BADEHENNA, voorm. bosch in Friesland, waarin onze voorouders op hunne wijze hunne plegtige godsdienst verrigtten. In het begin onzer jaartelling kende men reeds dit bosch, waarvan, na zoo veele eeuwen, nog de naam bekend is gebleven. Welke afgod door onze Heidensche voorouders in Baduhenna vereerd werd, of op welke wijze zulks plaats had, is met geen zekerheid te bepalen; meest gegrond komt ons echter het gevoelen voor, dat men er de, ook in de Scandinavische godenleer zeer bekende, Godheid Baldhr, zoon der godin Frigga, vereerd hebbe, die voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en de Wezer gevierd werd, aldaar in hoogen rang stond en veel gezag had. Dit gevoelen is te meer waarschijnlijk, als men aanneemt, dat Tacitus, die toch alleen van dit bosch spreekt, den naam verlatijnd en er de uitgang enne of henna bijgevoegd hebbe; immers als men er den uitgang afwerpt, heeft Badu genoegzaam overeenkomst met Balder, om de onderstelling te regtvaardigen, dat Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was. Het is echter ook mogelijk, gelijk zekere geleerde het als zoodanig opgeeft, dat bahuhenna de naam eener plaats geweest zij, even als Arduenna. Misschien kan dan ook de uitgang het Friesche woord henna, herne of horne, hoek beteekende, geweest zijn, welk woord nog in vele dorpsnamen bewaard is.

De plaats, waar dit bos gelegen was, is even min met eenige zekerheid te bepalen. De oude schrijvers getuigen eenparig, dat dit bosch groot, woest en akelig moet geweest zijn. Ook vindt men opgeteekend, dat het Hereynische woud, van vele andere boschen en ook van dit de moeder geweest zij, en onze onbekendheid met den juisten toestand van den Frieschen bodem voor 1800 jaren, gevoegd bij de weinige en niet zeer naauwkeurige berigten, die uit dien grijzen tijd tot ons zijn overgekomen, maken hier de navorsching hoogst moeijelijk, zoo niet onmogelijk. Sommigen zeggen, dat het gestaan hebben bij Bennebroek in Kennemerland, en dat dit alzoo oorspronkelijk Baduhennebroek zoude geheeten hebben; anderen willen het bij Benningbroek in West-Friesland zoeken; eenigen plaatsen het in Drenthe; en nog anderen tusschen Harlingen en Franeker.

Het gevoelen, hetwelk ons echter het waarschijnlijkst voorkomt, is dat van hen, die het in de Zevenwouden willen zoeken, ter plaatse, waar nu de Friesche grietenijen Oost-en-West-Stellingwerf gevonden worden; niet slechts om de vroegere boschrijkheid dezer streek, maar ook omdat zulks, naar onze meening, best strookt met het verhaal, dat Tacitus ons heeft nagelaten omtrent het sneuvelen eerst van 900 en daarna nog van 400 Romeinen, die bij dat bosch met de Friezen waren handgemeen geweest. Immers, nadat de Friezen, die aan des overkant van het Fliemeer woonden, door de inhaligheid van hen, die de schattingen invorderden, tot armoede gebragt, in het jaar 28 van onze tijdrekening, van de Romeinen afgevallen waren, en de Romeinsche krijgsknechten aan galgen opgehangen, den Bevelhebber verjaagd en de verschansingen, waarin hij zich had begeven, belegerd hadden, ontbood Lucius Apronius?, Landvoogd van Neder-Germanie, om zich hierover te wreken, de Romeinsche keurbenden, met de daarbij behoorende ruiterij, uit het bovenste gedeelte van dat wingewest, alsmede de hulpbenden te voet en te paard, onder welke was eene ruiterbende van de Kaninefaten, en eenige Germaansche voetknechten. De Friezen, al die toerusting vernomen hebbende, braken de belegering op, en trokken, ten einde hun eigen land te beschermen, den Landvoogd te gemoet. Deze nu, met zijne twee legers, dat van Opper-Germanie en dat van Neder-Germanie, bestaande zoo uit eigen volk als uit Bondgenooten, langs den Rijn en de Gracht van Drusus afgevaren zijnde, viel aanstonds in het land der Friezen, en wel ter plaatse, daar men met het leger over de lage en verdronken landen moest trekken. Lucius Apronius moet derhalve zijne legers aan land gezet hebben aan het verdronken land, dat zij, de Gracht van Drusus afvarende, aan den oostkant van het meer (Flevo) eerst ontmoet hebben: alzoo, waar thans Blankenham en Ysselham in Overijssel gelegen zijn. Opdat nu het zwaar gewapend krijgsvolk hierover konde trekken moesten zij in vele slooten dammen leggen, of bruggen daarover slaan. Men beval den Duitschen voetknechten en de ruiterij der Kaninefaten alleen langs de wegen, die toen misschien onder water stonden, en daarom van Tacitus ondiepten (vada) genoemd werden, voort te trekken, en de vijanden van achteren te omsingelen. Maar de Friezen, in slagorde staande, deden zonder veel moeite eerst hen, die nog naauwelijks van het verdronken land af waren, en daarna ook de ruiterij der keurbendes, die hun tot onderstand gezonden waren, wijken; vervolgens dreven zij twee regimenten (cohortes), naderhand nog drie, en insgelijks de ruiterij der bondgenooten, op de vlugt, en eindelijk werden alle de hulptroepen, die er overig waren, door hen gekwetst, of afgemaakt. Bij nadien de keurbenden, en inzonderheid de krijgsknechten van de vijfde cohorte, niet spoedig toegeschoten waren, toen zij door de vermoeide en in wanorde gebragten te hulp geroepen werden, zouden al de manschappen der bondgenooten, alsmede de ruiterij der inboorlingen, en bij gevolg het grootste gedeelte van het Romeinsche heer, gesneuveld zijn. Intusschen werden sommigen van hen gevangen; sommigen, die landwaarts ingevlugt waren, des anderen daags, als het gevecht voor de achtste maal hervat was, twee uren van het verdronken land, dat door deze nederlaag beroemd is, bij het Bosch van Baduhenna ter neder gehouwen; anderen, die de schrik verder voortgejaagd had, toen zij geen kans zagen, om bij de vesting aan het Flie (Castellum Flevum) te komen, daar men denken kan, dat zij naar toe gesneld zijn, hebben malkander onder den voet gestooten. Met de overigen schijnt de Romeinsche Veldheer, nadat hij de lighamen der verslagenen, hoe aanzienlijk die ook waren, onbegraven had laten liggen, al vlugtende, weder naar het wingewest getrokken te zijn. Zoodat hieruit volkomen schijnt te blijken, dat de gelegenheid der landstreek en de reden der benaming met den inhoud van het verhaal overeenkomen.

BALG, vaarwater in het Noorden van de Zuiderzee, ten Z.O. van Texel, N. O. van het Nieuwediep. Het loopt tusschen het Balgzand en de Noordzijl, die eene diepte is in de Westwal, door, en verbindt het Amsteldiep met het Marsdiep.

Voorheen diende het tot reede voor de Oostindische en andere schepen, die niet behoefden te vertimmeren, maar veeltijds gekield werden.

BALGZAND, droogte in het noordelijkste gedeelte van de Zuiderzee, tegen de Noord-Hollandsche kust, aan de westzijde loopt er het Amsteldiep en aan de noordzijde stroomt er de Balg langs. Het noordelijkste gedeelte wordt de Zuidwal geheeten.

BOERDIEP, voor. zeeboezem, prov. Friesland. Zie Middelzee.

BOLSWARDER-TREKVAART, gegraven vaart, prov. Friesland, van Bolsward, in eene Noordwestelijke rigting, door de grietenijen Wonseradeel, Hennaarderadeel, Baarderadeel en langs de dorpen, Burgwerd, Wommels, Oosterlittens en Baard, naar de Harlingervaart loopende, met welke zij zich bij de Bolswarderbrug vereenigt.

BOLSWARDER-VAART, benaming, die men weleens geeft aan de voortzetting van de Wymers of de Zeilvaart van Sneek en Ylst naar Bolsward, prov. Friesland. Zie Wymers.

BOORN, Boorne, Born, Borne of Boornstroom, bij de Ouden Burdo, Burdinus geheeten, riv., prov. Friesland.

Zij ontspringt in het oostelijke gedeelte der griet. Opsterland, uit het Mieuwe- of Mieukemeer, stroomt van daar, onder den naam van Koningsdiep, in ontelbare krommingen, met eene westzuidwestelijke rigting, miden door die grietenij, voorbij de dorpen Duurswoude, Wynjeterp, Hemrik en Lippenhuizen ten Z., en Ureterp en Olderterp ten N., tot onder Beetsterzwaag. In hare beginsels gering, is zij vervolgens op vele plaatsen droog; maar bij het laatstgemelde dorp wordt zij weder en voor grootere schepen bevaarbaar, nemende, met eene noordwestelijke rigting, tevens den naam van Boorn aan. Een uur gaans N. O. van Oldeboorn, in de griet. Utingeradeel komende, vervolgt zij haren loop in verschillende rigtingen en onophoudelijke krommingen door deze grietenij, voorbij en door Oldeboorn, Henswoude, Nes, Akkrum en Dijkhuisterzijl, tot dat zij, allengs verwijdende, zich bij de Oude-Schouw met de Grou vereenigt, en door de Wetering in het Sneekermeer valt.

BOORN, riv., prov. Friesland. Zie Boorn.

BORNDIEP, voorm. zeeboezem in de prov. Friesland. Zie Middelzee.

BORNE, rivier, prov. Friesland. Zie Boorne.

BORNEDIEP, voorm. zeeboezem in de prov. Friesland. Zie Middelzee.

BRAKZAND (T), plaat in de Wadden, Z. van het Friesche eil. Schiermonnikoog, O van t Groningerdiep.

BURDO, voorm. zeeboezem, prov. Friesland. Zie Middelzee.

CASPER-ROBLESDIEP of Kolonelsdiep, gemeenlijk, bij verbastering, Kornelsdiep genoemd, vaart, prov. Friesland, kw. Oostergoo.

Deze vaart ontleent haren naam van den Spanjaard Caspar de Robles, Stadhouder van Friesland en Groningen, van wege den Koning van Spanje, die haar heeft doen graven. Zij komt uit het Bergumermeer, bij Schuilenburg, in de griet. Tietjerksteradeel, loopt eerst oostwaarts tot zij in de griet. Achtkarspelen komt, neemt vervolgens eerst eene noordoostelijke, later eene oostelijke en vervolgens weder eene noordoostelijke strekking, snijdt bij de Gaw de vaart van Leeuwarden naar Groningen door, neemt, bij Gerkesklooster, de Oude-Veenstervaart op, schiet van daar, in eene zuidoostelijke strekking de grenzen van Groningen, welke zij in eene zuidoostelijke strekking langs loopt, tot zij zich bij Schalkendam met de Lauwers vereenigt.

CASTELLUM-FLEVUM, voorm. kast. op het Hollandsche eil. Vlieland, waar, in het jaar 28 van onze tijdrekening, de Friezen den Romeinschen Landvoogd Olennius belegerde.

CORNWERDER-ZAND, zandplaat in de Zuiderzee, op weinig afstand van de Friesche kust, zich van Cornwerd noordwaarts tot op de hoogte van Surich uitstrekkende.

CUYNRE, riv., prov. Friesland. Zie Kuinder.

DEEL (OUD-), water, prov. Friesland, dat van de grenzen van Opsterland afkomende, de grensscheiding tusschen Aengwirden en Utingeradeel vormt en zich in de griet. Haskerland, in het Deel ontlast, ter plaatse waar dit den naam van Monnike-rak aanneemt.

DEEL (OUD-), water, prov. Friesland, dat, in eene noordelijke rigting, al de grensscheiding tusschen Leeuwarderadeel en Tietjerksteradeel, uit het Woudmansdiep en de Lang-Deel komt, en zich bij Giekerk met de Murk verenigt.

DOCCUMBURG, voorm. kast., prov. Friesland, kw. Oostergoo. Zie Dockenburg.

DOC-HEM, voorm. d., in Oostergoo, prov. Friesland. Zie Dockinga.

DOCKENBURG of Duccomburg, voorm., kast., prov. Friesland, aan de Ee, nabij de Lauwerzee, gebouwd in het jaar 248 door Ubbo, Hertog der Friezen. Dit kast. was zeer geschikt, om de haven tegen zeeroovers te beschermen. men wil dat de stad Dockum uit dit Dockumburg een begin heeft genomen.

DOCKINGA, eigenlijk Doc-Hem, dat is, de woning of hofstede van Doco. In zeer oude geschriften wordt dit een dorp genoemd, in stergoo (dat is Oostergoo), waarin men onder anderen ook verhaalt, dat Bonifacius, eerste Aarts-Bisschop van Mentz en tweede van Utrecht, in Friesland en bepaaldelijk te Dockinga, het Evangelie aan de ongeloovige Friezen verkondigde en aldaar, met nog 51 geestelijken door hen is vermoord, en alzoo een martelaar van het geloof geworden is. Dit zou geschied zijn in het jaar 754.

DOCKUMER-DIEP, kanaal, prov. Friesland, tusschen Dockum en de Lauwerzee.

Vroeger was het een aanzienlijke stroom, welke met een breeden mond, tusschen hooge zeedijken door, van Dockum O. N. O. na de Lauwerzee stroomde, zoodat deze stad toenmaals als aan zee lag. Van tijd tot tijd is die stroom evenwel door de aangevoerde slib van de Noordzee naauwer geworden, en ontstond er aan zijne oevers eene groote uitgestrektheid lands. Om dat land van de zee af te sluiten, heeft men in 1729, voorbij Engwierum, een breeden zeedijk in den vroegeren mond van het diep gelegd, en in het midden daarvan de groote Dokkumer-Zijlen gesticht, door welke het diep thans nog met de Lauwerzee gemeenschap heeft.

DOCKUMER-EE of Trekvaart van Leeuwarden op Dockum, vaarwater in Friesland, dat, te Leeuwarden een begin nemende, met eene noordelijke rigting langs Lekkum, door de griet Leeuwarderadeel loopt, voorts de grensscheiding tusschen die griet. en Tietjerksteradeel vormende, langs Wyns vliet. Daarna in de buurt Bartelehiem eerstgemelde griet. verlatende, maakt zij, in eene noordoostelijke rigting, de grensscheiding eerst tusschen Tietjerksteradeel en Ferwerderadeel, dan tusschen Ferwerderadeel en Dantumadeel, waar zij door het d. Birdaard loopt, en eindelijk tusschen Dantumadeel en West-Dongeradeel, totdat zij zich te Dockum in het Dockumerdiep ontlast.

DOCKUMER-TREKVAART, vaart, prov. Friesland, welke met eene zuidoostelijke strekking door de griet. Dantumadeel, Kollumerland-en-Nieuwkruisland en Achtkarspelen, van Dockum naar Stroobos, op de grenzen der prov. Groningen, loopt. Zij schiet langs de d. Oudwoude, Westergeest, Lutkewoude of Augsbuur en Gerkesklooster, en valt bij blaauw vallaat, 300 roed. ten W. van Stroobos, in het Kolonelsdiep.

Reeds in het jaar 1648 hadden de Staten van Friesland de regering van Dockum gemagtigd tot het graven van de vaart, mits dat zij binnen twee jaren zoude moeten zijn aangevangen, of de stad daarvan voor altijd verstoken wezen; en hoewel dit binnen den bepaalden tijd niet geschied was, zoo hebben echter voornoemde Staten, op verzoek van dier stad, nogmaals, den 23 Februarij 1654, aan haar gelijke magt vergund, waarna, op den 22 April, vier Regeringspersonen gemagtigd werden, om de daartoe benoodigde gelden op rente te ligten, en is tusschen de gemagtigden van Groningen en Ommelanden en de stad Dockum sedert, tot onderling genoegen, een vaste voet beraamd, op wat wijze de wederzijdsche schepen zouden moeten varen. Daarop werden den 29 dier zelfde maand tien Opzigters van dit groote werk aangesteld, moetende de vaart en het naastgelegen trekpad wel vijf duizend roeden lang wezen. Nadat de noodige landen van de eigenaars, volgens de verleende vergunningen der Staten van Friesland, zoo bij waardering van deskundigen als van het hooge Geregtshof des Gewests, waren ingekocht geworden, is den 9 Julij met het graven een begin gemaakt, en, onder goed opzigt, met zoo veel spoed voortgezet, dat den 19 November 1658, des morgens ten 9 uren, het eerste schip van Dockum langs de nieuwe vaart is vertrokken, welk werk, zoo aan verdolvene landen en arbeidsloonen als andere onkosten, volgens opgenomene rekening, twee honderd vijf-en-veertig duizend gulden door het gewest, tegen drie ten honderd zelf voorgeschoten, nog twee honderd vijf en twintig duizend gulden tegen eens zoo hooge renten waren opgenomen, die men jaarlijks uit de tollen, op de daar doorvarende schepen gelegd, meende te vinden. Doch deze verwachting geenszins naar wensch beantwoord wordende, zoo is het tolregt den eigenaren der voorgeschoten gelden eindelijk afgestaan, nadat de Heeren Opzieners den 30 Junij 1657 wegens hun ijver, in het uitvoeren van het werk betoond, niet alleen door de Regering en de Vroedschap waren bedankt, maar ook ieder met een gouden gedenkpenning waren vereerd geworden. De ordonnantie op de trekvaart tusschen Groningen en Dockum, werd door de Staten van Stad en Lande, reeds vastgesteld den 13 Februarie 1656, ten gevolge eener overeenkomst met de stad Dockum; doch over dezen trekweg ontstond tusschen deze beide autoriteiten verschil, ten gevolge waarvan bij Staatsbesluit van Stad en Lande, van den 27 April 1661, de gezegde ordonnantie werd beperkt tot het Groninger territoir, van Groningen naar Stroobos.

