AMELAND, (1). eil. tot Friesland behoorende, thans eene griet. dier prov. uitmakende, en tot het arr. Leeuwarden, kant. Holwerd ( 6 m. k., 3 s. d.) gekend wordende. Het ligt op ruim 53o N. B., en 24o O. L., ongeveer 2 of 3 u. ten N. van de Friesche kust, ten naastenbij 2 u. O. van het eil. Terschelling, en ongeveer 3 u. W. van Schiermonnikoog. Ten N. heeft dit eil. de Noordzee, ten O. het Pinkegat, ten Z. de Wadden, ten W. het Amelander gat. Het strekte weleer, door zijne gunstige ligging, ten voormuur van de Provincie Friesland; heeft in eene zuidwestelijke en noordoostelijke strekking thans eene lengte van 4 u. op eene breedte van bijna 1 u., hoewel het aan den oostkant merkelijk smaller is, en bevat drie dorpen, namelijk: Hollum, Ballum en Nes met het geh. Buren en daarin ongeveer 2100 inw., onder welke ruim 900 Herv., die 2 gem. uitmaken, welke 3 kerken bezitten, waarin de dienst door 2 Predikanten verrigt wordt; 100 Doopsgez., die 5 vergaderplaatsen hebben, waarin de dienst door 1 vasten Predikant, en 6 Broeders Vermaners wordt waargenomen, en 160 R. K., die eene statie uitmaken, en tot het aartspr. van Twente behoort. Daar de weinige Lutherschen, die hier gevonden worden, niet in staat waren, eenen leeraar te onderhouden, gaf de klassis van Amsterdam voorheen jaarlijks vijftig gulden aan den predikant te Leeuwarden, miets hij zich driemalen in het jaar naar Ameland begaf, om aan zijne geloofsgenooten het H. avondmaal te bedienen; thans echter heeft dit niet meer plaats. Voorts heeft men op het eil. 4 scholen, 3 pakhuizen tot berging van gestrande goederen,. 1 huis, waarin eenige krankzinnigen verpleegd worden, 1 koninklijke paardenstoeterij, 1 eendekooi en 2 korenmolens.

Het weleer zoo bloeijende en welbebouwde eiland bevindt zich thans over het algemeen in eenen kwijnende en verarmden toestand. Een groot getal der inw. houdt zich met de visscherij bezig, of vaart ter zee, ofschoon de scheepvaart thans merkelijk verminderd is. Immers het getal van meer dan honderd grootschippers of kapiteins en kommandeurs, die hier nog vóór slechts vijftig jaren woonden, is nu tot zeer weinigen ingekrompen. De landbouw staat hier op geen zeer hoogen trap. De vruchten, die er thans geteeld worden, bestaan hoofdzakelijk in rogge, garst, tarwe, erwten, aardappelen en groenten, die, vooral de rogge, hier vrij goed tieren. Van meer belang is hier de paardenfokkerij, die zeer bevorderd wordt door de op dit eil gevonden wordende koninklijke paardenstoeterij, waarin vijf schoone hengsten ten dienste der bewoners geplaatst zijn, ten einde het Amelander paardenras, dat vroeger wegens schoonheid, vlugheid, fijnheid en sterkte beroemd was, en sedert eenige jaren in goede eigenschappen verminderde, te verbeteren, en den paardenhandel, die voorheen hier bloeide, en geene geringe voordeelen aanbragt, weder te herstellen. Deze maatregel is van zeer goed gevolg, daar er jaarlijks 150 veulens op het eiland geteeld worden. Ook de veeteelt is hier niet onbelangrijk. De runderen, die in de dorpsweiden grazen, worden telken avond op stal gezet, ofschoon het grootste aantal hun voedsel vindt in het zoogenaamde buitenveld, welke groote uitgestrektheid lands, bijzonder aan de zuidzijde, goede kleigronden en graslanden bevat. Hoewel de Amelanders en bij den watervloed van 1825 een verlies van 140 stuks hoornvee en een honderdtal schapen te betreuren had, zoo is deze ramp nogtans reeds hersteld, zoodat men weder in staat is, jaarlijks 200 stuks jong vee naar Friesland en Holland te vervoeren; ook is de hoeveelheid boter, die hier gewonnen wordt, voor eigene behoefte meestal meer dan genoegzaam. De konijnen, vroeger zoo talrijk in de duinen, welke zij ondermijnden, zijn thans grootendeels uitgeroeid. Boomen, en vooral vruchtboomen, worden er zeer weinige gevonden. In de dorpen vindt men wel enkele rijen, meest ijpenboomen, elders eenige willigen en vlierboomen, maar hun schraal aanzien toont duidelijk, hoe nadeelig de scherpe zeewinden op hunne groei werken.

