum.

Naar deze state nam het geslacht Marmstra, in later tijd, den naam van Haarda aan. Piso Haarda, een van dit geslacht, vinden wij als tekenaar van het verbond der Edelen vermeld (1).

(1) Zie over hem J. W. te Water, Historie van het Verbond der Edelen, St. H, bl. 448 en 449, als ook Winsemius Chronijk van Vriesland, bl. 343b.

HAAYTSMA HAERDA, voorm. stat, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Haarda.

HARDA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Haarda.

HARKEMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. N. O. van Harlingen, bij Tjummarum.

HARKEMASTATE, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Harkema.

HARLIGA, voorm. stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, nagenoeg ter plaatse, waar tegenwoordig de stad Harlingen gevonden wordt.

De naburige Edelen van Gratinga en de Abt van Ludingakerk, de geweldenarijen van Tako van Harliga, moede zijnde, die toen door zijn huwelijk met het geslacht van Harns, ondragelijker dan ooit geworden was, spanden in het jaar 1170 te zamen, om Harliga te overvallen, waarvan het gevolg was, dat de stins geslecht, hij zelf gedood, en zijne huisvrouw aan haren vader te huis gezonden werd, onder voorwaarde, dat deze nimmer den dood van zijnen schoonzoon wreken zou. Daarna heeft wel zekere Jouke, van moeders zijde uit het geslacht der Harliga's zijnde, dezen naam aangenomen, en het geslechte huis weder opgebouwd; doch nadat, het omtrent het jaar 1180, door den bliksem in brand was gestoken, heeft hij, hieruit besluitende, dat het Gode niet behaagde, het huis en geslacht van Harliga te herstellen, zich in het konvent te Foswerd begeven, nadat hij daaraan 180 morgen (165 bund. 37 v. r. 50 v. ell.), anderen zeggen 180 ponden maten (66 bund. 14 v. r.) lands, meest tusschen Sexbierum en Westerbierum geschonken, en zijne andere goederen caan zijne overige bloedverwanten uitgedeeld had.

HARNS, voor. adell. state of stins, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, ten N. W. van het dorp Almenum, onder Dijskhorne, in de onmiddelijke nabijheid van of ter plaatse waar het tegenwoordige Harlingen ligt, dat in het land-Friesch nog altijd den naam van Harns draagt.

In het begin der twaalfde eeuw werd dit slot bewoond door Douwe van Harns, een man van een forsch, trotsch en opgeblazen karakter, en steunende zoo wel op zijnen rijkdom, als op de sterkte dezer stins. Deze poogde zich boven zijne naburen te verheffen en den Edelen die in zijne nabijheid woonden, de wet te stellen. Sikke van Gratinga had hiervan de onaangenaamste ondervinding; want, oordeelende geregtigt te zijn tot het gebruik van zekeren reed of opweg, loopende over de landen van Douwe van Harns, maakte hij geene zwarigheid zijnen zoon met eenen hooiwagen derwaarts te zenden, hoewel zeer ten ongelukke van den edelen jongeling. Douwe had dit namelijk niet zoodra ontdekt, of hij ijlde in toorn derwaarts, en doorstak den jongeling met eigene hand. Ligt valt het te begrijpen, dat droefheid en toorn het vaderlijke hart van Sikke van Gratinga geheel vermeesterden, en op wraak bedacht deden zijn. Zijne naastbestaanden deelden in zijn leed, en lieten zich, daar zij Douwe, om zijnen hoogmoed, reeds van over lang geen goed hart hadden toegedragen, te ligter bewegen, om hunne bediende de wapenen op te vatten, het slot van Douwe te belegeren, en, na het veroverd te hebben, hem met vrouw en kinderen om te brengen, en het slot ten gronde toe te vernielen.

HATTINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 u. W. van Berlikum.

HAYTSMA of Haitsma, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 u. W. van Berlicum, 10 min. W. van Minnertsga, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerderij. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van ongeveer 35 bund., worden thans in eigendom bezeten door den Heer R. L. F. Goethart, woonachtig te 's Gravenhage.

HERMANA (GROOT-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 4 u. N. O. van Harlingen, 5 min. van Minnertsga, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene huizing, de Gelegenheid genoemd.

HERMANA (KLEIN-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 4 u. N. O. van Harlingen, 10 min N. van Minnertsga, waartoe zij behoorde.

Een dezer bovenstaande staten moet het stamhuis geweest zijn van het oude adell. geslacht Hermana, van hetwelk een der leden, met name Hessel Hermana de achtste Postestaat van Friesland was. Hij overleed in 876. Obbo Hermana begaf zich in het jaar 1096 naar het Heilige Land, en stond wegens zijne onversaagde dapperheid in groote achting. Een andere Hermana, trok in 1118, mede naar Palestina

HIDDAMA of Hiddema, voorm. state. prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. ten O. van Harlingen, te Sexbierum.

HONDESTREEK (DE) , naam, welken men thans vaak, hoewel verkeerdelijk, geeft aan de Hornestreek, weg, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Hornestreek.

HOOGEZIJL, brug, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, ruim 1300 ell. ten Z. van Tjummarum, in den rijdweg en over de vaart loopende van dit dorp naar Franeker. Sommigen meenen, dat deze brug van ouds genaamd zoude zijn Houwerdazijl, uithoofde eene daar nabij gelegen boerenplaats, in vroeger tijden den naam van Houwerdastate zoude hebben gedragen.

HORN (OOSTERBIERUMER-), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Oosterbierumer-Horn.

HORN (SEXBIERUMER-),  geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Sexbierumer-Horn.

HORN (TJUMMARUMER-), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Tjummarumer-Horn.

HORNE-STREEK (DE) of de Oude-Zeedijk, onder den naam van Hornestreek bekend, rijweg, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel.

Deze weg loopt van de binnenzijde van den zoogenaamden Groene- of voormaligen Zeedijk, op de grenzen van Barradeel en het Bildt gelegen, in eene zuidwestelijke rigting, door de grietenij Barradeel, tot aan de Dijkstertille, benoorden Harlingen, alwaar hij zich met den algemeenen Zeedijk vereenigt. het is zeer blijkbaar, dat deze rijweg van ouds een zeedijk is geweest; onder anderen daaruit, dat de landen tusschen dezen weg en den zeedijk nog steeds worden genaamd de Keegen; een naam, dien men allé én aan aangespoelde landen geeft.

De naam van Hornestreek zoude, volgens meening van sommigen, van ouds aan dezen voormaligen zeedijk eigen zijn, omdat de rigting Dijkshorne (Dijkshoek); terwijl, volgens anderen, die naam, in lateren tijd, toen reeds den tegenwoordigen Zeedijk daar was, aan dezen weg zoude zijn aangekomen, ten gevolge der benaming van eenige gehuchten of buurten in de nabijheid, aan den Zeedijk gelegen, als: de Tjummarumer-horn, Oosterbierumer-horn en Sexbierumer-horn.

Het Friesche woord Horne (Hoek) wordt uitgesproken als Hoânne; van hier moet gekomen zijn de verbastering eerst van Horne-streek en later van Honne-streek, zoo als de hier bedoelde weg thans vaak, maar verkeerdelijk, genoemd wordt.

HOTTINGA, voorm. adell. h., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. ten O. van Harlingen, gelegen hebbende op den Noordwesthoek van Sexbierum, waartoe het behoorde.

Het werd waarschijnlijk in het laatst der zestiende eeuw, vóór zijn huwelijk, door Johan van Hottinga, en naast denkelijk later door zijnen zoon Dominicus, en nog in 1728 door Arent van Haersolte, allen Grietmannen van Barradeel, bewoond.

Ter plaatse, waar het gestaan heeft, ziet men thans eene rij van zes woningen voor daglooners. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 56 v. r. 40 v. ell., worden thans in eigendom bezeten, door de erve A. Joha, woonachtig te Sneek.

HOTTINGA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en ruim 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/4 u. van Harlingen, onmiddelijk grenzende aan de zuidzijde van het kerkhof van Pietersbierum, waartoe zij behoort heeft.

Het oude huis werd in 1743 gesloopt. In April van dat jaar is door den Heer E. Wielinga, Raadsheer in het hof van Friesland, den opbouw aangevangen van een nieuw en kostbaar huis, hetwelk elf bovenramen in den gevel had. Na het overlijden van dien Heer is dit schoone huis nu en dan bewoond, daar de eigenaren, de Baronnen van echten en Collot d'Escury, op Klein-Hermana te Minnertsga gehuisvest waren. In 1852 echter is dit huis en bij behoorende gronden door den Baron van Heemstra, toenmaals Grietman van Barradeel, aangekocht, en sedert bewoond geworden, tot dat hij in 1841 het ambt van Grietman nedergelegd heeft, en naar Veenklooster is gaan wonen. Dit huis wordt nu (Januarij 1844), ten gevolge van verkoop bij afbraak, gesloopt en het hout gerooid. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van nog geen 3 bund. 72 v. r. 38 v. ell, behooren als nog in eigendom aan den Heer Age Tjepke Ruurd Sixma Baron van Heemstra, wonende op den huize Vogelzang te Veenklooster, onder Oudwoude.

HOUWERDA-STATE, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen, nabij Tjummarum, waartoe zij behoorde.

HOUWERDAZIJL, volgens sommigen, de oude naam van de Hoogezijl, prov. Friesland, kw. Westergoo. Briet. Barradeel. Zie Hoogezijl.

JAN-HAUKEMA-LEEN dus noemt men eenige landerijen in het kw. Westergoo, prov. Friesland, griet. Barradeel, onder Wynaldum, welker inkomsten,. door den stichter Jan Haukema, in 1543 bestemd zijn ter bestrijding van de kosten der studie van eenige jongelingen van zijn geslacht, die zich aan den geestelijken stand willen wijden. Na langdurige twisten en processen is de eigendom dezer landen aan Wynaldum toegewezen in 1616.

JELGERSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 3 u. N. ten O. van Harlingen, 5 min. N. O. van Firdgum, waartoe zij behoorde.

KOEHOOL, boerenhofstede, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. N. N. O. van Harlingen, en 3/4 u. N. W. van Tjummarum, ter plaatse waar, in 1182, het klooster Lidlum gesticht werd en twee en vijftig jaren gestaan heeft, waarna het meer zuidwaarts verplaatst is.

Zij bestaat, met de daartoe behoorende landerijen, eene oppervlakte van 31 bund. 61 v. r. 40 v. ell., en is thans het eigendom van den Heer Samuel Steenmeijer, woonachtig te Sexbierum.

Beoosten en nevens Koehool, van daar tot Roptazijl en nevens Bolta, waren, bij den watervloed van Februarij 1825, een aantal groote en kleine gaten in den dijk, waaronder vijf inbraken, alwaar het paalwerk geheel en de dijk tot meer dan halverwege het rijspoor was weggeslagen. Met moed en krachten voorkwam men echter een geheele doorbraak, en gelukkig: want bezweek deze zeewering, alsdan ware, door den zwakken toestand van den Spaerdijk en het ontbreken van de deuren der naderhand vernieuwde en zeer sterk gemaakte Kiester- en Getswerderzijlen, het water niet te keeren geweest. Over dijk en dammen heengeslagen, zoude het geheel Barradeel en Franekeradeel hebben overstroomd.