DOKKUMERDIEP, vaart, prov. Friesland. Zie Dockumerdiep.

DOKKUMER-EE, riv., prov. Friesland. Zie Dockumer-Ee.

EE of Ie, stroom of vaart, prov. Friesland, die uit het Slootermeer komt, in eene zuidelijke strekking, door de stad Slooten, tusschen Gaasterland en Lemsterland doorstroomt en bij Takozijl in de Zuiderzee valt.

EE, Dockumer-Ee of Dockumer-Ie, stroom en een der drie groote scheeps-vaarwaters van Friesland, zijnde de trekvaart van Leeuwarden naar Dockum, in welke stad dit kanaal met twee armen, zijnde noordoostwaarts de Zuider-Ee en oostwaarts het Dockumer-diep, naar de Lauwerzee stroomt.

EIJERLANDSCHE-GAT, vaarwater ten N. van de Zuiderzee, tusschen de Noordhollandsche eil. Texel en Vlieland doorloopende, hetwelk echter niet zeer geschikt is tot doorvaart van schepen.

FINKUMER-MEER of Finkumer-vaart, water, prov. Friesland, dat van de Leije afkomende, eerste een zuidwaartsche rigting aanneemt, voorst in eene oostelijke strekking benoorden Finkum heenloopt, hoewel later zich met de Hyumervaart vereenigende, den naam van Finkumer-vaart behoudt, en bij de buurt Barthelehiem in de Dockumer-Ee valt.

FLEO, eil., dat, bewesten de tegenwoordige Friesche kust, gevormd werd door twee armen van den Flevus of Vliestroom, waardoor ook aan de zuidzijde het Medemelaea-laces of Medemblikker-meer ontstond. Het tegenwoordige Breezand, ten O. van de Vlieter en het Oude-Vlie, is daarvan nog over.

FLEVO, voorm. meer, door Pomponius Mela vermeld, hetwelk het zuidelijk gedeelte van de Zuiderzee moet uitgemaakt hebben.

FLEVUM, voorm. kast., door de Romeinen gesticht aan den mond der Flevustroom, waarvan men de plaats vermoedelijk op het eil. Vlieland, prov. Noord-Holland, stellen moet, of liever op den voormaligen, sedert lang door de zee verzwolgen noordelijken oever van dat eiland. Dit kast. werd, in het jaar 28, door de, tegen den Romeinschen Landvoogd Olennius opgestane, Friezen, aangevallen en denkelijk toen verwoest.

FLEVUSSTROOM, riv. of noordelijke Rijnmond, door welke het meer Flevo zijne wateren in de Noordzee ontlastte. Deze riv. had ongetwijfeld zijnen loop, ter plaatse, thans nog op de zeekaarten de Vlieter, het Oude-Vlie en de Viestroom genoemd.

FLIE, een der zeegaten, waardoor men van de Zuiderzee in de Noordzee komt, tusschen Vlieland en Terschelling. Zie Vlie

FOKKESLOOT of Fockesloot, water, prov. Friesland, dat uit het Heegermeer voortkomende, met eene zuidelijke rigting, eerst tusschen de grietenijen Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde en Wymbritseradeel, voorts tusschen Gaasterland en Wymbritseradeel heenloopt, en zich in het Slootermeer ontlast.

Dit water is dus genaamd naar Fokke Uckena, van Leer, die, door de Schieringers verslagen zijnde, op den 9 Junij 1420 alhier de Groninger busse moest achterlaten.

FOLKERTS-SLOOT, vaart, prov. Friesland, kw. Oostergoo.

Zij komt uit het Auke-Hinnes-meer, in Idaarderadeel, in eene zuidoostelijke rigting voort; loopt dan een korte streek zuidwestwaarts; neemt, ter hoogte van Tjesmawier, weder eene zuidoostelijke rigting aan; doorsnijdt de Graft, en komt voorts in Tietjerksteradeel, waar zij zich in het Kruiswater ontlast.

FRANEKER-TREKVAART, gegraven vaart, prov. Friesland, aan de stad Franeker een begin nemende, en van daar met eene bogtige, oostwaartsche strekking, eerst door de griet. Franekeradeel, vervolgens in een noordoostelijke rigting, tusschen die grietenij en Hennaarderadeel heen, langs Sweins loopende en vervolgens een weinig noordelijker, met eenen bogtigen, oostelijken loop, langs Dronrijp door de griet. Menaldumadeel heen schietende, om door de Rinsumazijl, in de griet. Leeuwarderadeel te komen, alwaar zij aan de stad Leeuwarden een einde neemt.

FRIESCHE GAT, voorm. vaarwater ten N. van de prov. Friesland, tusschen de eil. Ameland en Schiermonnikoog, en langs de westelijke kust van dat eil. loopende.

Het werd door eene plaat, de Paardemarkt ook Engelmans-Plaat en Klakman genoemd, van het meer westelijk gelegen .

FRIESCHE-WADDEN, het westelijk gedeelte der Wadden, zijnde dat gedeelte der Noordzee, hetwelk ten N. van de prov. Friesland en Groningen gelegen is. - Over de betonning en bebakening in de Friesche Wadden die men het art. Amelandergat.

FRIESCHE-WADDEN, het westelijk gedeelte der Wadden, zijnde dat gedeelte der Noordzee, hetwelk ten N. van de prov. Friesland en Groningen gelegen is. - Over de betonning en bebakening in de Friesche Wadden zie men het art. Amelandergat.

GAASTMEER (GROOTE-), meer, prov. Friesland, kw. Westergoo, en de grenzen van de grietenijen Wymbritseradeel en Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, W. van het d. Gaastmeer. Het staat door de Intjemasloot met het Piel en ten W. door een slootje met het Zandmeer in verbinding.

GERKESBRUGGE, brug op de grenzen van de prov. Friesland en Groningen, 3/4 u. N. O. van het Friesche d. Gerkesklooster, 5 min. Z. W. van het Groningsche d. Visvliet, over de Lauwers of het Zeildiep, door welke veel water uit Friesland, door de Munnekezijl, in het Reitdiep afstroomt. Midden op de brug, aan de noorderleuning, staat de scheidpaal tusschen de beide provincin. In den zomer van het jaar 1842 is van hier naar Groningen de straatweg gelegd. Ten westen van de brug staat de druk bezochte Friesche-Herberg.

GERMANSCHE-ZEE, naam, welken men wel eens geeft aan de Noord-Zee. Zie dat woord.

GRAVENE-WEG, ook wel Graeva-Wij, d.i. Gegraven-weg, oude weg, die in den vorm van eenen muur, benoorden Workum, prov. Friesland, van onder den zeedijk te voorschijn komt, en door het Gaastmeer en de Brekken tot in het Sneekermeer, op eene breedte van 361/2 tot 48 Reinl. voeten (11 1/2 tot 15 Ned. Ell. voortloop. Van dezen weg komt het zeer oude Friesche spreekwoord:

Oude tekst

(d. i.: De gegraven weg loopt over water en land.)

GRIEND, zeeplaat op de Friesche Wadden, N. W. van de Friesche kust. Zie Grind.

GRIETENIJEN-EN-STAD-SLOOTEN (DIJKBESTUUR-VAN-DE-ZEVEN) , dijkbestuur, prov. Friesland, zich uitstrekkende over de grietenijen: Doniawarstal, Gaasterland, Lemsterland, Haskerland, Schoterland, Opsterland en Aengwirden, alsmede over de st. Slooten.

Het vergadert beurtelings te Lemmer, te Tacozijl en op Huis-ter-heide, en bestaat uit drie Dijkgraven, eenen Secretaris, eenen Ontvanger, twee Volmagten uit Doniawarstal, twee uit Gaasterland, twee uit Lemsterland, twee uit Haskerland, twee uit Schoterland, twee uit Opsterland, twee uit Aengwirden en twee uit Slooten.

Dit Dijksbestuur heeft sedert eenige jaren aanmerkelijke verbeteringen aan de zeedijken, onder haaer beheer, te weeg gebragt.

GRIND, Grient of Grint, oudtijds Grynde, eil. in de Zuiderzee, N. W. van de Friesche kust en Harderwijk, Z. van het eil. Terschelling, grenzende N. aan de West-Meep met veel schepen, O. aan de Oost-Meep, Z. aan de Oude-Jetting, en W. aan de Nieuwe-Jetting en den Vliestroom. Het behoorde vroeger aan het klooster van Lidlum, en men had er eene buurt, Grind geheeten, welke men wil, dat als eene stad versterkt was.

Nadat dit eiland, door het inbreken van de Noordzee, het wegspoelen van de omgelegene landen en het ontstaan van de Heidenzee of Zuiderzee, bewesten de Friesche kust, als door eene eenigzins hoogere ligging beveiligd, aleen overgebleven was, ontkwam het echter het gevaar der vernietiging niet. Het werd, eenige jaren later, door den watervloed van 14 December 1287, bijna geheel verwoest. Het reesechter daarna wel weder boven de golven, maar steeds aan de meer en meer uitstroomende wateren bloodgesteld, duurde het, zoo het schijnt, tot in de zestiende eeuw, vor dat het, door de bestendige afspoeling, ophield een belangrijk aantal stuks zee te voeden, van hetwelk men de eertijds beroemde Grindsche kaas verkreeg. In het begin des vorige eeuw stond er nog een huis en werd er hooi gewonnen, doch nu is het onbewoond, echter nog zoo hoog, dat het niet dan bij buitengwone hooge vloeden onder loopt. Er liggen kleine zandheuvels op, in welke de laatste konijnen in 1825 verdronken zijn. Bij den zomer is er veel gras; men wint er weinig hooi en laat er ook wel schapen weiden. Het is rijk aan eijeren van zeemeeuwen en andere vogels, welke door de schelpvissers, die zich hier in de nabijheid in de stroomen ophouden, zorgvuldig opgeraapt te worden.

GRIND, Grint of Gryn, voorm. b., prov. Friesland, op het eil. Grind, aan de uitgangen van het Vlie.

Volgens de oude kronijken deed Syard Siersma, de vierde Abt van Lidlum, haar, in het jaar 1222, met grachten en wallen, even als eene stad versterken; hier was ook eene school, door die van Ludingakerk gesticht, om de jeugd in kupiten en wetenschappen, zelf in de godgeleerdheid op te kweeken. Bij den geduchten watervloed van 14 December 1287 leed ook deze plaats zoo aanmerkelijk, dat er geen tien huizen van overbleven. De kerk met het koor, zoowel als het schoolgebouw of collegie, benevens de wallen en buitenwerken, werden alle omvergeworpen en vernield.

GRINDERWAARD, plaat in de Zuiderzee, ten Z. van het eil. Terschelling, ter plaatse, waar vroeger het eil. Grind gelegen heeft, en waarvan het overblijfsel thans van rondom door deze plaat omgeven is.

GRINT, voorm. eil. en st., prov. Friesland. Zie Grind.

GROEN-DIJK (DE), dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, loopt langs Offingawier zuidoostwaarts, ontvangt nabij Houwke-sloot een bogt, en rigt zich naar het N. O.; wordt vervolgens Hemdijk genaamd, en in dezelfde rigting het zuidelijke gedeelte van Rauwerderhem doorloopende, heet hij beurtelings Groen-dijk en Hem-dijk.

GROEN-DIJK (DE), dus noemt men ook dat gedeelte van den Hemdijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, dat Noordwaarts door Wonseradeel loopt, en zich ten W. van het d. Arum, met den Slagtedijk vereenigt.

HAAKS (NOORDER-), zandbank in de Noordzee, vr het Marsdiep, zuidwest van het eil. Texel, thans het noordelijke gedeelte, dat haar van de Horst, of de zuidwestelijke punt van Texel, scheidt, ten Zuiden werd zij vroeger door de Breede-wei en het Zuidwestergat van de Zuider-Haaks gescheiden, thans daarmede verbonden, wordt zij nog door eene geul of sleuf, het Duikersgat geheeten, in tween gescheiden, van welke het zuidelijke gedeelte den Middelrug genaamd wordt.

HAAKS (ZUIDER-), zandbank in de Noordzee, ten westen van de gem. de Helder, waarvan zij dor het Schulpegat gescheiden is, terwijl zij ten Noorden thans met de Noorder-Haaks is vereenigd. Zie het vorige art.

HARLINGER-JETTING, voorm. vaart, prov. Friesland, welke in het jaar 1213 gegraven was.

Daar de landerijen op de Noordwestkust van Friesland veel overlast hadden van het water, dat uit de Middelzee in de Noordzee stroomde en deze meestal aan de abdij Ludingakerk toebehoorde, zoo besloot de geestelijke overheid van die voornoemde abdij, om tot afwending van dit ongerief, eene nieuwe uitwatering uit de Middelzee te graven. Deze gracht liep van Harlingen, langs de Dijkshorne en het stedeke Grind, tot aan het Vlie en Ter-Schelling en werd door de conversen of Leekebroeders van Ludingakerke gegraven. Hierbij maakte men onderscheidene vaarten, om het bijgelegen land droog te houden; alsmede ne, tot gemak van den handel met Texel, alwaar gemelde Geestelijken ook vele landeigendommen bezaten. Deze gracht was destijds bekend onder den naam van Monikkesloot en een gedeelte daarvan draagt nog deezen naam, zijnde het scheepsvaarwater langs de Zuid-Oostkust van Vlieland; terwijl het andere gedeelte, het scheepsvaarwater van Harlingen, naar de Noordzee, nu den naam draagt van Harlinger-Jetting of meestal enkel de Jetting. Men houdt het algemeen daarvoor, dat deze en soortgelijke kanalen naderhand oorzaak geworden zijn, dat de Noordzee, van buiten met geweld instroomende, al de landerijen tusschen de tegenwoordige eilanden en den vasten wal van Friesland in zee gelegen, overstroomd, de zeegaten van het Marsdiep verwijd en eene geheele ommekeer in het nabijgelegen land veroorzaakt heeft.

HARLINGER-TREKVAART, gegraven vaart, prov. Friesland, die bij Harlingen een begin neemt, met eene oostelijke strekking door het zuidelijke gedeelte van de griet. Barradeel, en door Franeker loopende, zich in laatstgemelde stad, met de trekvaart op Leeuwarden vereenigt.

HEMDIJKEN (DE), reeks van binnenlandsche waterkeeringen, prov. Friesland, in de griet. Rauwerderhem, Wymbritseradeel en Wonseradeel.

Die Hemdijk, welke den grootsten omvang bevat, neemt eenen aanvang bij de Oude-Schouw, aan den tegenwoordigen straatweg, in het Zuidoostelijke gedeelte van de griet. Rauwerderhem, aldaar voorkomenden onder den naam van Groendijk; hij rigt zich vervolgens in Wymbritseradeel, onder dien van Hemdijk, met eene Zuidwestelijke bogt, benoorden het Sneekermeer, langs de Houkesloot, N. W. voorbij Offingawier, van waar hij zich, onder de benamingen van Groene- en Steenedijk (de laatste nu een gedeelte van den straatweg van Sneek naar leeuwarden) tot aan de stad Sneek, welke hij doorsnijdt, uitstrekt, loopende van daar Z. W. langs de Geeuw, naar de Nijezijl onder Oostrum; verder Westwaarts, zich in verschillende rigtingen strekkende, voorbij de dorpen Oosthem, Abbega, Westhem en Wolsum. Bij de buurt Blaauwhuis in Wonseradeel komende, loopt hij langs den noordkant van het ingedijkte Sensmeer, in eene Noord-Noord-westelijke rigting, naar Tjerkwerd, en vandaar, N. ten O., tot aan de stad Bolsward, alwaar hij zich aan de Dieperdera-Hem, eertijds een gedeelte uitmakende van de waterkeering de Marne, aansluit.

De groote of algemeene Hem, welke hierdoor gevormd wordt, is thans in verschillende kleine Hemmen verdeeld, als: ten Z. O. van Bolsward, de Yms-Hem of Eemswolder-hem, dus genoemd naar een buurtje onder Tjerkwerd; verder de Morrha-Hem, waarin het Morrhawieltje gelegen is; de Schierwolder-Hem, met de dorpen Wolsum, Westhem, Abbega en Oosthem, zich uitstrekkende tot aan Sneek; terwijl N. O. van daar de dorpen Scharnegoutum, Goinga, Loinga, Gauw en Offingawier eene Hem vormen, onder den naam van de Snitser-Vijfgea bekend.