Vroeger was dit eil. veel grooter: naar sommigen willen wel viermaal zoo groot als thans. Het bevatte toen dáár, waar thans eene diepe zee gaat, behalve minder bekende plaatsen, aan de westzijde nog het dorp Sier met den vuurtoren aan den mond der Middelzee, en aan de oostzijde de dorpen: Oosthuizen en Oert; terwijl er van tijd tot tijd verschillende ontdekkingen langs de stranden van dit eiland gedaan zijn, waaruit men moet veronderstellen, dat er meer dorpen of gehuchten hebben gestaan, welke alle zijn verdwenen, en waarvan men bij de geschiedschrijvers geen melding vindt gemaakt. Bij menschen geheugen is het aan de zuidzijde, door het verloopen van het vaarwater, wel een uur gaans afgeslagen; ja, men rekent, dat het geheele eil., in de laatste honderd jaren, bijna een vierde van zijne oppervlakte verloren heeft: want wáár nu de zee over diepten spoelt, waren destijds groote velden en graslanden aanwezig. Zoo weidde de pachter der vogelkooi, ongeveer vijftig jaren geleden, aan de oostzijde des eilands, een twintigtal hoornbeesten, paarden en schapen op eene weide, waarvan thans niets meer overig is. Men vermoedt met waarschijnlijkheid, hoewel het niet bewezen is, dat Ameland eenmaal aan den vasten wal van Friesland is gehecht geweest, aangezien Plinius, in het begin onzer jaartelling, reeds van 23 eil., tusschen den mond des Rijns en den Jutlandschen kaap, gewaagt, en de Wadden, ofschoon toen minder breed dan thans, reeds bij de ouden, onder den naam van Mare Vadosum, bekend waren. Het is onbetwistbaar, dat, door de menigvuldige stormen en watervloeden, die Friesland gedurende eene reeks van eeuwen teisterden, ook dit eil., hetwelk het eerst en meest aan den geweldigen golfslag blootstond, ontzaggelijk veel heeft geleden; waarbij nog komt, dat men voor zeker houdt, dat de grond, in den geduchten stormvloed van 1284, ongeveer 3 à 4 v. is gezonken. Ook heeft men, op die diepte, onder den zandbodem, waaruit de oppervlakte grootendeels bestaat, eenen kleigrond, met steenen, gereedschappen en andere zaken vermengd, gevonden. Nog dagelijks gaat de zee voort aan de zuidzijde, waar strand en land zich plotseling scheiden, het schijnbaar vaste strand, uit verschillende lagen zand en klei zamengesteld, door gedurige kabbeling te ondermijnen, waardoor het zand onder de bebouwde oppervlak van het land weggevoerd wordt, en de bovenste lagen allengskens overhellen, instorten en medegesleept worden, om met eb in den boezem de Noordzee te verdwijnen, of met den vloed de noordwestkant van Friesland door aangronding te verrijken. Aan de overige zijden is het eil., daarentegen, door eene reeks hooge en breede zandduinen, waarvan de hoogste zich somwijlen 50 à 60 v. boven de oppervlakte der zee verheffen, als eene natuurlijke zeewering, tegen de Noordzee omgeven. Deze zijn, wel is waar, in staat den hoogsten vloed te wederstaan, maar zij hebben nog met eenen anderen, niet minder gevaarlijken vijand te kampen, namelijk met den wind, en wel bijzonder den storm, die somwijlen zoo veel kracht op de duinen uitoefent, dat zij zich, door geweldige verstuivingen, niet zelden verplaatsen, of de nabijgelegene akkers, die met de schoonste vruchten prijken, geheel met zand bedekken en bedelven, en dardoor de hoop des landbouwers verijdelen. Om dit gevaar af te weren, en deze nadeelige gevolgen te voorkomen, heeft het Gouvernement, sinds twintig jaren, onder het bestuur van eene Opziener, weder de zoo heilzame duinbeplantingen met helmriet ingevoerd; en het is bijna onbegrijpelijk, hoe Ameland dus zijn behoud, in dit opzigt, niet aan millioenen schats, maar aan deze plant en aan eenige bossen stroo en dunne takje, waarin het helriet vast gezet wordt, te danken heeft, dewijl opene vlakten daardoor thans van bevestigde duinen voorzien zijn. Door de aanplanting van dit helmriet, welks lange, taaije en vezelachtige wortelen zich al kruipende ver en soms wel zes v. om zich heen in het door zand uitbreiden, worden de duinen onmiddelijk voor verstuiving bewaard; terwijl de grond bovendien, door verrotting en natuurlijke bemesting, van tijd tot tijd eenigzins vruchtbaarder wordende, aanleiding ontvangt dat ook andere planten daarin ontkiemen en tot de vastheid van de anders losse zandheuvelen bijdragen, ten einde den sterksten stormen wederstand te bieden. Er is echter eene plaats, ongeveer in het midden des eilands, even bewesten Nes, waar zeer lage of liever geheel geene duinen zijn, door welke opening de Noordzee alleen bij hooge vloeden gelegenheid heeft, langs eene laagte, holte of slenk zich eenen doortogt dwars door of over het eil. te banen en het in twee deelen te scheiden. Hoe nadeelig zoodanige doortogt ook moge zijn, moet echter de vrees, dat het eil. hierdoor van elkander gescheurd konde worden, zoo als men vroeger vooronderstelde, ongegrond zijn: want, hoewel de pogingen, om dit gevaar geheel af te wenden, door deze slenk te dempen, even als die om den stroom af te leiden, mislukt zijn, neemt deze instrooming des waters toch van tijd tot tijd meer af dan toe.