Hier brengen de Tjummarumer visschers hunnen visch uit zee aan land, om ze langs de vischvaart naar hun dorp en verder naar de omliggende dorpen te vervoeren.

KOLCKEN (DE), twee wielen of poelen, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Kolken (De).

KOLCKEN (DE), twee wielen of poelen, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Kolken (De).

KOLKEN (DE), of de Kolcken, twee diepe, waarschijnlijk door eenen dijkdoorbraak ontstane wielen of poelen, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, aan den Zeedijk, nabij Koehool. Zie op dit woord.

KORNEL-ROBLESDIJK, zeedijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, loopende van Harlingen tot de vijf deelen zeedijks, aldus genaamd naar het gedenkteeken buiten Harlingen, op dien dijk opgerigt, bekend onder den naam van de Steenenman.

LATSMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. O. van Harlingen, in het d. Sexbierum.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene fraaije boerenplaats, met buitenverblijf. De daartoe behoorende gronden beslaan eene oppervlakte van 52 bund. 17 v. r. 60 v. ell., en worden thans in eigendom bezeten door den Heer Mr. Jacob Henekuyk, Lid der Staten van Friesland en Notaris, te Harlingen.

LIAUCKAMA, anders Martena genoemd, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. ten O. van Harlingen, 10 min. W. N. W. van Sexbierum, waartoe zij behoorde.

Deze state (foto), welke door breede grachten ingesloten, zich uit het midden des waters verhief, had, hoezeer kennelijk van middeleeuwsche bouworde, door de latere bijbouwingen een onregelmatig voorkomen verkregen. Wanneer men de brug overging, die de voorbrug aan het eigenlijke huis verbond, en de voordeur intrad, trok het inderdaad vorstelijk aanzien terstond de opmerkzaamheid, door de menigte wapenborden, die daarin waren opgehangen; terwijl de vele vertrekken, die deze brug bevatte, verder de bezigtiging overwaardig waren, als meerendeels met oude schilderijen behangen, van welke de merkwaardigste echter in de groote zaal en een daaraan belenden vertrek gevonden werden, als in tien tafereelen de zoogenaamde Pipenpoysche Bruiloft voorstellende. De duistere en zeer ruime slotkelders, alsmede het, in een der vertrekken zigtbare Brugverlies, getuigden nog van de magt en het aanzien der vroegere bezitters, die in de geschiedenis van Friesland eene belangrijke rol vervuld hebben. Reeds vroeg maken toch de kronijken van het aloude geslacht der Liauckama's gewag, daar men reeds, in het jaar 1096, Eelko en Sicko Liauckama aantreft, die te dier tijde met vele Edelen naar het heilige land trokken, alwaar Sicko, in de belegering van Nicea, sneuvelde. Na de inneming dier stad werd Eelko Liauckama er Gouverneur van, en heeft zich voorts dapper in den Heiligen oorlog gekweten. Na de inneming van Jeruzalem, waarbij Eelko zwaar gekwetst werd, van welke wond hij echter weder genas, trok hij terug naar Friesland, alzoo er toen geene krijgsverrigtingen van eenig aanbelang voorvielen. Eelko Liauckama had te huis geen genoegen, zoo zeer berouwde hem het terugkeeren uit Palestina. Met de Friesche Edelen Godefridus Roorda en Watze Herema begaf hij zich, in het jaar 1109, weder derwaarts, eerst te land naar Venetië, alwaar zij zich inscheepten naar het Joodsche land; doch Liauckama stierf kort na hunne aankomst te Joppe, en werd te Jeruzalem begraven. een latere Eelko Liauckama, mede alhier geboren, werd van Pastoor van Berlikum tot Abt van Lidlum verkozen; hij bragt de parochiekerk van Sexbierum onder het klooster Lidlum, was een man van deugd en goede zeden en een voorstander van geleerdheid. Hij werd, in het jaar 1332, door de Monniken op het uithof te Boxum, Terpoorte genaamd, verraderlijk vermoord, daar hij, als Abt van Lidlum, derwaarts gegaan was, om hen tot goede zeden aan te sporen.

In het jaar 1420 woonde op deze state zekere Schelte Liauckama, gehuwd met Ebel Hibbema of Hobbema, bij welke hij eenen zoon, Schelte, en eene dochter, Catharina of liever Trijn genaamd, verwekte. Vermoedelijk is deze Schelte een en de zelfde met dien geslachtgenoot, welke elders als Sicko vermeld wordt, en die zich aan het hoofd der Schieringers, met Sicko Sjaerdema en anderen in den veldslag bij Koudum, welke zoo noodlottig voor hunne partij uitviel, onderscheidde, en later het klooster Ludingakerk tegen eenen verraderlijken aanval der Konversum van Oldeklooster, die het dachten te plunderen, moedig verdedigde. Uit het geslacht van Liauckama kwam de state, door het huwelijk van Jel (Juliana) van Liauckama, in het begin der zeventiende eeuw, met Everard van Pipenpot, Heer van Merchtem, in diens geslacht. Na het overlijden van hunne dochter Sophia Anna Pipenpot van Merchtem, die, ofschoon gehuwd geweest zijnde met Watze van Cammingha, kinderloos overleed, kwam deze state aan Alexander Josephus van der Laen, een zoon van Jel's zuster, Trijn (Catharina), die tot echtgenoot had den Brabandschen Edelman Dierieck van der Laen, Heer van Schrieck en Grootloo, Burgemeester van Mechelen. Deze, in het jaar 1672, op Liauckama wonende, werd aldaar met eenen aanval van de zamenscholende landlieden bedreigd, die zich hadden laten diets maken, dat hij, die R. K. was, met de Franschen heulde, welken men beweerde, dat met twee schepen op de kust van Friesland wilde landen, en die hij te gemoet wilde gaan en te hulp komen met den krijgsvoorraad en krijgslieden, welke hij ter hunner dienst in het huis zoude verborgen hebben. De vermaarde en schrandere Balthazar Bekker, toenmaals Predikant te Franeker, verloste de stins en hare bewoners van het hen dreigende gevaar, door, nadat hij het logenachtige dier uitstrooisels in persoon op het huis onderzocht had, de menigte te overtuigen dat zij dwaalde, en haar tot rust te brengen (1). Deze Heer van der Laen huwde, in dat zelfde jaar, met Aeltje Hiddema, eene dochter door Goslick Hiddema, verwekt bij Jel Dekama, en vermaakte bij zijn kinderloos overlijden Liauckama aan zijnen naamgenoot en petekind, Eduard Theodoor van der Laen, een broeders zoon, wiens moeder, uit Spaanschen bloede ontsproten, Clara Mencia de Bargas en Martiogga heette. Uit het geslacht van der Laen ging Liauckama, door tweede huwelijk van Maria Clara Christina van der Laen, in 1740, met Ernestus Harmanus Baron van Ewsum, in diens geslacht over. hare oudste dochter, Maria Walburgia Electa Baronnesse van Ewsum, huwde Balthasar Georg Johan Baron van Asbeck, aan wien zij, de state bij haren dood, in het jaar 1800, naliet. Na het overlijden van den baron van Asbeck, in 1817, kwam de stins aan den Heer Ernst Jodocus Rudolphus van Grotenhuis, als zijnde de nagelaten zoon van Anna Maria Wilhelmina Elisabeth van Ewsum, de zuster van Mevrouw de baronnesse van Asbeck, geboren in 1745, overleden in 1780, na haren echtgenoot, Rudolphus Johannes Antonius van Grotenhuis, die reeds in 1776, in zes en dertigjarigen leeftijd, stierf. De Heer van Grotenhuis, heeft dit aanzienlijke gebouw, dat hem aanmerkelijke sommen aan onderhoud kostte, zonder hem eenig voordeel aan te brengen, in 1826, tot grooten spijt van alle beminnaren der Friesche geschiedenis, doen sloopen, zoodat men nu ter plaatse, waar het oude slot gestaan heeft, niets ziet dan een kooltuin door de oude grachten ongesloten. Daarbij en mede binnen de grachten en de nog aanwezige poort op den voorburg staat nog de boerenhuizinge met de schuur. De daarbij behoorende landerijen bedragen 40 bund. 52 v. r. 68 v. ell. Het een en ander is bij verkoop van 8 Julij 1842 overgegaan aan den Heer Mr. Jacob Hanekuyk, Lid der Staten van Friesland en Notaris te Harlingen (2).

(1) Becker, Onderzoek van de beteekenings der Cometen, bl. 78.

(2) Men zie voorts omstandiger omtrent dit slot en zijne bewoners Mr. C. P. E. Robiné van der Aa; Oud-Nederland in de uit vroegere dagen overgeblevene burgen en kasteelen geschetst en afgebeeld, Afl. 9.

LIDLUM (KLOOSTER), geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten O. van Harlingen, 5 min. O. van Oosterbierum, waartoe het behoort.