Aan dezen grooten Hemdijk sluiten zich aan of hebben zich vroeger aangesloten beringingen van kleineren omvang, waarvan men nog vindt de Ysbrechtumer-hem, insluitende de dorpen Tirns, Tjalhuizum en Ysbrechtum, in Wymbritseradeel; de Dedgumer- en Arkumer-Hem, in Wonseradeel, beginnende bij Tjerkwerd, loopende met een gedeelte van de vroeger bestaan hebbende Rypera-Hem, om het dorp Dedgum; vervolgens, met den Krabbedijk, tot aan den Groote-Hemdijk. In verband tot dezen Hemdijk, thans diendende als waarborg voor de benoorden gelegene landen, tegen eene doorbraak der zeedijken, sluit zich verder aan de later aangelegde en tot dat doel mede zeer aanzienlijke Schraarder-Hemdijk, aanvang nemende aan den Grooten-Hemdijk bij Tjerkwerd, loopende door het dorp Exmorra, Longerhou, ten Oosten van het Makkumermeer, langs het dorp Schraard, tot aan de Marnedijk onder Witmarssum.

Deze Hemdijken, die bij den watervloed van 1825 niet op eene genoegzame hoogte waren gehouden, en waardoor de binnengelegen landen van Wymbritseradeel en Wonseradeel, zoo door overlooping, als door doorbraken overstroomd werden, zijn sedert aanmerkelijk verhoogd en verzwaard.

HOOGEBRUG (DE) , brug, prov. Friesland, kw. Oostergoo, op de grenzen van de griet. Leeuwarderadeelen Tietjerksteradeel, over het Oude-Deel, 1 u. N. W. van Leeuwarden.

INTHIMA-SLOOT, Inthema-sloot of Intjema-sloot, water, prov. Friesland, kw. Westergoo, een gedeelte der grensscheiding, tusschen Wymbritseradeel en Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde uitmakende. Zij komt uit het Groote-Gaastmeer, en loopt met eene zuidoostelijke strekking in de Fljuessen uit.

ISLAGOUWE, Iselgau of Islegou, di.: Landstreek aan den IJsel, voorm. graafs. in Friesland, op den regter oever van den IJssel.

Dit graags. strekte zich, volgens sommigen, met nog twee andere, uit van het Vlie tot aan de Lauwers, terwijl een vierde zich tot aan de Eems zou uitgestrekt hebben. Godevaart met den Bult, Hertog van Lotharingen of Braband, heeft het, te gelijk met Holland, vier jaren bezeten, van welk land Egbert, Markgraaf van Saksen, zich, nadat Godevaart om het leven was gebragt, meester gemaakt en het ook tegen Diederik V, die daar iets van in bezit hield, van den Keizer zijnen bloedverwant verkregen heeft. Deze zou daar nog meer bij gedaan hebben, indien Egbert getrouw gebleven ware, en door zijne wederspannigheid niet verdiend had, dat hij voor de tweede maal gebannen werd; want al, wat deze Egbert, tijdens zijne verbanning, in Friesland, ten W. van de Lauwers, bezat, heeft Keizer Hendrik IV, bij zijne giftbrieven, overgedragen aan de kerk van Utrecht en wel: den 7 Februarij 1086, Oostergoo en Westergoo, benevens de Hofstede-van Thuringen, en twee maanden daarna, den 3 April, het graafs. Isselgouwe. Anderen willen, dat dit graafs. was gelegen aan de benedenkil of de uitwatering van de IJssel, of, dat dit het graafs. Staveren zelve geweest zij, hetwelk de Keizer, dadelijk na de eerste verbanning van Egbert, met wien hij naderhand weder verzoend is, op den rijksdag te Worms, gehouden in 1077, aan den Bisschop toegewezen had. Hetgeen derhalve in dezen eersten brief het graafs. Staveren werd genoemd, zoude in den laatsten zijn uitgedrukt door de benaming van het graafs. van Isselgouw; want, zeggen zij, men vindt nergens het minste blijk, dat Egbert iets buiten den omtrek van deze landstreek bezeten heeft, en het verdragschrift tusschen de Bisschop Diederik II en Lodewijk, gemaal van Ada, Gravin van Holland, gemaakt in het jaar 1204, toont uitdrukkelijk, dat die van Holland en die van Utrecht langen tijd even veel regt uitgeoefend hebben over dit graafs. Oostergoo, Westergoo en Staveren, en dat zij met elkander daarover hebben getwist. Ons komt het echter, met Dumbar, waarschijnlijker voor, dat men door dat Islagouw moet verstaan Salland (dus bij verkorting genoemd IJssalland), naardien uit de schriften van Heda bekend is, dat reeds in het jaar 1042 Vollenhoven, en nog een ander gedeelte van Overijssel in het jaar 1046 aan het Utrechtsche bisdom waren geschonken, en onderscheidene deelen, inzonderheid van Twenthe, als: het graafs. Goor, de steden Enschede, Diepenheim enz., eerst langen tijd daarna onder het wereldlijk gezag der Utrechtsche Bisschoppen zijn geraakt en er ook geen andere brief van de overgave van Salland aan de Utrechtsche Bisschoppen bekend is.

ISSELGOUWE, voorm. graafs. in Friesland. Zie Islagouwe.

JETTE (DE), vaarwater in het N. van de Zuiderzee. Zie Jetting.

JETTING (DE NIEUWE-), dat gedeelte van het vaarwater de Jetting, in het N. van de Zuiderzee, hetwelk, ten W. van den Grinderwaard uit den Vliestroom voortkomende, met eene zuidoostelijke strekking in de Oude-Jetting uitloopt.

JETTING (DE OUDE-), dat gedeelte van het vaarwater de Jetting, in het N. van de Zuiderzee, hetwelk, uit de Nieuwe Jetting voortkomende, tusschen den Grindwaard en met eene zuidoostelijke strekking naar de Reepel loopt.

KLIF (HET) of het Roode-Klif, diluvische heuvel op de kust van de prov. Friesland, bestaande in roodachtig zand met gerolde steenen, een klein uur of 4640 ell. Z. van den toren van Stavoren, ten N. O. onmiddellijk aan de Zuiderzee.

Het is, volgens oude Schrijvers, nog een aandenken, aan de lusthoven en bosschen, die de Friesche vorsten en Edelen, oudtijds daar ter plaatse gehad hebben, die ook verhalen, dat dit Klif, in zeer oude tijden, drie dagen lang, vuur, bij wijze van eene vlam, heeft opgegeven, waarna het eenen verschrikkelijken grooten draak uitwierp, welke, na, omtrent een half uur tijds, den bewoners van Stavoren eenen geweldigen schrik op den hals gehaald hebben, weder van zelve terug keerde, van waar hij gekomen was. Ruim 40 jaar later zoude dit vuur zich uit eenen put bij het Klif weder vertoond hebben en acht dagen lang gebrand hebben, en eindelijk vr den aanvang der eeuw, ten derde male, en elf dagen gebrand hebben, waarom de Heidensche Friezen den afgod Stavo, door hunne Priesters, raadpleegden, die hun ten antwoord gaf, dat men drie kruiken uit de Noordzee moest halen en die door de gewapende hand eens Ridders in de vlam doen storten, waarna, zoo men leest, het vuurbranden geheel ophield; ook zoude men, tot het bedaren dezer vlam, kinderen in de opening hebben geofferd. Men beschouwt natuurlijk deze verhalen als fabelen, doch zijn er eenigen van meening, dat hier welligt door aardbevingen, welke soms hevige stormen vergezellen, voor eenen korten tijd, een vuurspuwende berg was geweest, in welke gedachten men bevestigd werd, doordien men nu en dan, zoo men meende, brokken, die naar lava geleken, daarin gevonden heeft; anderen spreken het aanwezen van lava stellig tegen. Men wil dat deze uitbarstingen in de jaren na J. C. 5, 130 en 280 hebben plaats gehad.

De hoogste punt van dezen heuvel ligt 11 ell. boven volzee, en het bouwbare gedeelte heeft eene oppervlakte van bijna 10 bund., doch met den steilen oever en het strand ten minste 30 bund. Het hoogere gedeelte spoelt nog bestendig af, zoodat men, in 1825, den weg verder binnenwaarts heeft moeten leggen. Van den top en het nabij gelegen Scharl heeft men een fraai uitzicht op de Zuiderzee en den toren van Enkhuizen.

KOLK (DE) , voorm. vaarwater in de Zuiderzee, dat ten zuidoosten langs de Hors, zijnde de zuidwestelijke punt van het eiland Vlieland heenliep, doch thans niet meer onder dien naam bekend is.

KORNELSDIEP, vaart, prov. Friesland, kw. Oostergoo. Zie Casper-Roblesdiep.

KRAAKEZAND, plaat in het Noorden van de Zuiderzee, ten Zuiden van den oostelijke punt van Vlieland, tusschen de Roodetonsplaat en de Rosbank.

KREILERBOSCH, voorm. bosch in Friesland, tusschen Stavoren, Enkhuizen en Texel, oudtijds het toen Oostelijke Friesland van het toen Westelijke Friesland, later Noord-Holland, afscheidende.

Men wil, dat zich aldaar veel beeren, wolven, herten en reeen ophielden, waarom de Graven van Holland zich er gaarne met de jagt verlustigden. Vermits echter het Friesche geslacht Galama vermeende het regt van jagt aldaar te hebben, ontstond daaruit eene twist, tusschen Floris II en Gale Iges Galama.

Dit bosch is, in den watervloed van het jaar 1173, door de Zuiderzee ingezwolgen. Ter plaatse, waar het moet hebben gestaan hebben, vindt men thans eene zandbank.

KUINDER (DE) , in het Friesch De Tjonger en in het latijn Cunera Fluvius geheeten, riv., prov. Friesland, die uit de hooge veenen op de grenzen der prov. Drenthe, nabij het d. Haule, in de griet. Stellingwerf-Oosteinde ontspringt, en niet ver van haren oorsprong de gemelde grietenij, als ook Stellingwerf-Westeinde, afscheidt van de twee noordelijk grietenijen Opsterland en Schoterland. In het Noordwesten en Westen van Oosterwolde vloeijen en nog twee riviertjes of beekjes in, Het Groot Diep en het Klein Diep genaamd, die beide voortkomen uit de lage landen van Appelsche, alwaar het water, van de hooge veenen afloopende, vergaderd wordt. Na door het ontvangen van den vloed dezer twee beekjes aanzienlijk geworden te zijn, loopt de Kuinder, in tallooze kronkelingen, doorgaans Zuidwest aan, tot aan de of Staten-zeedijk genaamd, alwaar zij door de zoogenaamde Slijkenburger- of Schoterzijl, in 1708 daargesteld, door eene keersluis wordt afgesloten; terwijl zij van daar den naam ontvangt van Kromme-Linde, en thans door een nieuw, in 1842 en 1843 gegraven, kanaal, achter het vlek de Kuinre in de haven valt en zoo in zee uitloopt; terwijl zij ook nog hare uitwateringen heeftv door een ander, in het jaar 1834 nieuw gegraven kanaal, de Worstsloot genaamd, beginnende van de Schoter- Slijkenburgerzijl af, en loopende van daar door de zoogenaamde onlanden, scheidende Friesland en Overijsel tot in de Zuiderzee.

KUINRE of land-van-de-Kuinder, voorm. graafs. In de tegenwoordige prov. Friesland en Overijssel, dat zijne bijzondere Graven had, doch welks grenzen, men niet meer juist weet op te geven; alleen weet men, dat het vr den watervloed van 1170, eene aanmerkelijke uitgestrektheid moet gehad hebben, zijnde het buiten twijfel, dat de tegenwoordige eilanden Urk, Ens, Emmeloord en andere plaatsen, nu door de Zuiderzee overspoeld, daartoe behoorden en er aangehecht waren. De graven van Kuinre hadden eene uitgestrekte magt: zelfs zij het regt verkregen om gouden en zilveren munt te slaan, maar hun eerste afkomst vindt men bij de Schrijvers niet vermeld (1)

In het jaar 1187 leefde zekere Hendrik Kraanvogel, Graaf van Kuinre, die uit zijn kasteel, aan de Zuiderzee gelegen, gedurige invallen en strooperijen in Friesland deed. Maar de Friesche Graaf Willem, deed eene sterkte opwerpen bij Oosterzee, niet verre van Kuinre, om Graaf Hendrik te beteugelen. Dit gaf aanleiding tot herhaalde hevige gevechten, tot dat in het jaar 1195, het slot van Kuinre ingenomen en tot op den grond toe geslecht werd, waarop Graaf Hendrik zijn land moest verlaten en naar Holland de vlugt nemen. Later hebben de Graven van Kuinre tegen Bodewijn van Holland, den negen en twintigsten Bisschop van Utrecht, oorlog gevoerd, doch tot hunne groote schade, want in zeker gevecht, vijf honderd mannen verloren hebbende, zijn zij daardoor verpligt geworden zich aan den overwinnaar over te geven. Het land, onder de Graven van Kuinre behoorende, kwam daardoor, bij het uitsterven of gebrek van het mannelijk oir, aan het bisdom van Utrecht.

De Heer van Kuinre, een bondgenoot van den Heer van Voerst, behoorde in het jaar 1363 onder de zeeroovers, en hoewel de Bisschop, bij een verbond in 1352 gesloten, aan de kooplieden der steden bescherming had beloofd, ingeval zij op de kusten van Vollenhove schipbreuk mogten lijden, kon hij hun voor plundering op zee niet beveiligen.

De laatste graaf Herman, alhoewel twee zonen hebbende, de een Herman en de andere Diederik van Kuinre genoemd, werd, in den jare 1388 of 1397, genoodzaakt, zijn graafschap voor 5250 oude schilden (7350 guld.), te verkoopen, aan Frederik van Blankenheim, den een en vijftigsten Bisschop van Utrecht, die hem gedreigd had, met de wapenen te zullen aanvallen, onder voorwendsel van gepleegde kwade handelingen, aan eigene onderdanen, die deswege, bij den Bisschop, tegen hem zware klagten hadden ingebragt. Het verdrag werd, tusschen den Bisschop en den genoemde Graaf, onder de bemiddeling der Staten van Overijssel, eerst derwijze getroffen,

 

Zie verder pag. 686

 

(1) Omtrent de Heeren of Graven van Kuinre en de te Kuinre in de veertiende eeuw geslagen munten, heeft de Heer Verachter van Antwerpen, twee belangrijke verslagen medegedeeld, in zijne Documens pour servir histoir montaire des Pays-Bas, No. 1 en 2 (1840), met vijf afbeeldingen van munten.

LAUWERS (DE OUDE-), digt geslijkt en verstopt zeegat, ten O. Schiermonnikoog en ten W. Limenszand.

Men wil dat de Lauwers, tot aan de vijftiende eeuw, bewesten het eiland Schiermonnikoog geloopen heeft, alwaar men thans het Friesche-gat vindt.

LAUWERS, in het Latijn Laubacrus of Laubacue, en wel meest Lavica genoemd, en ten tijde van Karel den Groote, naar het schijnt, Laubach of Laubeke geheeten riv., welke van ouds zeer vermaard was, doch tegenwoordig op vele plaatsen niets meer dan eene sloot is. Vroeger ontsprong zij uit de hooge veenen, tusschen de Friesche griet. Smallingerland en het Westerkwartier, prov. Friesland, en vormde de grensscheiding tusschen de prov. Friesland en Groningen; thans echter nu de hooge veenen aldaar zijn afgegraven, neemt zij haar begin in Achtkarspelen, en vloeit noordwaarts af, voorbij Stroobos, Visvliet, Pieterzijl en Munnekezijl, door welke sluis zij zich in de Lauwerzee ontlast, hebbende vroeger meer noordwestwaarts gelegen; doch de oude monding is digt gespoeld, en door steenen palen als grensscheiding der provincin, ten Z. van het Lauwersstrand, nog alleen kenbaar.

LAUWERZEE (DE), golf van de Noordzee, tusschen de prov. Friesland en Groningen, waarin de Ee, met het Dockumer-diep, de Zuider-Ee, de Lauwers en de Hunze zich uitstorten.

In 803 ontstond deze voor een groot deel, en werd, zoo men wil, zeker Ezonstad, eene belangrijke plaats, zeer geteisterd. In Januarij 1222, bij eenen hevigen vloed, kreeg de Lauwerzee eenen groote omvang en zou Ezonstad geheel verzwolgen zijn en daarbij meer dan 500 menschen zijn omgekomen.

LEPPA, dus noemde men voorheen die landstreek in de prov. Friesland, welke uit de vier griet. Leeuwarderadeel, Tietjerksteradeel, Smallingerland en Idaarderadeel bestaat.

Deze vier grietenijen stonden, bij akte van 1 Augustus 1482, de Lioedsmeersdam of Bergumerdam aan het Bergklooster te Bergum af.