Welke nevelen de belangrijke geschiedenis van Ameland in de vroegste tijden ook moge omhullen; - met hoe weinig zekerheid men ook kunne stellen, dat het als een allodiaal goed door de Fransche Koningen bezeten werd: - dit neemt men met grond te mogen vaststellen: dat Koning Radboud, aan den mond van de Middelzee, der Godinne Fosta eenen tempel had gesticht, waarnaar het eil. den naam van Fostaland zoude bekomen hebben. Nadat deze Koning, door Karel den Grooten verdreven was, kwam Ameland aan Tekla, de beminnelijke dochter van den Frieschen Koning Gondebald, die in het huwelijk trad met Taeke van Cammingha, den eersten Vrij- en Erfheer van Ameland, welke, zoo men wil, in het jaar 806, den tempel van Fosta in eene christenkerk veranderde. Deze kerk groeide later tot een Benediktijnen-klooster aan, hetwelk in de 12de eeuw naar Ferwerd in Ferwerderadeel overgebragt zijnde, het aanzijn aan het bekende klooster Foswerd gegeven heeft. na dien tijd is de geheele erfheerlijkheid van Ameland in vrede aan het huis van van Cammingha gebleven tot aan het jaar 1403, wanneer de toenmalige Grietman van Ferwerderadeel het anders begreep en het eiland wilde beschouwd hebben als onder zijn bestier staande, in welk beweren hij echter door de Staten van Friesland in het ongelijk gesteld werd, hetgeen vermoedelijk niet zoude gebeurd zijn, indien Ameland toen nog zoo naauw met Friesland was vereenigd geweest als in de negende en tiende eeuw. Pieter van Cammingha begaf zich in 1494 naar Keizer Maximiliaan, die zich toen binnen Antwerpen bevond, en verkreeg van hem eene ruime bevestiging dier voorregten, welke door de Staten van Friesland, te Hartwerd, aan de heerlijkheid van Ameland waren toegekend. In het jaar 1510 verhoorde men eenige oude lieden, die eenparig getuigden, dat zij en hunne ouderen nooit van eene Heer van Ameland hadden hooren spreken, dan uit den huize van Van Cammingha, en dat het land, voor zooveel zij wisten, aan niemand anders onderworpen was; waarmede ook volkomen overeenkomt het getuigenis der Heeren Gedeputeerde Staten van Friesland, aan de admiraliteit te Enkhuizen gegeven in 1588. Toen Olivier Cromwel, protector van Engeland, in 1652 onzen Staat den oorlog verklaard had, zonden de Amelanders, bekommerd voor de stremming van hunne visscherij en scheepvaart door de Engelsche kapers, in Februarij 1654, twee personen uit hun midden, onder den titel van Afgezanten van het eiland Ameland, derwaarts, om hem te overtuigen, dat hun eil. volkomen onafhankelijk van Friesland was, en diensvolgens als geheel onzijdig moest aangemerkt worden; hetwelk hun door den Protector werd toegezegd, die zelfs niet naliet, deze lieden, nar de wijze der Afgezanten van Koningen en Vorsten, op 's lands kosten te onthalen, en aan zijne eigene tafel te noodigen; hoewel de houding en eenvoudige manier van spreken dezer lieden, geen gelijkheid hebbende met den hoofschen trant, aan Cromwel en onderscheidene Engelsche Grooten, gedurende eenige dagen, veel stof tot schertsen gaf. In den oorlog van 1672 viel hun weder het geluk te beurt, van als neutraal beschouwd te worden, maar ditmaal op verzoek des Keizers, die Ameland te dezer gelegenheid, hoewel te onregte, als een leen van het keizerrijk beschreef.