Vroeger stond hier het beroemde klooster, van daar dien naam. Dit klooster werd gesticht door zeker ongehuwd en vermogend man van Tjummarum, dat het hem betaamde, zich, zooals men toen sprak, van de wereld af te scheiden, en zijne goederen tot een godsdienstig einde te besteden; hierom maakte hij eerst van zijn eigen huis eene kerk, doch ziende, dat zijn vermogen niet toereikend was, om een klooster te stichten, voegde zich Tjalling Donia van Bonneterp, uit Winsum bij hem. Deze beide eensgezind zijnde en met gelijken ijver bezield, bouwden op die plaats een klooster, hetwelk, naar zijnen voornaamsten stichter, Lidlum genoemd werd. De plaats, waar Lidlum gesticht werd, schijnt vroeger het Oude-Dal te hebben geheeten, waarom het nieuwe klooster ook wel onder dien naam bekend was. De beide stichters bragten het onder de orde der reguliere Kanunniken, die in het zwart gekleed gingen en eene gematigde strengheid oefenden. Dan deze strengheid verslapte eerlang zoodanig, dat de stichters zelve, er geen genoegen meer in nemende, het klooster onder de orde van premonstreit stelden, welke meer strenge orde het klooster voorts onderhield. In deze orde werd het klooster bevestigd en ingewijd door Ento, Abt van Mariëngaard, onder Hallum. Dit geschied zijnde, ontvingen de kloosterlingen, in plaats van zwarte, witte kleederen en voorts zekeren Jelmer tot hunnen eersten Abt, daar het klooster voorheen van Gerbrand, Abt van Ludingakerk, eenen Prior uit zijne kloosterlingen, Lambert geheeten, ontvangen had. Nadat dit klooster, hetwelk in den jare 1182 gesticht is, tusschen Tjummarum en Oosterbierum twee en vijftig jaren gestaan had, is het zuidelijker of zuidwestelijker verplaatst, kunnende de standplaats daarvan nog worden aangewezen. Jelmer, de eerste Abt van dit klooster, zag wel met genoegen, dat zijn konvent grooten toeloop van volk had; doch dit maakte hem tevens en met reden bekommerd, dat uit de zamenwoning van zoo veel mannen en vrouwen wanorde mogt ontstaan; hij werd daarom te rade, een afzonderlijk nonnenklooster te bouwen; gelijk hij in het jaar 1186 te Bajum, bij Winsum, deed, zijnde daarin bijgestaan door een zeer vermogend en godsdienstig man, met name Ulbo en eene edele vrouw met name Simk. Aangezien het Klooster-Lidlum, om zijnde nabijheid aan het strand, door de verwijding der wadden, dikwerf groote schade door overstrooming van het zeewater geleden had, zonder dat dit had kunnen belet worden, vond Sibo Deimta, vijfde Abt van dat klooster, vreezende dat een geduchte storm en watervloed zijn konvent weldra tot eene prooi der golven zoude maken, geraden, het meer van de zeekust verwijderd te verplaatsen, zoo als ook in het jaar 1254 werkelijk daartoe overging, maar niet geheel voltooide; zijn opvolger Ulpius Ulbodus sloeg de handen met ijver aan dit werk, en bragt het zoo ver, dat het eenigerwijze van de noodige gebouwen voorzien was, om de geestelijke inwoners te kunnen huisvesten, en dat Hendrik van Vianen, de acht en dertigste Bisschop van utrecht, in persoon overkwam, het klooster plegtig inwijdde en met de eerste mis vereerde; doch Ulbo liet nog al vrij wat ongedaan werk voor zijnen opvolger over. Hoite van Winsum, een verstandig man, die van jongs af tot het kloosterleven geneigd was geweest, werd ook, ten jare 1256, niet zoodra tot zevenden Abt verheven, of hij hervatte het onvoltooide werk, en bragt het eerlang gelukkig ten einde. De Lekebroeders niet alleen zagen zich verpligt, om hem hierin behulpzaam te zijn, maar ook de Kanunniken moesten, beurtelings, daaraan werken. zonder dat zelfs de winter verpoozing in dezen arbeid maakte. Dit klooster bestond uit drie huizen: den tempel, het kapittelhuis en het slaaphuis. De kerk verrijkte Hoite met een herderstaf, boeken voor den kerkzang, zilveren pastoraal en zijden kap. Hij hield de eerste mis daarin op St. Jansdag, ter eere van dien Heilige, als Patroon, en van de Maagd Maria. Edmund, Vikaris van de Utrechtschen Bisschop, in Friesland gekomen, om er het kruis te prediken, ter herwinning van het Heilige land, heeft die kerk, in den jare 1268, plegtig ingewijd, ter eere van God almagtig, van de Maagd Maria en van Johannes de Dooper, terwijl de kerk van het Oude-Dal, insgelijks door meergemelden Abt herbouwd, en dus, in tegenstelling van de nieuwe, doorgaans de kerk van het Nieuwe-Dal genoemd, aan de H. Ursela, en haar talrijk gezelschap werd toegewijd. Nadat deze plegtigheid der inwijding voltrokken was, werden door den Abt zeventien nieuwelingen tot de eerste ordening geheiligd, en de jaarlijksche kermis, vier gansche weken lang, met eenen zoo grooten toeloop van menschen gevierd, dat de Abt zich genoodzaakt vond, naderhand met gesloten poorten en zonder klokgelui het feest te vieren. het aanzien van dit klooster werd hoe langer hoe grooter, daar velen met een vroom doel er goederen aan vermaakten. Langs dezen weg bekwam ook Lidlum vele uitgestrekte bezittingen, zoo hier, als ook op meer van het klooster verwijderde plaatsen. Te Boxum b. v., had Lidlum niet slechts twee uithoven: Monnikhuis en Terpoorte, die hen van het oude klooster Franjum, aangekomen waren, maar toen, in het begin der dertiende eeuw, vele landlieden door het gestadig overstroomen hunner landen zeer tot armoede vervielen, en niet in staat waren de dijken aan de Middelzee te onderhouden, namen die van Boxum, om alzoo van het onderhoud der dijken bevrijd te worden, hunne toevlugt tot den Abt van Lidlum, en droegen hem vele van hunne landen op, onder voorwarde, dat hij den zeedijk zoude hermaken en onderhouden. De Abt, genoegen nemende in dezen voorslag, zond een goed deel zijner konversen derwaarts, liet de dijken herstellen, en er een zware stins en schoone uithof stichten, daar de konversen hun verblijf hielden en voor het geweld der zee beveiligd waren. Hierdoor kwam bijna het geheele dorp Boxum onder Lidlum.

De Vier en dertigste Abt van Lidlum, Johannes van Geelmuyden, die in het jaar 1571 tot de gezegde waardigheid was verheven, was wel een groot voorstander van zijne godsdienstleer, doch de Kerkhervorming had zoo veel veld gewonnen, dat er aan het herstel van de zaken des kloosters weinig te denken was. Vele Monniken verlieten vrijwillig hun klooster en deden belijdenis van de Hervormde leer. De Abt kreeg verschil met den nieuwen Bisschop van Leeuwarden, over het Aartsdiakenschap te Winsum, welke twist te gelijk met het bisdom eindigde. In het jaar 1572 werd Lidlum, geheel geplunderd en beroofd; de kloosterlingen verdreven en verstrooid. De Abt wendde zich nu om hulp tot de Franekers, doch te vergeefs. Eindelijk is hij met have en goed, zoo veel er nog overig en vervoerbaar was, naar Leeuwarden vertrokken, vergezeld door eenige Monniken; doch ook daar was de Abt niet veilig, en hij had het voornamelijk aan Duco van Martena te danken, dat hij het leven, benevens eenige goederen en huissieraden behield. Daarop werd Lidlum door krijgs- en ander volk van Leeuwarden uitgeplunderd en verwoest. Caspar Robles verdreef wel de Hervormden, en stelde Lidlum, Anjum en Bajum weder onder de regering van den Abt en de Priors, doch slechts voor eenen zeer korten tijd, aangezien de Hervorming hand over hand doordrong; en hoezeer men trachtte, het verwoeste klooster weder op te bouwen en te versterken, was het vruchteloos: het uur van zijnen val had geslagen. Vele kloosterlingen namen de Hervormde leer aan, anderen verwijderden zich om elders hun geluk te beproeven. De Abt Johannes bekwam wel weder eenige kloostergoederen, en met behulp van zekeren Tudo, een leek, zocht hij eenig vee te bekomen, om op nieuw zich te Lidlum te vestigen; doch hij kon niet verhoeden, dat het te gronde toe vernield werd. De Abt droeg de kloostergoederen aan het land over, verkreeg eene jaarwedde, en ging te Franeker wonen. De kloostergoederen werden aan het Land getrokken en tot nuttige en godsdienstige einden gebezigd, vooral tot onderhoud van kerken en scholen, met hunne bedienaars.

Ter plaatse, waar het voormalige zoo beroemde klooster Lidlum gestaan heeft, ziet men thans een gehucht, bestaande uit zes boerderijplaatsen en drie andere woningen, zamen bewoond door ruim 80 menschen. De landerijen, die onder Lidlum behooren, zijn meest zeer goede bouw- en weilanden, door welks midden een weg loopt, de Monnikenweg genoemd. De grond van het klooster zelf is eene terp, waaruit voor onderscheidene jaren van zerk gehouwen doodkisten zijn opgegraven en waarin nog vaak steenen van de fondamenten der gebouwen gevonden worden, terwijl nog aan den Monnikenweg de plaats kenbaar is, waar de poort van het klooster geweest zal zijn. In de vorige eeuw stond aldaar nog een huis, hetwelk nu reeds van overlang is verdwenen. Ook doen de kolken aan den zeedijk, bij Koehool, denken aan eene zeesluis, die daar vroeger bestaan zou hebben, als eene vaart van Lidlum naar de eilanden, doch welke sluis voor vele eeuwen reeds door storm en vloeden is verstopt geworden. Lidlum heeft nog in vele opzigten dorpsgeregtigheden, en is alzoo het negende dorp der grietenij Barradeel.

De Herv., die er ongeveer 70 in getal zijn, behooren eigenlijk tot geene gem., maar voegen zich naar verkiezing bij die van Oosterbierum of Tjummarum. - De R. K., van welke men er 10 telt, worden tot de stat. van Franeker gerekend. - Men heeft in dit geh. geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Oosterbierum of te Tjummarum.

LUTKEBUREN of Lutkebuuren, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. O. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. N. W. van Harlingen, Z. Z. O. van Wynaldum.

MARTENA of Martna (zie Liauckema), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. O. van Harlingen, 10 min N. W. van Sexbierum, waartoe zij behoorde.

MIEDEN (DE), dus worden in de griet. Barradeel, prov. Friesland, die landerijen genoemd, welke ten Z. en O. van de dorpen op eenige afstand, naar de kant der Riedstroom zijn gelegen.

MINNERTSGA, oudtijds ook Minnertskerk genoemd, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3. u. O. N. O. van Harlingen.

Het is het oostelijkste dorp der grietenij, en grenst ten N. aan St. Jacobi-Parochie (griet. het Bildt), ten Z. O. aan Wier en Berlikum (griet. Menaldumadeel), ten Z. aan de Ried (griet. Franekeradeel) en ten W. aan Firdgum (Barradeel). In 806, zoo men wil, bestond dit dorp reeds, want de zware storm en watervloed, die in het najaar geheel Friesland teisterden, bragten ook aan Minnertsga groote schade toe. De wateren bleven eenen geruimen tijd op het land staan, waardoor de kerk en de toren instortte, en op den 2 Februarij 807 stortte de state groot-Hermana in, alzoo het zeewater er den geheelen winter tegen aan had geslagen; vele menschen, die hier een tijdlang hun leven gered hadden, vonden in de wateren hun graf.

Men telt er 135 h., onder welke tamelijk aanzienlijke en overigens goede burgerhuizen, bewoond door ongeveer 1150 inw., meest landbouwers van beslotene plaatsen, waarvan de eigenaren thans (1845) allen in de steden van Friesland of Holland wonen, of kooltjers (warmoeziers) en cichoreibouwers, op landerijen voor een groot deel aan ingezetenen van dit dorp toebehoorende.

Minnertgsa behoort onder de groote landbouwende dorpen der provincie Friesland, en bevat vele en zeer goede bouwgronden. Naar het Zuiden langs het water de Ried zijn vele lage landen, voor welke watermolens eene onmisbare behoefte zijn. doch overigens zijn onder dit dorp zulke hooge en vette kleigronden, als elders in deze provincie schaars geëvenaard en zelden overtroffen worden. Men heeft er een cichoreifabrijk, eene cichoreidroogerij en eenen goeden roggemolen. De bebouwde kom en vele boerenplaatsen en landerijen hebben door onderscheidene publieke- en opvaarten goede gelegenheid tot af- en aanvaart te water.