Zij beslaan thans, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 44,622 bund. 99 v. r. 97 v .ell., waaronder 37,290 bund 66 v. r. 58 v. ell. belastbaar land. Men telt er 8056 h., bewoond door 9829 huisgez., uitmakende eene bevolking van 48,740 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt.

LEPPEDIJK of Leppadijk, binnendijk, prov. Friesland, Deze dijk neemt een begin omtrent Boornbergum, tusschen de griet. Opsterland en Smallingerland, loopt van daar westwaarts, en kromt zich vervolgens zuidelijk naar den stroom de Boorn; dus in Utingeradeel komende, loopt hij langs dien stroom naar Oldeboorn, Nes, Nesterzijl, voorbij Akkrum, Dykhuisterzyl, Hottingazyl, Molenzyl en Irnsumerzyl, ten Westen in Idaarderadeel, waar hij eindigt. Eene voortzetting daarvan is een dijk, onder den naam van Hem- of Groendijk, welke langs de Wetering door Rauwerderhem voortschiet tot in Wymbritseradeel en Wonseradeel. Zie Hemdijk.

Deze dijk is op sommige tijden van zeer veel nut en wel inzonderheid om Oostergoo voor het opzetten van het zuider binnenwater te beveiligen.

LEYSTERZIJL, voorm. zijl of sluis, prov. Friesland, kw. Oostergoo, op de grensscheiding van de griet. Leeuwarderadeel, Ferwerderadeel en het Bildt, in de b. de Leye.

Deze zijl, van welke de bodem nog in de daar thans liggende brug gevonden wordt, was, vr de opslijking van het Bildt, eene zeesluis, door welke de Finkumer- en Hyummer-vaarten zich in de Middelzee stortten. Toen deze zeeboezem verlandde, werd zij eene binnensluis van Oostergoo, hoewel Westergoo en bijzonder het Bildt begeerde, door deze luis zijn water te loozen, toen de oude en daarna de nieuwe Bildtzijlen opgestopt geraakten. Het water liep daardoor oostwaarts naar Hyum en Finkum, welke dorpen, ten opzigte van sommige lagere landstreken, daardoor eenigen last lijdende, deswege schijnen geklaagd te hebben, met verzoek, dat de zijl mogt opgenomen en gedempt worden, waarop zij, in Maart 1652, het dijkskollegie gemagtigd hebben, na behoorlijke kennisgeving en bevinding van zaken, dien aangaande zoodanige schikkingen te maken, als tot meeste dienst van het land en der belanghebbende ingezetenen zouden bevonden worden te behooren, welke lastgeving daarna nog eens, en wel op den 26 february 1653, vernieuwd werd. Deze schijnt echter van geen ander gevolg geweest te zijn, dan dat er bevolen werd, dat de gezegde waterlozing, ten dienste der Bildtbewoners, moest openblijven, dienende tevens, zoo als gezegd is, voor hen tot eene algemeene vaart naar Leeuwarden, niet alleen voor de drie parochien, welker vaarten derwaarts schieten, maar ook voor het Nieuwe-Bildt en de laatst ingedijkte Bildtpollen.

LINDE (DE), riv., prov. Friesland, kw. Zevenwouden. Zij begint haren loop omtrent Tronde, een buurt van Elslo, in Stellingwerf-Oosteinde, en loopt van daar langs de voormalige schans Bekhof, nabij het dorp Oldeberkoop, doch is daaromtrent veeltijds droog; maar omtrent het dorp Nijeholtpade ontvangt zij een weinig meer water, loopt beneden tot aan het Vallaat, omtrent Oldeholtpade, waardoor zij boven water geschut en opgehouden wordt; voorts loopt zij van daar, altijd in een zuidwestelijke rigting door Stellingwerf-Westeinde, voorbij de Blesse, van waar zij verder afstroomende, tot aan Slijkenburg de grensscheiding maakt tusschen de provincin Friesland en Overijssel. Zij vereenigt zich daar met de Tjonger of den Kuinderstroom en loopt alzoo naar de Zuiderzee.

In het jaar 1836 had men in Overijssel het plan gevormd, om deze riv., bij de Kuinre, door eene sluis af te sluiten, waarover de Gedeputeerden van dat gewest met die van Friesland in briefwisseling kwamen, doch uithoofde de Lindedijk, in deze laatste provincie, in zoodanig eenen goeden staat gebragt was, dat die geacht mogt worden die prov. Tegen alle gevaar te kunnen beveiligen, maakten de Staten van Friesland zwarigheid, om tot de kosten dier afsluiting bij te dragen, waardoor dan dat werk toen is blijven steken; doch in 1844 is deze afsluiting ten uitvoer gebragt door het leggen van eene keerwaaijersluis, afgesloten wordende op eenen waterstand van 1 ell. 2 palm. boven dagelijks water, als wanneer de scheepvaart gestremd is.

LINDEDIJK, dijk, prov. Friesland, zich in eene zuidwestelijke rigting van den Blesdijk tot aan het vlek Kuinre uitstrekkende.

Bij den watervloed van Februarij 1825 werd deze dijk, langs zijne geheele uitgestrektheid, doch bijzonder van Slijkenburg tot aan het Oude Veer bij de Trynstersloot, allerdeerlijkst geteisterd en waren daarin ontelbare gaten geslagen. Achter de dorpen Nije- en Oldetryne had hij voornamelijk te lijden, doordien de vloed aldaar acht palmen hoog boven de kruin was overgestort en de kruin zelve overal tot eene el diepte had afgeworpen. In den ouden Slaperdijk kwam er daarna eene kapitale doorbraak onder Oldetryne, welke den toestand der naastbijgelegen boerenplaatsen zeer hagchelijk maakte en waardoor een groote toevloed van water naar Sonnega en Wolvega stroomde. Geen huis of woning bleef onbeschadigd; benevens een aantal vee is er eene aanzienlijke hoeveelheid eikenhout, uit Noordwolde aangebragt, verloren gegaan. Ook bezweek deze dijk regt tegen over het Noordeinde van Kuinre. Door deze zware dijkbreuk, stroomde het water met een groot geweld naar binnen; het viel daardoor sterk, vr of ten Oosten der plaats, tusschen deze en den dijk; zoodat het vervolgens met een verval van eene el, van het Westen naar het Oosten dwars door de huizen stroomde. Deze geweldige stroom rigtte de schroomelijkste verwoestingen aan.

MAMERMANIS, voorm. haven van Friesland, welke door Ptolemeus wordt opgegeven als gelegen midden tusschen den mond van den Vidrus, dat is de Vecht, en den westelijken mond van den Eems. Deze haven nu of inham, genaamd Mamarmanis, wordt bij Ptolemeus gesteld afgelegen te zijn van de Vecht of nu het Vlie 12 uren gaans.

Naar de stelling nu van Ptolemeus komt men uit de Noordzee in de Mamarmaansche haven, door het gat, hetwelk is tusschen Ameland en tusschen het eiland, dat daar oostwaarts naast ligt, later naar de Graauwe Monniken, in de Friesche taal Schiermonnikoog genoemd, welk gat, van de zeevarende lieden, gemeenlijk het Friesche gat genoemd wordt.

Wat de haven zelf belangt, die is een inham van de Noordzee, weleer van groote uitgestrektheid en naderhand bekend onder den naam van Middelzee of het Boorndiep, welke twee uitgangen schijnt gehad te hebben, een oostelijk over de Groningerlandsche-wadden (Mare Vadosum), naar den mond der Eems, en een ander westelijk, zich met de Lauwers tusschen Ameland en Schiermonnikoog uitstortende in de Noordzee. De naam Mamarmanis is waarschijnlijk Maharm (gelijk ook oude schrijvers het hebben), en beteekent dan meer-arm (brachium maris); waarschijnlijk staat hij in verband met den naam van Marne, eene landstreek in Wonseradeel en ook in Hunsingo (1).

 

(1) Over dezen ouden inham der Noordzee, zijne ligging, namen, en wat dies meer is, verwijzen wij naar Dr. J. G. Ottema, Verhand. Over den loop der rivieren door het land der Friezen en Bavieren, in het Romeinsche tijdperk; uitgegeven in het 4e deel 2e stuk van den Vrije Fries, Mengelingen van het Frisch genootschap, Leeuwarden 1845, bl. 26, waar de opgave van Ptolemeus wordt opgegeven en uitgelegd. Wij vestigen tevens de aandacht der Oudheidkundigen op den belangrijken inhoud van deze uitmuntende Verhandeling, alsmede op die: Over het Ontstaan der Zuiderzee, daarbij gevoegd.

MANARMANIS, voorm. haven van Friesland, welke door Ptolemaeus wordt opgegeven als gelegen midden tusschen den mond van de Eems. Deze haven nu of inham, genaamd Manarmanis, wordt bij Ptolemaeus gesteld afgelegen te zijn van de Vecht of nu het Vlie 12 uren gaans.

Naar de stelling van Ptolemaeus komt men uit de Noordzee in de Manarmaansche haven, door het gat, hetwelk is tusschen Ameland, en tusschen het eiland, dat daar oostwaarts naast ligt, later naar de Graauwe Monniken, in de Friesche taal Schiermonnikoog genoemd, welk gat, van de zeevarende lieden, gemeenlijk het Friesche gat genoemd wordt.

Wat de haven zelf belangt, die is een inham van de Noordzee, weleer van groote uitgestrektheid en anderhand bekend onder den naam van Middelzee of het Boorndiep, welke twee uitgangen schijnt gehad te hebben, een oostelijk over de Groningerlandsche-wadden (mare Vadosum), naar den mond der Eems, en de ander westelijk, zich met de Lauwers tusschen Ameland en Schiermonnikoog uitstortende in de Noordzee. De naam Manarmanis is waarschijnlijk Mararn (gelijk ?? schrijvers het hebben), en beteekent dan meer-arm (brachium maris); waarschijnlijk staat hij in verband met den naam van Marne, eene landstreek in Wonseradeel en ook in Hunsingo (1).

(1) Over dezen ouden inham der Noordzee, zijne ligging, ??, en wat dies meer is, verwijzen wij naar Dr. J. G. Ottema, Verhand. Over den loop der rivieren door het land der Friezen en Batavieren, in het Romeinsche tijdperk; uitgegeven in het 4e deel 2e stuk van den Vrije Vries, Mengelingen van het Friesch Genootschap, Leeuwarden 1843, bl. ??, waar de opgave van Ptolemaeus wordt opgegeven en uitgelegd. Wij vestigen tevens de aandacht der Oudheidkundigen op den belangrijken inhoud en uitmuntende Verhandeling, alsmede op die: Over het Ontstaan der Zuiderzee, daarbij gevoegd.

MARE-VADOSUM, naam, dien de Romeinen gaven aan de Wadden, ten N. van de prov. Groningen. Zie Wadden (De).

MARNE (DE) of de Marn, oudtijds Marna, landschap in Hunsingo, prov. Groningen, grenzende N. aan de Wadden, O. aan het halfambt, met eene scheidingslijn, welke ten N. haar begin neemt bij den Wierhuister-dijk, en bij de Vettehorn in het Broekstermaar valt, loopende vervolgens voorbij den Hoorn langs het Abtendiep naar Abelstok, verder noordwaarts om Mensingeweer langs den Snaphaanstogt tot nabij Maarhuizen, en nu zuidwaarts met eenige slingeringen door het Wildeveld, tusschen de Schouwer- en Schaphalsterzijl in het Reitdiep; voorts grenst het Z. en Z. W. aan de Hunse, W. aan de Lauwerzee.

De Marne was oudtijds een zelfstandig graafschap en afgezonderd van de drie andere graafschappen van Hunsingo, naar uitwijzing der keizerlijke brieven van 970 en 1134. De geleerde Burgemeester Menso Alting stelt wijders op goede gronden, dat in deze streek, als gelegen aan dien zeeboezem, welke door den afloop der Lauwers en Hunse gevormd werd, geweest zij die zeehaven, welke genoemd werd Marnamanshaven, en door Ptolemaeus opgegeven wordt onder den naam van Manarmanis, doch waardoor moet gelezen worden Marnamania (1).

Dit landschap bevat de volgende 13 d., als: Mensingeweer, Maarslagt, Warfhuizen, Zuurdijk, Vliedorp, Niekerk, de Zoltkamp, Vierhuizen, Ulrum, Hornhuizen, Kloosterburen, Leens en Wehe, en maakt alzoo de gem. Leens, Ulrum en Kloosterburen uit. men telt er 1187 h., bewoond wordende door 1336 huisgez., uitmakende eene bevolking van 7600 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. De grond is over het geheel eene vruchtbare klei en het land vrij hoog.

De Herv., die er 5500 in getal zijn, onder welke 430 Ledematen, maken de volgende 8 gem. uit, als: Hornhuizen-en-Kloosterburen, Mensingeweer-en-Maarslagt, warfhuizen, Wehe-en-Zuurdijk, Leens, Ulrum, Niekerk-en-Vliedorp, Vierhuizen-en-Zoltkamp.

De Doopsgez., die er wonen, behooren tot de gem. van Mensingeweer-Obergum-Rasquert-en-den-Hoorn. - De Evang. Luth., die men er aantreft, worden tot de gem. van Groningen gerekend.

De R. K., van welke men er 940 telt, behooren tot de stat. van den hoorn en van Kloosterburen. - In de eerste Roomsche tijden stond de Marne onder eenen Deken of Proost, die te Leens woonde; naderhand had men er eenen bisschoppelijken Commissaris.

De 26 Isr., die er gevonden worden, rekent men tot de ringsynagoge van Groningen.

De Marne had vroeger hare eigene uitwateringen door twee sluizen of zijlen, de Schouwerzijl en de Houwerzijl; doch thans alleen door de Schouwerzijl, alsmede door eene steenen duikerpomp te Zoltkamp; de Houwerzijl, is reeds in het begin der vorige eeuw onbruikbaar geworden en toegedamd.

In het jaar 1505 werd dit lands. door de Groningers deerlijk met branden en plundering afgeloopen. Een dergelijk lot onderging de Marne door de Friezen, in het jaar 1584.

Het zegel van dit landschap, nog hangende aan een vonnis van den Regter van de Marne van 1375, vertoont een beeld in eene zittende houding met een vaandel in de linkerhand.

(1). Alting, Notit. German. Inferior, Y I p. 90

MEUKER (DE), vaarwater ten N. van de Friesche kust, N. W. van de Lauwerzee, hetwelk de Engelmansplaat van het Peazumer- en het Wierumer-wad scheidt.

In dit vaarwater ligt in de zomermaanden een recherche-vaartuig, tot de in- en uitklaring van schepen, alsmede eene menigte vischschuiten van de Peazumer en de Wierumer visschers.

MIDDELZEE (DE), ook wel het Boerdiep geheeten, voorm. zeeboezem, prov. Friesland.

Deze zeeboezem scheidde de prov. Friesland, in twee bijna gelijke deelen, in Oostergoo en Westergoo. Zijne lengte was oorspronkelijk van tusschen Ameland en Terschelling tot Sneek, en zijne breedte van Bolsward tot Irnsum, van Oosterwierum tot Rauwerd, van Marssum tot Leeuwarden, van Minnertsga tot Hallum. Toen in de dertiende eeuw de landen tusschen Friesland en Noord-Holland door de Noordzee werden verzwolgen, en de Zuiderzee hare tegenwoordige uitgestrektheid bekwam, verlandde de Middelzee gelijktijdig zoodanig, dat zij binnen een tijdsverloop van omstreeks twee eeuwen opgeslijkt en in voortreffelijke bouw- en weilanden was herschapen. Behalve de geheele grietenij het Bildt, die uit haren mond, als het ware, is opgerezen, bevatte zij dus een groot deel der Grietenijen Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Baarderadeel, alsmede geheel Rauwerderhem en Wijmbritseradeel binnendijks in haren boezem, gelijk de sporen harer aloude zeeweringen ons blijkbaar aantoonen. In het midden, tusschen Leeuwarden en Marssum, had zij de breedte van een uur gaans, en stroomde, met eene kromming naar het zuiden en westen, tot bijna aan de Oude-Schouw, Sneek en Bolsward toe. Alle de wateren, welke zij door takken van den Rijn, den IJssel en de Boorn ontving, stortte zij, met eenen zeer breeden mond, tusschen Ameland en Terschelling, in de Noordzee.

Deze geheele zeeboezem nu is van tijd tot tijd door de slib van de Noordzee en van de ingezwolgene westelijke landen opgeslijkt en in vruchtbaar land herschapen, zoodat de geheele, thans zoo rijke grietenij het Bildt, benevens al de landen, welke nu nog Nieuwlanden heeten, als uit zee opgerezen zijn (1).

(1) Men zie verder over dezen zeeboezem P. Blouwer, W. Eekhoff, W. van Peyna, Nasporingen, betrekkelijk de Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland Leeuwarden 1834.