Omtrent het jaar 1635 ontstond er een hevig geschil over het leenregt van dit eil., hetwelk toen bestuurd werd, door Pieter van Cammingha, wiens zuster, Catharina, in het huwelijk trad met Ernst van Zuhm, uit Pommeren, Kapitein Majoor der Infanterie van den Staat, die daardoor in de gelegenheid kwam, om alle oorspronkelijke papieren, rakende de heerlijkheid van Ameland, te zien en af te schrijven. Later met zijnen schoonvader, over familiezaken, in geschil geraakt, werd hij hierdoor aangespoord, om te beproeven, of hij de heerlijkheid Ameland niet voor zich zoude kunnen verkrijgen. Hij bedankte hierom voor zijnen militairen post, en reisde naar Weenen, alwaar hij zich bij de Nederlandsche residenten Foppe van Aysma, Anthony Oetges van Waveren en Simon van Beaumont vervoegde, hun voorhoudende, dat Ameland eene vrije heerlijkheid en leenroerig aan den Keizer was, die het dus naar zijn welgevallen konde beleenen. Deze drie Heeren vonden zijn voorstel niet ongegrond, en wisten het zoo ver bij des Keizers Staatsdienaren te brengen, dat van Cammingha naar Weenen opontboden werd, om zich te verantwoorden; en toen deze zulks weigerde, als niet aan den Keizer onderworpen zijnde, verkregen Zuhm, van Aysma, van Waveren en van Beaumont, een keizerlijk diploma, waarbij Ameland hun werd opgedragen. Pieter van Cammingha, middelerwijl overleden zijnde, liet de heerl. na aan zijnen broeder Wijtse, die zich over deze zaak bij de hooge Regering dezer landen vervoegde, en aldaar alle mogelijke bescherming vond, hetgeen ten gevolge had, dat de drie Hollandsche Heeren te Weenen, bespeurende dat de zaak, zoo zij verder gingen, voor hen van zeer kwade gevolgen konde worden, voor de beleening bedankten, die toen aan Zuhm alleen werd opgedragen, hoewel zonder eenige vrucht: want, ofschoon er eene soort van Afgezant des Keizers naar Ameland vertrok, om den nieuwen Heer aldaar te huldigen, was er bijna niemand, die Wijtse van Cammingha verlaten wilde. Dus werd dan ook eindelijk Zuhm genoodzaakt, vooreerst van zijne eischen af te zien, te meer, dewijl de Staten Generaal den handel, in dezen gehouden, bij manifest van 16 Maart 1637, onwettig keurden. Men hoorde toen vooreerst weinig meer van deze zaak; maar in het jaar 1654 wist Zuhm door een boekje, genoemd Genuinus Amelandiae Status, bij Keizer Ferdinand III eene ordonnantie te verkrijgen, bij welke alle inwoners van Ameland geboden werden, aan Zuhm, als hunne wettigen Heer, trouw te zweren; terwijl de Keizer tevens aan Willem Frederik van Nassau, Stadhouder van Friesland, verzocht, om hem, tot verkrijging van het eiland, bijstand te bieden; maar ook dit werkte niets uit, en later, toen de Overste Karel van Dijk en de Notaris Johan Schol op Ameland verschenen, om de ingezetenen, en van Cammingha in het bijzonder afvraging te doen, of zij genegen waren de bevelen des Keizers al of niet te gehoorzamen, vervoegde zich de toenmalige bezitter wederom tot de Staten van Friesland, met dien gevolge, dat deze daarop eenen nadrukkelijken brief naar Weenen schreven. Zuhm, al zijne pogingen verijdeld ziende, liet evenwel zijn voornemen niet varen, maar kwam bij nacht, met een Keizerlijk diploma en vergezeld van eenige soldaten, op het eiland aan, om het te vermeesteren en van Cammingha gevangen te nemen. Dan ook deze aanslag werd door eenig volk, tijdig uit Friesland overgekomen, verhinderd; terwijl, tot meerdere geruststelling voor het toekomende, een Friesch oorlogschip in het noordwestelijk zeegat van Ameland gelegd werd. Zuhm, inmiddels te Weenen geene meerdere hulp kunnende bekomen, en, door zijne gedane pogingen, geweldig verarmd zijnde, bewoog een voornaam kassier van Amsterdam, Martinus Doegen genoemd, hem met eene aanzienlijke som gelds bij te staan; waarvan deze naderhand nooit eenen penning heeft terug gezien, dewijl Zuhm eindelijk, zonder Heer van zijn leengoed geworden te zijn, verdwenen is. De erfgenamen van Doegen wilden intusschen gaarne hun geld terug hebben, waarom zij, met verlof van Heeren Burgemeesteren van Amsterdam, in 1673, hun regt op Ameland, wegens de aan Zuhm opgeschotene penningen, voor eene bepaalde som, aan den Graaf van Königsek overdroegen. Deze Graaf, insgelijks door keizer Leopold met een diploma voorzien zijnde, wierf te dien einde ruim 150 soldaten te Bremen aan, die hij in vijf vaartuigen inscheepte, terwijl eenige lieden, onder verzonnen namen, den toestand van het eiland zouden bespieden; toen deze echter het eiland omtrokken, en de schepen door tegenwind opgehouden werden, ontdekte men iets van de zaak, waardoor de bespieders te Leeuwarden in hechtenis geraakten, en de soldaten zoo wel ontvangen werden, dat hun en den Heer Königsek de onderneming zeer kwalijk bekwam, en deze geheel in rook verdween.

De laatste Heer uit het geslacht van Cammingha, die dit eil. bezat, was Frans Duco, de eenige zoon van Watse van Cammingha en Rixt Donia, welke laatste, nadat haar zoon, op den 10 November 1680, overleden was, tot haren dood in het bezit dezer heerl. gebleven is. Van hare erfgenamen is deze heerl., met het regt van volstrekt vrij erfelijk eigendom, bij verkoop, overgenomen door Amelia, Vorstin van Anhalt-Dessau, weduwe van Prins Hendrik Casimir, Stadhouder van Friesland, en wel ten behoeve van haren eenigen zoon, prins Jan Willem Friso, Erfstadhouder van Friesland, voor de som van 170,000 gld., benevens 10,000 wegens onkosten van verkoop. Sedert werd het van wege den Erfheer door eenen Baljuw en eenen Sub-Baljuw, door Volmagten en Burgemeesters, bestuurd, die zelfs, onder approbatie van den Erfheer, de civile en criminele justitie uitoefenden, volgens de Statuten, Ordonnantiën en Costumen van Ameland, in 1662 door Watse van Cammingha vastgesteld. Thans behooren de duinen en de eendekooi tot de Rijks domeinen, en wordt het eiland, als een onmiddelijk deel van Friesland, door een Grietenij-bestuur beheerd.

In 1723 zocht zekere Bisschop der Jansenisten hier eene kweekschool op te rigten, maar dit bekwam hem zeer slecht, daar de R. K., dit zoo euvel opnamen, dat zij zelfs door de glazen der kerk schoten, om dien ketter het leven te benemen. Prinses Maria Louisa, weduwe van Jan Willem Friso, zond wel een detachement soldaten ter zijner bescherming derwaarts, doch de Bisschop, ziende dat hij er toch niets kon vorderen, vond het best het eiland te verlaten.