De Herv., die er ongeveer 1070 in getal zijn, onder welke ruim 130 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De eerste, die hier het leeraarambt schijnt te hebben waargenomen, zoude geweest zijn zekere Fredericus, die, naar men meent, in het jaar 1582 de eenige Hervormde Leeraar in Barradeel was, en alle dorpen, uitgenomen welligt Pietersbierum, bediende. In 1591 en 1592 was hier Leeraar Gerbrandus Tetardi, hoeveel vroeger is onzeker. Blijkens een in 1598 en 1599 voor het Nedergerecht van Barradeel geventileerd proces, was hij in 1575 en nog op den 16 Maart 1577 Pastoor te Boxum, en komt hij voor als: > eertijds gewesene Pastoor te Boxum," en ook als. > gewezene Predikant te Minnertsga." Volgens andere bescheiden zoude hij toen door ouderdom en zwakte niet meer in staat zijn geweest, de reeds aanzienlijk geworden Hervormde gemeente van Minnertsga te bedienen, en werd bij de Staten voor hem en zijn talrijk huisgezin een pensioen verzocht; terwijl hij nog in dat jaar (1598) opgevolgd werd door Joannes Cornelii Syvius hier beroepen van Harich-en-Balk. De Predikant Johannes Vomelius, die hier in 1628 van Firdgum beroepen was, heeft van 1642 tot aan zijnen dood, in December 1635, tevens Firdgum bediend. Wegens de onlusten van het jaar 1787 moest de toenmalige Predikant Dominicus van der Schaaf, die er sedert 1775 stond, zijne bediening nederleggen. Tot den 5 April 1790 is hem desniettemin, blijkens het kerkboek, het traktement uitbetaald. Na de revolutie van 1795 weder in zijne regten als Leeraar hersteld zijnde, moest de toen te Minnertsga staande Predikant Jacobus de Vries de dienst verlaten. Van der Schaaf vatte die weder op, maar leidde ze tevens, met slechts eene leerrede, neder. Hij werd daarna naar Limmen beroepen en nam hier den 13 September afscheid, werd emeritus in October 1807 en overleed den 5 April 1831 ingevorderden ouderdom; terwijl hij bij uiterste wilsbeschikking een fonds heeft opgerigt, bestaande uit de helft der opbrengsten van zekere te Castricum en Limmen gelegene landerijen, voor Minnertsga jaarlijks 70 of 80 gulden bedragende, en volgens testament van 1820 bestemd tot toelagen aan weduwen van Predikanten van Minnertsga, die sedert zijn emeritaat in deze gem. werkzaam geweest zijn of zullen zijn en bij ontstentenis van de zoodanigen, tot ondersteuning van behoeftige weduwen, Leden dezer gemeente zijnde. Ook is door dezen milden gever een fonds opgerigt ten nutte der geheele vaderlandsche kerk, om twee jongelieden, uit den fatsoenlijken burgerstand, liefst uit Friesland, en bij voorkeur uit Franeker, in de godgeleerdheid te laten studeren, aan het Athenæum te Franeker of aan eene andere vaderlandsche hoogeschool, ten einde het predikambt te kunnen waarnemen, bij de Nederduitsch Hervormd Kerkgenootschap. Onder de later hier gestaan hebbende Predikanten verdient vermelding de door zijne schriften beroemden Gerardus Benthem Reddingius, die in 1795 als Proponent herwaarts kwam, en in het jaar 1796 naar Schildwolde beroepen werd.

De kerk (foto)is een hoog en hecht gebouw, met eenen zwaren steenen toren daar voor, waarop vroeger eene naaldspits zoude gestaan hebben, die door eene storm, in 1590, moet zijn afgeworpen en niet weder is herbouwd, zoodat de toren thans eene spits met een huisdak heeft. In dezen toren hangen twee klokken, waarvan de grootste een zeer zwaar geluid heeft. Zij is versierd met vele familiewapenen en namen en draagt het jaartal 1648. De kleine klok prijkt mede met wapenen en namen en is volgens het opschrift gegoten te Enkhuizen in 1765. Op eenen, aan den voet van deze toren, ingemetselden ruwen zandsteen, worden de volgende, in relief uitgehouwen, moeijelijk te lezen, woorden gevonden:

In de kerk is een uitmuntend orgel, hebbende twee handklavieren, een aangehangen pedaal en twintig stemmen, gemaakt door Albertus Antonius Hinsch, Orgelmaker te Groningen. Dit orgel is bekostigd gedeeltelijk uit een legaat van den Secretaris J. Gerlofsma. De kerk zoude, volgens de meening van sommigen, oudtijds aan den H. Bartholomeus, volgens die van anderen aan den H. Martinus zijn toegewijd. Zij moet onder het dekenschap van Sexbierum behoord hebben. In de grafkelders zijn onderscheidene leden van het vermaarde, nu sedert lang uitgestorven, geslacht der Hermana's bijgezet, gelijk ook leden van de familie Dambitz enz.

Dit dorp had oudtijds een talrijke R. K. geestelijkheid, tot welker onderhoud, blijkens de beneficiaal boeken van het Friesch Charterboek, de opbrengsten van een groot aantal der beste onder dit dorp enz., de opbrengsten, thans aan onderscheidenen behoorende landerijen strekten. Die opbrengsten bereikten toen (1543) naauwelijks het tiende gedeelte van de tegenwoordige. Elders vindt men aangeteekend, dat de opbrengsten zouden zijn geweest, voor den pastoor 140 goudguldens (210 guld.), voor den Vicaris 100 goudguldens (150 guld.), voor twee Prebendarissen ieder 100 goudguldens (150 guld.) en voor den Koster (Sacristij-dienaar) 75 goudguldens (112 guld.) 50 cents); alsmede dat Godefridus van Rhenen, acht en twintigste Bisschop van Utrecht, in 1168, de helft der inkomsten van de kerk te Minnertsga aan het klooster Ludingakerk had geschonken. Er was hier ook eene kapel, staande voor den huize Haytzama, met een vrij leen met vele landerijen, meest onder Firdgum gelegen, gesticht door Atte Haytzama. In of omstreeks 1543 was op dit leen gewijd Ofke Ofkez, kleinzoon van den stichter. Kort na 1500 was hier Pastoor Heer Bernard van Benthem. Op hem volgde Robertus van Stavoren, die van kersdag 1522 tot 1523 tot Commissaris over het dekenschap van Westergoo en de Nieuwe landen van het Bildt werd aangesteld. Hier was voorts Pastoor in 1543 Heer Alla Abbiz, welke den inventaris der pastoriegoederen voor de benificiaalboeken heeft opgegeven, en getuige was in het testament van Gerrit Sjoerds te Tzam; en in 1555 en nog in 1574 stond hier Heer Bernardus Melema. Volgens eene specificatie van de opbrengsten enz. der geestelijke goederen te Minnertsga, van 1590 (thans nog [1845] bij de kerkvoogdij berustende) gebruikte Heer Hijlle Rijntjes, gewesene Pastoor tot Minnertsga (volgens syn accoort en contractbrief, mette gemeente Minnertsga) het pastoryehuis, hof met omtrek Drieëntwintig pm Lant sonder eenige huer daer off te geven, dan alleene die schattinge betalende die daer op leggen." De destijds reeds fungerende Hervormde Predikant bewoonde het voormalige vicariehuis.

Men telt er 35 Doopsgezinden, welke tot de gem. van Berlikum behoren.

De Christelijk Afgescheidenen, die hier ongeveer 40 in getal zijn, maken eene gem. uit, welke hier eene kerk heeft in de straat de Tjillen, zijnde, in 1539 , door gedeeltelijke verbouwing van een woonhuis, tot het tegenwoordige doel ingerigt; terwijl het overige gedeelte van dat huis, uit twee kamers bestaande, tot de pastorie dient.

Wanneer hier nu en dan een R. K. woont, wordt deze tot de stat. van Franeker gerekend.

De fraaije en ruime, in 1827 nieuw gebouwde, dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 100 leerlingen bezocht.

Behalve het kerkvoogdijbestuur, de algemeene en diakonie-armbesturen en de hierboven opgegeven stichtingen van den Predikant van der Schaaf, bestaat hier nog eene stichting tot wering van armoede van Gerrit Sjoerds Tzam, bestaande uit de opbrengsten ten beloope 50 a 60 guld. jaarlijks, van twee, bij testament dezer echtelieden, van het jaar 1545, daartoe aangewezene stukken bouwland.

Voor zoo ver bekend is, hebben hier bestaan de navolgende adellijke stinzen: Groot-Hermana, Klein-Hermana, Groot-Tjessinga, Klein-Tjessinga, Farnia, Folta of Folopta, Haitsma of Haytzama, Sixma-van-Andla, en Groot-Lammema, welke allen afgebroken of in boerderijen veranderd zijn, zijnde de laatste, Klein-Hermana, tot in 1828 bewoond door den toenmaligen eigenaar, wijlen den Heer C. C. E. Baron Collot d'Escury, Oud Grietman van Barradeel. Het was een fraai slot en is in 1836 afgebroken.

Van 1820 af werden in dit dorp gehouden de zittingen en de secretarie van het bestuur der grietenij. Deze zijn in 1832 overgeplaatst naar Sexbierum.

Dit d. heeft met de omliggende dorpen een departement der Maatschappij: Tot nut van 't Algemeen, dat den 10 Augustus 1829 opgerigt is en 17 Leden telt.

Het is de geboorteplaats van onderscheidene der Hermana's, van welke een Hessel Hermana, de achtste Postestaat van Friesland geweest is, en Otto Hermana, alsmede Hessel Hermana, die bevelhebbers bij de kruistogten geweest zijn.

De kermis valt aldaar inde eersten Vrijdag in September.

MONNIKEMEER (HET), voorm. meer onder het klooster Lidlum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, 10 min. Z. van de voormalige standplaats van het klooster.

Het beslaat eene oppervlakte van 11 of 12 bund., doch is nu sedert eeuwen droog.

MYNDERS, naam, welke weleens bij verkorting aan het d. Minnertsga, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, gegeven wordt. Zie Minnertsga.

NIEUWENHUIS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel Zie Nijehuis.

NIJEHUIS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 6 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. N. O. van Harlingen, ten N. W. van en onder het d. Wynaldum.

Ter plaatse, waar deze stins gestaan heeft, ziet men tegenwoordig eene boerderij.

OLDEHUIS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. N. O. van Harlingen, N. W. van Wynaldum, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene boerenplaats. De daartoe behoord hebbende gronden, beslaande eene oppervlakte van 36 bund. 17 v. r. 50 v. ell., worden thans in eigendom bezeten door den Heer Yde de Haan, woonachtig te Leeuwarden.

OOSTERBIERUM, mogelijk oudtijds Aeterbarra, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 1/2 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten O. van Harlingen, 1 u. N. van Franeker.

Het behoor van dit dorp is van N. naar het Z. van vrij groote uitgestrektheid, meer dan 1 u. gaans, doch van het W. naar het O. is het op vele plaatsen geen kwartier uurs breed. Men telt er 96 h. en 670 inw., en met het daartoe behoorende geh. Lidlum 104 h. en 750 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw; ook zijn er kooltjers, (warmoeziers) en eenige arme haringvisschers aan den zeedijk.

Het behoort onder de middelmatige landbouwersdorpen der provincie en bevat vele goede landerijen, waaronder terpbouwgronden. Ook behooren onder dit dorp lage landen van het voormalige Dongjumermeertje. Men heeft onder dit dorp gebrek aan spoedige aftapping van het binnenwater hetwelk langs eene grooten omweg naar de zeesluis van Harlingen moet worden gevoerd. In dit gebrek wordt zoo veel mogelijk voorzien door zeer goede maar altoos kostbare inpoldering van landerijen. De Slagte- of voormalige Zeedijk, hier aan den tegenwoordigen Zeedijk beginnende, en zuidwaarts in de provincie oploopende, is de scheiding tusschen dit dorp en Sexbierum, maar tevens de slagboom voor de spoedige afstroming van het boezemwater, en voor eenen verkorten waterweg naar Harlingen. Door dit dorp loopt de zoogenaamde middelweg van Tjummarum naar Sexbierum, welke in de jare 1839 en 1841 veel verbreed en, door eenen nieuwen aanleg of afsnijding, zeer bekort en verbeterd is, hetwelk de passage met rijtuig door dit dorp veel vermeerderd, doch die langs de Hornestreek veel verminderd heeft.