MUIZERYD (DE) , de Muyzeried, de Muytseryd, de Muysseryd of de Muytsseried, water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, dat in de griet. Tietjerksteradeel, uit de Groote-Wielen zijnen oorsprong neemt, met eene oostelijke rigting langs Rijperkerk stroomt, 1/2 u. O. van dit dorp eerst eene noordelijke en vervolgens weder eene oostelijke strekking aanneemt, om zich in de griet. Dantumadeel, in de Monnikensloot te ontlasten.

MUNNIKEWIEL (HET) , water, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, op de grenzen van Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde; 1/2 u. W. van Harich. Het heeft door den Ryn gemeenschap met den WijdeRijn.

NIEUWE-WETERING (DE), water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, hetwelk, uit de Oude-Wetering voortkomende, in eene zuid-westelijke strekking, tusschen de grietenijen Rauwerderhem en Utingeradeel doorloopt, en zich in het Sneekermeer ontlast.

NIEUWE-ZEEGAT_IN-DE-BUITEN-NOORDER-GRONDEN (HET), zeegat ten N. van de Zuiderzee, tusschen de eil. Vlieland en Terschelling. Zie Thomas-Smits-Gat.

NIEUWLAND (HET), naam, welken men in de prov. Friesland, geeft aan dat gedeelte van de kw. Oostergoo en Westergoo, hetwelk vroeger de Middelzee uitmaakte, en thans uit aangeslijkte landen bestaat. Daartoe behoort de geheele griet. het Bildt, benevens een groot gedeelte van de griet. Menaldumadeel, Leeuwarderadeel, Baarderadeel, Rauwerderhem, Wijmbritseradeel enz.

NIEUWLAND (HET), waardgronden in de Zuiderzee, Z. O. van Wieringen. Er bestaat plan om die in te dijken.

NIJHUISTER-EE (DE) of de Nieuwhuister-Ee, meertje, prov. Friesland, kw. Westergoo, gedeeltelijk griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noorwolde, gedeeltelijk griet. Wonseradeel, op de grenzen van Wymbritseradeel, W. van Nijhuizum, Z. van Hieslum.

Het staat door de Nijhuister-sloot met de Grons, en voorts met de Vlakke-brekken, de Klin en de Lange-Vliet in verbinding.

NOORDER-GAT (HET) of het Nieuwe-Gat, vaarwater, ten N. van de Zuiderzee, tusschen de Hors van Texel ten eenre, de Noorderhaaks, de Onrust en de Oostpunt der Laan, ten andere zijde, en loopende uit het Marsdiep in de Noordzee.

Het is zeer droog en met vele ruggen, meest steil, en alleen in nood voor kleine vaartuigen raadzaam te bevaren. Het heeft eene diepte van 38 tot 129 palmen.

NOORDER-GAT (HET) of het Nieuwe-Gat, vaawater, ten N. van de Zuiderzee, tusschen de Hors van Texel ten eenre, de Noorderhaaks, de Onrust en de Oostpunt der Laan, te andere zijde, en loopende uit het Marsdiep in de Noordzee.

Het is zeer droog en met vele ruggen, meest steil, en alleen in nood voor kleine vaartuigen raadzaam te bevaren. Het heeft eene diepte van 38 tot 129 palm.

NOORDOOST-ZEEGAT, ook genaamd Tonne-gat of Bruinvisch-Gat, zeegat ten noorden van de Zuiderzee, N. W. van Ameland.

Dit zeegat is betond met twee tonnen, als: eene roode of buitenton, in de peiling: de toren van Hollum ten Zuiden en de toren van Nes, op Ameland, Z. O. 1/4 Z. , op eene diepte van 75 palm. water. Eene witte ton, in de peiling: de toren van Hollum, Z. O. 1/2 O., merk: de toren van Hollum even bezuiden de kaap aldaar, op eene diepte van 52 palm. Water. In het zeegat op den drempel of over het Bornrif vindt men eene diepte van 36 palm., en de koersen zijn, van de roode of buitenton af, naar binnen, tot op het merk de Hollumer-kaap en toren in n Z. W., dan Z. ten W., tot men Hollum vrij van de duinen krijgt of in de diepte valt, als wanneer men Z. Z. O. naar de reede stuurt.

Om het Noordoost-gat, uit zee komende, aan te doen, en ter opzoeking of merk der roode buitenton, en mede tot geleimerk grootendeels door dit zeegat, zullen de kapen op de Bosch- of Noordoostpunt van Terschelling eene verplaatsing ondergaan, om ineen gebragt te worden.

NOORDZEE (DE), in het Fr. Mer du Nord, in het Lat. Mare Septentrionale, benaming van dat gedeelte van den Noord-Atlantischen-Oceaan, dan van het zuideinde der Noorweegsche-zee, op 60o N. B., tot aan de Hoofden, tusschen Groot-Brittanje en het vaste land begrepen is, en alzoo de Noord- en Westkusten van ons vaderland bespoelt, waarvan het dan ook zijnen naam, die van Nederlandschen oorsprong is, ontleend heeft. Zij plagt Duitsche-zee te heeten, en wordt van de Eems af tot aan Sleeswijk door Duitschland begrensd, maar van de Eems tot aan Duinkerken door Nederland, waarom het nog met meer regt den naam van Nederlanschen-zee zou kunnen voeren; maar even gepast zou de naam van Britsche-zee wezen, zoo men dien van Noordzee wraakte. De Denen noemen deze plas op Westzee.

Deze zee is aan vier zijden met andere zeen verbonden, namelijk: ten noordwesten tusschen de Schetlandsche-eilanden, de Orkadische-eilanden en de kust van Groot-Brittanje, met den Atlantische-Oceaan, ten noorden tusschen de Schetlandsche-eilanden en de Noorweegsche-kust met de Groenlandsche-zee, in eene breedte van 45 Duitsche mijlen. Ten O. loopt zij door het Kattegat in eene gemiddelde breedte van 15 Duitsche mijlen tusschen Noorwegen en Denemarken, en heeft door drie straten, de Sont, de Groote-belt en de Kleine-belt, gemeenschap met de Oostzee; terwijl zij ten Zuidwesten, tusschen de Britsche en Fransche kusten, in eene breedte van 4 1/2 mijl, door de hoofden en het kanaal weder met den Atlantischen Oceaan te zamen vloeit.

Zij heeft aan hare kusten onderscheidene boezems, onder welke die aan de kusten van Engeland, b. v. de baaijen van Murray, Tay en andere van weinig beteekenis zijn; merkwaardig daarentegen zijn de Zuiderzee, de Lauwerzee en den Dollart, allen binnen het gebied van het koninkrijk der Nederlanden (1), nog kleinere inhammen worden door de uitmonden der Eems, Wezer en Elbe gevormd.

De diepte van de Noordzee vermeerdert in het algemeen van het Zuiden naar het Noorden, en is tusschen de Schetlandsche eilanden en de kust van Noorwegen zoo groot, dat men met eene loodlijn van 80 vademen (136 Ned. ell.) lengte geen grond gepeild, en dit oord daarom den Trechter genoemd heeft. Op 59o 10' N. B. westwaarts van Karmoe had men met eene lijn van 150 vademen (255 Ned. ell.) nog geen grond. Van Calais tot aan den mond der Elbe bedraagt de diepte meest tusschen 12 en 15 vademen, en in de nabijheid der Oostkust van Groot-Brittanje, als ook nabij de westkust van het Jutlandsche schiereiland, nog iets minder. De kusten der Noordzee zijn, met uitzondering van de steile, gescheurde, rotsachtige kusten van Noorwegen, vlak, hier en daar tegen den aandrang der zee door de natuur met duinen, doch aan de noordelijke kust van Nederland tot aan de Elbe met dijken beschermd, welke met groote kosten door menschen handen zijn aangelegd en onderhouden worden. Langs de Nederlandsche, Duitsche en Deensche kusten liggen zandbanken, die met den vloed door de zee bedekt worden, doch met de ebbe gedeeltelijk bloot liggen. De voornaamste daarvan is de Doggersbank.

In de nabijheid der Nederlandsche en Duitsche kusten is de kleur van het Noordzeewater ligter; terwijl de temperatuur gemiddeld 7o Reamur bedraagt en het gehalte zout geringer is, dan verder noordwaarts van het land. Volgens een gedaan onderzoek bevonden zich in drie pond Noordzeewater een veertigste grein zout, gevolgelijk bijna eens zoo veel als in dat der Oostzee. Vloed en ebbe zijn in de Noordzee aanmerkelijk en veel sterker dan in de Middelandsche-zee. De rigting van den vloed is in de Noordzee dubbel, vermits hij vooreerst van het Kanaal en ten tweede van het Noorden afkomt. Ook houdt zij niet overal even lang aan, durende aan de kaai te Goedereede bijv. slechts 2 u. 9 min. en in de haven van Brielle 3 u. 18 min. Zij rijst bij Brouwershaven 2.512 Ned. ell. en in de haven te Brielle slechts 1.440 Ned. ell. enz. Menigvuldige banken, die er misschien vaak eene bewolkte lucht verwekken, maken er de vaart vrij onveilig. (2)

(1) Men zie verder de art. Zuiderzee, Lauwerzee en Dollart.

(2) Zie voorst Frid. Arends, Natuurk. Geschied. van de kusten der Noordzee, uit het Hoogd. vertaald en met voorrede en aant. voorzien door DR. R. Westerhoff, Gron. 1835, in drie Deelen.

OUDE-WEG (DE), water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, dat uit de Graft in de griet. Idaarderadeel voortkomt, en met eene oostelijke rigting in de Groene-Deken, griet. Tietjerksteradeel, uitloopt.

PINKEGAT, zeer diep, doch eng vaarwater, ten N. van de prov. Friesland, tusschen de eilanden Ameland en Schiermonnikoog, dat de oostelijke kust van Ameland bespoelt en door eene plaat, de Paardenmarkt genoemd, van de zoogenaamde Friesche-gat, dat meer oostwaarts ligt, gescheiden wordt. Dit zeegat heeft sedert eenigen tijd eene meer westelijke strekking bekomen.

PRINS-HENDRIK-CASIMIRS-BOLWERK, voorm. schans, prov. Friesland, kw. Westergoo, in het jaar 1672, ter versterking van Hindeloopen opgeworpen, doch in het jaar 1803 geheel geslecht, zoodat er thans niets meer van te zien is.

RINUSBURG, voorm. zeer sterke st. in Friesland, welke volgens het verhaal van Lambertus Schafnaburgensis, in het jaar 1048 door Keizer Hendrik III zoude ingenomen zijn. Sommigen meenen, dat zij zoude gelegen hebben, waar het tegenwoordige Rijnsburg, in Rijnland, prov. Zuid-Holland, ligt.

RUSSISCHE-ZEEGAT (HET) , vaarwater ten N. van de Zuiderzee, Z. W. van Texel.

Dit zeegat is door het verleggen van de Noordergronden, zoodanig vernaauwd en ondiep geworden, dat het doorvaren daarvan, in het jaar 1843, voor de scheepvaart gevaarlijk werd geacht, en de betonning diensvolgens, daaruit is opgenomen geworden.

RYN (DE), water, prov. Friesland, dat de grensscheiding uitmaakt tusschen de griet. Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde, kw. Westergoo, en Gaasterland, griet. Zevenwouden.

Het loopt is eene noordoostelijke strekking van Kolderwolde naar de Fokkesloot, is halverwege aanzienlijk veel breeder, wordt aldaar de Wijde Ryn genaamd en is benoorden het Swin, waarmede het in verbinding staat, droog.

SCHALKEDAM of Schalgendam, dam in de Lauwers, op de grenzen van de prov. Friesland, en Groningen, ter plaatse, waar de Oudevaart, komende uit het Kolonel-Roblesdiep, een weinig Z. W. van Gerkesklooster, en door dit dorp als Zijldiep vloeijende, in de bevaarbare Lauwers valt; 1 u. W. ten Z. van Grijpskerk, 20 min. Z. W. van Visvliet, 1/2 u. N. O. van Stroobos.

Men gaat daarover uit de prov. Groningen, gem. Grijpskerk, kerspel Visvliet, in de prov. Friesland, griet. Achtkarspelen, kerspel Gerkesklooster. Oude lieden heugt nog, dat hier, aan de Friesche zijde, een huisje gestaan heeft, waar men denkt, dat vroeger een burgt prijkte.

Door de vereeniging van de Oude-vaart met de Lauwers werd het hoogere deel van deze onbruikbaar en daarom afgedamd, zijnde een pomp nog toereikend, om het overtollige water in het nog bevaarbare deel te loozen.

SCHOLBALG (DE), plaats in de Lauwerszee, welke tusschen de prov. Friesland en Groningen, gedurende de zestiende eeuw, tot herhaalde twisten, over het regt van betonning, aanleiding heeft gegeven.

SJAARDASLOOT (DE), water, prov. Friesland, welke van de Sneeker-trekvaart, in eene zuidoostelijke rigting, tusschen Gauw, in Wymbritseradeel, en Sybrandaburen, in Rauwerderhem, naar den Hemdijk en het Sneeker-meer loopt, en aldaar de scheiding tusschen.

SLAGTEDIJK (DE), de Slachtedijk of de Slagdijk, toen het zeegat tusschen Vlieland en Ter-Schelling zich begon te verwijden, en Westergoo dus den meesten aanstoot van het zeewater had te lijden, vooral na dat de Middelzee door opstopping reeds een groot deel van hare kracht verloren had.

Hij begint aan den Vijfdeelen-of-Nieuwe-zeedijk 1/2 u. N. W. van Oosterbierum, en loopt van daar tusschen dat dorp en Sexbierum, door Barradeel, zuidwaarts aan naar de Ried, en van daar over de Getswerder-zijl, liggende op de scheiding van Barradeel en Franekeradeel, door laatstgemelde grietenij, naar Kiester-zijl en alzo over de trekvaart van Harlingen op Franeker, kronkelend, tot nabij de grensscheiding van Franekeradeel en Wonseradeel, een weinig ten Westen van het dorp Achlum. Hier verdeelt zich deze dijk in twee armen: de eene daarvan strekt zich ten Noorden, voorbij Achlum, naar Pay-zijl in den hoek van de Arumer-vaart; van daar oostelijk, naar Tolzumer-zijl, en voorts tusschen Kubaard en Waaxens, in Hennaarderadeel, naar Littenser-zijl over de Bolswarder-trekvaart; van daar wederom voorbij Hidaard, Lutkewierum en Bozum, in de grietenij Baarderadeel, loopende, vereenigt hij zich bij Dijkshorn met den ouden dijk der Middelzee, ten Zuidwesten van laatstgenoemd dorp, en loop van daar, ten Noorden van de Sneeker-trekvaart op Leeuwarden, tot op de hoogte van Krinzerarm of de Dille, onder Oosterwierum, (waar hij met eenen arm tot voorbij Rauwerd schiet en aan eenen der Hemdijken aansluit), verder voorbij Mantgum, Weidum, Beers en Jellum tot in Menaldumadeel; waar hij, Boxum, Blessum en Deinum voorbij schietende, over Ritsumazijl of de Trekvaart van Leeuwarden op Franeker, wat meer noordwaarts, voorbij Marssum en Englum, en verder westwaarts, onder den naam van Oude-Zeedijk, langs Beetgum en Berlikum loopt, totdat hij, na ook Wier en Minnertsga ter linkerhand gelaten en eene scheiding tusschen het Bildt en Barradeel gemaakt te hebben, zich bij Dijkshoek, en dus naauwelijks een uur gaans boven de plaats, waar hij zijn begin neemt, weder met den zeedijk vereenigt. De andere tak van den Slagtedijk loopt door Wonseradeel en scheidt die grietenij in twee deelen, Binnen- en Buitendijk genoemd. Vooreerst behoudt hij nog den naam van Slagtedijk, doch daarna neemt hij andere en ver vervolgens dien van Hemdijk aan. Zie Hemdijken (De). Het gedeelte van den zeedijk af tot in Rauwerderhem is in 1840 gemeten op 42.884 ell., doch sedert, door den aanleg van den straatweg in Rauwerderhem iets verkort.

SLAGTEDIJK (DE), of de Slagdijk, dijk, prov. Friesland, kw. Zevenwouden.

Deze dijk loopt door de griet. Utingeradeel, van den Leppedijk bij Oldeboorn, in eene noordoostelijke rigting, naar de grens van Smallingerland.

SLOOT (DE MONNIKE-), reede ten N. van de Zuiderzee, W. van den Vliestroom.

Deze reede was vroeger zeer geschikt voor zeeschepen, om er winterlage te houden; doch sedert ongeveer vijf en twintig jaren is zij reeds zoodanig verzand, dat er met moeite en wel alleen met half getij-vloed, of liever met hoog water, visschers vaartuigen kunnen binnen komen, doch voor groote schepen is zij onbruikbaar, en des noods wordt er in den winter, door de bekwaamheid der loodsen, wel een groot schip behouden. Zij ia aan de noord-zijde gedekt door het eiland Vlieland, en verder rondom door platen en droogten. Het is nog een overblijfsel van de door de konversen van Ludingakerk gegraven Monnikesloot. Zie dat woord.

SLOOTER-MEER (HET), meer, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, tusschen de griet. Wymbritseradeel, Doniawarstal en Gaasterland ingesloten, dat voor een gelijk gedeelte tot ieder der drie genoemde grietenijen behoort.