De hevige stormen en watervloeden, die van tijd tot tijd ons vaderland teisterden, hebben, zoo als wel te denken is, Ameland niet onaangerand gelaten. Zoo waren, onder anderen, de geweldige storm en watervloed van 5 November 1675 voor dit eiland zeer noodlottig, dewijl de meeste dijken verwoest werden en vele landerijen afspoelden. Onder anderen werden die van Hollum hierdoor in de noodzakelijkheid gebragt, om hunne dorpsweide aanmerkelijk te verkleinen. Bij den vloed van 1685 leed Ameland insgelijks niet weinig: want het water rees toen zoo hoog, dat er een schip, door de slenk, uit de Noordzee in de Wadden werd gedreven. De geweldige storm en watervloed van kersnacht 1717 was voor dit eiland niet minder verwoestend, dan voor vele andere plaatsen. Alle dijken werden daardoor weggespoeld, het water klom eenige voeten hoog in de meeste huizen, voornamelijk te Nes, alwaar men den ondergang van het geheele eiland verwachtte. Intusschen kwamen er geene menschen bij om, en de dijken werden eerlang weder hersteld, doch spoelden andermaal ten grooten deele weg in den hoogen vloed van 1719. Op den 26 October 1723 gingen de visschers volgens gewoonte 's morgens met hunne booten in zee, doch werden door eenen zoo hevigen storm beloopen, dat de meeste schuiten in de branding van het strand werden omgeslagen en daarbij 31 personen van Ballum het leven inschoten, meest allen ongelukkige weduwen en weezen nalatende.

De meeste der Amelanders, die hun bestaan in de veeteelt vinden, ondervonden in de maand October 1824 een verschrikkelijk onheil, daar een getal van honderveertig stuks hoornvee, door eenen hevigen wind en fellen regen tot in zee voortgedreven, met den plotseling stijgenden vloed allen werden verzwolgen en geen konde worden gered. Bij den storm en hoogen vloed van Februarij 1825, toen al het land overstroomd werd, de dorpen Hollum, Ballum en Nes onderliepen, het water twaalf palmen hoog in sommige huizen stond, verloren wel geene menschen het leven, maar er verdronk een honderdtal schapen en het tooneel van verwoesting was, na het afloopen van het water treurig en beklagenswaardig. De dijken, die de landen van Hollum, Ballum, Nes en Buren moesten beschermen tegen de zee, waren niet alleen weggeslagen, maar wel twintig gaten, sommigen van zes el diep waren daarin gescheurd. De duinen aan de noordzijde, die anders glooijende oploopen, stonden nu steil, als een muur, langs het strand, en het gevaar van doorsnijding en verdere verwoesting was bij het geringste toeval niet af te wenden. De hooi- en bouwlanden waren met duin- en zeezand overdekt - al wat nog vruchtbaar was, door overstuiving bedorven; onderscheidene huizen waren vernield of zwaar beschadigd, putten en bakken bedroven en al het zuivere water ondrinkbaar gemaakt.

De bewoners van dit eiland hebben over het algemeen een gezond vriendelijk en rond voorkomen, en gelijken, daar hunne taal ook veel van het stadfriesch heeft, met vele Hollandsche woorden vermengd, en met eenen Hollandschen tongval uitgesproken, meer op de stedelingen dan op landlieden. De meeste mannen hebben een sterk ligchaamsgestel, en zijn eenvoudig gekleed; terwijl de vroegere wijde broeken en bruine rokken, meer algemeen, behalve bij de zeevarenden, door de gewone Friesche kleeding vervangen. De Amelander vrouwen en meisjes mogen met regt schoon genoemd worden: sommigen zelfs achten haar de schoonste van geheel ons land te zijn; even innemend van gelaat, als zacht van aard en inborst, zijn zij daarenboven in het gezellig verkeer beschaafd en ongedwongen, daar de meesten met haar zestiende jaar in Holland gaan dienen, en na verloop van eenige jaren weder huiswaarts keeren. hare nette en zindelijke kleeding, bij eene ranke gestalte en gezonde blos, draagt niet weinig bij, om het bevallig geheel te voltooijen. Deze kleeding en vooral het hoofdversiersel (een oorijzer met naald en krulletjes langs het voorhoofd) is bijna geheel aan de Noordhollandsche gelijk, schoon de zwarte kapers of karpoenen, welke daar nog gedragen worden, hier haren opschik niet meer ontsieren. Over het geheel is de gezellige verkeering hier onderhoudend en aangenaam, terwijl de zeden er allezins prijzenswaardig zijn, daar er onder de jonge lieden zeer zelden onzedelijkheid of ongeregeldheid plaats heeft. De staat der gezondheid is er bovendien hoogst gunstig, en er bestaan vele voorbeelden van hoogen ouderdom. Het wapen van Ameland bestaat uit twee vakken, waarin op een geel veld drie schuinsche balken en op een blaauw veld eene kwartier maan. Hetgeen de Terschellingers zeggen, ontleend te zijn van drie balken, die de Amelanders hun bij kwartier maan zouden ontvreemd hebben, tot het bouwen van eene galg.