De inw., die hier, op 18 na, allen Herv. zijn, onder welke 310 Ledematen, en ongeveer een honderdtal, die zich bij de Afgescheidenen te Sexbierum vervoegen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De eerste, die hier, na de Reformatie, het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Fredericus, die in het jaar 1582 bijna geheel Barradeel en, onder anderen, ook Oosterbierum bediende, doch hij vertrok in 1583 naar Dantumadeel. Van toen af schijnt Oosterbierum herderloos te zijn geweest tot in het jaar 1591 of 1592, toen de geleerde Sybrandus Vomelius, tot eersten vasten Leeraar, van Pietersbierum, herwaarts beroepen werd. Deze werd in 1606 emeritus en overleed in 1614 te Franeker, na onderscheidenen boeken te hebben geschreven of vertaald. De parochiekerk van Oosterbierum (foto), die vroeger den H. Joris tot Patroon had, behoorde eertijds mede onder den dekenstoel van Sexbierum, en moest aan den Proost van St. Jan te Utrecht jaarlijks dertien schilden (29 guld. 25 cents) betalen. men had er eenen Pastoor, eenen Prebendaris en eene Vicaris. De Vicaris genoot negentig goudguldens (135 guld.) en de Prebendaris tachtig goudguldens (120 guld.). De landerijen, die thans nog aan de school en kosterij behooren, zijn bekend onder den naam van Vikarij.

De tijd, wanneer de kerk en toren gebouwd zijn, is geheel onbekend een vroeger aanwezig jaargetal (1320) was hier geen bewijs. De kerk is een hoog, hecht en betrekkelijk groot gebouw, versierd met een zeer goed, in 1807 door de Heeren van Dam vervaardigd orgel. De toren had weleer eene van steen gemetselde spits, welke in 1706 afgebroken is, wanneer de tegenwoordige houten naaldspits, met leijen gedekt, er voor in de plaats is gesteld. De beeltenis van St. Joris prijkt nog als weerhaan op den toren. Volgens overleveringen moest deze weerhaan telkens, wanneer hij van den toren werd genomen, ingevolge eene uiterste wilsbeschikking, waarbij eene boerenplaats aan de kerk zoude vermaakt zijn, in processie rondom die boerenplaats worden gedragen.

Men wil, dat het gewelf der kerk voorheen geheel beschilderd was met bijbelsche en andere stukken. De kerk werd in 1663 met een orgel voorzien, In dat jaar werd dat orgel gemaakt door Harmen Jans, orgelmaker te Berlikum, doch dit is nimmer goedgekeurd kunnen worden, en, na herhaalde verbeteringen, is in 1719 weder een ten deele nieuw vervaardigd, door des vorigen orgelmakers zoon Jan Harmens, welk orgel tot in 1807 gebruikt is. het tegenwoordige orgel in 1813 met behoud der onderkassen, vervaardigd door Lambertus van Dam en zonen. Het bestaat uit elf doorloopende en vier halve registers en heeft, gelijk het oude, twee handklavieren, een aanhangend pedaal, en drie blaasbalken. Vóór het oude orgel las men het versje:

Terwijl het orgel klinkt,

en dat men psalmen zingt,

verrukt in dit gedruisch,

mijn ziel van huis,

zij klopt aan 's Hemels slot

en spreekt daar met haar God.

Oudtijds hingen behalve een visscherklok nog twee klokken in den toren; de groote werd onbruikbaar en in 1694 verkocht; de kleine luidde in 1708 in stukken, waarna de tegenwoordige klok, ter zwaarte van omtrent 3500 oude ponden, in 1719 te Leeuwarden gegoten is door Petrus Overney. De kerk is in 1703 van binnen net betimmerd en met den tegenwoordigen fraaijen predikstoel voorzien. In 1841 hebben kerk en toren zeer aanzienlijke herstellingen ondergaan. Zekere Rienk Doedes, weleer Kaagschipper en Ouderling te Oosterbierum, in 1713, door storm op zee, verongelukt zijnde, had zijne aanzienlijke goederen gelegateerd aan de kerk en algemeene armen van dit dorp, alleen onder voorwarde, van nimmer zijn graf te openen, en daarbij eenen eenvoudigen paal te plaatsen, en die te onderhouden, aan welke voorwaarde nog heden door de Kerkvoogden voldaan wordt, rustende zijn lijk niet ver van de zuiderkerkdeur aan het pad, in het graf, door den daarbij staanden paal aangewezen. De goederen zijn echter, sedert 1796, niet meer het eigendom van genoemde corporatiën.

In 1431 sloegen de Monniken van Lidlum den Koster van Oosterbierum, met namen Tjalling, dood; volgens eene zeer geloofwaardige overlevering, werd deze moord in de pastorij gepleegd.

De 7 Doopsgez. welke men er aantreft, worden tot de gem. van Franeker gerekend. - De 11 R. K. behooren tot de stat. van Franeker. - De school is in het jaar 1835 gebouwd en de onderwijzerswoning in 1845.

Eertijds lag hier, ten Westen der kerk, de state Haerda, sinds lang in eene boerenplaats veranderd. later was een buitenverblijf van de aanzienlijke familie van Beyma, gelegen aan de Hornestreek, het voornaamste sieraad dezes dorps; doch deze plaats is ook voor vele jaren in eene boerenwooning veranderd, en wordt thans nog het Bosch genoemd. In het Noordwesten ligt, op eene zeer hooge terp, aan den zeedijk, eene boerenplaats, Koehool genaamd, waarbij het klooster Lidlum, in 1183, eerst gesticht werd, en twee en vijftig jaren gestaan heeft, waarna het meer zuidwaarts is verplaatst. - De kermis te Oosterbierum valt in den 30 Junij.

OOSTERBIERUMER-HORN, geh. prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr., en 3 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten O. van Harlingen; 5 min N. van Oosterbierum, waartoe het behoort.

OOSTERBIERUMER-POLDER, pold. prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. Leeuwarden, kant. Harlingen.

OOSTERBIERUMER-VAART (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, welke te Oosterbierum een begin neemt en van daar in eene oostelijke strekking naar Tjummarum vliet, waar zij in de Tjummarumer-vaart uitloopt.

OOSTERBIERUMER-VISCHVAART (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, welke bij het d. Oosterbierum een begin neemt, en, in eene noordwestelijke strekking, naar de Wadden loopt, waarin zij zich ontlast.

PETERSBARA, oud-Friesche naam van het d. Pietersbierum of Pietersbierum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Pietersbierum.

PETERSBERUM, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Pietersbierum.

PIETERSBARRA, oude naam van het d. Pietersbierum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Pietersbierum.

PIETERSBIERUM of Petersbierum, oudtijds misschien Pietersbaara, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant en 1 1/2 u. N. O. van Harlingen.

Men telt er, met het buurtje Roptazijl, 61 h. en ruim 390 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.

Hoewel dit dorp geene groote kerkbuurt heeft, is het vrij uitgestrekt van landerijen, die hier uitnemend goed zijn; ook vindt men er terplanden, terwijl ook de kerkbuurt op een hoog terpland gelegen is. Evenwel zijn in het Zuiden, naar den kant der Ried, ook nog lage landen, waarvan een groot deel door watermolens verbeterd is.

De inw., die er op 6 na allen Herv. zijn, onder welke 80 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Harlingen behoort. Sytze Hittes, die hier in 1561 nog Priester was, was hier welligt de eerste Hervormde Leeraar. Zeker weet men, dat Sybrandus Vomelius of Sybren Geryts, hier in of kort na 1580 van Oosthuizen beroepen is. Deze teekende zich, den 6 Julij 1585, Predikant te Pietersbierum en Wynaldum, zoodat hij destijds die beide gem. schijnt bediend te hebben, ofschoon die beide dorpen daarom toch geene combinatie uitmaakten. Vomelius werd in het laatst van 1591 of het begin van 1592 naar Oosterbierum beroepen. Voor de Hervorming had Pietersbierum een Pastoor en Vicaris; de eerste trok 's jaars 100 goudguldens (150 guld.), de laatste 90 goudguldens (155 guld.). Nog waren er twee prebenden, waarvan de eene 100 (150 guld.) en de andere 80 goudguldens (120 guld.) opbragt. De parochiekerk (foto)behoorde onder het dekenschap van Sexbierum, en betaalde aan den Proost van St. Janskerk te Utrecht 12 schilden of zeven en twintig gulden. De pastoriegoederen, welke hier in 1764 of eenigen tijd later verkocht werden, bestonden in 83 pondematen (ongeveer 12 bund.) heerlijk bouwland. - De kerk was vóór de Reformatie aan den H. Petrus toegewijd. - De vorige steenen toren met een spitsje van steen, door ouderdom geheel bouwvallig, gelijk ook de kerk voor de godsdienst geheel onbruikbaar geworden zijnde, heeft men den toren in 1816 afgebroken, de kerk aanmerkelijk verbeterd, en een spits torentje daar voor opgebouwd, waarin de beide luidklokken weder zijn gehangen; de kleine klok, welke zonder jaartal was, schijnt zeer oud te zijn, terwijl de groote, volgens opschrift, in 1614 gegoten is. In het jaar 1837 is in dit bedehuis een orgel geplaatst. Den 13 October 1843 sloeg de bliksum in den toren, waardoor het geheele gebouw is afgebrand, zijnde men thans (1846) bezig het weder op te bouwen. Kort te voren had op dien zelfden dag eene groote boerderij, ten Westen van dit d., eene dergelijke ramp getroffen.

Op de Synode te Harlingen is 1603 werden Ds. Vomelius te Herbaijum en Ds. Wilhelmus Fokkerij te Schalsum, gecommiteerd om bij de Heeren Staten de volkomen en eindelijke wegneming der beelden uit alle Hervormde kerken te verzoeken. Tot deze commissie had aanleiding gegeven een oproer, te Pietersbierum ontstaan, over het beschilderen der kerk aldaar. De Grietman Hottinga werd dan hierop door de Heeren Staten gelast, om de schildering in de kerk te Pietersbierum te doen vernietigen, op poene van arbitrale correctie.

De 5 Doopsgez., die men te Pietersbierum aantreft, behooren tot de gem. Harlingen.

De enkele R. K., die er woont, wordt tot de stat. van Harlingen gerekend. - De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 40 leerlingen bezocht.

Er bestaat aldaar mede eenen vereenigingh tot uitdeeling van levensmiddelen enz. aan hulp behoevenden gedurende den winter.

Weleer had men hier de staten Kronenburg en Hottinga; de eerste is reeds lang verdwenen; doch, ofschoon ook Hottingastate in de vorige eeuw afgebroken is, was het slechts om voor een nieuw slot plaats te maken, hetwelk door den Raadsheer Epeus Wielinga, omstreeks het midden der vorige eeuw, gesticht is. Ook deze state Hottinga, gelegen aan de buurt, het voornaamste sieraad des dorps, is voor twee jaren afgebroken. Thans heeft men er nog het buitengoed Schetsenburg.