Op onderscheidene kanten heeft het gemeenschap met andere wateren, als: ten Noorden met het Heeger-meer, door de Focke-sloot; ten Zuiden door de Ee, die het stadje Slooten bespoelt, met de Zuiderzee, en ten Oosten met het Koevorder-meer, door de Writs, de Fokkegraf en de Welle.

De voornaamste plaatsen, die nabij de oevers liggen, zijn de stad Slooten, waarvan het meer zijn naam ontleend heef; het dorp Woudsend en het veen Balk. - Dit meer heeft omtrent twee en een halve mijl in omtrek.

SNEEKER-MEER (HET), meer, prov. Friesland, grootendeels kw. Zevenwouden, griet. Doniawarstal, hoewel het ook voor een klein gedeelte tot het kw. Oostergoo, griet. Rauwerderhem behoort, 1 u. O. van Sneek.

Waarschijnlijk heeft dit meer zijn naam ontleend van de stad Sneek, ofschoon het die stad niet bespoelt en daarmede alleen gemeenschap heeft door de Honke-sloot. Het heeft omtrent twee en eene halve mijl in den omtrek, en maakt door inhammen onderscheidene andere meren, van welke de Goingarijpster-poelen de voornaamste zijn.

Dit meer, beslaat eene oppervlakte van 446 bund. 47 v. r., als onder Doniawarstal, 423 bund. 47 v. r. 10 v. ell. en onder Rauwerderhem 22 bund. 99 v. r. 90 v. ell. Het heeft eene lengte van 1 1/2 en eene breedte van 1 u., en wordt bevaren door alle groote schepen, welke uit het binnenland of uit Groningen naar de zuidelijke havens stevenen. Zoo deze schepen de havens van Stavoren willen uitvaren, moeten zij buitendien nog twee groote meeren over steken, namelijk het Heegermeer, hetwelk bij het d. Heeg begint, en het daarmee verbondene Fljuesser-meer.

SNEEKERVAART (DE OUDE), vaart, prov. Friesland.

Deze vaart liep van Rauwerd, voorbij Poppingawier en gauw naar Sneek. In de vijftiende eeuw, toen deze vaart meer bestendig voor de scheepvaart tusschen Leeuwarden en Sneek gebruikt werd, lag daarin en in de Hemdijk, bij de buurt van Rauwerd, eene sluis of verlaat, welke door de kerk van dat dorp werd onderhouden. Op den landsdag van het jaar 1529 werd dit dorp echter door Oostergoo, zo veel last hen int generael anghaet, toegestaan, om die sluis te mogen dammen. Een bewijs, dat deze vaart toen vervallen en dat de gemeenschap met Sneek door een ander kanaal vervangen was. daar de tijd van het graven van de tegenwoordige Sneeker trekvaart geheel onbekend is, mogen wij dus hieruit opmaken en vooronderstellen, dat, niet lang na het graven (1507) van de vaart tusschen Leeuwarden en Franeker, die van Sneek, Wymbritseradeel, Baarderadeel en Rauwerderhem, van Sneek af tot aan Krinserarm of de Dille eene nieuwe vaart hebben doen graven, en verder, van het laatstgenoemde punt tot aan Schenkenschans de Swette-sloot beter bevaarbaar hebben gemaakt. Van toen af kon men de veel langere vaart over Rauwerd, Idaard en Warrega ontberen, en van hier welligt de magtiging van Oostergoo, dat zich bovendien voorzeker gaarne van het invloeijende water van Westergoo bevrijd zag. Blijkens processtukken in het archief van de stad Leeuwarden bewaard, kwamen de Sneekers, omstreeks het jaar 1560, hier tegen op, begeerende de herstelling van deze sluis en doorvaart. deze poging schijnt echter toen buiten gevolg gebleven te zijn, even als de latere (1).

(1) Zie W. Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, D. 1, bl. 49, welk belangrijk werk dezer dagen, door de uitgave van het tweede deel, kompleet is geworden.

SNEEKER-VAART (DE), vaart, prov. Friesland, welke te Schenkenschans, op de grenzen van Leeuwarderadeel, kw. Oostergoo, en Menaldumadeel, kw. Westergoo, uit de trekvaart van Leeuwarden op Franeker, een begin neemt, en in eene zuidwestelijke strekking over de Dille en Scharnegoutum, naar Sneek loopende, tevens gedeeltelijk de grensscheiding tusschen Oostergoo en Westergoo uitmaakt. Vr deze vaart bestond, voer men van Leeuwarden naar Sneek, door de Oude-Leeuwarder-vaart, welke van Warrega zuidwestwaarts, voorbij Idaard en Roordahuizum, naar Rauwerd strekte en voorts langs de Oude-Sneeker-vaart. Zie het volgend art.

SPANJAARDSGAT (HET NIEUWE-), ook wel enkel het Nieuwe-Gat genaamd, vaarwater ten N. van de Zuiderzee.

Het ligt benoorden het Marsdiep, met eene strekking in de Noordzee, langs de westzijde van Texel, tusschen eene zandplaat, genaamd Droog-Gors, kort voor het eiland en de Noorder-Haaks. Hier kan men met groote koopvaardijschepen uit en in, gelijk meest alle de schepen, naar het Noorden en Oosten moetende, vr het Noordhollandsche-kanaal gegraven was, dit zeegat uitliepen.

SPANJAARDSGAT (HET OUDE-) , voorm. vaarwater ten N. van de Zuiderzee, tusschen de Keizersplaat en de Noorder-Haaks.

Door dit gat bragt de Raadspensionaris Johan de Wit, 's lands vloot, in den jare 1665 in zee, hoewel men tot dien tijd zich verzekerd hield, dat het volstrekt onmogelijk was, om met zware schepen door dit gat in zee te loopen. Door deze onderneming, die toen zeer wel gelukte, heeft het gat sedert nog lang, in sommige kaarten van Holland, den naam van het Johan-de-Wit-Gat behouden, doch het is nu geheel verloopen en onbevaarbaar.

STELLINGWERF, oudtijds Stallingweer, voorm. lands., prov. Friesland.

Het was gelegen waarschijnlijk in dat gedeelte van Friesland, hetwelk in overoude tijden het gewijde woud van Godin Baduhenna besloeg, en uithoofde van de heiligheid der plaats onbewoond was. Karel de Groote, Friesland overheerd hebbende, deed op nieuw de afgoden-dienst aldaar uitroeijen en het Christen-geloof, hetgeen zij eerst omhelst, doch naderhand verzaakt hadden, weder invoeren. Dit bekeeringswerk ging echter niet gemakkelijk toe. Waar overtuiging te kort schoot, werden zwaarden en vervolgingen te baat genomen. Het is zeer ligt te begrijpen, tot welk eene hoogte, door dusdanige handelswijze, de ongelukkige Friesche natie, die te geener tijde zeer buigzaam was, verbitterd of ter nedergeslagen werd; velen hunner trachtten die onmenschelijke vervolgingen te ontvlugten en zochten schuilplaatsen in de onbewoonde bosschen. Een gedeelte van de vlugtelingen weken in het bosch Baduhenna, bouwden hier woonsteden en maakten zich akker, ten einde middelen van bestaan te vinden; zij bleven de voorouderlijke godsdienst aankleven en het was eerst ten tijde van Lodewijk den Vrome, dat zij tot het Christelijk geloof gebragt werden.

Deze natie schijnt genoegzaam op zich zelven bestaan en met de overige Friezen weinig gemeens gehad te hebben, ten minste het blijkt niet, dat zij immer in hunne onlusten, die zij, gedurende meer dan drie eeuwen, met de Utrechtsche Bisschoppen gehad hebben, door de overige Friezen zijn bijgestaan geworden; hetwelk dan ook voor hen dit noodlottig gevolg had, dat zij eindelijk voor de Bisschoppelijke magt hebben moeten onderdoen.

Zij bewoonden die streken, welke nu de grietenijen Stellingwerf-Westeinde, Stellingwerf-Oosteinde en Schoterland beslaan, benevens Steenwijkerwold, Giethoorn, Vollenhove, de Kuinre, Paaslo en IJsselham, in welk laatstgenoemd distrikt, de Stellingwervers hunne hooilanden bezaten. De zes laatste distrikten zijn echter naderhand, zoo door oorlogen, als door overeenkomst, aan Overijssel overgegaan.

Stellingwerf en Schoterwerf of Schoterland behielden hunnen vrijheid, hoewel, om die te behouden, tusschen hen en den Utrechtschen Bisschop, groote veldslagen geleverd zijn, en de zoogenoemde Friesche Broek, gelegen in het Westen van Stellingwerf door genoemden Bisschop daarvan is afgenomen.

De ingezetenen van Stellingwerf hadden oudtijds een bijzonder bestuur: de drie Stellingen genaamd, hetwelk elk jaar veranderde en bij werving verviel op die plaatsen, welke daartoe bij voorkeur geregtigd waren. Deze regeringsvorm heeft stand gehouden tot de komst van den Hertog van Saxen, welke Stellingwerf in een grietenij hervormde. Vervolgens is het onder de Bourgondische overheersching in twee grietenijen verdeeld, en het eene Oosteinde het andere Westeinde genoemd, en toen ook bij de Zevenwouden gevoegd.

Het wapen der beide grietenijen draagt nog bewijzen van vorige vereeniging.

STORTEMELK (HET NOORDE-), de Slenk of het Tweede-Zeegat, vaarwater ten N. van de Zuiderzee, tusschen Vlieland en Terschelling.

Het ligt beoosten Stortemelk, loopt tusschen het Oost-Stortemelk en de Hollepoort door. Het is een lang verlaat en vereischt kundige Loodsen, voornamelijk in het waarnemen der watergetijden, alzoo de schepen hier anders gevaar loopen van door den stroom, die met de voorvloeden dwars over het gat valt, tegen de banken gezet te worden.

STORTEMELK of Oud-Stortemelk, vaarwater ten N. van Vlieland, in de Noordzee.

Dit zeegat, hetwelk eerst in het jaar 1749 en op nieuw in 1845 betond werd, loopt, in eene westelijke rigting, tusschen de noordelijke kust van Vlieland en de plaat de Scholrug. Het is het beste en gemakkelijkste der vaarwaters tusschen Vlieland en Terschelling.

SWETTE (DE), landrug, prov. Friesland, grootendeels de scheiding uitmakende tusschen de kwart. Oostergoo en Westergoo.

Hij neemt een begin aan den oude zeedijk, op den Zuidoosthoek van de griet. het Bildt en loopt zuidwaarts tot ongeveer 753 ell. Ten westen van Leeuwarden, bij Schenkenschans, alwaar de trekvaart van Sneek op Leeuwarden in die der laatstgemelde stad op Franeker valt; loopende de Swette van daar, als een trekpad langs de Sneeker-vaart, tot nabij de grenzen van Rauwerderhem en Wymbritseradeel, nevens Deersum Benoorden de Dille loopt daarvan een tak onder den naam van Oude-Kleine-Swette, naar den rijweg van Sneek op Leeuwarden.

SYARDA, voorm. staten, prov. Friesland. Zie Sjaarda en Sjaardama.

TERDORP, voorm. st., prov. Friesland, die door eenen watervloed is te gronde gegaan en waarvan nimmer eenig spoor is gevonden.

TIESSINGAWEG, weg, prov. Friesland, kw. Oostergoo.

Deze weg begint aan den nieuwen straatweg van Leeuwarden naar Stiens, 3/4 u. N. van deze stad bij de herberg Bontekoe, en loopt in eene westelijke rigting, dwars over het Nieuwland en de Zwette, met hunne takken tot den Ouden-Slagtedijk naar Englum en Dijksterhuizen.

TJAARD-DIJK (DE), hooge binnendijk, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Wonseradeel en Wymbritseradeel, als oude grens en waterkeering der voormalige Middelzee, eerste in eene zuidelijke, dan in eene zuidoostelijke en eindelijk in eene oostelijke strekking van Bolsward, voorbij Nieuwland, Folsgare en Ysbrechtum, naar Sneek loopende.

TJONGER (DE) , riv., prov. Friesland. Zie Kuinder (De).

TYLTJESDAM, plaats, prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr., kant., gem. en 10 min N. van Leeuwarden, welke, volgens sommigen, haren naam zoude ontleenen van Daam van Tyl, een der Bevelhebbers van de vreemde krijgslieden, die in 1498 eenen vruchteloozen aanval op de stad Leeuwarden deden.

VADOSUM (MARE-), naam. welken de Romeinen gaven aan de Wadden, ten N. van Groningen. Zie Wadden (De).

VIJF-DEELEN-ZEEDIJK (DE), dijk, prov. Friesland, kw. Westergoo.

Deze dijk begint aan de grens van het Bildt, aan den Ouden-Zeedijk, bij Dijkshoek, en strekt zich doorgaans zuidwest- zuidwaarts langs de Zuiderzee, tot aan het d. Makkum uit, zijnde ongeveer eenen lengte van 6000 roeden (22,600 ell 80 v. r.), van welke iedere 50 roeden (188 bund. 34 v. r.), met scheidsteenen zijn afgedeeld.

Tot de contributie van dezen dijk behooren de grietenijen Franekeradeel, Menaldumadeel, Hennaarderadeel, Baarderadeel, Barradeel en een gedeelte van Wonseradeel, benevens de steden Harlingen en Franeker, welke allen worden onderscheiden, naar hunne gelegenheid, binnen of buiten den Slagtedijk, in Binnendijkers of Buitendijkers. Tot de contributie binnendijks behooren de stad Franeker met haren omtrek, de grietenijen Franekeradeel ten deele, Baarderadeel, Hennaarderadeel, Menaldumadeel en het dorp Minnertsga, in Barradeel, Tot de buitendijksters worden gerekend de dorpen Firdgum, Tjummarum, Oosterbierum, Sexbierum, Pietersbierum, Wynaldum, Almenum en Lidlum, allen in de griet. Barradeel gelegen; benevens de stad Harlingen; Midlum, Herbajum, Ludingakerk en een gedeelte van Achlum, allen in Franekeradeel; de dorpen Kimswerd, Pingjum, Wons, Surig, Kornwert, Engwier en Makkum, te zamen een deel van de grietenij Wonseradeel uitmakende.

Aangezien oudtijds een zeer groot gedeelte van Westergoo door zijnen eigen dijk ingesloten werd, meenden de ingezetenen van dit kwartier niet gehouden te zijn, om in de kosten tot onderhoud van den Vijfdeelen-Zeedijk te dragen. Het verschil hierover, onder de regering van keizer Karel V, voor den Landsraad gebragt, had niet weinig moeite, om vereffend te worden. In het jaar 1533 werd er, door den Stadhouwer George Schenk en de hem toegevoegde Raden,

Eene acte van bemiddeling (arbitrament) over gemaakt, die woordelijk bij Winsemius te vinden is (1) en behalve dien nog onderscheidene andere wetten, nopens onderhoud en aandeel van de zeedijken, bevat, waarnaar ieder der dijkpligtige grietenijen zich zoude hebben gedragen. In het jaar 1567 weder geschil gerezen zijnde, werd de gezegde bemiddeling, door het Provinciaal Hof, voor bondig en wettig verklaard en den gezamelijken ingezetenen gelast zich daarnaar te schikken. Hoewel nu deze uitspraak van het Hof had behooren ten uitvoer gelegd te worden, werd nogtans, door het opkomen van andere geschillen, de zaak verzuimd, en vervolgens bij het Hof zekere provisionele ordonnantie op het stuk van dijkaadje gemaakt, waarbij de Binnendijkers zich, in het jaar 1571, bezwaard vonden en hunne redenen van bezwaar voor den Hove uitbragten, om voorts door den Stadhouder (volgens diens lastbrief) beslist te worden, verzoekende: Dat de Stadhouder, op het spoedigst en indien doenlijk, van stonden aan procederen wilde tot onderscheidinge, met overroepinge van al zulke personen en Mederigters, als hij onpartydig zoude vinden te behoren. Indien nu dit gedaan zijnde, en als dan overwogen de schade en belastinge, ben te deel vallende, de andere deelen en landen, niet genoegzaam waren bezwaard, en zij zich met gene gewigtige redenen konden ontschuldigen, zou deze naar mate van hunne lasten en renten, met het andere landschap, voor deze reize en zonder gevolg voor het toekomende, zoodanige hulpe bieden, als naar gelegenheid der zake bij de gemeene andere landen het geschikst zoude bevonden worden. Op dit verzoek gelet zijnde, wilde de Stadhouder, dat beide twistende partijen hunne belangen schriftelijk zoude inbrengen, om die aan den Hertog van Alva te zenden en diens uitspraak af te wachten; doch de Buitendijksters waren daartegen en wilden gaarne het proces bij den Hove geeindigd hebben, waartegen de Binnendijksters, den Raad verdacht houdende, aanhielden, dat de stukken bij Alva Zelven, met den geheimen Raad van Brussel of den Hoogen Raad van Mechelen, zouden onderzocht worden, waarop beide partijen naar huis gezonden werden. Doch in deze omstandigheden, de nood geen uitstel toelatende (vermits de zeedijken door den verschrikkelijken Allerheiligenvloed meest gesloopt waren), leverden de Buitendijksters een verzoekschrift in gedagteekend 11 Junij, verzoekende aan den Stadhouder: Dat ze op haar zelven, alleen voor dezen tijd, de dijken mogten opmaken op eigene kosten, zonder te wachten op de handbieding van anderen. De welke doch voor dezen de penningen hiertoe vergadert, dikwijls hadden elders verkeerd, en hen in t verdriet laten zitten. Het ware dan beter de onkosten te doen, hoewel schier ondoenlijk dan bij anderen, tot zijne groote schade, om den tuin geleid te worden. De Stadhouder willigde dit verzoek gereedelijk in, en de dijken werden toen eenigzins hersteld; doch het voorname geschil was daarmede niet afgedaan en het geding bleef langen tijd aan den spijker hangen.