(1) Dit art. is, even als die, waarin de op dit eil. liggende dorpen zullen behandeld worden,. grootendeels uit het: Iets over het eiland Ameland, in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 24 November, 1 en 15 December 1835 voorkomende, hetwelk, zoo wij wel onderrigt zijn, uit de wel versnedene pen van onzen ijverigen medewerker, den Heer W. Eekhoff, voortgevloeid is.

AMELANDER GAT, zeeëngte ten N. W. van Friesland, aan de Noordzee, tusschen Terschelling en Ameland, Zij neemt hare rigting beoosten Terschelling en strekt zich naar Ameland en de Wadden uit. Het wordt op zich zelve naar Ameland en de Wadden zeegat aan de Noordzee, doch was vroeger van weinig gebruik, omdat het binnenwaarts tegen de banken stoor, en geene schepen, die boven de acht voet diep gaan, konde doorlaten. Ondertusschen kwam er wel eens groote schepen, die wegens kwaad weder geen zee konden bouwen, voor eenigen tijd, ten anker. Thans echter wordt het ook door groote schepen bevaren.

De betonning en bebakening in het Amelander gat, de Jetting, de Krommebalg, de Abt, de Friesche Wadden tot aan het Groningerdiep en het Kornwerder zand, welke door de gemeene kustverlichting, betonning enz. eenige regten op de doorvarende schepen werden gevorderd, is, met aankleve van dien, en daaruit voortvloeijende baten en schaden, tegen behoorlijke, en, bij overeenkomst met de belanghebbenden, vastgestelde schadeloosstelling aan de steden Harlingen, Stavoren en de genoemde armenkamer, met den 1 Julij 1835, overgegaan op het departement van Marine; terwijl de voormelde regten en tollen, met den 1 mei 1836, zijn vervangen door de, bij Z. M. besluit van 28 Maart 1836, bepaalde heffing van buiten- en binnen-vuurgeld, ton- en bakengeld.

BALLUM, d., prov. Friesland, eil. en griet. Ameland, arr. en 5 u. N. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten W. van Holwerd, op de westelijke helft van het eil. Ameland, 1 u. W. van Nes.

Het is het middelste en kleinste der drie dorpen van het eiland en hoewel het meest geregeld gebouwd, thans het geringste in aanzien. Ook is het van zijn voornaamste sieraad beroofd: want, behalve dan het bestuur hier weleer gezeteld was, en er het regt werd uitgeoefend stond nog, bezuiden het dorp, het oude en groote slot of kasteel de Cammingha’s, de zetel der Vrij- en Erfheeren des eilands, welk kasteel in 1820 is afgebroken. Niet ver van daar is thans de koninklijk Paardenstoeterij, waar het gouvernement vijf schoone hengsten van Engelsch, Arabische, Russisch, Holsteinsch of Litauwsch en Iersch ras, ten gebruike der bewoners van het eiland, heeft geplaatst. Zij worden door oppassers van Borkulo met de meeste zorg behandeld.

Men telt te Ballum 59 h., bewoond door ongeveer 280 inw., onder welke 155 Herv., 95 Doopsgez., 30 R.K. en 2 Evang.-Luth., die allen in eenigen landbouw, veeteelt, paardenfokkerij, visscherij en strandvonderij hun bestaan vinden.

De Herv. hebben hier eene kleine, nette kerk, die tot de gem. Hollum-en-Ballum behoort. Zij is voor eenige jaren nieuw gebouwd, naast de woning van den Predikant. Het klokhuis of de kleine toren, staat er van verwijderd. Ten Z. van het dorp vindt men nog den grafkelder van de voormalige Heeren van Ameland, binnen de fondamenten van de thans afgebroken oude kerk.

De hier wonende Doopsgez. behooren tot de Vlaamsche gemeente en hebben er eene eigene kerk, waarin de dienst door liefdepredikers wordt wargenomen. De R.K.  worden tot de statie van Nes gerekend en de Evang.-Lutherschen tot de gem. van Harlingen.

Voorst is hier eene school, die gemiddeld door 40 a 50 leerlingen bezocht wordt.

BLYKE, geh. op het eil. Ameland, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Ameland, arr. en 5 u. N. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten W. van Holwerd, 1/2 u. N. N. W. van Hollum, waartoe het behoort. Het bestaat slechts uit vier boerderijen, maar schijnt vroeger aanzienlijke te zijn geweest.

BUREN, geh. op het eil Ameland, prov. Friesland, griet. Ameland, arr. en 6 a 7 u. N. van Leeuwarden, kant. en 2 1/2 u. N. ten W. van Holwerd, 1/2 u. O. van Nes, onder welk d. het behoort, in een voor dit eiland vrij vruchtbaar oord; met eene school, die door een gemiddeld getal van 25 a 30 leerlingen bezocht wordt, 23 h. en ruim 200 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt. Ook heeft men er eene in 1856 opgerigte kalkbranderij, alsmede eene eendekooi. De ingezetenen zijn meest R.K. en behooren tot de statie van Nes. Volgens de overlevering der ingezetenen zoude dit plaatsje voor anderhalf of twee eeuwen zeer in aanzien geweest zijn, daar het meer dan vijftig groote en kleine vaartuigen in zee had, welke op de Eider, de Wezer en de Elve handelden. In de nabijheid van dit geh. is de begraafplaats gelegen, waar men wil, dat weleer de hoofdkerk des geheelen eilands zoude gestaan hebben, en waar thans ook de gestrande drenkelingen begraven worden.