ROORDA of Roordama, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. N. W. van Harlingen, onder het d. Tjummarum.

Deze state, die voorheen met een zware stins bevestigd was, voerde in deze streek veel gezag, en lag inzonderheid dikwijls met de Abten van Lidlum overhoop. Omtrent het midden der vijftiende eeuw woonde hier Johan Roorda of Roordama, die zijnen broeder Ruurd met geweld Abt van Lidlum maakte, nadat hij den vorigen Abt Folkert had gevangen gezet. De nieuwe Abt regeerde eenige jaren, zonder kerkelijke bevestiging, doch leefde zoo ongeregeld en overdadig, dat hij het klooster verarmde, en zelf in verachting kwam, waarom hij eerlang radeloos naar Leeuwarden week, en daar in razernij zijne dagen eindigde. Die van Roorda, dit aan het konvent willende wreken, namen den Abt Folkert op nieuw gevangen, en beroofden het klooster van zijne meeste kostbaarheden. Doch de Lidlumers, dit niet kunnende verdragen, beklaagden zich over Roorda, die Schieringers gezind was, aan Wybe Sirtema van Grovenstins (genaamd Scherne d. i. geschorene Wybe), eenen voornamen Vetkooper, op Groustins, te Engelum. Deze daarop, met eenig volk, en geholpen door de Conversen van Lidlum, Roordama-Stins bezettende, veroverde haar, verloste den Abt, kreeg de geroofde kloostergoederen weder, en stak de stins in brand, in het jaar 1479.

De stins, als ook de boerenplaats, die haar opgevolgd is, bestaat thans niet meer. De landerijen zijn aan onderscheidenen verkocht.

ROORDAMA, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Roorda.

ROPTA (GROOT-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. N. van Harlingen, 1/4 u. N. W. van Wynaldum, waartoe zij behoort, gelegen aan de Roptavaart.

Thans is het eene fraaije buitenplaats en boerderij, welke eene oppervlakte beslaan, van 49 bund. 86 v. r. 70 v. ell., en in eigendom bezeten worden door den Heer Jan Sikkes Ysenbeek, woonachtig te Harlingen.

ROPTAVAART, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, welke uit de groote Zijlried voortkomende, in een noordwestelijke rigting, de grensscheiding tusschen de d. Pietersburen en Wynaldum uitmaakt. het loopt door den ouden zeedijk, genaamd Hornestreek, naar den zeedijk en ontlast zich aldaar door eene sluis, genaamd Roptazijl, in de Zuiderzee.

ROPTAZIJL, sluis, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, 3/4 u. N. van Harlingen.

Het Noordwestelijk gedeelte der prov. Friesland heeft hierdoor zijne waterlozing naar zee, langs de zoogenaamde Ried, welke van Franeker derwaarts stroomt. Voorheen zoude zij ook gediend hebben tot eene uitvaart voor de schepen, doch sedert lang is zij, zoo wegens het opgehoogde strand in en rondom de haven, als ook omdat de stad Harlingen haar voor doorvaart van schepen ongeschikt heeft doen maken, daartoe niet meer van dienst.

De Roptazijl behoort aan de stad Harlingen, welke haar door koop bekomen heeft, en uit dien hoofde de lasten en profijten geniet. Zij ontleent waarschijnlijk haren naam van het geslacht Ropta, door welke zij zoude aangelegd zijn.

SEXBIERUM, in de oude geschriften Sixtibarra, Sixtibeeren, Sixtebeeren en Sixbierum voorkomende, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 1/2 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 1/2 u. N. N. O. van Harlingen.

Het is het hoofddorp der grietenij, omdat aldaar het grietenijhuis staat, waarin het grietenijbestuur zijne zitting houdt. Het behoort onder de groote landbouwende dorpen der provincie Friesland en heeft eene groote, welbebouwde en bestrate binnenbuurt, en in het geheel 136 h. en 940 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. Men heeft er goede bouwgronden, die echter sterke bemesting vorderen, ook hooge en vruchtbare terpen; doch ten Zuiden, naar den kant met de Ried, is er veel laag land. Om dat van het overtollige water te ontlasten, eerst men eenen grooten watermolen gesticht, waardoor ook het laagst gelegene land bruikbaar is. Ook heeft men hier eenen goeden korenmolen, ten Noordoosten nabij de buurt; oudtijds, ten minste in het jaar 1662, stond hij ten Westen van de buurt. De bebouwde kom en de meeste boerenplaatsen en landerijen hebben door publieke en particuliere opvaarten goede gelegenheid tot af- en aanvoer te water. De haringvisscherij is hier aan den Zeedijk nog in wezen, doch veel geringer dan vóór een aantal jaren.

Het dorp ligt wel ter reed, door drie rijwegen, die van Harlingen, Franeker, 't Bildt en Minnertsga hier doorloopen; ook wel ter vaart, om van hier naar Franeker en Harlingen te komen, zijnde er ook nog eene Vischvaart naar den zeedijk.

De Herv., zijn er 940 in getal zijnde, onder welke 190 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest zekere Fredericus, die in 1582 geheel Barradeel schijnt bediend te hebben. Allerd Tjerks was hier in 1585 Leeraar, ook nog in 1588, hoeveel vroeger of later is, wegens gebrek aan bescheiden, onzeker. Onder de hier gestaan hebbende Leeraren verdient melding de, om zijne menigvuldige schriften, met roem bekende Hero Siebersma, die er in 1671 kwam; in 1677 naar Ternaard vertrok, en in 1728 als emeritus Predikant van Amsterdam overleed.

Oudtijds had dit dorp eene kruiskerk (foto), welke vóór de Reformatie aan den H. Sixtus was toegewijd. Zij bragt jaarlijks voor den Pastoor 140 goudguld. (210.) op, de Vicarus genoot 80 (120 guld.) en dan waren er nog twee prebenden, die ieder 100 goudguld. (150 guld.) opbragten. Eene derde prebende was ten voordeele van den Koster. Aan den Proost van St. Jan te Utrecht moest Sexbierum jaarlijks 12 schilden (27 guld.) betalen. In 1404 werd Sjardus en in 1429 Heer Henricus Reinerus van Pastoor alhier Abt van Lidlum benoemd. In 1470 was hier pastoor Jacob de Leeuw, die mede ten laatste Abt in Lidlum werd. Vier Pastoors van Sexbierum, van welke Theodorus, die hier in 1356 stond, de eerste was, zijn alzoo Abten van Lidlum geworden.

Het noorderlijke kruispand der kerk is reeds vroeger en het zuidelijke in of omstreeks het jaar 1774 weggebroken, bij welke gelegenheid men, in den noordermuur, in eene gemetselde nis, het beeld van den II. Sixtus; den Patroon van dit dorp, gevonden heeft, hetwelk waarschijnlijk ten tijde der reformatie daarin was verborgen. Naar dezen Heilige is dit dorp genoemd Sixtiburen, en bij verkorting Sixburen of Sixbieren. Onder de fraaije grafsteenen, waarmede deze kerk rijkelijk is voorzien, zijn er onderscheidene met latijnsche grafschriften hoewel niet allen even leesbaar. Op een dezer steenen, die voorheen in een der uitspringende hoeken lag, doch na het wegbreken daarvan in het ligchaam der kerk verplaatst is, heeft men een grafschrift, dan ten bewijze der hooge afkomst van het geslacht van Adelen verstrekt en dus luidt:

Sebrapius Genitor, Proles Nicolaus Adelae

Hic recubant, stirpis Regia nobilitas.

(d.i.: Serapius, de vader, en Nicolaus, een afstammeling der Adelen uit koninklijke stam, rusten hier.)

De ruime kerk, welke fraai betimmerd is, prijkt met een sierlijk doophek en uitmuntend bewerkten predikstoel, staande in eenen kunstig gehouwen boom. In het koor is nog te zien de voet van het altaar en het hostiekastje, aan de noordzijde der kerk van binnen. Het welluidend kerkorgel is gemaakt in de jaren 1766en 1767, door A. Hinsch, orgelmaker te Groningen, vernieuwd in 1837 en bevat twee handklavieren, een aanhangend pedaal en twintig stemmen. De rij zware steenen toren, met korte scherpe spits, heeft ééne klok, doch zeer groot en van een sterk geluid; met opschrift daarop, ofschoon zonder jaartal, bewijst, dat ze zeer oud en reeds vóór de Hervorming is gegoten. het luidt aldus:

Astra teneutis opé bene grandisono tibi Sixte ...

Sum decori et Bierum, diva Maria vocor.

Convoco Christicolas, Jovis horrida fata revolco ...

Fulmina quid pergam diffugo flamniomas

Fusum a Gerardo von Schonenborch et Johanni

Anno Domini MCCCCCXIII.

(d.i.: Door het gezegend werk van hem, die de starren regeert, ben ik u, o Sixtus, ten sieraad in Bierum; Goddelijke Maria in mijn naam. Ik roep de Christenen op, wendt het verschrikkelijke noodlot van Jupiter af. wat zal ik meer zeggen? Ik bescherm tegen vuurspuwende bliksemschichten. gegoten door Gerard von Schonenborch en Johannes in het jaar des Heeren 1513).

Voor omrent zeventig jaren werd de oud pastorie afgebroken en de tegenwoordige, staande op de oude-Buren, aangekocht, welk huis vroeger bewoond werd door den Heer Johannes Gerlofsma, toenmaals Secretaris van Barradeel, eertijds Schoolmeester te Oosterbierum. het heeft uit de achterverrekken een goed uitzigt over het veld.

De 15 Doopsgez., die men er aantreft, behooren tot de gem. van Franeker. - De 15 R. K., die er wonen, worden tot de stat. van Franeker gerekend. - De Christelijk-Afgescheidenen, die er 90 in getal zijn, hebben hier een in 1840 erkende gemeente. De kerk, staande Achter de Nieuwe-Buren, aan de terp, is, in het jaar 1810, door gedeeltelijke verbouwing van eene schuur daargesteld. De daarbij behoorende woning, aan de Nieuwe-Buren uitkomende, maakte de pastorie uit. Beide zijn zeer geschikt.

In 1829 is de oude dorpschool afgeschaft en eene nieuwe in de buurt gebouwd, welke schoon en ruim en voor de tegenwoordige behoefte van het lager onderwijs beter voldoende is. Deze school wordt des zomers gemiddeld door 90 en des winters door 130 leerlingen bezocht.

Het grietenijhuis van Barradeel is mede te Sexbierum, waardoor dit dorp, als de vergaderplaats van het grietenijbestuur, ook de hoofdplaats der grietenij is, waartoe het, als bijna in het midden gelegen, wel gekozen schijnt. - Onder dit dorp behoorden voorheen vele adellijke staten, als: Adelen, Hiddema, Latsma, Elinge en Liauckama, welke alle nu verdwenen en vernietigd zijn, nadat Liauckama in het jaar 1824 afgebroken is.

De kermis valt in na den afloop van den koolzaadoogst en wordt dan door het bestuur bepaald.