Den 6 December 1572 had er weder een hoogen watervloed plaats, die zich zeer ver uitstrekte en groote verwoestingen aanrigtte, waardoor het reeds uitgemergelde land bijna alle waarde verloor. Te zwaarder was dit onheil, vermits de geschillen over het herstellen der dijken nog bleven duren, en dus het belang van het algemeen, om het bijzonder voordeel der twistende partijen, verwaarloosd werd.

Dit gaf aanleiding dat er, op naam van den Kolonel Caspar de Robles (toen Onder-Stadhouder van Friesland), een plakkaat werd uitgegeven, behelzende hoofdzakelijk, dat men de zeezijlen met elke ebbe zou openen, de binnenzijlen, omtrent de landen die onder water stonden, steeds openhouden en voorts alle middelen aanwenden, om het zoute water, zoo veel doenlijk, af te tappen. En naardien de hoofdzaak van het onderhoud der dijken geen langer uitstel leed, namen de Kolonel met de gestelde Commmissarissen tot de dijken, naauwkeurig kennis van de verschillen dienaangaande, om daarna alles aan den Hertog van Alva en den Geheimen Raad des Konings te onderwerpen. Waarop van weerskanten onderscheidene protestatin, octrooijen, enz. Te voorschijn gebragt en eindelijk Commissarissen gesteld worden, om het bewuste geschil, naar de aloude keizerlijke instellingen, af te doen; Namelijk: Casper de Robles, heer van Billy, Boudewijn van Roon, Ridder en Kanselier van Overijssel, Geraard van Oostendorp, Raadsheer aldaar, Johan Fonk, Proost van St. Maarten en aartsdiaken van Utrecht, alsmede een Raadsheer van den geheimen Raad, en Igram de Ackelen, president in Friesland.

Deze personen, uitspraak gedaan hebbende op den voet van het groot arbitrament hier voor genoemd en naar inhoud van s Hof sententie van 28 Junij 1567, zoo werd door den Stadhouder en de geheime Raden den twistende partijen gelast het gezegde na te komen, hetgeen gevolgd werd van eene aankondiging van den Procureur-generaal, behelzende, dat de beide partijen alle twist en misverstand afleggende, met gelijke magt het gemeene nut zouden ter harte nemen, terwijl zij de schade zouden moeten vergoeden, die hunne hardnekkigheid en onbedachtzaamheid ten nadeele van het land mogt veroorzaken. De brieven van deze aanschrijvingen waren gedagteekend den 1 Februarij 1574. Hierop is eindelijk het opmaken van den dijk, op gemeene kosten, gevolgd, in de jaren 1574 en 1575. Alles voltooid zijnde, kwam het verder onderhoud der dijken, naar inhoud van het arbitrament, ten laste van de bijzondere partijen, te weten: de zuiderdijken aan de buiten- en de noorder aan de binnedijksters; zijnde op de scheiding gesteld de zoogenaamde steenen man of gedenkzuil, waarop behalve de lof van den Kolonel Robles, ook die van den vermaarden Viglius Zuichemius en de namen der gevolmagtigden gelezen werd. Zie daarover het art. Harlingen.

De besturen over deze dijk houden hunnen zittingen te Harlingen, en bestaan: het dijksbestuur der Vijfdeelen-Zeedijken-binnendijks uit twee Gedeputeerde Volmagten, met eenen Ontvanger-Generaal en eenen Secretaris, en het dijksbestuur der Vijfdeelen-Zeedijken-buitendijks uit twee Gedeputeerde Volmagten buitendijks, met eenen Ontvanger-Generaal en eenen Secretaris, benevens drie Volmagten van het Nieuwe-Bildt, met hunnen Ontvanger en Dijkschrijver.

(1) Chronijk van Friesland, bl. 502 en volg. Zie ook Brieven en Documenten achter Schotanus, geschiedenissen van Friesland, bl. 63.

VISCHVLIET-EN-GERKESKLOOSTER, dijksbestuur, prov. Friesland en Groningen, dat zich uitstrekt over Visvliet, Pieterzijl en Gerkesklooster, worden de lasten pondemaatsgewijs gevonden, en bestaat uit 5 leden, van welke 3 van Visvliet en 2 van Gerkes-klooster.

VLIE (HET OUDE-), vaarwater in de Zuiderzee, van het Zuidoosterrak, zuidwestwaarts naar den Texelstroom loopende. Zij is breed doch ondiep, vooral bij de steile bank, alwaar slechts 10 palm. water is.

VLIE (HET), eil en vaarwater N. W. van de Zuiderzee. Zie Vlieland en Vliestroom.

VLIESTROOM (DE) gemeenlijk het Vlie genoemd, de algemeene naam, welke men geeft aan het groote vaarwater, dat uit de Noordzee door de Oostvlielander-zeegaten in de Zuiderzee komt, en deze eerst zuidoostwaarts, onder den naam van Zuidoosterrak, en van daar langs de Friesche kust zuidwaarts tot op de hoogte van Stavoren, alwaar hij zich met den Texelstroom vereenigt.

Deze stroom, die reeds in 1100 bevaren is, heeft langs genoemde strekking eene diepte van 30-260 palm. Diepte, en is diensvolgens alleen voor ligte zeeschepen, zoo als: koffen, tjalken, schoeners, stoomschepen, enz. Bruikbaar, stevenende jaarlijks tusschen de 2 en 3000 schepen door de Oost-Vlielander-Zeegaten en langs dezen stroom, uit de havens der Zuiderzee naar de Noordsche havens en omgekeerd.

Men meent, niet zonder grond, dat men hier het overblijfsel moet zoeken van eene van ouds bekende rivier, Flevus genoemd, die, een groot gedeelte des lands doorstroomd hebbende, tusschen de steden Enkhuizen en Stavoren, hetwelk al voor lang onder de golven is begraven geweest, zich in de Noordzee ontlastte, en waardoor dus Het Vlie zijnen naam van dezen eertijds beroemde stroom ontleend heeft. Aam den westkant van den Vliestroom ligt de Sloot. Zie dat woord.

In het jaar 1666 liepen de Engelschen hier met eenen vloed binnen waar zij meer dan honderd koopvaardijschepen, die allen gereed lagen om met den eersten goeden wind uit te loopen, in brand staken en vernielden.

WADDEN (DE), ondiepe watervlakte, zijnde dat gedeelte afhellend voorstrand van de Noordzee, begrepen tusschen de eilanden Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum ten N. en het vasteland der prov. Friesland en Groningen ten Z. Het bestaat over het algemeen uit ondiepe platen en vlakten, door vaarwaters en meer of min killen doorsneden. Deze watervlakte, was vroeger veel breeder dan thans, wijl de aanwassen of kwelders langs den vasten wal van tijd tot tijd ingedijkt werden en de duinen op de eilanden, meer oost- en landwaarts overstuiven. Reeds toen de Romeinen zich hier te lande bevonden, was het onder den naam van Mare Vadosum bekend. Gedurende den zomer wordt deze watervlakte door eene menigte platboomde vaartuigen van Hamburg, Bremen, Groningen enz. bevaren. Ook worden er vele schelpen voor de kalkbranderijen opgevischt. Sommige dier schepen leggen aan den oostkant van Ameland aan, zijnde het vaarwater, dat vroeger veel nader aan Friesland langs liep, naar dat eiland verloopen, tot onherstelbare schade voor Ameland, wegens de daardoor veroorzaakte afspoeling van eene groote uitgebreidheid beste klei- en weilanden. Ondertusschen wordt deze schade een weinig vergoed door de voordeelen die de herbergiers en winkeliers van het dorp Nes genieten uit de vertering der hier aanleggende schepen.

Bij voormalige gesteldheid van ons Vaderland, toen de eilanden langs de kust nog aan het vaste land verbonden waren, hadden de Wadeen zeker een geheel ander aanzien dan zij thans hebben. Wel is waar, was het ook toen eene weeke broekige en dargachtige vlakte, welke bij elken vloed door het zeewater overstroomd werd; doch thans is het buitenste gedeelte daarvan immer door de zee bedolven. Toen voor veele eeuwen, - want den juisten tijd heeft nog niemand kunnen bepalen, omdat het ook niet eens, maar allengskens, geschied is, - die ondiepe uitgestrektheid in twee deelen scheurde, waarvan het eene met het vaste land vereenigd bleef, en het andere de eilanden vormde, ontstond natuurlijk tusschen beide deelen eene ruimte of kloof. Deze laatste werd door het zeewater wederom aangevuld. Hierbij kwam de aanhoudende en onbelemmerde werking en schuring der zee, welke nu reeds zoo, veele eeuwen geduurd heeft, en die de Wadden en gaten hier en daar deed verzanden en op andere plaatsen bewoonde eilandjes wegspoelden en het zeewater steeds dieper en zelfs voor middelmatige schepen bevaarbaar hebben gemaakt, ofschoon het echter niet zelden gebeurt, dat deze er bij storm en onweder op de menigvuldige platen en zandbanken hunnen ondergang vinden.

De banken en zandplaten, welke men in de Wadden windt, dragen verschillende namen, die zeker veelal het eerst door de schippers of zeelieden zullen uitgedacht zijn, en welke benamingen zinspelen of op de geaardheid dezer zandbanken zelven of op de eene of andere gebeurtenis, daarbij of daarop voorgevallen. Zoo heeft men er de Haringplaat of het Hornsbornzand, tusschen het Uithuisterwadringplaat of het Hornsbornzand, tusschen het Uithuisterwad en Rottumeroog, de Koeplaat, de Kapersplaat, de Boschplaat, het Simonszand, Brakzand, Engelmansplaat en meer andere.

Gelijk onderscheidene mindere of meerdere hoogten, zoo bevatten de Wadden ook onderscheidene diepten, stroomen of zeegaten, welke juist te kennen voor de zeevarenden van het hoogste belang is. Het Sparre-gat, tusschen de Haringplaat en Rottumeroog, het Schil, de Lauwers, de zoogenaamde Eilander-Balg, het Friesche-gat, de Meuker, en meer andere zijn de voornaamste. Sommigen dezer zeegaten loopen noordwestwaarts, en zijn van ongelijke diepte.

Voor iemand, die met de Wadden zeer goed bekend is, is het, onder zekere gunstige omstandigheden en al wadende, mogelijk, om, zich te voet van het eiland Schiermonnikoog naar het vaste land van Groningen te begeven, zoo als zulks meermalen geschied is. Om echter op deze wijze van daar naar genoemd eiland te gaan, is niet zoo gemakkelijk, dewijl het op Schiermonnikoog omtrent een uur eer hoogwater is dan bij voorbeeld te Hornhuizen, waardoor derhalve de vloed hem, die van laatstgemelde plaats derwaarts ging, beletten zoude er te komen; want men kan ligtelijk begrijpen, dat zoo wel van hier als van daar de reize bij eb of laag water zoude moeten geschieden. Naar of van het eiland Rottum zulks te doen, zoude echter niet ligt mogelijk zijn; ofschoon men het te voet ook op eenen kleinen afstand tot aan het Sparre-gat, naderen kan. Hieruit kan men besluiten, dat de stroomen naar dit eiland of de Wadden zelven aldaar dieper zijn, dan de verzande Groninger- of Eilander-Balg voor Schiermonnikoog.

Tusschen beide eilanden en de kust vindt men in de Wadden nog vele diepten van meerdere of mindere uitgestrektheid, van welke sommigen zuid en noord, andere oost en west loopen. In deze gaten, waarvan sommigen 3/4 uur lang, doch slechts van 6,25 tot 9,50 ellen breed zijn, worden de bij velen zoo geachte bot en garnalen gevangen.

WALDRICHEM, voorm. st., prov. Friesland, die door eenen watervloed is te gronde gegaan, en waarvan nimmer eenig spoor is gevonden. Men wil dat het op eenen aanmerkelijken afstand van de tegenwoordige Friesche kust, W. van Workum, waar nu het water der Zuiderzee bruischt, zoude gelegen hebben.

WIERBALG (DE), vaarwater in het Noorden van de Zuiderzee, dat Z. Z. O. uit de balg tusschen de Boeren- en Middelplaat en de Breehorn, in het Gaatje uittloopt. Het heeft 24 tot 83 palm. Diepte.

ZEVEN-GRIETENIJEN-EN-STADSLOOTEN (HET-DIJKBESTUUR--VAN-DE-), Dijkgraafs. Prov. Friesland, N. aan de griet. Smallingerland en Utingeradeel en de Slooter, Heeger-en-Flassinger meren, O. aan de Oost-Stellingwerf en West-Stellingwerf, Z. en W: aan de Zuiderzee, zich uitstrekkende onder de grietenijen Doniawarstal, Gaasterland, Lemsterland, Haskerland, Schoterland, Opsterland en Aengwirden en de gem. Slooten.

Dit dijksbestuur, hetwelk in de Lemmer vergadert, bestaat uit drie Leden, eenen Secretaris, eenen Ontvanger, twee volmagten uit Doniawarstal, twee uit Gaasterland, twee uit Lemsterland, twee uit Haskerland, twee uit Schoterland, twee uit Opsterland, twee uit Aengwirden en twee uit Slooten.

ZUIDERZEE, in een overoud Overijsselsch geschrift Suytvinde genaamd, golf van de Noordzee, tusschen de provincin Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel en Friesland gelegen en, door de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland, benevens eenige zandbanken, van de Noordzee gescheiden, waarmede zij alleen gemeenschap heeft langs de tusschen de eilanden doorloopende zeegaten, als: de Helsdeur, tusschen den Helder en Texel, het Westvlielandergat, tusschen Texel en Vlieland, het Oostvlielander-gat tusschen Vlieland en terschelling, en het Amelander-Gat, tusschen Terschelling en Ameland.

In deze watervlakte liggen de eilanden Wieringen, Marken, Urk en Schokland, de droogte Grind, benevens eene menigte zandbanken, vooral in het noordelijke gedeelte, die aldaar verschillende vaarwaters vormen, waaronder het Amsteldiep, den Balg, de Texelstroom, de Vlieter, het Oude-Vlie, het Zuidooster-rak, de Jettings en de Reepel, de voornaamste zijn. Zij beslaat eene oppervlakte van 60 v. m., is 23 u. lang en, op hare grootste wijdte, 15 u., tusschen Stavoren en Enkhuizen, waar zij het smalste is, echter maar 5 1/2 u. breed. Onderscheiden rivieren ontlasten zich in haren boezem, waaronder de voornaamste zijn: het IJ, de Ijssel, het Zwartewater, de Vecht, de Eem en de Kuinder.