HOLLUM, d., op het eil. Ameland, prov. Friesland, griet. Ameland, arr. en 7 u. van Leeuwarden, kant. en 2 u. van Holwerd.

Het is het grootste en netste der drie d. van Ameland, en bevat ook de helft der bevolking van dat eil. De beide straten, N. en Z. loopende, de Oosterlaan en de Buren, met eenen breeden rijweg tusschen beide, hebben nog al goede huizen, ofschoon allen slechts van ééne verdieping. Zij zijn in eene regte lijn vrij regelmatig gebouwd. Dit is het geval minder met de noordelijke buurt voor de herberg, waar onderscheidene huizen zijn weggebroken, zoodat de overige soms in eene zonderlinge rigting zijn blijven staan. men telt er 209 h. en 990 inw., die meest hun bestaan vinden in de visscherij in de Noordzee, buitenlandsche zeevaart, doch vooral in de veeteelt en den landbouw. - N. van Hollum ligt ook een geh. van eenige h., de Blieke genaamd.

De Herv., die hier 540 in getal zijn, onder welke 235 Ledematen, die tot de gem. Hollum-en-Ballum behooren, hebben hier eene kerk, waarvan de zware toren, met een uurwerk voorzien, het voornaamste baken op het eiland is, en een allerverrukkelijkst gezigt zoo over het eiland en de Noordzee, als over de met kielen bevrachte Wadden en de naburige eilanden Terschelling en Schiermonnikoog oplevert. De kerk is overigens een treffelijk gebouw, vooral inwendig zeer net ingerigt en met eene consistoriekamer voorzien, doch zonder orgel. De overgeblevene geschilderde kerkglazen toonen aan, dat zij in 1678 in dezer voege is verbouwd. In het voorportaal is eene kano of bootje van eenen Eskimo, geheel van robbevellen gemaakt, en door eenen Scheepskapitein van daar medegebragt, opgehangen. Op het hoog gelegen kerkhof, meest allen van voormalige Grootschippers of Kommandeurs en hunne familiën, ook het graf van den braven Kapitein Hidde Dirks kat, door zijnen ongelukkigen togt naar het Noorden, even zeer als door zijne schoone beschrijving vermaard, welk graf slechts door een klein steenen paaltje, met de letters D. H. kat, wordt aangewezen.

De Doopsgez., welke hier 442 zielen tellen, hebben er twee eenvoudige vergaderplaatsen, waarin de dienst door vier Broeders Vermaners wordt waargenomen, en des zomers van maand tot maand door een gestudeerd Predikant, die te Nes woont.

De R. K., wier getal 9 beloopt, behooren tot de stat. van Ameland.

De dorpschool wordt gemiddeld des zomers door een getal van 180, en des winters door 120 leerlingen bezocht.

Voorts heeft men er een ruim pakhuis tot berging van gestrande goederen, eene goede marktplaats en vischmarkt, daar er ongeveer 8 of 10 visschers-aken hier te huis behooren. Ook bestond er vroeger een krankzinnigenhuis, doch dit is opgeheven.

HOLLUM-EN-BALLUM, kerk. gem., prov. Friesland, klass. van Dockum, ring van Holwerd. men telt er 760 zielen, onder welke 300 Ledematen, en heeft er twee kerken, ééne te Hollum en ééne te Ballum.

De drie dorpen op het eiland Ameland zijn eerst door éénen Predikant bediend, zijnde Bote Eerkes (Petrus Erici), beroepen in 1611, verroepen naar Nes en Wierum in 1617. Gedurende de dienst van Johannes Titema, beroepen in 1690, afgezet in 1695, werd Nes van Ballum en Hollum afgenomen en alleen met éénen Predikant voorzien. Hollum-en-Ballum bleven te zamen, zijnde de laatste plaats de woonplaats van den Predikant, want in 1694 werd te Ballum eene nieuwe beroepen Suffridus Serenus Sinnema, die in het volgende jaar naar het naburige Nes verroepen werd. Het beroep is eene koninklijke collatie.

JELMERA-HUIS, voorm. kast. op het eil. Ameland, prov. Friesland. Zie Cammingha.

NES, d., op het eil. Ameland, prov. Friesland, griet. Ameland, arr. en 6 u. N. van Leeuwarden, kant. en 2 u. N. ten O. van Holwerd, 1 u. O. van Ballum.

Dit d. was vroeger het bloeijenste der drie dorpen op Ameland, wegens den daar voorbijloopenden stroom en de menigvuldige schepen, die aanlagen, om zich van de noodige behoeften te voorzien, waarbij nog kwam, dat het onder de dorpen op dit eiland, het naaste aan Friesland ligt, en hier bijna dagelijks menschen van en naar Holwerd, Blija en Ferwerd overvoeren.