Sexbierum is de geboorteplaats van den H. Fredericus, den achtsten Bisschop van Utrecht, die, in 834, tot die waardigheid verkoren werd, en van Eelko Liauckama, den twaalfden Abt van Lidlum, die, in 1332, door de Monniken op het uithof te Boxum, Terpoorte genaamd, verraderlijk vermoord werd; terwijl hij als Abt van Lidlum derwaarts gegaan was, om hen tot goede zeden aan te sporen. Ook Aesgo, de zes en twintigste Abt van Lidlum, was hier geboren. Nog zagen hier het eerste licht: de teekenaar van het verbond der Edelen Jelte Eelsma, een der hoofden van de watergeuzen, geboren rond 1539, die den 13 Junij 1574, bij eenen mislukten aanval op Friesland, in de golven omkwam, en de Luitenant Admiraal Tjerk Hiddes de Vries, alhier den 6 Augustus 1622 geboren, die in een gevecht tegen de Engelschen, den 4 Augustus 1666, voor de eer en vrijheid des vaderlands strijdende, sneuvelde.

De invallende Noormannen brandden in 806 dit dorp geheel af, uitgenomen de kerk, sate Liauckama en nog een ander huis.

In 1313 was er in Friesland een groote duurte van levensmiddelen, ja zelfs hongersnood, ter oorzaken van eenen zeer natten zomer, waardoor de oogst bijna geheel verijdeld werd en er groot gebrek ontstond. Te Sexbierum woonde zekere weduwe, met name Tjal, met hare twee kinderen. Deze vrouw leefde in groote armoede, en die niet willende openbaren, sloot zij zich, zonder eten te hebben, met hare kinderen in haar huis op en werd na weinige dagen met deze dood gevonden. Zij was te voren zeer vermogend geweest, doch haar man had, in de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, al zijn vermogen verspild. het treurige uiteinde van deze weduwe en hare kinderen bewoog de edelen Liauckama, Adelen en Eelsma zoozeer met het lot der armen, dat zij, behalve eigene onbekrompene giften, ook de Geestelijken van Lidlum, Ludingakerk en Almenum tot milddadigheid aanspoorden. Op deze duren tijd volgde de pest, die vele duizenden ten grave sleepte; terwijl de oude geschiedenissen verzekeren, dan niemand der genoemde Edelen of van de hunnen werd weggerukt.

De Spaansche regering hier te Lande beloofde eene premie van 50 gulden aan dengenen, die Laurens Coster, gewezen schoolmeester te Sexbierum en voortvlugtig ter zaken van vervolging van de Hervormden, hetzij levend of dood in handen der justitie zou leveren.

In het jaar 1672, toen ons vaderland te lande en ter zee werd aangevallen, geraakte Sexbierum in groot gevaar, en zulks alleen wegens ligtgeloovigheid. Eenige lieden zagen twee scheepjes, geladen met stroo, in de Wadden varende, voor een deel der Engelsche vloot aan, en men vreesde, dat er eene landing zou ondernomen worden. Dit gerucht verspreidde zich heinde en ver; men luidde de klok, en vreesde het ergste. men verbeeldde zich te gelijk, dat het slot Liauckama, toen bewoond wordende door de Heeren van der Laen en Merchten, Roomschgezinden, met oorlogstuig en zelfs met krijgsvolk voorzien was, om, in geval de vijand mogt landen, met hen tot verderf des lands zamen te spannen. Van alle kanten verzamelde zich veel volks om Liauckama-state, waar men veiligheidshalve de valbrug had opgehaald. Bij nader onderzoek van den moedigen Balthazar Bekker, destijds Predikant te Franeker, bleek het evenwel, dat de landing van den vijand aan deze kust en de bewapening van Liauckama-state beide even ongegrond waren, en zoo liep dit onheilspellend gerucht op enkel dwaze ligtgeloovigheid uit.

SEXBIERUMER-HORN, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. O. van Harlingen, 1/2 u. N. van Sexbierum, in eenen uitstekenden hoek van den nieuwen zeedijk, aan de Zuiderzee.

SEXBIERUMER-VAART (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, van het dorp Sexbierum zuidwaarts naar de Ried loopende.

SIXBIERUM, d., prov. Friesland, griet. Barradeel. Zie Sexbierum.

SIXMA of Sixma-van-Andla, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. N. O. van Harlingen, 1/4 u. O. van Tjummarum; waartoe zij behoorde.

SIXMA-VAN-ANDLA of Sixma-van_Andala, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 u. N. W. van Leeuwarden, kant. en 3 u. N. O. van Harlingen, 20 min. Z. ten O. van Minnertsga, waartoe zij behoorde.

SIXTABARA, oude naam van het d. Sexbierum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Sexbierum.

STROOMSLOOT (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, loopende van Oosterbierum, uit de Oosterbierumer-vaart, zuidwaarts naar den Slagtedijk.

SWAARDEBUREN, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. N. O. van Harlingen, 1/4 u. O. N. O. van Tjummarum, waartoe het behoort.

SWINGMA, voor. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 5 u. W. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. N. N. O. van Harlingen, 1/4 u. N. W. van Wynaldum, waartoe zij behoorde.

SYTZAMA of Sytsma, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. N. O. van Harlingen, 5 min. N. O. van Tjummarum, waartoe zij behoorde.

Ter plaatse, waar zij gestaan heeft, is thans een stuk weiland, beslaande eene oppervlakte van 1 bund. 93 v. r. 50 v. ell., wordende in eigendom bezeten door Jorryt Hartmans, woonachtig te Wierum.

TIJARMARUM, oud-Friesche naam van het d. Tjummarum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Tjummarum.

TIJERMARUM, oud-Friesche naam van het d. Tjummarum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Tjummarum.

TJESSENS, voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Barradeel, arr. 4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. N. O. van Harlingen, 20 min. N. O. van Wynaldum, waartoe zij behoorde.

TJESSINGA (GROOT-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en bijna 3 u. N. O. van Harlingen, even Z. W. van Minnertsga, waartoe zij behoorde.

TJESSINGA (KLEIN-), voorm. state, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet Barradeel, arr. en 3 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant en bijna 3 u. N. O. van Harlingen, nabij Minnertsga, waartoe zij behoorde.

TJUMMARUM, Tijemarum, Tjemarum, Tjedmarum, Tzumarrum, Tiemarum of Tiedmarum, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/4 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. O. van Harlingen, in het beste en vruchtbaarste gedeelte der provincie Friesland, ter plaatse, waar de rijwegen van en naar het Bildt, Minnertsga, Franeker, de Bierumen en Harlingen zich vereenigen, waardoor dit dorp wel gelegen is.

Het is een aanzienlijk dorp, dat met de daartoe behoorende buurten Zwaardeburen, Koehool en Tjummarumerhorn, 140 huizen en ruim 1000 inwoners telt, die meest in den landbouw, de warmoezenierderij, de aardappelteelt en den handel hun bestaan vinden. Dit dorp heeft vele uitmuntende landerijen, welke voor het grootste gedeelte heerlijk bouwland opleveren; de lagere landen zijn door inpoldering en watermolens sinds vele jaren ook aanmerkelijk verbeterd. ten zuidwesten van de buurt, bijna een half uur van daar, liggen eenige zeer lage landen, het Meer genoemd; deze landen maakten oudtijds het Monnikemeer uit, dat voor vele eeuwen met het Dongjumermeer en mogelijk ook wel met het meer bij Boer een geheel uitmaakte en alzoo eene zeer groote waterplas vormde. De zeevisscherij langs en nabij den zeedijk werd ook sedert lang te Tjummarum vlijtig beoefend en was eertijds een aanmerkelijke tak van bestaan voor vele inwoners, doch is in de jaren ook hier, gelijk in andere plaatsen, aanmerkelijk afgenomen.

De Herv., die er ongeveer 1050 in getal zijn, onder welke 200 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Rudolphus Pauli Faber, die hier in 1578 Prebendarius, doch naderhand Hervormd Leeraar was. Onder de hier gestaan hebbende Predikanten verdient melding de als schrijver van vele Godgeleerde werken bekende Dominicus Goltzius, van 1678-1684. Vroeger is Firdgum van tijd tot tijd als met Tjummarum gecombineerd beschouwd geweest (zie hiervoor nader het art. Firdum). De kerk te Tjummarum (foto)was vóór de reformatie eene parochiekerk, met een vikarisschap en drie prebenden. De pastorij had 140 goudgulden (210 guld.) aan inkomen, het vikarisschap 100 goudgulden (150 guld.). Daar waren twee prebenden, die ieder 100 goudgulden (150 guld.) opbragten; er was nog een derde voor den Koster. De pastorij, die vroeger ter begeving stond van de Abten van Lidlum, werd in het jaar 1449 door de Roordama's van het klooster afgescheurd en aan hen onderworpen; zij overweldigden de pastorij, verjaagden den pastoor, en stelden zekeren Heer Epo in zijne plaats aan, welke een zeer braaf man was. De kerk is laag, maar praalt met eenen schoonen dikken vierkanten toren, met een huisdak, waarop een bliksemafleider; in het opschrift op de klok, die in 1531, ten koste van de Roorda's, gegoten is, wordt van den Zwarten hoop melding gemaakt. Het uitmuntend kerkorgel gemaakt door de Heeren L. en J. van Dam te Leeuwarden, en ingewijd den 7 Augustus 1821, is een sieraad der kerk. Volgens overlevering was hier vóór ruim eene eeuw een klein orgel in de kerk, doch dit moet weggenomen en naar de Joure verplaatst zijn, zijnde er van toen af geen orgel geweest, totdat het tegenwoordige gemaakt is. In de kerk ligt begraven Haring Poppema, Heer van Terschelling en Grind, die den 26 Maart 1553 overleed. Op zijn graaf leest men:

Quae monumenta tuum referunt, Haringhie, nomen,

Poppema, decrepitus condidit ipse pater.

Carpe Viator iter, sed me peregrina capesce

Nomina, sunt patriae stemmata clara suae;

Sunt domini, Schellinga, tui, et tua jura tuentur,

Quaeque jaces avido, Gryna subesa, salo.

Te tamen o! sublate patri magis illa bearunt

Ante, per ingenium dona sublata tuum.

(d.i. Het gedenkteeken, dat uwen naam, o Haring Poppema! draagt, is door uwen afgeleefden vader zelven gesticht. Vervolg, reiziger, uwen weg! doch vraag niet onder vreemdelingen naar beroemde namen. Dit geslacht behoort aan zijn vaderland. het is uwen Heeren, Terschelling! en het zijn zij, die uwe regten handhaven, o Grind, afgeknabbeld door de hongerige zee. U echter, die door uwen Vader zijt verheerlijkt, hebben die streken eerder zalig geroemd, welke door uw vernuft verheerlijkt zijn.)