De schrijvers zijn het allen niet eens over den tijd, wanneer de tegenwoordige Zuiderzee tot zulk eene groote plas geworden is; volgens het gevoelen van eenige schrijvers zoude de Zuiderzee na de elfde eeuw eerst tot eene binnenzee geworden zijn. Volgens Racer oorkonde is zij in 1134 waarschijnlijk doorgebroken tusschen Urk en het land van Vollenhove. Ver de meesten komen daarin overeen, dat die zee voorheen ten deele uit vast land en ten deele uit groote en kleine meren, die in elkander liepen, heeft bestaan. Wanneer men de oudste schrijvers raadpleegt, dan leest men, dat Plinius de Veroneser (tijdgenoot van Cornelius Tacitus), die ten tijde van Vespasianus, in het 80ste jaar onder gemeene tijdsrekening geleefd heeft) in het 15e hoofdst. van zijn 4e boek, omtrent dit gewest aldus schrijft: "In den Rijn zelf, bijna honderd duizend schreden in de lengte, ligt het voortreffelijk eiland der Batavieren en Kaninefaten en anderen, als de Friezen, der Cauchen, der Frisiabonen, der Sturiers en der Marsaten, die zich verspriedden tusschen Hellevoet en 't Flie (Helium en Flevum), zoo noemt men de monden door welke den Rijn zich uitstort, en zich ten N. in een meer, ten W. in den vloed de Maas verspreidt: miden tusschen welke twee monden of uitwateringen eene middelmatige kil zijnen naam bekomt." En Pomponius Mela, de Spanjaard, die onder Keizer Claudius leefde, zegt in zijn 3e Boek op het 2e hoofdst.: " De Rijn, van de Alpen afstortende, maakt, nabij zijnen oorsprong, twee meeren, het Veneetsch en het Acronisch, van daar lang met onveranderende en onverdeelde kil, nederwaarts stroomende, wordt niet ver van de zee verdeeld, maar ter linkerhand behoudt de kil, tot daar zij uitvloeit, den naam van Rijn. Ter regterhand is zij eerst eng en zich zelden gelijk, daarna, de oevers van wederzijden geweldig krimpende, nu niet meer eene rivier maar een groot meer. Als hij de velden bedekt heeft wordt hij 't Vlie genaamd; en een Eiland van dien naam omvat hebbende, valt zij, wederom naauwer en eene zivier geworden, in zee." Uit deze twee plaatsen willen eenigen opmaken en vaststellen, dat de Zuiderzee ten tijde van Tacitus en Pomponius Mela, niet alleen een groot meer, maar reeds eene openbare zee geweest is, die vr de bedijking van tijd tot tijd haren boezem vergroot, en door het afknagen der oevers, hare palen rondom wijd en zijd uitgezet heeft. Anderen spreken deze oudheid der Zuiderzee tegen, en meenen, dat er voor het jaar 1203 nog geen Zuiderzee bekend was, maar dat er omtrent dien tijd bij het Vlie, Enkhuizen en ten W. van Friesland nog veel land en bosschen gelegen hebben, onder welke bosschen het Kreislche- of Kleilerbosch thans nog eene plaat de Kreil, het voornaamste was. Ook verhaalt Ubbo Emmius, op het jaar 1222, " dat men in dien tijd ten W. van Friesland en de Middelzee of het Boerdiep vele landerijen had leggen, daar nu eene wijde zee overgolft. Want de IJssel, die de wateren van den Rijn door de gracht van Drusus ontvangt, plagt zich niet aanstonds bij de stad Kampen, zoo als hij nu doet, in dien grooten boezem, dat is de Zuiderzee, uit te storten, en elders zijn dien naam en oevers te verliezen; maar hij behield een wijl tijds zijne kil en liep midden door de bouwlanden." En op eene andere plaats zegt hij: " Het Vlie, eertijds wijder zijnde, was op deze tijd (omtrent het jaar 1222) tusschen Enkhuizen en Stavoren niet veel breeder dan eene beek of een vlietje, al de rest was met bouwlanden of met bosschaadjen bezet.

Men meent alles beslist te zien uit het verhaal van Melis Stoke, die in zijne Rijmkronijk zegt: dat Graaf Willem I, de dood van zijnen broeder, Dirk VII, verstaan hebbende, uit Friesland te paard in het dorp Zijpe (in Noord-Holland gelegen) aangekomen zijnde, hetwelk niet gevoegelijk konde geschieden, indien er eene groote zee tusschen beide lag, en waaruit Menso Alting dan ook besluit, dat er toen nog geen Zuiderzee bekend was.

Op dit voetspoor meenen dan de meeste schrijvers en dit komt ook ons het waarschijnlijkst voor, dat de tegenwoordige Zuiderzee niet altijd van die uitgestrektheid geweest zij, maar door groote watervloeden en geweldige overstroomingen van den oceaan, steeds meer en meer in omvang heeft toegenomen, zoo dat reeds de groote watervloeden van de jaren 350, 533, 695 en 733, gewigtige veranderingen in de uitgestrektheid der Zuiderzee hebben veroorzaakt, doch dat zij eerst sedert het begin der twaalfde eeuw, tot zulk eenen uitgebreiden zeeboezem of openbare zee is geworden. waarschijnlijk moet men de eerste aanmerkelijke verandering, welke die zeeboezem ondergaan heeft, brengen tot dien grooten watervloed van het jaar 1170, wanneer door eene verschrikkelijke storm het water over dijken en duinen heenloopende, niet alleen al het land tusschen Texel, Medemblik en Stavoren van het water werd ingeslokt, maar zelfs de zulte baren voor de stad Utrecht kwamen, zoodat men daar eb en vloed had, en de zeevisch, bolk of wijting genoemd, voor de stads muren gevangen werd. Godfried, een Monnik van St. Pantaleon, binnen Keulen, verhaalt mede op dat jaar: " dat de zee, door de woeden der winden voorbij hare grenspalen gejaagd, op den 3 van Salagtmaand, Friesland omtrent Stavoren voor een groot gedeelte verdronken heeft." Anderen stellen dien bobennatuurlijken vloed en krachtigen stormwind drie jaren later voorgevallen, namelijk 1173, wiens wederga volgens de beschrijvingen, geen mensch ooit gezien heeft, want oude lieden verbeelden zich, dat het eenen tweede zondvloed was, die de geheele wereld overstroomd en verdronken zouden hebben: en toen meent men, dat Texel, Wieringen en de landen daaromtrent tot eilanden geworden zijn, alsmede, dat het Kleilerbosch is weggeraakt. Vossius zegt in het tweede zijner Jaarboeken: "dat in Mei, de sneeuw door de zon gesmolten zijnde, de Rijn en de Maas zoodanig deed opzwellen en overloopen, dat het water zich over de velden van Holland en Utrecht verspreidde. En mogelijk (dus gaat hij voort) is op dien tijd de Oceaan zoodanig gewassen, dat de stervelingen eenen nieuwen zondvloed voorspelden. Daar was een groote ondergang van boomen, huizen beesten en menschen; want vele werden onvoorziens overvallen: de ijverige bergden het leven op de daken. De jaarboeken twijfelden niet of het was met Utrecht en andere steden gedaan geweest, had de storm zoo langdurig aangehouden, als zij wel hevig was, had na drie dagen stoof het rivierwater zeewaarts in."

De tweede groote verandering had vermoedelijk plaats in het jaar 1337, want toen is er volgens Winsemius "een verschrikkelijken vloet geweest, die een stins bij 't Vlie, tusschen Texel en Dykshorne gelegen, wegh spoelde. De wint waayde eerst uyt den Westen, daernae uit Zuyden ende Zuydt-Oosten, en vulde also den Ijsel en 't Vlie, met de griften, dat een groot deel van Frieslandt, ten Westen gelegen, onderliep. De landen van Holcama (dese van Holcama hadden met haer graven oorsaek daertoe gegeven) overstroomden in den nacht. Des 's morgens vroegh was van water, ende riepen tot hare nabuyren: " Het is al Vlie-landt."" Omdat het Vlie het landt overliep en overmeesterde, ende wil men, dat hetselve eylandt daervan den naem soude gecregen hebbe." Slechts dertien jaren na dezen tijd vond er eene nieuwe vergrooting plaats. Gabbema (1) schrijft: "Dat Holland en andere gewesten grooven ramp van de zee hebben uytgestaan, op 't jaar CIC(omgekeerd)CCL trekt Matthijs Paris aan "in zijne Groote Historie onder Hendrik III. Hebbe dat zelfde tot nu toe bij geene andere schrijvers opgebeurt:" doch Gutbeblet zegt hierop in eene aanteekening: " Ik vinde nochtans van deeze vloed gewag gemaakt in eene oude brik van een Friesch Geschigtboek op papier geschreeven en by my bewaard, de woorden van de volgende: In 't jaer oms Heeren 1250 heeft die zee grote scade gedaen an ende om Frieslandt en die grote meren binnen 't landt, als die by Staveren ende dat voert by Harlingen, ende van Staveren toe Enkhusen, ende toe Campen, want dat plach heel lant toe al totter Flee."

Tusschen de drie steden Medemblik, Stavoren en Enkhuizen, bleek eene hoek lands zitten, die nog gedurende bijna anderhalve eeuw Friesland en Noord-Holland aaneen hechtte. " Deze tijd," lezen wij in de Kronijk van Friesland, op het jaar 1255, konde men nog met een rafter of dalve (eenen polsstok of eenen vonder) van Stavoren tot Enkhuizen gaan, en was een goed vast land." Galama (2) zegt: dat Scriverius: in de Aanteekeningen van zijn Oud-Batavia, in 't leeven van Floris III, Graeve van Holland, schrijft dat een onbekende Autheur van een latijnsche Friesche Kronijk zegt, dat in 't jaar CIC(omgekeerd)GCCXCV. de zeegaten tusschen 't Flie ende Texel, door kragt van 't perszende waater ende hooge vloeden, ingebrooken zijn, midsgaaders ook 't vaste land tot de Zuyderzee toe omtrent Meedemblik en Enkhuyzen verdronkken en tot zee gemnaakt."

Hiertoe zal de hooge watervloed van het jaar 1400 (bij van Meteren de Friesche Vloed genoemd) ook veel kwaad gedaan hebben, dewijl er in de Historie der grafelijke regering van Holland, bl. 113, van dien watervloed aangeteekend staat: " Het jaar 1400 zulk een groote storm, dat de gaten tusschen Texel en Wieringen zoo wijd werden, dat men dien tijd af Enkhuizen en Amsterdam met groote schepen heeft kunnen bevaren, zijnde Dordrecht te voren de aanzienlijkste koopstad op zee."

Volgens de Friesche Kronijk "kon men anno 1420 nog met een rafter (eenen polsstok) van Harlingen op Terschelling gaan en van Holwert op Ameland. Dog korts na dezen heeft de zee daar eene grote wyte tusschen gemaakt, zodat ons dat gaan benomen en verboden is."

De geheele afscheiding van de eilanden Terschelling en Ameland en de opslijking en allengs voortgaande indijking van het Bildt voltooide en de Zuiderzee in het Noorden en de Friesche kusten aan die zijde. Op deze wijze kan men zich voorstellen dat de Zuiderzee ontstaan en geworden is, tot hetgene zij nu is, in een tijdvak van niet meer dan twee en eene halve eeuw (3).

Uit vele en waarschijnlijke omstandigheden mag men alzoo gissen en besluiten, dat de tegenwoordige Zuiderzee, ten tijde van Plinius en Pomponius Mela, wel uit een groot en eenige kleine meren bestaan heeft, maar dat zij van tijd tot tijd door opwellingen van den ouden Vliestroom van ouds eenen uitgang, of wel den oostelijken tak des Rijns, en door hevige stormen en overstroomingen tot eenen openbaren zeeboezem is geworden; te meer, als men gadeslaat, dat vr het jaar 1200 nog geene of weinige zeedijken bekend waren; waar bij gevoegd, zooals de Friesche kronijken getuigen, dat eenige Monniken uit Friesland, die vele landerijen hadden liggen omtrent Vlieland en Ter-schelling, in vroegere tijden tusschen gemelde twee eilanden, grachten hebben gegraven, om daarin door binnenslooten de landen van het zeewater te ontlasten: ja zouden zelfs eene diepe vaart gegraven hebben van Harlingen op Vlieland tot Texel toe; zoodat het wel te begrijpen is, hoe voormaals de ontstuimige zee (zoo vele openingen aan de oevers, en daar achter meren, poelen en gebroken landen vindende) zoo veel land tot water, en dus openbare zee heeft kunnen maken, alhoewel, bij verloop van tijd, de aanklotsende golven nog veel land van de oevers afgeknaagd en weggespoeld hebben; zoo als uit de beschrijvingen der meeste steden, aan de Zuiderzee gelegen, blijken kan, die van tijd tot tijd veel voorland hebben verloren.

Men is thans in het bezit van eene voortreffelijke Hydrographische kaart van de Zuiderzee, in vier bladen, uitgegeven op last van het departement van Marine; een werk, dat in eene langgevoelde behoefte naar wensch voorziet, en de bekwaamheid, zoo van de Heeren Officieren van Rhijn en Blommendal, als van de Graveurs van Baarsel en Tuyn, doet uitblinken. Van deze kaart bestaat, mede eene uitgave op verkleinde schaal in n blad. Ook is er te dezer dage een werk van den Ingenieur van Diggelen in het licht verschenen, waarbij de mogelijkheid en belangrijkheid wordt aangetoond om de Zuiderzee te bedijken en even als het Haarlemmermeer aan de zee te ontwoekeren (4).

In de Zuiderzee worden vooral oesters en bot gevangen; de ansjovis is bijna te niet; haring was er vroeger in groote hoeveelheid aanwezig. Zoo ving men in April 1665, 800 lasten, ieder 10,900 haringen, welke voor 15,620 gulden verkocht werden. De kustvaarderij levert nog voor velen een goed bestaan op.

Op den 11 October 1573 viel op de Zuiderzee een merkwaardige scheepstrijd voor, waarin de Noord-Hollanders, onder Cornelis Dirks, de Spanjaarden onder Bosse versloegen en hunnen Vlootvoogd gevangen namen.

In 1670 is de Zuiderzee digt gevroren, zoodat, op den 4 maart van dat jaar, 77 sleden met volk te Enkhuizen aankwamen.

In de maand januarij 1849 legde de Durgerdammer visschers Klaas Bording, met zijne twee zonen Klaas en jacob, zonder het te willen eene uiterst merkwaardige reis op de Zuiderzee af. Op zaturdag den 13 dier maand, begaven zij zich, na hun schamel maal gebruikt te hebben, naar het ijs, ter botvangst; met het voornemen, om, bij eenen eenigzins gelukkigen uitslag, daarmede een gedeelte van den nacht door te brengen. Zoo namen zij dan ook tot proviand mede eenen ketel met koffij en twaalf sneden roggebrood; welken voorraad zij op den dag van hun vertrek en gedurende den nacht opgebruikten. De vangst was boven verwachting, zoodat zij dan ook ijverig bleven voortvisschen, ofschoon de andere visschers, die zich digter bij de wal bevonden hadden, reeds derwaarts terug gekeerd waren. Nadat zij, ettelijke uren na middernacht, aldus doorgebragt, en omstreeks zeven honderd vijftig botten gevangen hadden, wilden zij zich naar huis begeven, maar nu bemerkten zij, tot hun grooten schrik, dat het ijs losgeraakt was en zij op eene schots dreven. Zij wilden naar den kant van den vasten wal sneller, maar stonden, na slechts weinige schreden gedaan te hebben, voor eene wijde, onoverkomelijke sleuf, en nu begon die verwonderlijke zwerftogt, waarbij zij, naar het schijnt, door wind of stroom, over de geheele Zuiderzee rond gedreven zijn, want zij hebben alle aan de kust gelegen plaatsen, met uitzondering van Elburg, op grooter of kleiner afstand zien liggen. Toen de Zondagmorgen aanbrak waren zij in de nabijheid van het eiland Marken, waar zij toen langs dreven tot 's avonds toe, wanneer de stroom veranderde en hen naar de Geldersche en Utrechtsche kusten heenstuurde. Deze hielden zij Maandag en Dinsdag in het gezigt. Allenskens echter verwijderde de schots zich van de kusten, en benevelde een zware mist alle uitzigt, zoodat zij de vier volgende dagen, Woensdag, Donderdag, Vrijdag en Zaturdag, bij geen mogelijkheid konden gissen, waar zij dobberden. Des Zondags (den tweeden) was de lucht weer helder en zij ontwaarden, dat zij digt voor Enkhuizen waren. Van daar dreven zij, door eenen sterken noordwesten wind voortgezweept, met eene snelle vaart, ten Noorden langs Urk heen. Hiermede verliep de Maandag en Dingsdag, Woensdag bevonden zij zich bezijden tusschen Urk en Schokland. Donderdag en Vrijdag hadden zij het laatste eiland bestendig in het gezigt. Des Zaterdags s morgens waren zij nabij Vollenhove, werwaarts zij steeds voortdreven, hier werden zij door eenige visschers ontdekt en behouden aan land gebragt, hoewel de oudste zoon weinige dagen na hunne redding en de vader eenige dagen later aan de gevolgen van de doorgestane kommer en ellende bezweken.

(1) Naeuwkeurige Beschryvinge der gedenkwaerdigste watervloeden, met breede aantykeningen voorzien, door Thobias Gutbeblet R. G., bl. 81

(2) Hetzelfde werk, bl. 142.

(3) Men zie voorts Ds. J. G. Ottema. Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee, medegedeeld in de Vrije Fries, D. IV, bl. 183, welk stuk wij hier hoofdzakelijk tot gids hebben genomen.

(4) Het voert den titel: De Zuiderzee; de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droogmaking beschouwd, door B. J. G. van Diggelen, Zwolle, 1849.

ZUIDHOEK (DE), algemeene naam der Z. W. hoek der prov. Friesland, waarvan Hindeloopen het middelpunt is.

ZWETTE (DE) of de Swadde, sloot, voor een gedeelte de grens uitmakende tusschen de Friesche griet. Kollumerland en Achtkerspelen.

ZWIN (DE ZUIDER-) , kil of diepte in de Zuiderzee, ten N. van de Boerenplaat, omtrent 1 u. ten N. van het eil. Wieringen.

ZWIN (HET) , kil of diepte in de Zuiderzee, ten O. van de Boerenplaat, 1/2 u. N. van de oostelijke punt van het eil. Wieringen.

ZWIN (HET) of Ketelzwin, voorm. kerkhof thans in de Zuiderzee liggende. Zie Swin (Het).