Voor vijftig jaren telde het nog meer dan 300 h. en ruim 800 inw. onder welke wel 80 Koopvaardij-Kapiteins. Weleer had het meer dan 80 groote en kleine vaartuigen, die op de Elbe, de Wezer en de Eider voeren en handelden; thans draagt het alle kenteekenen van verminderde welvaart. Het heeft schijnbaar nog twee ongeplaveide hoofdstraten, waarin eenige nette huisjes gevonden worden; maar het geheel heeft een onregelmatig aanzien, dewijl er vele huizen, waaronder ook het pakhuis, de brouwerijen en stokerijen, van tijd tot tijd zijn weggebroken, in plaats van welke sedert 1771 geen enkele gebouwd is. Thans telt men er, in de kom van het d., 130 h. en 550 inw., en met het daartoe behoorende geh. Buren, 153 h. en 680 inw. Hoewel er nog eenige Kapiteins en andere zeevarenden wonen, leven de meeste inwoners tegenwoordig van landbouw en veeteelt; anderen zijn visschers. Vóór de grootste herberg ligt de overdekte vischmarkt. Ook heeft men er twee kalkbranderijen, eene eendekooi en eenen korenmolen.

De Herv., die er 230 in getal zijn, onder welke 100 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Dockum, ring van Holwerd, behoort. Na de Reformatie maakten de dorpen Hollum, Ballum en Nes ééne combinatie uit; doch in het jaar 1494 werd Nes en Hollum-en-Ballum gescheiden, en bekwam tot eersten afzonderlijken Predikant Johannes Filippus Faber, die den 1 Mei van dat jaar beroepen werd, doch in het jaar 1695 naar Rinsumageest vertrok, en opgevolgd is door Suffridus Serenus Sinnema, van Hollum-en-Ballum herwaarts beroepen, Deze vertrok in 1698 naar Oostrum c.a.

De kerk, welke hier vroeger stond, en vóór de Hervorming aan den H. Johannes den Dooper was toegewijd, is reeds voorlang afgebroken; daarna is in de buurt eene kleinere kerk gesticht, zijnde een laag en gering gebouw, maar de stompe toren is gebleven, en staat thans, alleen als baken nog nuttig, daar geheel afzonderlijk, in het midden van het ruime voormalige kerkhof.

De Doopsgez., die er ruim 220 in getal zijn, maken twee gem. uit, namelijk de Jan-Jacobsgezinden en de Waterlandschen; ieder heeft eene kerk; de eersten hebben Liefdepredikers, de laatsten een gestudeerd Predikant.

De 2 Evang. Luth., welke hier wonen, behooren tot de gem. van Harlingen.

De R. K., van welke men er ruim 60 telt, maken, met de overige dier gezindte op Ameland, een stat. uit, welke 210 zielen en onder deze ruim 140 Communikanten telt, en door eenen Pastoor bediend wordt. De kerk, aan den H. Clemens toegewijd, is een gebouw, zonder toren of orgel, en staat in Buren.

Men heeft onder Nes tweescholen, als: ééne in het d., welke gemiddeld door een getal van 50 tot 70 leerlingen bezocht wordt, en ééne te Buren met 25 tot 30 leerlingen.

De kermis valt in op den feestdag van den H. Johannes den Dooper.

Bij den watervloed van Februarij 1825 is Nes ondergeloopen.

NES-EN-HOLLUM, Jan-Jacobs-gezinde of Vlaamsche Doopsgez. Kerk. Gem., prov. Friesland, op het eil. Ameland, met drie kerken, als ééne te Nes, ééne te Hollum en ééne te Ballum, waarin de dienst door vier Liefdepredikers wordt waargenomen. Men telt er in deze gem. 840 zielen, onder welke 280 Ledematen.

NES-EN-HOLLUM, Waterlandsche Doopsgez. Gem., prov. Friesland, op het eil. Ameland, met twee kerken, ééne te Nes, en ééne te Hollum, waarin de dienst door een geordend Predikant wordt waargenomen. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest J. H. Costers, die in het jaar 1839 herwaarts kwam. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.

NESSER-BUREN, geh. op het eil. Ameland, prov. Friesland, griet. Ameland. Zie Buren.

OERLEDUIN, duinen, prov. Friesland, op het eil. Ameland, op de oostelijkste punt van dat eiland.

OOSTHUIZEN, voorm. d., prov. Friesland, aan de oostzijde op het eil. Ameland, dat, van tijd tot tijd, door verschrikkelijke vloeden en overstuivingen verdwenen is, en waarvan eene oude vrouw, die in 1825 nog in leven was, het laatste huis meermalen had aanschouwd. De inw. van dit dorp, met de overstroomingen moetende verhuizen, begaven zich meerendeels naar het geh. Buren.

Bij den watervloed van 1825 waren, ter plaatse, waar dit dorp gestaan heeft, de duinen weggespoeld, zoodat men duidelijke fondamenten van huizen, benevens eenige overblijfselen van waterputten en eene smederij ontwaarde. Bij het graven aldaar vond men ook smidsgereedschappen en eenige koperen en zilveren muntspecien, waaronder eene koperen legpenning van het jaar 1584, geslagen ten gevolge van een besluit en de maatregelen, genomen door de Staten van Holland, tegen de Roomschgezinden en Jezuiten.

SCHUITEGAT (HET), water in de Wadden, dat met eene noord westelijke rigting in de schorren, ten Z. W. van Ameland inschiet.

SPIERINGER-SLOOT (DE), water, prov. Friesland, op het eil. Ameland, dat door het zoogenaamde Schattepad naar het westelijk zeegat van Ameland loopt. Het draagt den naam naar de menigte spieringen die in dat water worden gevangen.