De oude pastorij te Tjummarum stond ten Noordwesten van de kerk, op het aldaar liggende pastorijtuintje. Zij werd in de onlusten, welke hier in 1572 plaats hadden, geheel afgebrand en in eenen puinhoop verkeerd. De Abt van Lidlum, Johannes Geelmuiden, werd, als Patroon der pastorij van Tjummarum, door den Bisschop van Leeuwarden, Cunerus Petri, na vele processen, veroordeeld, om de pastorijhuizing te Tjummarum, uit de goederen van het gesloopte klooster, te doen herbouwen, welk vonnis, gedagteekend den 12 Augustus 1577, in het Latijn voorhanden is; doch alzoo de Bisschop kort hierna zijne waardigheid verloor, en de goederen des kloosters bij de algemeene Hervorming, kort hierna, ten meesten deele aan de provincie overgingen, kwam van den opbouw des pastorij niets. De Grietman van Barradeel, Tjalling van Sixma, en de kerkvoogden van Tjummarum, verzochten dus bij rekest, den 24 April 1588, aan de Staten van Friesland, om de pastorij te Tjummarum uit de goederen van het voormalige klooster Lidlum te laten herstellen, alzoo Lidlum tot onderhoud van de pastorij van ouds af verpligt was geweest en aan die verpligting te voren altijd voldaan had. Het antwoord der Staten hierop was gunstig, en bij resolutie van den 31 Mei 1588, werd de Grietman gecommiteerd, om te doen onderzoeken, of het voordeeliger ware de oude pastorij te herbouwen, of een geschikt huis te koopen. De Grietman van Sixma oordeelde, na onderzoek, dat de aankoop van een ander huis het beste was. Zijne beschrijving van den toestand der oude pastorij is woordelijk aldus, dat hij: „hebbende benonden die zelue huysinge geheel wegh te zyn, wtgesondert seeckere reliquie van een kelder, sulux dat die geheele plaetse, daer die voorsz. huysinge gestaen heeft, all met nettelen en andere oncruyt is bewassen, als dattet noedigh zal zyn, die selue huysinge geheel van nieuus geboudt te worden; soo daer een dienaer des godtlycken woordts bequaemelyck zall moegen woenen. Ende" enz. Op magtiging van Heeren Staten van Friesland werd daarop gekocht zekere huizing en schuur, staande in het gebuurte te Tjummarum. In 1593 gaven de Heeren Staten vrijheid, om die nieuwe pastorij verder in orde te laten maken, en alles werd betaald uit de goederen van Lidlum. Van die goederen moeten in 1644 nog eenige bij de provincie in bezit zijn geweest; althans in dat jaar verkochten de Staten de zwanenjagt van het klooster Lidlum, aan Jonkheer Dominicus van Hottinga, Grietman van Barradeel.

Vroeger bestond hier ook eene Doopsgezinde gemeente, die vermoedelijk in het begin der zeventiende eeuw ontstaan was, doch in 1762 zich bij de gem. van Franeker voegde, waartoe ook thans nog de 20 Doopsgez., die te Tjummarum wonen, gerekend worden. De R. K. van welke men er ongeveer 20 telt, behooren tot de stat. van Franeker. Voorheen stond hier de abdij Lidlum (zie dat woord).

Ook zou er ten Z. van het d. een klooster van Reguliere Kanunnikessen, van de orde van St. Augustinus, gestaan hebben, dat in 1174 gebouwd was. Die kloosterlingen waren, naar men wil, de Beggijnen van Tiedmarum genoemd. het gebouw was later bekend onder den naam van Monnikhuis en behoorde tot de eigendommen van de kerk, doch het moet reeds voor meer dan 200 jaren afgebroken zijn.

De oude school, staande aan de kerk, is voor weinige jaren tot het geven van onderwijs afgeschaft en dient thans alleen tot eene kosterij; terwijl er eene nieuwe school in het gebuurte is gebouwd, welke allezins aan de behoeften van het tegenwoordige onderwijs beantwoordt. Deze school wordt gemiddeld door 120 leerlingen bezocht.

In dit dorp is ook een Armhuis, zijnde het eenige in de griet. Barradeel, waarin gemiddeld een getal van 50 volwassenen en kinderen verpleegd worden. Ook is er, bij buitengewone omstandigheden, eene commissie, in vereeniging met Firdgum, werkzaam, tot het uitdeelen van levensmiddelen, brandstoffen enz., aan noodlijdenden.

Oudtijds waren hier de staten Roorda of Roordama, ten Westen nabij de buurt gelegen, mitsgaders Sytzama, sedert 1740 naar den toenmaligen bewoner, Jonkheer van Voss, het Vossebosch geheeten, ten O., en Sixma, ten N. O., benevens Harkemastate, ten N. van het d. Zie die woorden. - De kermis valt in op Pinksteren.

Tjummarum is de geboorteplaats van Theodosius, den zeventiende Abt van Lidlum, † 1369.

In 1516 schijnt het d. Tjummarum, gelijk zoo vele andere dorpen, in het Noorden van Friesland, mede veel door den Zwarten-Hoop geleden te hebben, en hebben deze zwervende benden Duitsche soldaten ook hier grooten moedwil bedreven, gelijk zij ook het naburig Lidlum in brand staken.

TJUMMARUMER-HORN, b., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 3 1/2 u. W. N. W. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. O. van Harlingen, 20 min. N. van Tjummarum, waartoe het behoort.

TJUMMARUMER-TILLE, vroeger de Hooge-tille, brug, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Hooge-zijl.

TJUMMARUMER-VAART (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, in eene zuidelijke rigting van de Oosterbierumervaart, langs Tjummarum, naar het Ried loopende.

TJUMMARUMER-VISCHVAART (DE), water, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, in eene noordelijke strekking van de Oosterbierumervaart naar de Koehool loopende.

VISSCHERS-VAART (DE), water, prov. Friesland. Kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Tjummarumer-vischvaart.

VOORRIJP, geh., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. W. van Leeuwarden, kant. en 1 u. N. O. van Harlingen, 1/4 u. O. van Wynaldum, waartoe het behoort.

WEST-BIERUM, voormalig d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Wester-Bierum.

WESTERBARRA, oude naam van het voorm. d. Westerbierum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. Zie Westerbierum.

WESTERBIERUM of Westbierum, in het oud Friesch Westerbarra, voorm. d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, dat door eenen watervloed is te gronde gegaan en waarvan thans geen spoor meer gevonden wordt.

WIERSTER-OUDE-MEER (DE), vaart, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Menaldumadeel, loopende N. W. uit de Ried naar Bolkezijl, van waar het verder de Vaart naar St. Jacobiparochie is.

WYNAAM, naam, welken men bij verkorting geeft aan het dorp Wynaldum, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel. zie het volgende art.

WYNALDUM, bij verkorting veelal Wynaam geheeten, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Barradeel, arr. en 4 u. W. ten N. van Leeuwarden, kant. en 3/4 u. N. O. van Harlingen, aan de Ried. Men telt er in de kom van het d. 23 h. en 100 inw. en met de daartoe behoorende buurtjes Lutkeburen, Haule en Voorryp 74 h. en 490 inw., die in den landbouw hun bestaan vinden. Men heeft hier vele uitmuntende landerijen.

De Herv., die er ruim 450 in getal zijn, onder welke 110 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Harlingen behoort. De eerste, die hier het leeraarsambt heeft waargenomen, is geweest Gijsbertus Wynaldus, die in 1567, bij de herstelling van de R. K. godsdienst door Alba, uit Friesland vlugtte. Meer dan waarschijnlijk is het, dat zekere Fredericus, die in 1582 geheel Barradeel schijnt bediend te hebben, ook hier de dienst heeft waargenomen. Sybrandus Vomelius, die Leeraar te Pietersbierum was, bediende in 1585 ook de gemeente van Wynaldum. Hieruit moet men echter niet besluiten, dat die twee dorpen toen gecombineerd waren, want in die tijden, toen er meestal gebrek aan Predikanten was, viel het meer voor, dat een Predikant twee of meer dorpen tevens bediende, zonder dat er eene combinatie bestond. Tusschen de jaren 1585 en 1603 was hier Leeraar zekere Henricus, onzeker hoe lang. Johannes Overnaeus, was hier van 1603 to 1605 of 1606 Predikant.

De kerk (foto) was vóór de Hervorming aan den H. Andreas toegewijd. De oude stompe toren stortte in den nacht van 24 en 25 Junij 1684, ten 1 ure, bij mooi en stil weder, door ouderdom in, liggende de klokken op den puinhoop gaaf en ongeschonden; de groote klok alleen is in het, in 1686 gebouwde, spitse torentje gehangen. In 1543 is de opgave van de patroonslanden te Wynaldum, beloopende 20 goudgl. (30 guld.) rente, gedaan door Heer Johannes, Pastoor en Riench van Roorda, Heerschap te Wynaldum, benevens drie kerkvoogden; doch alzoo van de laatsten niemand kon schrijven, is de aangifte eigenlijk door de beide, eerstgenoemde verrigt. De parochiekerk van Wynaldum moest aan den Proost van de St. Janskerk te Utrecht 's jaars 12 schilden of 27 guld. betalen. De Priester had een jaarlijksch inkomen van 100 goudg. (150 guld.). De Vicaris genoot 90 goudg. (135 guld.). Deze kerk is een wel onderhouden gebouw, van een orgel voorzien, dat in het jaar 1720 door Jan Harmens, Orgelmaker te Berlikum, vervaardigd werd en in het jaar 1837 veel verbeterd en verfraaid is. De predikstoel, in 1728 vervaardigd, is merkwaardig wegens zijn keurig snijwerk. Tegen de noordzijde der kerk vindt men nog overblijfselen van het altaar en het hostiekastje.

De 22 Doopsgez., die er zijn, behooren tot de gem. van Harlingen. - De 14 R. K., die men er aantreft, parochiëren te Harlingen. - De in 1829 geheel nieuw gebouwde dorpschool wordt gemiddeld door 60 leerlingen bezocht.

Als eene bijzonderheid verdient nog vermeld te worden, dat alhier eene dorps-bibliotheek bestaat, benevens eene kinder-bibliotheek, beide tot stand gebragt en onderhouden wordende uit bijdragen van leden der gemeente.

Men heeft hier eenige landerijen, onder den naam van Jan-Haukema-leen bekend. In het dorp zelf staat een huis, dat mede daartoe behoort. De oorspronkelijke inrigting heeft ten doel, om de opbrengsten darvan in de mannelijk linie van des testateurs nakomelingen, te doen strekken tot gemoetkoming in de kosten, benoodigd tot de letteroefening, om in den geestelijken stand te worden opgeleid, welke begunstigde alsdan tot een zeker getal jaren daarvan genot heeft, na welk tijdsverloop het leen weder vakant is, en de daartoe geregtenden door de tijdelijke Curatoren daarvan worden opgeroepen, om, wanneer de familie aangroeit, ook de kinderen te laten inschrijven; na verloop van welke werkzaamheid een ander lid van dat geslacht, en bij voorkeur die, welke reeds het verst gevorderd is in wetenschappen, en, zulks begerende, meestal tot zijn vijf en twintigste jaar daarvan het genot erlangt. Jan Haukema was de stichter van dit leen en naar hem blijft het dezen naam voortdurend behouden. Van het jaar 1495 tot den 6 Februarij 1616, is over deze prebende getwist, doch toen is zij, met alle hare voordeelen, plegtig aan de gem. van Wynaldum als haar wettige eigendom toegewezen.

In en nabij deze plaats stonden voorheen eenige oude adellijke staten, die sedert lang in meer of minder belangrijke boerderijen hervormd zijn, zoo als: Oldehuis, Nijehuis, Tjessens, Swingma, Tjitsma, enz. De Swingmana-laan, in het N. W. van dit d., herinnert nog aan de state van dien naam. Ook is er nog een aanzienlijk buiten op de plaats, waar de voorm. Ropta-state gestaan heeft, welke sedert eenige jaren veel verfraaid is.